Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2015:2561

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
27-03-2015
Datum publicatie
09-04-2015
Zaaknummer
AWB - 15 _ 1189
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Verzoek om een voorlopige voorziening in verband met sluiting woning op grond van artikel 13b Opiumwet vanwege aangetroffen hennepplantage. Verzoek afgewezen.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummer: HAA 15/1189

uitspraak van de voorzieningenrechter van 27 maart 2015 in de zaak tussen

[verzoeker], te [woonplaats], verzoeker

(gemachtigde: mr. M.A.J. van der Klaauw),

en

de burgemeester van de gemeente Haarlem, verweerder.

Procesverloop

Bij brief van 5 maart 2015 (het primaire besluit) is aan verzoeker meegedeeld dat op grond van artikel 13b van de Opiumwet met ingang van 19 maart 2015 de sluiting is bevolen van zijn woning op adres [adres], en dat de sluiting zal duren tot en met 19 maart 2016.

Verzoeker heeft tegen het bestreden besluit bezwaar gemaakt. Tevens heeft verzoeker de voorzieningenrechter verzocht om in verband dat besluit een voorlopige voorziening te treffen.

Verweerder heeft de voorzieningenrechter bij brief van 12 maart 2015 bevestigd de sluiting op te schorten totdat uitspraak is gedaan op het verzoek om een voorlopige voorziening.

De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 23 maart 2014 op zitting behandeld.

Verzoeker is in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich ter zitting doen vertegenwoordigen door drs. J.A.M. Lubbers en mr. R. Braeken. Tevens waren namens verweerder aanwezig C. Dohmen en M. van der Kamp.

Overwegingen

1.1

Verweerder heeft aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd een bestuurlijke rapportage van de politie opgemaakt op 1 februari 2015 en een bestuurlijke rapportage opgemaakt op 25 februari 2015.

1.2

Uit die rapportage van 1 februari 2015 blijkt -kort samengevat- het volgende. De politie heeft in de woning aan de [adres] een professionele hennepkwekerij aangetroffen, onder meer bestaande uit 190 hennepmoederplanten, 3633 hennepstekken en allerlei benodigdheden voor de kwekerij, zoals (assimilatie-)lampen, koolstoffilters, ventilatoren, kachels, luchtbevochtigers, temperatuurregelaars en dergelijke. De woning werd niet bewoond. Verzoeker is hierover gehoord en heeft verklaard dat hij de woning per november 2013 na het overlijden van de toenmalige huurder aan de huidige huurder heeft verhuurd voor € 950,- per maand exclusief. Hij heeft tevens verklaard dat hij na november 2013 niet meer in de woning is geweest. De politie is op grond van de hoeveelheid aangetroffen planten en stekken tot de conclusie gekomen dat sprake is van een handelshoeveelheid en dat op grond daarvan kan worden gesteld dat de hennepplanten aanwezig zijn in het pand om te worden verkocht, afgeleverd of verstrekt.

1.3

Uit de bestuurlijke rapportage van 25 februari 2015 blijkt dat eiser heeft verklaard dat hij eerst alleen in de woning heeft gewoond en later samen met zijn vriendin en dat hij met zijn vriendin is verhuisd toen zij zwanger werd. Verzoeker is de woning toen gaan verhuren, omdat verkoop vanwege de dalende huizenprijzen niet aantrekkelijk was. Verzoeker heeft verklaard de woning bij de overgang van de huur in de maand november 2013 enkele malen te hebben bezocht, maar daarna niet meer.

1.4

Bij brief van 11 februari 2015 heeft verweerder aan verzoeker het voornemen kenbaar gemaakt om over te gaan tot sluiting van verzoekers woning voor de periode van twaalf maanden. Op 16 februari 2015 heeft naar aanleiding van deze mededeling een zienswijzegesprek plaatsgevonden met verzoeker en na dat gesprek heeft verzoeker verweerder nog een mail gestuurd op 17 februari 2015. In het zienswijzegesprek en in de mail heeft verzoeker aangegeven dat hij het slachtoffer is van de situatie. Hij had veel schade aan de woning en heeft drie weken en financiële steun van zijn ouders nodig gehad om de woning weer bewoonbaar te maken. Als hij de woning weer zou gaan verhuren zal hij de woning goed blijven controleren. Verzoeker stelt nu dat hij bij de verhuur aan de tweede huurder de woning tot maart 2014 af en toe heeft gecontroleerd, maar daarna niet meer. Verzoeker voorziet grote problemen bij sluiting van zijn woning. Hij ontvangt dan geen huur meer en kan dan de hypotheek niet meer betalen.

1.5

Verweerder heeft onder verwijzing naar de ‘Beleidsregels Hennepplantages woningen en lokalen’ gesteld dat vanwege het aantal aangetroffen planten tot een sluiting van de woning voor 12 maanden is besloten en dat het financiële belang van verzoeker niet opweegt tegen het belang van het herstel van de openbare orde en het belang van handhavend optreden tegen de geconstateerde overtreding van de Opiumwet.

2. Eiser heeft zich -kort samengevat- op het standpunt gesteld dat artikel 13b van de Opiumwet niet is bedoeld voor het sluiten van woningen waarin een hennepkwekerij wordt aangetroffen, dat verzoeker als verhuurder niet als overtreder valt aan te merken, dat de sluiting voor de duur van 12 maanden onevenredig is en dat de sluiting in strijd is met artikel 8 EVRM.

3. Ingevolge artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet is de burgemeester bevoegd tot

oplegging van een last onder bestuursdwang indien in woningen of lokalen dan wel in of bij

woningen of zodanige lokalen behorende erven een middel als bedoeld in lijst I of II wordt

verkocht of verstrekt dan wel daartoe aanwezig is.

Uit de Beleidsregels Hennepplantages Woningen en Lokalen van verweerder volgt dat de woning waarin meer dan 1000 (hennep)planten worden aangetroffen in beginsel voor 12 maanden wordt gesloten.

Uit de Beleidsregels volgt voorts dat van de Beleidsregels kan worden afgeweken als toepassing daarvan wegens bijzondere omstandigheden onevenredig is in verhouding tot de met de Beleidsregels te dienen doelen, namelijk de openbare orde, het woon- en leefklimaat en de volksgezondheid.

4.1

Onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) van 11 december 2013 (ECLI:NL:RVS:2013:2365) ziet de voorzieningenrechter geen grond voor het oordeel dat verweerder ten onrechte gebruik heeft gemaakt van de bevoegdheid tot sluiten van een woning als bedoeld in artikel 13b van de Opiumwet. Er zijn 190 moederplanten en 3633 stekjes in de woning aangetroffen. Gelet hierop is geen sprake meer van kweek voor eigen gebruik maar van een handelsvoorraad, zodat is voldaan aan het criterium dat de planten vanuit woning worden verkocht of verstrekt dan wel daartoe aanwezig zijn. Verweerder was gelet hierop op grond van het bepaalde in artikel 13b van de Opiumwet bevoegd om te besluiten tot sluiting van verzoekers woning.

4.2

Dat verzoeker niet zelf als overtreder kan worden aangemerkt, omdat niet verzoeker maar zijn huurder de Opiumwet heeft overtreden, doet aan verweerders bevoegdheid om handhavend op te treden op grond van het bepaalde in artikel 13b van de Opiumwet niet af, nu uit vaste rechtspraak van de ABRvS volgt dat de persoonlijke verwijtbaarheid van de verhuurder geen rol speelt bij de vraag of zich een situatie voordoet die tot sluiting noopt. De voorzieningenrechter verwijst in dit verband naar de uitspraken van de ABRVS van 5 februari 2014 (ECLI:NL:RVS:2014:299) en de uitspraak van 8 september 2010 (ECLI:NL:RVS:2010:BN6187).

5.1

Verweerder heeft de Beleidsregels vastgesteld op grond waarvan behoudens kleine overtredingen, waarbij kan worden volstaan met een waarschuwing, kan worden besloten tot sluiting van een woning indien een hennepplantage wordt aangetroffen en waarbij van dat beleid kan worden afgeweken indien de gevolgen van het beleid onevenredig zijn in verhouding tot de met het beleid te dienen doelen. Dit beleid komt de voorzieningenrechter niet onredelijk voor.

5.2

Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat er meer dan 1000 planten in de zin van het beleid zijn aangetroffen en dat daarom ingevolge het beleid een sluiting van 12 maanden geïndiceerd is. Verweerder heeft hierbij, onbetwist, gesteld dat stekjes geworteld zijn en zelfstandig voeding kunnen opnemen. Verweerder stelt daarom dat de stekjes ook als planten in de zin van de Beleidsregels kunnen worden aangemerkt. Verzoeker heeft dit standpunt gemotiveerd betwist.

5.3

De voorzieningenrechter stelt vast dat uit het beleid niet volgt wat onder een plant dient te worden verstaan. De voorzieningenrechter zoekt daarom voor de vraag wat onder plant dient te worden verstaan aansluiting bij het normale taalgebruik en stelt vast dat volgens het Van Dale Groot Woordenboek der Nederlandse Taal onder plant dient te worden verstaan ‘elk van stengel en bladeren voorzien gewas dat zijn voedsel uit de aarde opneemt’. Nu niet betwist is dat de stekjes geworteld zijn en zelfstandig voeding opnemen, komt het de voorzieningenrechter gelet hierop vooralsnog niet onjuist of onredelijk voor dat verweerder bij de toepassing van het beleid de stekjes ook als planten in de zin van het beleid heeft aangemerkt. Dat de stekken nog geen voor de verkoop bruikbare toppen produceren maakt dit naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter niet anders, omdat ingevolge de Beleidsregels het aantal planten doorslaggevend is voor de duur van de sluiting en niet de in de vorm van toppen aangetroffen handelsvoorraad.

6. De voorzieningenrechter ziet in hetgeen verzoeker heeft aangevoerd geen grond voor het oordeel dat verweerder van zijn beleid had moeten afwijken. Een verhuurder kan kiezen aan wie hij een pand verhuurd en de gevolgen van die keuze dienen voor zijn risico te blijven. Het risico dat een pand krachtens artikel 13b van de Opiumwet wordt gesloten is daarbij verbonden aan het verhuren van een pand. In zoverre verschilt de positie van verzoeker niet van andere verhuurders van panden die ook met een sluiting krachtens artikel 13b van de Opiumwet worden geconfronteerd. De voorzieningenrechter wijst in dit verband op de uitspraak van de ABRvS van 28 mei 2014 (ECLI:NL:RVS:2014:1976).

7. Ook ziet de voorzieningenrechter geen grond voor het oordeel dat de sluiting van de woning in het geval van verzoeker strijd oplevert met het bepaalde in artikel 8 EVRM omdat verzoeker niet de bewoner is van de woning, zodat van een inbreuk op zijn woonrecht geen sprake is. De voorzieningenrechter is voorts van oordeel dat geen sprake is van een ongeoorloofde inbreuk op het eigendomsrecht van verzoeker, omdat de mogelijkheid van sluiting van de woning bij wet is voorzien. De voorzieningenrechter wijst in dit verband op de uitspraak van de ABRvS van 6 augustus 2014 (ECLI:NL:RVS:2014:3055).

8.1

De voorzieningenrechter ziet gelet op het voorgaande vooralsnog geen grond voor het oordeel dat het bestreden besluit in bezwaar geen stand kan houden.

8.2

De voorzieningenrechter ziet bij gebreke van de overlegging van financiële gegevens, en nu verzoeker ter zitting heeft verklaard geen schulden te hebben, ook geen grond voor het oordeel dat sprake is van een financiële noodsituatie of dat zo’n situatie dreigt. De enkele stelling dat de hypotheek van de gesloten woning niet meer zal kunnen worden betaald acht de voorzieningenrechter hiervoor onvoldoende.

8.3

De voorzieningenrechter zal het verzoek daarom afwijzen.

9. Bij deze uitspraak is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.P. de Valk, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. E. Degen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 27 maart 2015.

griffier voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.