Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2015:2709

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
01-04-2015
Datum publicatie
10-04-2015
Zaaknummer
C/14/156539 / FA RK 14-1714
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHAMS:2016:3036, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Geschil tussen meerderjarige dochter en vader. De dochter beroept zich op een derdenbeding in het echtscheidingsconvenant dat de vader met de moeder van de dochter heeft gesloten. De dochter studeert. Er is niet voldaan aan de voorwaarde dat er overleg met de vader heeft plaatsgevonden over de studie van de dochter. Daarnaast is niet gebleken dat er sprake is van behoeftigheid in de zin van artikel 1:392 BW. Verzoek van de dochter wordt afgewezen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PFR-Updates.nl 2015-0136
Prg. 2015/138 met annotatie van P.J.M. Ros
RFR 2015/104
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Sectie Familie & Jeugd

locatie Alkmaar

MKG

alimentatie/tegenspraak

zaak-/rekestnr.: C/14/156539 / FA RK 14-1714

beschikking van de enkelvoudige kamer voor familiezaken van 1 april 2015

in de zaak van:

[de dochter] ,

wonende te [woonplaats],

hierna te noemen: de dochter,

advocaat mr. M. Verhoog, kantoorhoudende te Alkmaar,

tegen

[de vader] ,

wonende te [woonplaats],

hierna te noemen: de vader,

advocaat mr. K.C.G.M. Suijker, kantoorhoudende te Apeldoorn.

1 Procedure

1.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het verzoekschrift met bijlagen van de dochter, ingekomen op 12 augustus 2014;

- het verweerschrift, tevens zelfstandig verzoek, met bijlagen van de vader, ingekomen op 21 oktober 2014;

- het verweerschrift van de dochter tegen het zelfstandige verzoek, ingekomen op

19 november 2014;

- het bericht met bijlagen van de dochter, ingekomen op 17 februari 2015;

- het bericht met bijlagen van de vader, ingekomen op 23 februari 2015, en

- het bericht met bijlagen van de vader, ingekomen op 27 februari 2015.

1.2

De behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op de zitting van 4 maart 2015 in aanwezigheid van partijen, de dochter bijgestaan door mr. M. Verhoog en de vader bijgestaan door mr. K.C.G.M. Suijker.

1.3

Tijdens deze behandeling heeft de dochter bezwaar gemaakt tegen het in behandeling nemen van de stukken die de rechtbank op 27 februari 2015 van de vader heeft ontvangen. Naar mening van de dochter zijn deze stukken te laat ingediend. De rechtbank gaat echter voorbij aan dit bezwaar van de dochter. Weliswaar zijn de stukken te laat ingediend, maar niet is gebleken dat de dochter door het late indienen van de stukken is geschaad in haar procesbelang, met name gelet op de omvang en inhoud van deze stukken.

2 Feiten en omstandigheden

2.1

De dochter heeft de Nederlandse nationaliteit en is Burger van de Bondsrepubliek Duitsland. De vader is Burger van de Bondsrepubliek Duitsland

2.2

De dochter is een kind van de vader en mevrouw [de moeder] (hierna: de moeder). Uit dit huwelijk is eveneens [naam] (hierna: [naam]), geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats].

2.3

Bij beschikking van 8 augustus 2002 is de echtscheiding tussen de vader en de moeder uitgesproken. Deze beschikking is op 14 augustus 2002 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand. In de echtscheidingsbeschikking is bepaald dat de vader een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen (hierna: de kinderbijdrage) zal betalen van € 250,- per kind per maand met ingang van de dag van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand. Voorts is in de echtscheidingsbeschikking opgenomen dat het echtscheidingsconvenant als in de beschikking opgenomen moet worden beschouwd en als ingelast geldt en van de beschikking deel uit maakt. In het aan de echtscheidingsbeschikking gehechte echtscheidingsconvenant is een zelfde kinderbijdrage opgenomen als door de rechtbank is vastgesteld. Voorts is het volgende in het convenant opgenomen:

“3.4 De in artikel 3.3 bedoelde alimentatie voor [de dochter] en [naam] zal zijn onderworpen aan de wettelijke indexering als bedoeld in artikel 1:402a BW, voor het eerst per 1 januari 2003.

3.5

Vanaf het tijdstip waarop [de dochter] en [naam] meerderjarig worden, betaalt de man de in artikel 5.3 genoemde alimentatie aan [de dochter] en [naam] zelf, op een door [de dochter] en [naam] aan te wijzen bankrekening.

3.6

De man verplicht zich aan [de dochter] en [naam], zodra zij de leeftijd van 21 jaar bereiken, een (studie)bijdrage te betalen zolang [de dochter] en [naam] met redelijke resultaten en in overleg met hem met een beroepsopleiding bezig zijn of studeren, doch uiterlijk tot het tijdstip waarop [de dochter], dan wel [naam] de leeftijd van 25 jaar bereikt. Dit beding ten behoeve van [de dochter] en [naam] is onherroepelijk, zodat [de dochter] en [naam] het recht hebben om zonodig nakoming van dit beding te vorderen. De ondertekening van dit convenant geldt tevens als aanvaarding van dit beding door partijen als wettelijke vertegenwoordigers van [de dochter] en [naam].”

2.4

De dochter heeft op 3 juli 2014 het diploma ontvangen voor het middelbaar beroepsonderwijs van het Hout en Meubileringscollege met kwalificatie interieuradviseur, een MBO-4 opleiding. Per 1 september 2014 volgt de dochter de opleiding Bouwkunde aan de Hogeschool van Amsterdam, een HBO-B opleiding.

2.5

Ingevolge de wettelijke indexering bedraagt de kinderbijdrage met ingang van

1 januari 2013 € 312,- per maand, met ingang van 1 januari 2014 € 315,- per maand en met ingang van 1 januari 2015 € 318,- per maand.

3 Verzoek

3.1

De dochter verzoekt te bepalen dat de vader gehouden is om aan haar, met ingang van 1 december 2013, een bijdrage van € 315,- per maand als bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud en studie (hierna: onderhoudsbijdrage) te voldoen, dan wel een bijdrage vast te stellen met een ingangsdatum die de rechtbank redelijk acht, welke bijdrage zal zijn onderworpen aan de wettelijke indexering.

Zij voert daartoe aan dat de vader de in het echtscheidingsconvenant overeengekomen bijdrage heeft voldaan tot 1 december 2013 en zij de leeftijd van 21 jaar bereikte. De dochter stelt dat, naast het feit dat zij 21 jaar is geworden, zowel aan haar zijde als aan die van de vader geen wijzigingen zijn opgetreden en dat zij nog steeds behoefte heeft aan een onderhoudsbijdrage. De dochter verwijst naar artikel 3.6 van het echtscheidingsconvenant. De dochter stelt zich op het standpunt dat zij een contractueel recht heeft op de bijdrage. In het echtscheidingsconvenant is ten behoeve van haar een derdenbeding opgenomen dat zij heeft aanvaard en waardoor zij een vorderingsrecht heeft verkregen. Ten aanzien van de hoogte van de bijdrage heeft de dochter aangeknoopt bij het tussen de vader en de moeder overeengekomen bedrag.

4 Verweer en zelfstandig verzoek

4.1

De vader heeft verweer gevoerd tegen het verzoek van de dochter. Hij verzoekt primair de dochter in haar verzoek niet-ontvankelijk te verklaren dan wel haar verzoek af te wijzen. Subsidiair verzoekt de vader de overeenkomst (naar de rechtbank begrijpt: het echtscheidingsconvenant) voor wat betreft het betalen van een redelijke studiebijdrage te ontbinden, althans deze zo te wijzigen dat de bijdrage op nihil wordt gesteld, dan wel een eventuele verplichting tot het voldoen van een bijdrage aan de dochter te limiteren of te matigen tot 1 december 2013, dan wel een door de rechtbank te bepalen datum.

De vader wijst erop dat in artikel 3.6 van het convenant is opgenomen dat er overleg met hem zou plaatsvinden. Daarvan is naar mening van de vader geen sprake geweest: hij heeft al vierenhalf jaar geen contact gehad met de dochter. Naar mening van de vader is van de situatie van artikel 3.6 derhalve geen sprake. De vader betwist voorts de behoeftigheid van de dochter en stelt dat zij haar behoefte onvoldoende heeft onderbouwd. Zij dient inzage te geven in haar inkomsten. De vader betwist ten slotte dat hij voldoende draagkracht heeft.

5 Verweer op zelfstandig verzoek

5.1

In haar verweer op het zelfstandige verzoek van de vader voert de dochter aan dat de vader nalaat te vermelden op welke grond het echtscheidingsconvenant zou moeten worden ontbonden. De dochter stelt dat de vader in de procedure tegen haar geen mogelijkheid heeft om tot (gedeeltelijke) ontbinding van het convenant te komen. Er is daartoe naar de mening van de dochter ook geen aanleiding: haar studieresultaten zijn goed en de vader is op de hoogte van de studie die zij volgt.

Met betrekking tot de behoefte heeft de dochter aansluiting gezocht bij de WSF-norm. Per

1 september 2014 kan haar behoefte worden vastgesteld op € 792,27 per maand als thuiswonende student met een HBO-opleiding. Tot 1 september 2014 bedroeg haar behoefte € 577,65 per maand als MBO-student.

6 Beoordeling

Rechtsmacht en toepasselijk recht

6.1

Gelet op de nationaliteit van partijen draagt de onderhavige zaak een internationaal karakter zodat eerst dient te worden beoordeeld of de rechtbank bevoegd is en zo ja welk recht op de verzoeken van partijen van toepassing is.

6.2

Gelet op de woonplaats van de vader is de Nederlandse rechter bevoegd om van de verzoeken kennis te nemen. Gelet op de woonplaats van de dochter is het Nederlands recht van toepassing op de verzoeken.

Ontvankelijkheid

6.3

De vader heeft zich op het standpunt gesteld dat de dochter in haar verzoek niet-ontvankelijk dient te worden verklaard. De rechtbank gaat echter aan dit standpunt voorbij aangezien de dochter op grond van het derdenbeding dan wel op grond van artikel 392 van boek 1 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) kan verzoeken ten laste van de vader een onderhoudsbijdrage vast te stellen.

Derdenbeding

6.4

De rechtbank stelt vast dat de vader niet meer op grond van artikel 1:395a BW verplicht is te voorzien in de kosten van levensonderhoud en studie van de dochter, nu de dochter op 1 december 2013 de 21-jarige leeftijd heeft bereikt. Vervolgens ligt de vraag voor of de vader op grond van het in het echtscheidingsconvenant opgenomen derdenbeding gehouden is in deze kosten te voorzien. Eén van de in het derdenbeding opgenomen vereisten is dat de dochter “in overleg met hem (de vader) met een beroepsopleiding bezig (moet) zijn of studeren”. Tussen partijen is niet in geschil dat er in het kader van de opleiding van de dochter geen overleg tussen hen is dan wel is geweest. Sterker nog, tijdens de mondelinge behandeling heeft de vader gesteld dat hij al vijf jaar geen contact heeft gehad met de dochter, hetgeen door de dochter niet is betwist. Derhalve gaat de rechtbank er vanuit dat van overleg tussen partijen (in het kader van de opleiding van de dochter) geen sprake is geweest zodat de dochter zich – gelet op de gebezigde formulering van het derdenbeding – niet met succes op het derdenbeding kan beroepen. Dat de vader op de hoogte was van het feit dat de dochter een opleiding volgde, zoals zij stelt, maakt dit niet anders nu dit niet gelijk kan worden gesteld aan het voeren van overleg. De stellingen van de dochter dat het niet aan haar is te wijten dat zij geen overleg met de vader heeft gehad en dat de verhouding tussen partijen verstoord is, doen aan het voorgaande evenmin af.

Artikel 1:392 BW

6.5

Voor zover de dochter heeft willen betogen dat de vader op grond van artikel 1:392 BW verplicht is tot het verstrekken van een bijdrage in levensonderhoud en studie stelt de rechtbank, onder verwijzing naar de uitspraak van de Hoge Raad van 9 september 1983 (ECLI:NL:HR:1983:AG4642), voorop dat artikel 1:392 BW er niet toe strekt ouders te verplichten hun meerderjarige kinderen, die overigens in staat zijn door arbeid in hun eigen levensonderhoud te voorzien, door het verstrekken van een uitkering in staat te stellen tot het volgen of voltooien van een opleiding. Van behoeftigheid is sprake indien een kind niet beschikt of kan beschikken over middelen waarover hij in redelijkheid zou moeten kunnen beschikken.

Naar het oordeel van de rechtbank is van behoeftigheid van de dochter in de door artikel 1:392 BW voorgestane zin niet gebleken. De dochter is thans 22 jaar oud. Van haar mag worden verwacht dat zij, onafhankelijk van haar ouders, door arbeid voorziet in haar eigen levensonderhoud. Dit geldt temeer nu zij inmiddels een MBO-opleiding met succes heeft afgerond. Dat de dochter, zoals zij stelt, geen mogelijkheden heeft om in haar eigen levensonderhoud te voorzien omdat zij thans een HBO-opleiding volgt waarvoor zij hele dagen op school zit en ook in het weekend hele dagen huiswerk maakt, betekent niet dat zij daardoor in voormelde zin behoeftig is. Dit is immers het gevolg van een, wellicht begrijpelijke maar niet noodzakelijke, keuze van de dochter om in plaats van het verrichten van arbeid een vervolgopleiding te volgen. Ook de niet nader onderbouwde stelling van de dochter dat zij voor werk naast haar studie nergens wordt aangenomen in verband met haar leeftijd brengt geen behoeftigheid in voormelde zin met zich mee.

6.6

Aldus komt de rechtbank tot de slotsom dat noch het derdenbeding noch artikel 1:392 BW het verzoek van de dochter kan dragen zodat haar verzoek voor afwijzing gereed ligt. De behoefte van de dochter en de draagkracht van de vader behoeven daarmee geen bespreking meer. Hetzelfde heeft te gelden voor het subsidiaire verzoek van de vader.

7 Beslissing

De rechtbank:

7.1

Wijst het verzoek van de dochter af.

Deze beschikking is gegeven door mr. R. van der Heijden, rechter, in tegenwoordigheid van mr. M. Knoop-Gerritsen, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 1 april 2015.

Tegen deze beschikking kan – voor zover er definitief is beslist – door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te Amsterdam. De verzoekende partij en de verschenen belanghebbenden dienen het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen. Andere belanghebbenden dienen het beroep in te stellen binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden.