Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2015:3265

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
15-04-2015
Datum publicatie
20-04-2015
Zaaknummer
C/15/214542 / HA ZA 14-258
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De kern van het geschil tussen partijen betreft de vraag of de bank haar (bijzondere) zorgplicht jegens eiser heeft geschonden door eiser onjuist of onvolledig te informeren over de Renteswap en Supercollar en de daaraan verbonden risico’s op het moment dat de marktrente daalt in plaats van stijgt, welke risico’s zich thans hebben verwezenlijkt.

De bank heeft – voordat eiser de Renteswap is aangegaan – eiser bij reeds genoemde brief van 5 juni 2007 uitdrukkelijk voorgehouden dat hij met de Renteswap niet “van een eventuele rentedaling” zou profiteren en dat, indien eiser verwachtte dat de markrente zou dalen, het “niet verstandig” zou zijn het “renterisico te fixeren middels een renteruil”. Ook bij de Supercollar heeft de bank eiser – voordat eiser deze is aangegaan – er bij brief van 15 januari 2008 nadrukkelijk op gewezen dat eiser “niet onbeperkt profiteert van een rentedaling” en dat, zodra de markrente “lager of gelijk is aan 3,15%”, de rentelasten niet langer slechts de Rentefloor, maar alsnog “5,00 % exclusief debiteurenopslag” bedragen. Aldus valt niet in te zien dat de bank eiser onvoldoende of onjuist heeft geïnformeerd over vorenbedoelde risico’s van de Renteswap en Supercollar en al helemaal niet op het punt waar eiser zich – in de kern – over beklagen, namelijk dat de marktrente is gedaald en dat eiser daar niet (meer) van profiteert

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTHR 2015, afl. 4, p. 207
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Afdeling privaatrecht

Sectie Handel & Insolventie

zaaknummer / rolnummer: C/15/214542 / HA ZA 14-258

Vonnis van 15 april 2015

in de zaak van

1 [eiser],

wonende te Castricum,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[eiser] BEHEER B.V.,

statutair gevestigd te Limmen en kantoorhoudende te Castricum,

eisers,

advocaat: mr. M. van Schoonhoven,

de coöperatie

COÖPERATIEVE RABOBANK IJMOND U.A.,

statutair gevestigd te Beverwijk en kantoorhoudende te Velserbroek, gemeente Velsen,

gedaagde,

advocaat: mr. D.F. Lunsingh Scheurleer.

Partijen zullen hierna [eiser] c.s. (afzonderlijk [eiser] en [eiser] Beheer) en Rabobank worden genoemd.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 24 september 2014;

- het proces-verbaal van comparitie van 2 maart 2015, waaruit blijkt dat [eiser] c.s. hebben verzocht na de comparitie te worden toegestaan (nogmaals) een akte wijziging van eis te nemen en dat dit verzoek door de rechtbank is afgewezen.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[eiser] is actief in de metaalindustrie en is (voormalig) bestuurder van een aantal vennootschappen, waaronder [eiser] Beheer. [eiser] c.s. bankieren sinds 2004 bij Rabobank.

2.2.

Bij brief van 15 juli 2004 heeft Rabobank [eiser] een financieringsvoorstel doen toekomen voor een lening van in totaal € 2.750.000,00 ten behoeve van (onder meer) [eiser] Beheer. [eiser] heeft dit voorstel als bestuurder van (onder meer) [eiser] Beheer ondertekend. In het financieringsvoorstel staat onder meer:

Met genoegen doe ik u hierbij het financieringsvoorstel toekomen inzake uw financieringsaanvraag ad EUR 2.750.000,-- voor de financiering van de overname van de faciliteiten bij de ABN-Amro Bank N.V. alsmede ter herfinanciering van de bestaande kredietlijnen bij onze bank en ter uitbreiding en financiering van het werkkapitaal. (…) Dit voorstel is gebaseerd op onze eerder gevoerde gesprekken.

2.3.

Op 22 september 2004 hebben Rabobank en [eiser] Beheer met het oog op de verstrekte geldleningen een ‘Overeenkomst Financiële Derivaten’ gesloten. [eiser] heeft deze overeenkomst als bestuurder van [eiser] Beheer ondertekend. In de overeenkomst is, voor zover hier relevant, bepaald:

In aanmerking nemende

1. dat partijen willen voorzien in een Overeenkomst voor het geval zij één of meerdere Transacties, zoals gedefinieerd in de Algemene Voorwaarden voor Financiële Derivaten van de Rabobank (…) zijn overeengekomen of wellicht in de toekomst zullen overeenkomen;(…) ”

2.4.

Vervolgens is [eiser] Beheer op 29 september 2004 een ‘rentecap’ aangegaan ter afdekking van de renterisico’s van de variabelrentende geldleningen. De rentecap is aangegaan voor de duur van vijf jaar met ingang van 1 oktober 2004 (en eindigend op 1 oktober 2009) , met een nominaal bedrag van € 1.000.000,00 en een renteplafond van 4,5%. [eiser] heeft de schriftelijke bevestiging van de rentecap van 4 oktober 2004 namens [eiser] Beheer ondertekend. In de bevestiging staat onder meer:

Door middel van deze Transactie wordt, op de hierin nader aangegeven wijze, het risico uitgewisseld dat de Variabele Rente hoger is dan het Cap Niveau. (…)

2.5.

Bij brief van 6 juni 2006 heeft Rabobank een voorstel gedaan voor een door [eiser] aangevraagde geldlening van € 1.850.000,00 ter financiering van een nieuw te bouwen pand aan [adres1]. In het financieringsvoorstel staat onder meer:

Voor de rente biedt de bank de volgende opties aan:

- Rabobank Roll-Over Lening : het 3-maands euribor tarief (de basiscomponent) verhoogd met een opslag van 1 %-punt (…)

- rente voor 5 jaar vast; thans 4,9% per jaar (…)

2.6.

[eiser] heeft het financieringsvoorstel op 13 juni 2006 ondertekend en heeft gekozen voor een vastrentende lening.

2.7.

In het voorjaar van 2007 hebben Rabobank en [eiser] gesproken over een andere geldlening van € 3.000.000,00 voor de herfinanciering van de lening bij het PVF Pensioenfonds. Dit heeft geresulteerd in het financieringsvoorstel van Rabobank aan [eiser] van 13 september 2007.

2.8.

Bij ‘renterisicomanagement’ brief aan [eiser] van 5 juni 2007 heeft Rabobank twee alternatieven gepresenteerd voor het afdekken van de renterisico’s van de voornoemde lening van € 3.000.000,00. In de brief staat onder meer:

“U heeft aangegeven dat u verwacht dat de rentes nog verder kunnen gaan oplopen. U wenst zich nu al tegen een rentestijging te beschermen, maar wel te profiteren van een mogelijke (toekomstige) rentedaling. (…)

Alternatief 1: Interest Rate Swap

(…) Een swap is in feite een ruil tussen een vaste rente en een variabele rente. De ene partij betaalt gedurende de looptijd van de swap een vaste rente aan de andere partij. De tegenpartij betaalt als tegenprestatie de variabele (Euribor) rente. (…)

Voordeel:

(…) U bent volledig beschermd tegen een rentestijging (…)

Nadeel:

(…) U profiteert niet van een eventuele rentedaling.

Rentevisie:

(…) Indien u verwacht dat de geldmarktrente kortstondig verder zal stijgen en daarna gaat dalen, zou het niet verstandig zijn om uw renterisico te fixeren middels een renteruil.

Alternatief 2: Winstdelend Renteplafond (participating cap)

(…) Het winstdelende renteplafond is een combinatie van een vaste rente en een variabele rente. U profiteert voor een deel van het verschil tussen de vaste rente en de variabele rente. U betaalt echter nooit meer dan de vaste rente (exclusief debiteurenopslag).”

2.9.

Op 6 juni 2007 is [eiser], al dan niet namens [eiser] Beheer, met het oog op het afsluiten van een van de voornoemde renteproducten een nieuwe ‘Overeenkomst Financiële Derivaten’ (hierna: de OFD) aangegaan. In de OFD is, voor zover hier relevant, bepaald:

“1.3 De Overeenkomst is van toepassing op alle Transacties en zij vervangt alle eerdere mondelinge en/of schriftelijke afspraken daaromtrent tussen partijen. (…)

3.1

De Overeenkomst Financiële Derivaten vormt één geheel met alle Bevestigingen en alle afzonderlijke Transacties en de Overeenkomst Financiële Derivaten en alle Bevestigingen en alle Transacties vormen één enkel contract tussen partijen (…)”

2.10.

Op de OFD zijn (onder meer) de ‘Algemene Voorwaarden Financiële Derivaten’ van Rabobank (hierna: de Algemene voorwaarden) van toepassing. In de Algemene voorwaarden is, voor zover hier relevant, bepaald:

Gevolgen van Verzuim

(…)

11.5

Per de Vervroegde Vervaldag worden de onder de Opgezegde Transacties verschuldigde betalingsverplichtingen omgezet in een verplichting tot onmiddellijke betaling van het Afrekeningsbedrag.

(…)

Afrekeningsbedrag

(…)

12.2

Indien het Afrekeningsbedrag een negatief getal is, zal de Bank dit per de Vervroegde Vervaldag aan de Klant verschuldigd zijn, en indien het Afrekeningsbedrag een positief getal is, zal de Klant dit per de Vervroegde Vervaldag aan de Bank verschuldigd zijn. (…)

12.4

Het Afrekeningsbedrag is een redelijke tegemoetkoming voor de geleden schade, inclusief de gederfde winst, en is geen boete. Behoudens voor zover anderszins voortvloeit uit de Overeenkomst zullen partijen over en weer niet gerechtigd zijn tot enige verdere vergoeding van schade.

(…)

Wijzigingen en beëindiging

(…)

15.5

Ieder der partijen heeft het recht de Overeenkomst schriftelijk aan de andere partij op te zeggen met inachtneming van een opzegtermijn van dertig (30) dagen. Beëindiging van de Overeenkomst heeft geen beëindiging van reeds gesloten Transacties tot gevolg. De bepalingen van de Overeenkomst blijven voor reeds gesloten Transacties van kracht tot die Transacties volledig zijn afgewikkeld. (…)”

2.11.

In de Algemene voorwaarden is het begrip afrekeningsbedrag (hierna: het Afrekeningsbedrag) als volgt gedefinieerd:

Afrekeningsbedrag: een bedrag gelijk aan (i) de som van de Eurowaarde van alle Verliezen, plus (ii) de som van de Eurowaarde van alle Onbetaalde Bedragen verschuldigd door de Klant aan de Bank, verminderd met (iii) de som van de Eurowaarde van alle Onbetaalde Bedragen verschuldigd door de Bank aan de Klant; (…)”

2.12.

Eveneens op 6 juni 2007 is [eiser], al dan niet namens [eiser] Beheer, een ‘renteswap’ met Rabobank aangegaan ter afdekking van de renterisico’s van de variabelrentende lening van € 3.000.000,00 met een rente van 4,8 % (hierna: de Renteswap). De Renteswap heeft een looptijd van 10 jaar met ingang van 1 oktober 2007. Medio 2009 is de Renteswap (alsnog) op naam van [eiser] gezet.

2.13.

Rabobank heeft [eiser] op 6 juni 2007 een bevestiging van de Renteswap doen toekomen. Daarin staat onder meer:

Werking van de Transactie

Door middel van deze Transactie wordt, op de hierin nader aangegeven wijze, het renteprofiel met betrekking tot het Nominaal Bedrag gewijzigd van een vaste rente naar een variabele rente (of omgekeerd, al naar gelang u de Betaler Vaste Rente of de Betaler Variabele Rente bent). (…)

Nominaal Bedrag: EUR 3.000.000,00 (…)

vaste rente

Betaler Vaste Rente: de Klant (…)

Vaste Rente: 4,80000 % (…)

Vaste Rente Bedrag Berekening: Nominaal Bedrag voor de betreffende periode x Vaste Rente x ACT/360

variabele rente

Betaler Variabele Rente: de Bank (…)

Variabele Rente: EUR-EURIBOR-TELERATE (…)

Variabele Rente Bedrag Berekening: Nominaal Bedrag voor de betreffende periode x Variabele Rente x ACT/360.”

2.14.

In december 2007 heeft [eiser] een nieuwe financieringsaanvraag gedaan in verband met de overdracht van het pand aan [adres2] van [eiser] Beheer naar [eiser] in privé. Rabobank heeft [eiser] daarop bij brief van 28 december 2007 een financieringsvoorstel doen toekomen voor twee variabelrentende geldleningen van in totaal € 3.500.000,00. [eiser] heeft het financieringsvoorstel ondertekend.

2.15.

Op 15 januari 2008 heeft tussen [eiser] en Rabobank een gesprek plaatsgevonden over het afdekken van de renterisico’s op de voornoemde variabelrentende geldleningen. Tijdens dit gesprek heeft Rabobank wederom een voorstel ‘renterisicomanagement’ aan [eiser] voorgelegd. In het voorstel staat onder meer:

“Wij hebben het genoegen u een voorstel te presenteren, namens Rabobank IJmond-Noord, voor het afdekken van renterisico’s. (…)

Alternatief 1 Interest Rate Swap

(…)

De ene partij betaalt gedurende de looptijd van de swap een vaste rente aan de andere partij. De tegenpartij betaalt als tegenprestatie de variabele (Euribor) rente. (…)

Alternatief 2 Supercollar

Het renterisico kunt u begrenzen door een bandbreedte te creëren met een plafond en een bodem waarbinnen de rente zich kan bewegen. Op deze wijze profiteert u van de voordelen van een variabele rente en weet u exact wat uw maximale en minimale rentelasten kunnen zijn.

U kunt deze bandbreedte zien als een verzekering tegen een ongunstige rente ontwikkeling, waarbij u niet onbeperkt profiteert van een rentedaling. (…)

Uw rentelasten met supercollar voor 10 jaar zullen nimmer hoger zijn dan 5,00 % exclusief debiteurenopslag. Als de rente lager is, betaalt u deze lagere rente. Zodra de rente echter lager of gelijk is aan 3,15% bedragen uw rentelasten 5,00 % exclusief debiteurenopslag.”

2.16.

[eiser] heeft vervolgens gekozen voor het laatste alternatief en is met ingang van 1 februari 2008 een ‘supercollar’ aangegaan voor de duur van 10 jaar (hierna: de Supercollar). De Supercollar kent een renteplafond van 5,00 % (hierna: de Rentecap) en een ondergrens van 3,1 % (hierna: de Rentefloor). Rabobank heeft de Supercollar op 15 januari 2008 schriftelijk bevestigd. In de bevestiging staat onder meer:

“Door middel van deze Transactie wordt, op de hierin nader aangegeven wijze, het risico uitgewisseld dat de Variabele Rente hoger is dan het Super Collar Cap Niveau of lager is dan het Super Collar Floor Niveau. (…)

Voorwaarden

(…)

Nominaal Bedrag: EUR 3.500.000,00 (…)

Verkoper: De Bank

Koper: De Klant

Super Collar Cap Niveau: 5,0000 %

Super Collar Floor Niveau: 3,1000 %

(…)

Variabele Rente: EUR-Euribor-Reuters (…)

Cap Bedrag te voldoen door Indien op één van de Herzieningsdata

de Verkoper aan de Koper: Variabele Rente de Variabele Rente hoger is dan het Super Collar Cap Niveau, is een Cap Bedrag verschuldigd voor de volgende periode (…)

Floor Bedrag te voldoen door Indien op een van de Herzieningsdata

De Koper aan de Verkoper: Variabele Rente de Variabele Rente gelijk is aan of lager is dan het Super Collar Floor Niveau, is een Floor Bedrag verschuldigd voor de volgende periode.”

2.17.

Sinds 31 december 2008 heeft Rabobank jaarlijks een ‘Positie Overzicht Derivaten’ aan [eiser] doen toekomen, met daarin een overzicht van de actuele waarde van de Renteswap en Supercollar. Daarnaast heeft Rabobank [eiser] vanaf 1 oktober 2007 ieder kwartaal een vaststelling van de variabele Euribor-rente (hierna: de marktrente) toegestuurd wat betreft de Renteswap en vanaf 30 januari 2008 maandelijks wat betreft de Supercollar.

2.18.

Na de ingangsdatum van de Renteswap en Supercollar is de marktrente gedaald tot een lager niveau dan de in de Renteswap en Supercollar overeengekomen rentetarieven. De Renteswap en Supercollar hebben hierdoor een negatieve marktwaarde ontwikkeld.

2.19.

Naar aanleiding daarvan hebben [eiser] en Rabobank – op verzoek van [eiser] – op 21 april 2009 gesproken over de herstructurering van de Renteswap en Supercollar. Tijdens dat gesprek gaf [eiser] aan dat hij zijn rentelasten wenste te verlagen.

2.20.

Naar aanleiding van dit gesprek heeft Rabobank op 6 mei 2009 opnieuw een voorstel ‘renterisicomanagement’ aan [eiser] doen toekomen, waarin onder meer staat:

“Omdat de algehele renteverwachting was dat de kapitaalmarktrente verder zou kunnen gaan oplopen, heeft u gekozen voor zekerheid omtrent uw rentelasten. Daarom heeft u de volgende rentecontracten afgesloten:

1) Op 06-06-2007 een renteruil (…) tot 02-10-2017 voor een bedrag van EUR 3.000.000,00. (…)

2) Op 15-12-2008 een 50 % winstdelende supercollar (…) tot 01-02-2018 voor een bedrag van EUR 3.500.000,00. (…)

Omdat met name de korte rente zo veel is gedaald, heeft u ons in ons gesprek aangegeven nader geïnformeerd te willen worden over de mogelijkheden om (deels) te kunnen profiteren van de lagere renteniveaus. (…)

Indien u een renteruil gaat afsluiten waarbij u een vaste rente gaat ontvangen en de variabele rente gaat betalen heeft u wel het renterisico geheel geopend. Dat betekent dat indien de euriborrente gaat stijgen u duurder uit zou kunnen zijn dan in de huidige situatie. U heeft in juni 2007 gekozen voor zekerheid over uw rentelasten.”

2.21.

In het voorstel heeft Rabobank twee alternatieven uitgewerkt om de rentelasten van [eiser] te verlagen. In het voorstel staat hierover:

Alternatief 1: Afkopen bestaande Interest Rate Swaps:

Teneinde aan uw wensen te kunnen voldoen, kan de reeds afgesloten Interest Rate Swap (…) worden afgekocht. De huidige kapitaalmarktrente is beduidend lager dan het door u te betalen vaste rente percentage in de renteruil. Het verschil tussen deze renteniveaus (de negatieve marktwaarde) dient u dan te betalen. Na betaling van deze marktwaarde worden de Interest Rate Swaps beëindigd. (…)

Alternatief 2: Reduceren rentelasten:

Als alternatief voor het afkopen kunt u ook een renteruil vast naar variabel afsluiten. Het voordeel hiervan is dat u uw rentelasten initieel verlaagt maar vervolgens eveneens het risico loopt van een stijgend euribor tarief. (…)

Conclusie

Indien u een renteruil zou afsluiten waarbij u een vaste rente gaat ontvangen en de variabele rente gaat betalen heeft u wel het renterisico geheel geopend. Dat betekent dat indien de euriborrente gaat stijgen u duurder uit zou kunnen zijn dan in de huidige situatie. U heeft in juni 2007 gekozen voor zekerheid over uw rentelasten.”

2.22.

[eiser] heeft er voor gekozen de Renteswap en Supercollar ongewijzigd in stand te laten en heeft aldus geen gebruik gemaakt van de door Rabobank aangeboden alternatieven.

2.23.

Bij brief van hun advocaat van 8 januari 2014 hebben [eiser] c.s. Rabobank aansprakelijk gesteld voor de door hen als gevolg van de Renteswap en Supercollar geleden schade. In dezelfde brief hebben [eiser] c.s. Rabobank in dit kader verzocht om een gesprek.

2.24.

Het gesprek, dat heeft plaatsgevonden op 18 februari 2014, heeft niet

tot overeenstemming tussen partijen geleid.

3 Het geschil

3.1.

[eiser] c.s. vorderen (samengevat) – na wijziging van eis – bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

I. Primair:

  1. te verklaren voor recht dat Rabobank jegens [eiser] onrechtmatig heeft gehandeld door te handelen in strijd met de op haar rustende bijzondere zorgplicht jegens [eiser] bij het aangaan en tijdens de looptijd van de OFD, de Renteswap en de Supercollar;

  2. Rabobank te veroordelen tot vergoeding van de schade van € 1.547.911,40 die [eiser] als gevolg van de schending van de bijzondere zorgplicht heeft geleden, te vermeerderen met de wettelijke rente;

  3. (partiële) vernietiging van de Algemene voorwaarden, althans buitenwerkingstelling van de artikelen 11.5 en 15.5 van de Algemene voorwaarden;

Subsidiair:

4. ontbinding van de OFD, de Renteswap en de Supercollar wegens tekortkoming in de nakoming door Rabobank van artikel 10.1 (c) van de Algemene voorwaarden wegens schending van haar bijzondere zorgplicht jegens [eiser] bij het aangaan van de OFD, de Renteswap en de Supercollar;

5. Rabobank te veroordelen tot vergoeding van de schade die [eiser] als gevolg van de schending van de bijzondere zorgplicht heeft geleden, ad € 1.547.911,40 vermeerderd met de wettelijke rente;

Meer subsidiair:

6. vernietiging van de OFD, Renteswap en Supercollar wegens dwaling en betaling van € 1.547.911,40 zodat [eiser] wordt teruggebracht in de positie waarin hij zou verkeren indien hij voornoemde overeenkomsten niet zou zijn aangegaan, dan wel zodanige wijziging van voornoemde overeenkomsten dat de artikelen 11.5 en 12 van de Algemene voorwaarden buiten werking worden gesteld en [eiser] de overeenkomsten kan beëindigen zonder het Afrekeningsbedrag verschuldigd te zijn;

7. vernietiging dan wel buitenwerkingstelling van de OFD, Renteswap en Supercollar op grond van de derogerende werking van de redelijkheid en billijkheid, alsmede het terugbrengen van [eiser] in de situatie waarin hij had verkeerd als hij voornoemde overeenkomsten als gevolg van dwaling niet was aangegaan.

II. Rabobank te veroordelen tot betaling van de buitengerechtelijke incassokosten, begroot op € 6.775,00;

III. Rabobank te veroordelen in de nakosten, begroot op € 131,00;

IV. Rabobank te veroordelen in de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.

3.2.

[eiser] c.s. leggen aan hun vordering ten grondslag dat Rabobank onrechtmatig jegens [eiser] heeft gehandeld en subsidiair dat Rabobank toerekenbaar is toerekenbaar is tekortgeschoten in haar verplichtingen jegens [eiser], omdat zij heeft gehandeld in strijd met de op haar jegens [eiser] rustende (bijzondere) zorgplicht. Volgens [eiser] c.s. heeft Rabobank [eiser] – gezien zijn beperkte kennis op het gebied van renteproducten – bij het aangaan van de OFD, de Renteswap en Supercollar onjuist en onvolledig geïnformeerd over de werking en mogelijk negatieve gevolgen van deze transacties. [eiser] c.s. maken Rabobank de volgende verwijten:

a. Rabobank heeft [eiser] onjuist geadviseerd dat de Renteswap en de Supercollar een vaste rente kenden, nu deze renteproducten feitelijk als variabele rente functioneren;

b. Rabobank heeft [eiser] niet gewezen op (en heeft nagelaten zich er van te vergewissen dat [eiser] zich bewust was van) het risico dat hij als gevolg van de Renteswap en de Supercollar meer rente zou moeten betalen in plaats van dat hij lagere rentekosten zou hebben;

c. Rabobank heeft nagelaten te onderzoeken of de Renteswap en Supercollar voor [eiser] passend waren.

Indien Rabobank [eiser] juist had ingelicht, dan was hij de Renteswap en de Supercollar niet aangegaan, aldus [eiser] c.s. Rabobank dient daarom de schade die [eiser] heeft geleden, bestaande uit de rentebedragen die hij voor de Renteswap en Supercollar heeft betaald, te vergoeden. Daarnaast stellen [eiser] c.s. dat een aantal bepalingen van de Algemene voorwaarden onredelijk bezwarend is en dient te worden vernietigd, dan wel buiten werking gesteld, zodat [eiser] de OFD, Renteswap en Supercollar kan beëindigen zonder het Afrekeningsbedrag verschuldigd te zijn.

3.3.

Aan het meer subsidiaire onderdeel van de vordering leggen [eiser] c.s. ten grondslag dat [eiser] heeft gedwaald bij de totstandkoming van de OFD, de Renteswap en Supercollar. De dwaling dient in de gegeven omstandigheden aan Rabobank te worden toegerekend en daarnaast ook op grond van de redelijkheid en billijkheid niet voor rekening van [eiser] te blijven. Rabobank dient dan ook de door [eiser] als gevolg van de dwaling geleden schade te vergoeden, aldus [eiser] c.s.

3.4.

Rabobank voert gemotiveerd verweer en concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [eiser] c.s. in hun vorderingen, althans tot afwijzing van de vorderingen van [eiser] c.s., althans tot matiging van de gevorderde schadevergoeding wegens eigen schuld van [eiser], onder veroordeling van [eiser] c.s., uitvoerbaar bij voorraad, in de proceskosten.

3.5.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

De (bijzondere) zorgplicht

4.1.

De kern van het geschil tussen partijen betreft de vraag of Rabobank haar (bijzondere) zorgplicht jegens [eiser] heeft geschonden door [eiser] onjuist of onvolledig te informeren over de Renteswap en Supercollar en de daaraan verbonden risico’s op het moment dat de marktrente daalt in plaats van stijgt, welke risico’s zich thans hebben verwezenlijkt.

4.2.

[eiser] c.s. stellen dat Rabobank [eiser] bij het aangaan van de Renteswap en Supercollar er niet voor heeft gewaarschuwd dat deze renteproducten tot gevolg kunnen hebben dat [eiser] hogere rentebedragen betaalt dan in het geval hij geen gebruik zou hebben gemaakt van deze renteproducten. Ter betwisting hiervan voert Rabobank aan dat [eiser] te kennen had gegeven de renterisico’s van zijn variabelrentende geldleningen te willen afdekken en dat Rabobank hem daartoe een aantal renteproducten heeft aangeboden. Volgens Rabobank heeft zij bij die gelegenheid de werking en de risico’s van deze renteproducten uitgebreid aan [eiser] toegelicht. [eiser] heeft vervolgens bewust voor de Renteswap en Supercollar met de daaraan verbonden (voor- en) nadelen gekozen, aldus Rabobank.

4.3.

Vast staat dat [eiser] en Rabobank medio 2007 (wederom) in overleg zijn getreden over de mogelijkheden voor [eiser] om de renterisico’s van de verstrekte variabelrentende geldleningen af te dekken. Dat [eiser] in dit kader meer zekerheid wilde, vindt steun in de brief van Rabobank van 5 juni 2007. In deze brief, die [eiser] voor het aangaan van de renteproducten heeft ontvangen, staat immers dat [eiser] verwachtte dat de marktrente verder zou stijgen en dat hij zich “tegen een rentestijging” wenste te “beschermen”. Ook in de brief van Rabobank aan [eiser] van 6 mei 2009 wordt vermeld dat [eiser] “in juni 2007” heeft “gekozen voor zekerheid” over de rentelasten en dat [eiser] renteproducten wilde afsluiten “omdat de algehele renteverwachting was dat de kapitaalmarktrente verder zou kunnen gaan oplopen”. Indien voornoemde brieven de wensen van [eiser] onjuist weergaven, had het op de weg van [eiser] gelegen Rabobank daar aanstonds op te wijzen. [eiser] heeft echter in het geheel geen bezwaar tegen voormelde passages gemaakt. Dat [eiser] – zoals hij ter comparitie heeft betoogd – deze passages niet heeft gelezen, komt voor zijn rekening en risico.

4.4.

Rabobank is vervolgens aan de wensen van [eiser] tegemoet gekomen en heeft, omdat ook zij destijds verwachtte dat de marktrente zou stijgen, [eiser] bij brieven van 5 juni 2007 en 15 januari 2008 onder meer de Renteswap en Supercollar aangeboden. Uit hoofde van de Renteswap betaalt [eiser] gedurende de looptijd daarvan een vaste rente van 4,8 %. Uit hoofde van de Supercollar betaalt [eiser] gedurende de looptijd daarvan maximaal de Rentecap van 5,0 %. Voor zowel de Renteswap als de Supercollar geldt dat Rabobank als tegenprestatie steeds de marktrente betaalt, ongeacht de hoogte daarvan. Aldus bieden de Renteswap en Supercollar bescherming tegen een stijgende marktrente en bieden deze producten, anders dan [eiser] c.s. stellen, niet een variabele, maar een vaste rente. Hieruit volgt dat beide renteproducten – in het licht van de wensen van [eiser] – (in beginsel) tegemoet kwamen aan hetgeen hij primair beoogde: de zekerheid dat hij in geen geval meer dan 4,8% resp 5% rente zou moeten betalen, welke zekerheid hij hierdoor verkreeg op een moment dat de marktrente (nog) een stijging liet zien.

4.5.

Vast staat echter dat de marktrente nadien – in plaats van gestegen – aanzienlijk is gedaald. [eiser] c.s. stellen dat [eiser] niet op deze mogelijkheid en de daaraan verbonden nadelen is gewezen. Dit betoog faalt. Rabobank heeft – voordat [eiser] de Renteswap is aangegaan – [eiser] bij reeds genoemde brief van 5 juni 2007 uitdrukkelijk voorgehouden dat hij met de Renteswap niet “van een eventuele rentedaling” zou profiteren en dat, indien [eiser] verwachtte dat de markrente zou dalen, het “niet verstandig” zou zijn het “renterisico te fixeren middels een renteruil”. Ook bij de Supercollar heeft Rabobank [eiser] – voordat [eiser] deze is aangegaan – er bij brief van 15 januari 2008 nadrukkelijk op gewezen dat [eiser] “niet onbeperkt profiteert van een rentedaling” en dat, zodra de markrente “lager of gelijk is aan 3,15%”, de rentelasten niet langer slechts de Rentefloor, maar alsnog “5,00 % exclusief debiteurenopslag” bedragen. Aldus valt niet in te zien dat Rabobank [eiser] onvoldoende of onjuist heeft geïnformeerd over vorenbedoelde risico’s van de Renteswap en Supercollar en al helemaal niet op het punt waar [eiser] c.s. zich – in de kern – over beklagen, namelijk dat de marktrente is gedaald en dat [eiser] daar niet (meer) van profiteert.

4.6.

[eiser] c.s. stellen nog dat [eiser] zich (desondanks) niet bewust was van voornoemde risico’s (verbonden aan een aanzienlijke daling van de marktrente) en dat [eiser], als hij dat wel was geweest, in plaats van de Renteswap en Supercollar een variabelrentende lening zou zijn aangegaan. Ook dit betoog faalt, want het is niet aannemelijk: zoals hiervoor is gebleken, wilde [eiser] juist meer zekerheid omtrent het maximum van zijn rentelasten.

Daarmee strookt niet de stelling dat [eiser] als alternatief voor de Renteswap en Supercollar een variabele rente zou hebben gekozen. Daarbij komt dat [eiser] c.s. ook in het verleden steeds vastrentende leningen zijn aangegaan, waaronder de lening bij Rabobank van 13 juni 2006 en – zoals [eiser] c.s. niet hebben betwist – de door Rabobank van andere banken overgenomen vastrentende leningen van [eiser] c.s..

4.7.

Met Rabobank is de rechtbank van oordeel dat de nadelen die [eiser] thans als gevolg van de Renteswap en Supercollar ondervindt, zich ook hadden voorgedaan als [eiser] in plaats van de Renteswap en Supercollar had gekozen voor een lening met een vaste rente. Ook dan had [eiser] immers niet van een dalende marktrente geprofiteerd. Voor zover [eiser] c.s. bedoelen te betogen dat [eiser] door de Renteswap en Supercollar tevens nadeel ondervindt van de actuele negatieve waarde van deze renteproducten, geldt dat – afgezien van het feit dat bij voortijdige beëindiging van een vastrentende lening eveneens een vergelijkbaar boetebedrag verschuldigd zal zijn - gesteld noch gebleken is dat een vroegtijdige beëindiging van de Renteswap en Supercollar aan de orde is, zodat dit nadeel zich thans nog niet heeft verwezenlijkt en dan ook niet voor vergoeding in aanmerking kan komen.

4.8.

De omstandigheid dat achteraf bezien een variabelrentende lening gunstiger voor [eiser] c.s. zou hebben uitgepakt dan een lening met een vaste rente, zoals [eiser] c.s. stellen, kan Rabobank niet worden verweten. Destijds was immers niet te voorzien, althans zo is gebleken noch aannemelijk gemaakt, dat de rente gedurende de looptijd verder zou blijven dalen. Daarbij komt dat Rabobank, naar aanleiding van de klacht van [eiser] aan Rabobank dat hij teveel rente betaalde, op 6 mei 2009 een voorstel heeft gedaan om [eiser] (alsnog) van de lage marktrente te laten profiteren. Een van de voorgestelde alternatieven betrof een (omgekeerde) renteruil van de overeengekomen rente naar een variabele rente. [eiser] heeft er toen echter voor gekozen de Renteswap en de Supercollar ongewijzigd in stand te laten en dus niet (alsnog) te opteren voor een variabele rente.

4.9.

Gelet op al het voorgaande luidt de slotsom dat Rabobank haar (bijzondere) zorgplicht jegens [eiser] – op specifiek die verwijten die aan de vordering van [eiser] c.s. ten grondslag liggen – niet heeft geschonden. De hiervoor onder 3.1 in I onder (1) en (2) weergegeven primaire onderdelen van de vordering zullen derhalve worden afgewezen, evenals de subsidiaire vorderingen onder (4) en (5) in I.

Algemene voorwaarden

4.10.

[eiser] c.s. beroepen zich voorts op de vernietigbaarheid van – zo begrijpt de rechtbank – de artikelen 11.5 en 15.5 van de Algemene voorwaarden.

4.11.

Een beding in algemene voorwaarden is ingevolge artikel 6:233 onder a BW vernietigbaar indien het – gelet op de aard en de overige inhoud van de overeenkomst, de wijze waarop de voorwaarden tot stand zijn gekomen, de wederzijds kenbare belangen van partijen en de overige omstandigheden van het geval – onredelijk bezwarend is voor de wederpartij.

4.12.

[eiser] c.s. stellen dat artikel 15.5 van de Algemene voorwaarden onredelijk bezwarend is in de zin van artikel 6:236 onder b BW, omdat beëindiging van de OFD geen beëindiging van de Renteswap en Supercollar tot gevolg heeft en [eiser] met de beëindiging van enkel de OFD niets bereikt. De rechtbank is echter van oordeel dat het enkele feit dat met de beëindiging van de OFD niet tevens de Renteswap en Supercollar eindigen, op zichzelf niet leidt tot onredelijke bezwarendheid van het betreffende beding als bedoeld in artikel 6:236 onder b BW. Artikel 15.5 van de Algemene voorwaarden drukt immers slechts uit dat de OFD en de renteproducten in beginsel van elkaar losstaan en weerhoudt [eiser] er niet van om de OFD te beëindigen en – desgewenst – de renteproducten afzonderlijk te beëindigen. Daarbij komt dat het beding voor zowel [eiser] als voor Rabobank geldt, waardoor het contractuele evenwicht tussen partijen met dit beding niet wordt aangetast.

4.13.

Voorts stellen [eiser] c.s. onder verwijzing naar artikel 6:237 onder i BW dat artikel 11.5 van de Algemene voorwaarden onredelijk bezwarend is, omdat deze bepaling [eiser] bij beëindiging van de renteproducten verplicht een boete te betalen. Met Rabobank is de rechtbank echter van oordeel dat het in het beding genoemde Afrekeningsbedrag een redelijke vergoeding betreft voor het rentevoordeel dat Rabobank misloopt bij vroegtijdige beëindiging van de renteproducten. Het Afrekeningsbedrag valt derhalve onder de in artikel 6:327 sub i BW toegestane uitzondering. Bovendien kan, zo volgt uit artikel 12.2 van de Algemene voorwaarden, het beding ook in het voordeel van [eiser] werken. Indien de Renteswap en Supercollar bij vroegtijdige beëindiging daarvan immers een positieve marktwaarde hebben, is Rabobank juist een bedrag aan [eiser] c.s. verschuldigd.

4.14.

Gelet op het voorgaande luidt de conclusie dat de voornoemde bepalingen niet onredelijk bezwarend zijn jegens [eiser] c.s. en aldus niet voor vernietiging in aanmerking komen. Derhalve kan onbesproken blijven of [eiser] c.s. al dan niet rechtstreeks een beroep op de artikelen 6:236 en 6:237 BW toekomt. Hetgeen [eiser] c.s. in het kader van de Algemene voorwaarden hebben gesteld, kan evenmin tot het oordeel leiden dat de betreffende bedingen buitenwerking dienen te worden gesteld. Ook het onder 3.1 in I onder (3) weergegeven onderdeel van de vordering zal daarom worden afgewezen.

Dwaling

4.15.

[eiser] c.s. doen meer subsidiair een beroep op dwaling bij de totstandkoming van de OFD, de Renteswap en de Supercollar. Rabobank voert – als meest verstrekkend verweer – aan dat de vordering van [eiser] c.s. tot vernietiging van de voornoemde overeenkomsten drie jaar na januari of februari 2008, of in ieder geval drie jaar na het gesprek tussen [eiser] en Rabobank op 21 april 2009 is verjaard. [eiser] c.s. betwisten dit.

4.16.

De rechtbank begrijpt de stellingen van [eiser] c.s. aldus dat de dwaling daarop ziet dat [eiser] bij het aangaan van de voornoemde overeenkomsten niet op de hoogte was van de aan de Renteswap en Supercollar verbonden risico’s, namelijk dat [eiser] niet van een dalende marktrente profiteert en dat de renteproducten een negatieve waarde kunnen ontwikkelen. Als [eiser] hier destijds wel van op de hoogte was geweest, dan was hij de OFD, Renteswap en Supercollar nooit aangegaan, aldus [eiser] c.s.

4.17.

Een beroep op vernietiging op grond van dwaling verjaart drie jaren nadat de dwaling is ontdekt. Vast staat dat [eiser] van de Renteswap vanaf oktober 2007 per kwartaal en van de Supercollar vanaf januari 2008 maandelijks een renteoverzicht heeft ontvangen. Voorts staat vast dat [eiser] vanaf 2008 steeds een jaaroverzicht heeft ontvangen van de marktwaarde van beide renteproducten. Voor zover [eiser] derhalve niet reeds in 2008 op de hoogte was van de risico’s van de renteproducten en hij hier omtrent zou hebben gedwaald, is de rechtbank – met Rabobank – van oordeel dat [eiser] dit in ieder geval tijdens het gesprek met Rabobank op 21 april 2009 heeft ontdekt. Tijdens dat gesprek is immers niet alleen de werking van de renteproducten en de herstructurering daarvan besproken, maar heeft [eiser] bovendien te kennen gegeven dat hij van mening was dat hij teveel rente betaalde.

4.18.

Het voorgaande brengt mee dat de verjaringstermijn in ieder geval op 21 april 2009 is aangevangen, waardoor de vordering van [eiser] c.s. op 8 januari 2014 (toen [eiser] c.s. Rabobank voor de eerste maal aanspraken terzake van de Renteswap en de Supercollar) al was verjaard. Dat [eiser] c.s. pas (veel) later hebben ontdekt dat Rabobank haar zorgplicht heeft geschonden, zoals [eiser] c.s. nog heeft betoogd, maakt dit niet anders. De gestelde dwaling ziet immers op de aan de Renteswap en Supercollar verbonden risico’s en niet op het al dan niet schenden van de zorgplicht door Rabobank.

4.19.

Ook het hiervoor onder 3.1 in I onder (6) weergegeven meer subsidiaire onderdeel van de vordering van [eiser] c.s. zal daarom worden afgewezen.

Redelijkheid en billijkheid

4.20.

[eiser] c.s. vorderen tot slot vernietiging van de OFD, Renteswap en Supercollar op grond van de derogerende werking van de redelijkheid en billijkheid. De door [eiser] c.s. in dit kader gestelde feiten en omstandigheden hebben echter (uitsluitend) betrekking op de Algemene voorwaarden en het – hiervoor verworpen – beroep van [eiser] c.s. op vernietiging danwel buitenwerkingstelling van die voorwaarden. Nu [eiser] c.s. geen andere feiten en omstandigheden aan het beroep op de derogerende werking van de redelijkheid en billijkheid ten grondslag hebben gelegd, deelt dit onderdeel van de vordering hetzelfde lot en zal het dan ook wegens het ontbreken van een toereikende grondslag worden afgewezen.

Verwerking klachtrecht

4.21.

Gelet op het vorenoverwogene kan de al dan niet gegrondheid van het beroep van Rabobank op verwerking door [eiser] c.s. van hun klachtrecht op grond van artikel 6:89 BW in het midden blijven, waarbij wordt aangetekend dat het beroep van [eiser] c.s. op dwaling in geen geval door deze bepaling wordt getroffen.

Buitengerechtelijke incassokosten

4.22.

[eiser] c.s. maken onder II van het gevorderde, zoals hiervoor in 3.1. weergegeven, aanspraak op vergoeding van de buitengerechtelijke incassokosten. Aangezien – zoals hiervoor is gebleken – de vordering van [eiser] c.s. onder I in al haar onderdelen wordt afwezen, komen de gevorderde incassokosten niet voor vergoeding in aanmerking. Ook deze vordering zal derhalve worden afgewezen.

Proceskosten

4.23.

Als de in het ongelijk gestelde partij zullen [eiser] c.s. voorts worden veroordeeld in de proceskosten, die aan de zijde van Rabobank tot en met vandaag worden begroot op:

- salaris advocaat: € 6.422,00 (2 punten x tarief € 3.211,00)

- griffierecht: € 3.829,00 +

Totaal: € 10.251,00

5 De beslissing

De rechtbank:

5.1.

wijst de vorderingen af;

5.2.

veroordeelt [eiser] c.s. in de proceskosten, die aan de zijde van Rabobank tot op heden worden begroot op € 10.251,00;

5.3.

verklaart vorenstaande kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. D.P. Ruitinga, mr. H.A. Pott Hofstede en mr. C.A.J. van Yperen en is in het openbaar uitgesproken op 15 april 2015.

Coll.