Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2015:301

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
21-01-2015
Datum publicatie
21-01-2015
Zaaknummer
HAA 14/1211
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Wob-verzoek om openbaarmaking van facturen die betrekking hebben op de kosten van het strafrechtelijke onderzoek in de zogenaamde ‘Klimop-zaak’ over vastgoedfraude. Niet is duidelijk geworden dat de betrokken drie facturen van een tweetal juridische dienstverleners inzicht geven in opsporingsmethoden en –technieken en ook niet dat openbaarmaking kan leiden tot onevenredige benadeling van de dienstverleners. Verweerder is opgedragen een nieuw besluit te nemen.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummer: HAA 14/1211

uitspraak van de meervoudige kamer van 21 januari 2015 in de zaak tussen

[eiser], te [woonplaats], eiser

(gemachtigde: mr. G. van Dam),

en

de staatssecretaris van Financiën, verweerder

(gemachtigde: mr. G.M. Bosch).

Procesverloop

Bij besluit van 3 oktober 2013 (het primaire besluit) heeft verweerder het verzoek van eiser om openbaarmaking van documenten die betrekking hebben op de kosten van het zogenaamde Klimop-onderzoek afgewezen.

Bij besluit van 10 februari 2014 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser, onder aanvulling van de motivering, ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft de stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend. Ten aanzien van enkele stukken heeft verweerder om geheimhouding verzocht als bedoeld in artikel 8:29 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb). Gelet op het bepaalde in artikel 13, tweede lid, van de Procesregeling bestuursrecht 2013 heeft de rechtbank gehandeld als ware dit verzoek om beperkte kennisneming ingewilligd.

Eiser heeft toestemming verleend aan de rechtbank om mede op grondslag van de geheim te houden stukken uitspraak te doen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 december 2014. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Bij brief van 24 april 2013 heeft eiser een verzoek om openbaarmaking in de zin van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob) gedaan aan verweerder, dat onder meer betrekking had op de kosten van het strafrechtelijke onderzoek naar de vastgoedfraude, genaamd ‘Klimop’. Verweerder heeft geweigerd om in totaal drie facturen, afkomstig van twee juridische dienstverleners, openbaar te maken.

2. In het bestreden besluit heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat de drie facturen niet openbaar kunnen worden gemaakt, omdat allereerst artikel 218 van het Wetboek van Strafvordering zich daartegen verzet. Openbaarmaking zal volgens verweerder leiden tot een onaanvaardbare doorkruising van het verschoningsrecht dat op grond van artikel 218 van het Wetboek van Strafvordering aan dienstverleners als hier aan de orde toekomt. Daarnaast staat artikel 10, tweede lid, onder c van de Wob aan openbaarmaking in de weg, omdat het belang van geheimhouding van opsporingsmethoden en -tactieken, waaronder het in het kader van een opsporingsonderzoek inschakelen van een externe deskundige of adviseur volgens verweerder valt, prevaleert boven het belang dat is gediend met openbaarmaking, aldus verweerder. Voorts staat artikel 10, tweede lid, onder g, van de Wob aan openbaarmaking in de weg volgens verweerder, omdat openbaarmaking van de in de facturen genoemde werkbeschrijving en tarieven kan leiden tot onevenredige benadeling van de juridische dienstverleners. De namen van de juridische dienstverleners weigert verweerder op dezelfde grond openbaar te maken, omdat zij schade of juist voordeel zouden kunnen ondervinden van het feit dat bekend is dat zij diensten hebben verleend aan de FIOD.

3.1

Eiser heeft aangevoerd dat in artikel 218 van het Wetboek van Strafvordering is bepaald dat degenen die onder deze bepalingen vallen, waaronder advocaten, zich op hun verschoningsrecht kunnen beroepen. Het is volgens eiser niet aan verweerder om een beroep te doen op het verschoningsrecht van door haar ingehuurde juridische dienstverleners. Van een onaanvaardbare doorkruising van een aan dienstverleners toekomend recht is dan ook geen sprake, aldus eiser.

3.2

Deze beroepsgrond slaagt, nu artikel 218 van het Wetboek van Strafvordering geen weigeringsgrond is die in het kader van de Wob door verweerder kan worden ingeroepen.

4.1

Voorts voert eiser aan dat verweerder niet heeft gemotiveerd op welke manier de openbaarmaking van de facturen schade zou kunnen aanrichten aan opsporingsmethoden of -tactieken. Om welke opsporingsmethode of -tactiek het hier zou gaan, is evenmin duidelijk. Ook is niet duidelijk hoe benadeling kan plaatsvinden door openbaarmaking van de facturen volgens eiser. Voorts heeft verweerder volgens eiser niet aangegeven of een en zo ja, welke, belangenafweging heeft plaatsgevonden.

4.2

De rechtbank heeft met toepassing van artikel 8:29, vijfde lid, van de Awb kennis genomen van de door verweerder vertrouwelijk overgelegde documenten.

4.3

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder onvoldoende gemotiveerd op welke wijze de openbaarmaking van de in geding zijnde documenten inzicht geeft in de opsporingsmethoden en -technieken. Daarnaast is niet zonder nadere motivering inzichtelijk hoe juridische dienstverleners op onevenredige wijze kunnen worden benadeeld door, dan wel voordeel ondervinden van, openbaarmaking van hun namen, tarieven en de verrichtte werkzaamheden. De uitspraak van de Afdeling waarnaar verweerder in dit verband heeft verwezen biedt in dit geval geen steun voor het standpunt van verweerder, nu daarin slechts wordt geoordeeld over ‘eindbedragen’, waarvan de openbaarmaking volgens de Afdeling de concurrentiepositie van een juridische dienstverlener waarvan de naam bekend was, niet kan schaden. Dat de tarieven en de verrichte werkzaamheden in die uitspraak niet worden genoemd, betekent nog niet dat openbaarmaking van documenten waarin die gegevens staan zonder meer kan worden geweigerd. In deze zaak weigert verweerder ook de namen van de juridische dienstverleners bekend te maken.

4.4

Ter zitting heeft de rechtbank de gemachtigde van verweerder in de gelegenheid gesteld om de weigeringsgronden van artikel 10, tweede lid, onder c en g, van de Wob nader te motiveren. Hiertoe is de gemachtigde van verweerder niet in staat gebleken, ook niet nadat de rechtbank de gemachtigde van verweerder heeft aangeboden om dit achter gesloten deuren te doen.

5. Gelet op het voorgaande is sprake van een motiveringsgebrek als bedoeld in artikel 7:12 van de Awb. Het bestreden besluit komt hierom voor vernietiging in aanmerking. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een bestuurlijke lus, nu ter zitting uitvoerig de gelegenheid is geboden om het besluit nader te motiveren.

6. Gelet op het vorenstaande is het beroep gegrond. Het bestreden besluit zal worden vernietigd.

7. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoedt.

8. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 487,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, met een waarde per punt van € 487,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;

- draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 165,- aan eiser te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 487,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.C. Terwiel-Kuneman, voorzitter, mr. J.M. Janse van Mantgem en mr. M. Duin, leden, in aanwezigheid van R.I. ten Cate, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 21 januari 2015.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.