Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2015:4090

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
20-05-2015
Datum publicatie
15-12-2016
Zaaknummer
3365960 CV EXPL 14-9549
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Middenspanningskabel loopt op de plaats van het graafgebied anders dan op de revisietekening. Grondroerder aansprakelijk voor de schade aan de kabel?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector kanton

Locatie Haarlem

zaak/rolnr.: 3365960 CV EXPL 14-9549

datum uitspraak: 20 mei 2015

VONNIS VAN DE KANTONRECHTER

inzake

de naamloze vennootschap Liander N.V.

te Arnhem

eiseres

hierna te noemen Liander

gemachtigde mr. F.J. van Velsen

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

Grondwerkbedrijf en Machineverhuur Paape B.V.

te Overveen

gedaagde

hierna te noemen Paape

verschenen bij haar directeur [naam 1]

De verdere procedure

De kantonrechter heeft op 4 februari 2015 een tussenvonnis gewezen, hierna: het tussenvonnis. Hierin is een comparitie van partijen gelast die heeft plaatsgevonden op

23 maart 2015 onder leiding van mr. [naam 2] in aanwezigheid van mr. R.I.V. Scherpenhuijsen Rom. Liander heeft nog nadere stukken in het geding gebracht. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat partijen verder nog naar voren hebben gebracht.

De feiten, de vordering en het verweer

De kantonrechter verwijst voor de feiten, de vordering en het verweer naar het tussenvonnis.

De verdere beoordeling van het geschil

Aan de orde is het antwoord op de vraag of Paape aansprakelijk is voor de schade aan de middenspanningskabel, hierna: de kabel.

De kantonrechter overweegt dienaangaande het volgende. Op grond van artikel 2, lid 2 van Wet informatie-uitwisseling ondergrondse netten (WION) dient een grondroerder de graafwerkzaamheden op zorgvuldige wijze te verrichten. Op grond van lid 3, sub a en b van voornoemd artikel dient de grondroerder ten minste zorg te dragen dat vóór aanvang van de graafwerkzaamheden een graafmelding is gedaan en dat onderzoek is verricht naar de precieze ligging van onderdelen van netten op de graaflocatie.

Op de netbeheerder rust op grond van artikel 10, lid 1, sub a en b WION de verplichting om onverwijld na verzending van het graafbericht informatie te verstrekken aan de Dienst voor het kadaster en de openbare registers, hierna: de Dienst, bestaande uit (in ieder geval) de liggingsgegevens van de kabel(s). Ingevolge artikel 11, lid 1 WION verstrekt de Dienst onverwijld gebiedsinformatie aan degene die de graafmelding heeft gedaan.

Paragraaf 2.4 (het proces van informatie-uitwisseling) van de Memorie van Toelichting bij de WION vermeldt:

“In lagere regelgeving wordt uitgewerkt aan welke eisen de informatie over de liggingsgegevens moet voldoen. (...) Deze eisen zullen onder meer inhouden dat met betrekking tot de nauwkeurigheid van de liggingsgegevens een bandbreedte van één meter aan weerskanten van de kabel of leiding zal worden vastgesteld.”

Paragraaf 3.3 (de toekomstige situatie) van de Memorie van Toelichting bij de WION vermeldt:

“Dit wetsvoorstel omschrijft duidelijk wie welke verantwoordelijkheden heeft. De kabel- en leidingbeheerder moet informatie aanleveren die aan de eisen uit dit wetsvoorstel en de daarop gebaseerde regelgeving voldoet. Omdat wordt vastgelegd wat grondroerders in de gegeven omstandigheden van de verkregen gebiedsinformatie mogen verwachten, wordt ook duidelijker wanneer de informatie aan de eisen voldoet. Dit betekent bijvoorbeeld dat de informatie die op de kaart wordt aangegeven binnen een bepaalde marge moet corresponderen met de feitelijke situatie in de grond. Liggen de kabels of leidingen buiten die marge dan is de beheerder aansprakelijk voor eventuele schade aan de kabels of leidingen. Dit geeft een grote stimulans aan beheerders om de liggingsgegevens op de juiste wijze aan te bieden en ook op orde te krijgen. Deze marge wordt, zoals eerder aangegeven, opgenomen in lagere regelgeving. Dit ontslaat de grondroerder niet van de plicht om altijd zorgvuldig te graven.”

Artikel 5 lid 2 van het Besluit informatie-uitwisseling ondergrondse netten (BION) bepaalt dat de liggingsgegevens die deel uitmaken van de beheerdersinformatie zijn gebaseerd op de meest nauwkeurige metingen die voor de beheerder beschikbaar zijn, met dien verstande dat de metingen ten minste een nauwkeurigheid van een meter hebben.

Tussen partijen is ter zitting als enerzijds gesteld en anderzijds niet weersproken vast komen te staan dat de kabel op de plaats van het graafgebied anders loopt dan op de revisietekening, in de zin dat de kabel niet – zoals op de revisietekening aangeduid – evenwijdig aan de vaart aan de straatkant van de damwand liep, maar de damwand doorkruist en (verder) aan de waterkant evenwijdig aan de vaart loopt. Liander heeft niet weersproken dat de schade is ontstaan aan de waterkant van de damwand, op ongeveer anderhalve meter afstand van de plaats waar de kabel op de tekening was aangeduid. Tussen partijen staat aldus vast dat de afwijkende ligging van de kabel ten opzichte van de revisietekening niet binnen de marge van artikel 5 lid 2 BION is gelegen.

Ter zitting heeft Liander zich dienaangaande op het standpunt gesteld dat de afwijkende ligging ten opzichte van de revisietekening niet aan haar te wijten is. De kabel is – buiten haar medeweten om – verlegd, aldus Liander, zodat zij niet over de juiste gegevens beschikte. Zij heeft zich tevens beroepen op jurisprudentie waaruit voortvloeit dat de ligging van de kabels in de loop der tijd door allerlei van buiten komende oorzaken in belangrijke mate kunnen wijzigen en dat grondroerders daar, gelet op hun onderzoeksplicht, op bedacht moeten zijn.

De kantonrechter volgt Liander hierin niet. Uit de hierboven aangehaalde Memorie van Toelichting valt immers af te leiden dat de netbeheerder in beginsel aansprakelijk is voor de schade aan de kabel die buiten de genoemde (en in het BION vastgelegde) marge van één meter ligt. Daaruit volgt niet dat het noodzakelijk is dat de netbeheerder schuld heeft aan het niet correct vaststellen van de afwijkende ligging, maar eerder dat deze (behoudens uitzonderingen) krachtens verkeersopvattingen voor rekening van de netbeheerder komt. Dat dit in de door Liander aangehaalde jurisprudentie anders is beoordeeld, doet aan het voorgaande niet af. Deze jurisprudentie heeft namelijk grotendeels betrekking op niet vergelijkbare gevallen en (in alle gevallen) betrekking op schade die is ontstaan voor de inwerkingtreding van de WION en het BION.

In de Memorie van Toelichting is tevens bepaald dat de overschrijding van de genoemde marge de grondroerder niet ontslaat van zijn zorgvuldigheidsplicht. De kantonrechter is evenwel van oordeel dat Paape niet onzorgvuldig heeft gehandeld. Tussen partijen staat vast dat Paape een proefsleuf heeft gegraven op de plek waar de kabel volgens de revisietekening aan de straatkant vóór de damwand een bocht maakt. Zij heeft de kabel gelokaliseerd en vastgesteld dat deze aan het einde van de bocht parallel liep aan de straatkant van de damwand, zoals op de revisietekening aangeduid. Paape mocht er dan ook op grond van de tekening en de proefsleuf van uit gaan dat de kabel aan de straatkant van de damwand liep en zij aan de andere kant van de damwand (ongeveer 1,5 meter verder), te weten de waterkant van de damwand zonder risico voor schade kon graven.

De kantonrechter volgt de stelling van Liander dat Paape de kabel over de volledige lengte had moeten traceren, niet. Een dergelijke algemene regel vloeit niet voort uit de wet, noch uit de door Liander aangehaalde jurisprudentie. Uit de jurisprudentie volgt veeleer dat de omstandigheden van het geval doorslaggevend zijn voor de omvang van de onderzoeksplicht van de grondroerder.

Op grond van de omstandigheden van dit geval is de kantonrechter van oordeel dat Paape niet meer onderzoek hoefde te doen dan zij heeft gedaan. Paape werd geconfronteerd met een geheel andere en onverwachte ligging van de kabel ten opzichte van de revisietekening en de proefsleuf. Zij heeft in dit verband terecht aangevoerd dat niet van haar kon worden verlangd dat zij ook aan de waterkant van de damwand proefsleuven zou graven, omdat het in de gegeven omstandigheden hoogst onwaarschijnlijk was dat de kabel door de damwand zou lopen.

Op grond van het voorgaande zal de vordering van Liander worden afgewezen.

Liander zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten van Paape. Omdat Paape zich niet door een professionele gemachtigde heeft laten bijstaan, komen op grond van het bepaalde bij artikel 238 Rv, voor vergoeding slechts de noodzakelijke reis- en verblijfkosten in aanmerking. De door Paape gestelde niet nader gespecificeerde (proces)kosten van € 2.424,00 komen daarvoor niet in aanmerking.

De beslissing

De kantonrechter:

- wijst de vordering af;

- veroordeelt Liander tot betaling van de proceskosten, die aan de kant van Paape tot en met vandaag worden begroot op € 25,00 aan reis- en verblijfkosten.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.I.V. Scherpenhuijsen Rom en uitgesproken op de openbare terechtzitting van bovengenoemde datum.