Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2015:3171

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
17-04-2015
Datum publicatie
17-04-2015
Zaaknummer
parketnr. 15/870846-14 rekest 15-001441
Formele relaties
Sprongcassatie: ECLI:NL:HR:2017:880, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Misbruik van procesrecht door officier van justitie.

In het kader van een strafrechtelijk financieel onderzoek zijn onder klager en zijn broer diverse beslagen gelegd. De rechtbank kwam echter tot het oordeel dat op grond van de verdenking de bestaande andere beslagen op de onroerende zaken en tegoeden van klager en zijn broer voldoende verhaal vormden om aan de verplichting tot betaling van een geldbedrag ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel te voldoen.

Daarom werd het beklag gegrond verklaard, de gelegde conservatoire beslagen op de voer- en vaartuigen opgeheven en gelast om deze zaken aan klager terug te geven.

De officier van justitie legde vervolgens opnieuw beslag op dezelfde zaken.

Aan de officier van justitie is in het Wetboek van Strafvordering de bevoegdheid gegeven om in bepaalde omstandigheden conservatoir beslag te leggen ten laste van een verdachte. In een situatie zoals hier aan de orde levert het gebruikmaken van die bevoegdheid naar het oordeel van de rechtbank echter een misbruik van dat procesrecht op; ten tijde van de tweede beslaglegging was de officier van justitie er immers van op de hoogte dat de rechter het beslag als disproportioneel had beoordeeld. Dat zou mogelijk anders zijn, indien ten tijde van het tweede beslag sprake was van feiten of omstandigheden die ten tijde van de eerdere beslissing nog niet bekend waren of konden zijn. Daarvan is echter geen sprake. Het enkele feit dat de berekening van het wederrechtelijk voordeel hoger uitvalt, indien de zogenaamde kasopstelling wordt gehanteerd dan wanneer dat voordeel wordt berekend op basis van de transactiemethode, levert niet zo’n nieuw feit of nieuwe omstandigheid op (nog daargelaten dat gemotiveerd is betwist dat die kasopstelling tot een hoger bedrag leidt). De kasopstelling is immers niet gebaseerd op nieuwe gegevens, maar is opgesteld op basis van gegevens die ten tijde van de eerdere berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel ook al uit de stukken in het dossier waren af te leiden

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafvordering 552a
Wetboek van Strafvordering 94a
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2015/140
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Afdeling Publiekrecht, Sectie Straf

Locatie Alkmaar

Enkelvoudige raadkamer

Registratienummer: 15-001441

Parketnummer: 15/870846-14

Uitspraakdatum: 17 april 2015 (bij vervroeging)

Beschikking (art. 552a Sv.)

1 Ontstaan en loop van de procedure

Op 13 maart 2015 is op de griffie van de rechtbank Noord-Holland, locatie Alkmaar, ingekomen een klaagschrift van mr. T. van der Goot, gemachtigde van

[klager] , klager,

geboren op [geboortedatum],

wonende te [woonplaats],

domicilie kiezende te (8901 BC) Leeuwarden, Ossekop 11,

ten kantore van mr. T. van der Goot, advocaat.

Het klaagschrift strekt tot opheffing van de daarop gelegde beslagen, met last tot teruggave aan klager van:

- een bestelauto, [AA-BB-99];

- een personenauto, [CC-DD-99];

- een personenauto, [EE-FF-99];

- een motor, [MM-BB-99];

- een sloep, merk [naam].

Op 13 april 2015 is dit klaagschrift op een openbare zitting in raadkamer behandeld.

Klager is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. T. van der Goot, voornoemd.

Tevens was aanwezig de officier van justitie mr. M. Spruijt.

Bij een eerder klaagschrift van klager is ook verzocht om opheffing van een gelegd conservatoir beslag op voormelde zaken. Bij beschikking van 2 maart 2015 heeft de rechtbank het beklag gegrond verklaard, de beslagen op de twee personenauto’s, de motor en de sloep opgeheven en gelast dat deze zaken aan klager dienden te worden teruggegeven.
In die beschikking is geen beslissing genomen over de in beslag genomen [AA-BB-99].

Op 4 maart 2015 heeft de officier van justitie voormelde zaken opnieuw in conservatoir beslag genomen. Daarbij is op de personenauto [EE-FF-99] – ook – strafvorderlijk beslag gelegd. De bestelauto [AA-BB-99] was al eerder in strafvorderlijk beslag genomen.

2 Het standpunt van klager en zijn raadsman

De raadsman van klager heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de officier van justitie de eerdere beslissing van 2 maart 2015 van de rechtbank had dienen te respecteren, of daartegen beroep in cassatie had moeten instellen. Door geen van beide te doen is het huidige beslag in strijd met de beginselen van een behoorlijke procesorde gelegd en moet daarom worden opgeheven.

Subsidiair heeft de raadsman aangevoerd dat het door het openbaar ministerie vastgestelde wederrechtelijk verkregen voordeel te hoog wordt geschat, ook als wordt uitgegaan van een kasopstelling. Het uitgangspunt van de thans door het openbaar ministerie gepresenteerde rapport, waarin die kasopstelling wordt onderbouwd, is een “nulsituatie” per 1 januari 2011. Op dat moment zouden er geen contanten zijn. Ter zitting in raadkamer heeft de raadsman een map met gegevens overgelegd, waarmee hij het standpunt onderbouwt dat er wel degelijk sprake was van contante inkomsten bij zijn cliënt in en rond de periode 2010 en 2011.
Er liggen nu diverse andere conservatoire beslagen. Die beslagen zijn voldoende ter dekking van het gestelde wederrechtelijk verkregen voordeel. De beslagen die thans op de voer- en vaartuigen liggen zijn niet noodzakelijk en dienen ook daarom te worden opgeheven.

Ten aanzien van de in beslag genomen personenauto Mercedes geldt dat deze volgens gegevens van de RDW weer kan worden aangemeld en in aanmerking kan komen voor afgifte van een kentekenbewijs. Van onttrekking aan het verkeer kan daarom geen sprake zijn.

3 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat het beklag ongegrond dient te worden verklaard.

In het kader van de berekening van wederrechtelijk verkregen voordeel is het voordeel ten tijde van de eerste beslaglegging berekend op transactiebasis. Daarna is tevens een kasopstelling gemaakt. Uit die (voorlopige) kasopstelling vloeit een aanzienlijk hoger onverklaarbaar vermogen (€ 534.633,95) voort dan uit de berekening op transactiebasis (€ 460.230,55). De gelegde andere conservatoire beslagen dekten niet het via de kasopstelling berekende wederrechtelijk verkregen voordeel. Nu de kasopstelling als een minimumpositie heeft te gelden, was de conclusie dat justitie kennelijk (nog) niet alle strafbare feiten in beeld heeft; er is echter wel een aanzienlijk onverklaarbaar en – gelet op de context van evidente hennepteelt – vermoedelijk wederrechtelijk verkregen vermogen, dat niet door de reeds gelegde beslagen werd gedekt. Uitgaande van de kasopstelling is met andere woorden geen sprake van disproportioneel beslag, maar zou zelfs aanvullend beslag dienen te worden gelegd.

Gelet hierop is opnieuw conservatoir beslag gelegd op de voorwerpen waarvan het bestaande conservatoire beslag op bevel van de rechtbank diende te worden opgeheven.

Voor de [EE-FF-99] is de gang van zaken afwijkend; op dat voertuig rust ook nog steeds strafvorderlijk / klassiek beslag, omdat is gebleken dat met dit voertuig bouwjaarfraude is gepleegd. Op dit punt zal afzonderlijk proces‐verbaal worden opgemaakt en die zaak zal uiteindelijk ter beoordeling aan het Openbaar Ministerie worden gezonden. Naar het oordeel van de officier van justitie zal de Mercedes dienen te worden onttrokken aan het verkeer, nu het ongecontroleerde bezit daarvan strijdig is met de wet en/of het algemeen belang. Het gelegde strafvorderlijke beslag dient daarom gehandhaafd te blijven.

Dat laatste geldt ook voor de in beslag genomen bestelauto [AA-BB-99], met behulp waarvan het strafbare Opiumwet-feit is gepleegd.

4 Beoordeling

Op 18 december 2013 heeft er in een bedrijfspand aan de [straat] te [plaats] een doorzoeking plaatsgevonden, waarbij een in werking zijnde hennepplantage is aangetroffen. Het pand staat geregistreerd op naam van [klager] B.V.. Deze B.V. wordt bestuurd door de holdings van klager en zijn broer. De verdenking bestaat dat klager en zijn broer zich hebben schuldig gemaakt aan hennepteelt. In het kader van een strafrechtelijk financieel onderzoek zijn onder klager en zijn broer diverse beslagen gelegd.

De conservatoire beslagen

In de hiervoor vermelde beschikking van 2 maart 2015 heeft de rechtbank geoordeeld dat het gelet op de toen voorhanden stukken niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, aan de klager/verdachte een geldboete dan wel de verplichting tot betaling van een geldbedrag ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel zal opleggen. De rechtbank kwam echter tevens tot het oordeel dat op grond van de verdenking de bestaande beslagen op de onroerende zaken en tegoeden van klager en zijn broer voldoende verhaal vormden om aan een dergelijke verplichting te voldoen.

Daarom werd het beklag gegrond verklaard en de gelegde conservatoire beslagen op de voer- en vaartuigen opgeheven.

Allereerst dient in de onderhavige raadkamerprocedure te worden beoordeeld of de officier van justitie de bevoegdheid had om ondanks de beslissing van de rechtbank dezelfde zaken opnieuw in beslag te nemen.

De rechtbank is het op dit punt eens met het primaire standpunt van klager en zijn raadsman.

Aan de officier van justitie is in het Wetboek van Strafvordering de bevoegdheid gegeven om in bepaalde omstandigheden conservatoir beslag te leggen ten laste van een verdachte. In een situatie zoals hier aan de orde levert het gebruikmaken van die bevoegdheid naar het oordeel van de rechtbank echter een misbruik van dat procesrecht op; ten tijde van de tweede beslaglegging was de officier van justitie er immers van op de hoogte dat de rechter het beslag als disproportioneel had beoordeeld. Dat zou mogelijk anders zijn, indien ten tijde van het tweede beslag sprake was van feiten of omstandigheden die ten tijde van de eerdere beslissing nog niet bekend waren of konden zijn. Daarvan is echter geen sprake. Het enkele feit dat de berekening van het wederrechtelijk voordeel hoger uitvalt, indien de zogenaamde kasopstelling wordt gehanteerd dan wanneer dat voordeel wordt berekend op basis van de transactiemethode, levert niet zo’n nieuw feit of nieuwe omstandigheid op (nog daargelaten dat gemotiveerd is betwist dat die kasopstelling tot een hoger bedrag leidt). De kasopstelling is immers niet gebaseerd op nieuwe gegevens, maar is opgesteld op basis van gegevens die ten tijde van de eerdere berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel ook al uit de stukken in het dossier waren af te leiden.

Het klaagschrift zal daarom gegrond worden verklaard, voor zover het de conservatoire beslagen betreft.

De strafvorderlijke beslagen

Op de personenauto [EE-FF-99] rust (ook) nog een strafvorderlijk beslag. De officier van justitie stelt dat is gebleken dat met dit voertuig bouwjaarfraude is gepleegd en dat nog zal worden beoordeeld of klager hiervoor wordt vervolgd. Die stelling is met de stukken uit het dossier voldoende onderbouwd. Daarom is de rechtbank van oordeel dat het niet hoogst onaannemelijk is dat de strafrechter, later oordelend, deze auto zal onttrekken aan het verkeer. Indien de stelling van klager juist is dat de personenauto ondanks de fraude weer kan worden aangemeld bij de RDW en in aanmerking kan komen voor afgifte van een kentekenbewijs, maakt dat de beslissing niet anders. In die situatie is het namelijk niet hoogst onaannemelijk dat de strafrechter, later oordelend, deze auto verbeurd zal verklaren.

Het beslag op de bestelauto [AA-BB-99] is op 9 september 2014 gelegd. Op dat moment was deze auto in bezit van klager en zijn broer. Ten tijde van de beslaglegging was de sleutel van de auto verstopt onder de auto. Bij onderzoek van de auto bleek dat deze vol zat met ‘hennepgerelateerde’ zaken. Bij deze stand van zaken is de rechtbank van oordeel dat het niet hoogst onaannemelijk is dat de strafrechter, later oordelend, deze auto verbeurd zal verklaren of onttrekken aan het verkeer.

Het klaagschrift zal daarom ongegrond worden verklaard, voor zover het om de strafvorderlijke beslagen gaat.

5 Beslissing

De rechtbank:

verklaart het klaagschrift gegrond ten aanzien van de conservatoire beslagen op:

- een bestelauto, [AA-BB-99];

- een personenauto, [CC-DD-99];

- een personenauto, [EE-FF-99];

- een motor, [MM-BB-99];

- een sloep, [naam];

heft op de daarop gelegde conservatoire beslagen en gelast de teruggave aan klager van:

- een personenauto, [CC-DD-99];

- een motor, [MM-BB-99];

- een sloep, [naam];

verklaart het klaagschrift ongegrond ten aanzien van de strafvorderlijke beslagen op:

- een bestelauto, [AA-BB-99];

- een personenauto, [EE-FF-99] en

verstaat dat deze beslagen door deze beslissing niet worden opgeheven.

6 Samenstelling raadkamer en uitspraakdatum

Deze beschikking is gegeven door

mr. L.J. Saarloos, rechter,

in tegenwoordigheid van mr. M. van Randeraat, griffier,

en in het openbaar uitgesproken op 17 april 2015.