Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2015:2530

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
25-03-2015
Datum publicatie
30-03-2015
Zaaknummer
15/860043-14
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Ontucht. Ondervragingsrecht. Schakelbewijs. Vergoeding van kosten die ten behoeve van de benadeelde zijn gemaakt en die rechtstreeks verband houden met het strafbare feit.

De rechtbank Noord-Holland veroordeelt 29-jarige zwemleraar tot drie jaar gevangenisstraf, waarvan één jaar voorwaardelijk omdat hij jonge kinderen tijdens de zwemles heeft betast. Proeftijd van tien jaar met bijzondere voorwaarden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Afdeling Publiekrecht, Sectie Straf

Locatie Haarlem

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 15/860043-14 (P)

Uitspraakdatum: 25 maart 2015

Tegenspraak

Vonnis

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzittingen van 3, 5 en 11 maart 2015 in de zaak tegen:

[verdachte][verdachte],

geboren op [geboortedatum] 1985 te [geboorteplaats],

ingeschreven in de basisadministratie persoonsgegevens op het adres [adres],

thans gedetineerd in [detentieadres].

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie

mr. A.M.H.G. Peters en van wat verdachte en zijn raadsman mr. X.B. Sijmons en raadsvrouw mr. H. Seton, beiden advocaat te Amersfoort, naar voren hebben gebracht.

1 Tenlastelegging

Aan verdachte is, na de nadere omschrijving van de tenlastelegging als bedoeld in artikel 314a van het Wetboek van Strafvordering (Sv), en na toewijzing van de vordering tot wijziging van de tenlastelegging op grond van artikel 313 Sv, ten laste gelegd - kort gezegd - het buiten echt plegen van ontucht met zesentwintig aan zijn zorg en/of opleiding en/of waakzaamheid toevertrouwde minderjarige kinderen, blijkens de vermelde geboortedata allen beneden de leeftijd van zestien jaren, tijdens de zwemles (het onder 1 tot en met 21, 23 en 24 ten laste gelegde) en het bezit van dierenporno (feit 22), een en ander zoals in de aan dit vonnis gehechte bijlage I is vermeld.

2 Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3 Bewijs

3.1.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot:

  • -

    vrijspraak van de onder 6, 7, 15, 17b (d.w.z. jegens [slachtoffer 20]), 18, 20, 21 en 24 ten laste gelegde feiten, en tot

  • -

    bewezenverklaring van de onder 1, 2, 3, 4, 5, 8, 9, 10, 11, 12, 13, 14, 16, 17a, 19, 22 en 23 ten laste gelegde feiten.

3.2.

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte van alle ten laste gelegde feiten dient te worden vrijgesproken.

3.3.

Vrijspraken

3.3.1.

Vrijspraak ten aanzien van de feiten 6, 7, 15, 17b, 18, 20, 21 en 24

Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat niet wettig en overtuigend bewezen kan worden dat de verdachte het onder 6, 7, 15, 17b (jegens [slachtoffer 20]), 18, 20, 21 en 24 tenlastegelegde heeft begaan. De reden voor deze vrijspraken is gelegen in de wijze waarop deze jonge kinderen tot een verklaring over de tenlastegelegde handelingen zijn gekomen en/of hoe een eventueel daarop volgend studioverhoor is verlopen, dit alles los van de naar het oordeel van de rechtbank zonder meer integere bedoelingen van de betrokken en zorgzame ouders die na de informatieavond over de zwemleraar (verdachte) waren gealarmeerd. De deugdelijkheid van de bewijsvoering is essentieel voor goede rechtspraak. Het gaat hier om jonge kinderen en een andere toedracht voor de belastende informatie kan met de benodigde grondige blik niet worden uitgesloten. Daarom zal de verdachte van deze feiten worden vrijgesproken.

3.3.2.

Vrijspraak ten aanzien van de feiten 11, 17a en 23

Gelet op het hierna onder ‘bewijsoverwegingen’ beschreven en door de rechtbank gehanteerde toetsingskader in deze zedenzaak, kunnen naar het oordeel van de rechtbank ook de onder 11, 17a (jegens [slachtoffer 19]) en 23 tenlastegelegde feiten niet wettig en overtuigend worden bewezen. Daartoe overweegt de rechtbank het volgende.

Bij deze feiten wisten de kinderen voordat zij verklaarden dat de verdachte ‘dat bij hun ook deed’ wat de zwemleraar bij andere kinderen deed: hij zat aan piemels / piemeltjes van sommige kinderen (feiten 11 en 17a) of dat de zwemleraar niet meer terug kwam omdat hij kinderen had aangeraakt op een manier die niet hoort (feit 23). Met de vrij rechtstreekse bevraging en/of gegeven voorinformatie enerzijds en de onvoldoende concrete, op authenticiteit en betrouwbaarheid te waarderen verklaringen van deze drie jongens – die uitsluitend in de verklaringen van de ouders zijn weergegeven - anderzijds, is er naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende basis voor een deugdelijke bewijsbeslissing. Ook van deze feiten dient de verdachte dus te worden vrijgesproken.

3.3.3.

Vrijspraak ten aanzien van feit 22

Onder 22 is de verdachte het bezit van één filmpje/afbeelding met (kort gezegd) dierenporno ten laste gelegd, dat op twee verschillende digitale locaties op de laptop van verdachte werd aangetroffen. Het gaat om een filmpje waarin een man een ezel vaginaal/anaal penetreert, de bestandsnaam is [bestandsnaam 1]. Het enkele (digitaal) voorhanden hebben van dierenporno is voor een bewezenverklaring onvoldoende; de verdachte moet ook opzet op het bezit hebben gehad. Hij moet dus tenminste bewust de aanmerkelijke kans hebben aanvaard dat hij (nog) in het bezit was van het filmpje. Door en namens de verdachte is het opzet gemotiveerd betwist: het betreft een filmpje dat jaren geleden (ruim voordat dierenporno strafbaar werd gesteld) hem door vrienden is gestuurd, hij had geen idee dat hij het nu nog digitaal had omdat het een back-up van de inhoud van een oude telefoon betreft - de bestandsnaam geeft over de aard van het filmpje ook niet aanstonds uitsluitsel - en de verdachte beschikt ook niet over de software om het nog te bekijken. De stukken in het dossier bieden onvoldoende aanknopingspunt om desalniettemin tot de bewezenverklaring van het voor in artikel 254a lid 1 Wetboek van Strafrecht (Sr) benodigde (voorwaardelijk) opzet te komen. Temeer ook nu het om een gedateerd filmbestand gaat. Onvoldoende is immers komen vast te staan dat verdachte zich in meer of mindere mate nog bewust is geweest van de aanwezigheid van het filmpje op zijn laptop. Overigens is van actieve betrokkenheid van verdachte bij het bezit van porno op de bij hem aangetroffen gegevensdragers niet gebleken. De verdachte dient dus van het onder 22 ten laste gelegde te worden vrijgesproken.

3.4.

Bewijsmiddelverweer

De verdediging heeft zich primair op het standpunt gesteld dat het recht van verdachte op een eerlijk proces ex artikel 6 lid 1 en 3 sub d van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden (EVRM) is geschonden. Deze bepalingen roepen in onderlinge samenhang beschouwd een positieve verplichting voor de staat in het leven om een verdachte in staat te stellen verklaringen van getuigen te onderzoeken en zo mogelijke inconsistenties te onthullen. De verdediging heeft gesteld dat zij deze mogelijkheid ten onrechte niet heeft gehad. Zij heeft daartoe allereerst aangevoerd dat de rechtbank haar beslissing de kinderen door de verdediging niet te (doen) ondervragen ondeugdelijk heeft gemotiveerd en dat er geen goede reden was dit verzoek af te wijzen, hetgeen op zichzelf reeds een schending van artikel 6 EVRM oplevert. Daarnaast heeft de verdediging aangevoerd dat, nu de verklaringen van deze kinderen het enige, althans beslissende, bewijsmateriaal vormen, er voldoende compenserende factoren aanwezig hadden moeten zijn waardoor de betrouwbaarheid van die verklaringen kon worden beoordeeld. Daarvan is volgens de verdediging geen sprake geweest. De verdediging heeft gesteld dat haar in een vroegtijdig stadium toegestaan had dienen te worden aan de kinderen vragen te (doen) laten stellen. De verdediging heeft zich onder verwijzing naar jurisprudentie van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) op het standpunt gesteld dat de aan de verdediging wel geboden mogelijkheden onvoldoende compensatie bieden.

Voornoemde schending dient ertoe te leiden dat alle verklaringen die zijn gebaseerd op de uitlatingen van de kinderen van het bewijs dienen te worden uitgesloten, hetgeen dient te leiden tot vrijspraak voor de feiten 1 tot en met 21, 23 en 24, aldus de verdediging.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de beslissing de kinderen niet nader te (doen) ondervragen bij de rechter-commissaris geen nadere motivering behoefde, nu het evident is dat een verhoor bij de rechter-commissaris teveel impact heeft op jonge kinderen en het bovendien algemeen bekend is dat jonge kinderen een beperkt vermogen hebben zaken te onthouden. De officier van justitie heeft zich voorts op het standpunt gesteld dat er voldoende compensatie is geboden aan de verdediging door haar de mogelijkheid te bieden de opnames van de studioverhoren te bekijken. Ook had de verdediging kunnen verzoeken bij de verhoren aanwezig te zijn. Een dergelijk verzoek heeft de officier van justitie echter niet ontvangen.

De rechtbank verwerpt het verweer en overweegt daartoe het volgende.

De rechtbank stelt voorop dat met het arrest Al-Khawaja en Tahery vs Verenigd Koninkrijk van 15 december 2011 het EHRM niet langer de lijn volgt dat wanneer een verklaring van een getuige die niet ter terechtzitting is gehoord, het enige of doorslaggevende bewijs vormt tegen de verdachte het toelaten ervan als bewijs automatisch een schending van artikel 6 EVRM oplevert (de zogenaamde ‘sole and decisive rule’). De rechter moet echter wel ‘the most searching scrutiny’ in acht nemen tijdens de procedure. Er zal gekeken moeten worden of er sprake is van voldoende compensatie, inclusief sterke procedurele waarborgen. Daarbij moet ook gekeken worden of de betrouwbaarheid van het bewijs voldoende bepaald kan worden. De afweging of de compensatiemaatregelen voldoende zijn, zal altijd afhangen van de omstandigheden van het specifieke geval.

In de voorliggende strafzaak heeft de rechtbank bij beslissing van 2 oktober 2014 het verzoek tot het horen van de kinderen afgewezen. Daarbij heeft de rechtbank in haar afwegende oordeel betrokken dat een verhoor bij de rechter-commissaris een flinke impact op de (zeer jonge) kinderen heeft en dat jonge kinderen een beperkt vermogen hebben om zaken te onthouden. Gelet hierop heeft de rechtbank de persoonlijke levenssfeer van de kinderen, waarvan er meerdere reeds door gecertificeerde rechercheurs zijn gehoord, laten prevaleren boven het recht van verdachte om de kinderen te (doen) ondervragen. De rechtbank is van oordeel dat zij zonder een onderzoek naar de belastbaarheid van de kinderen te gelasten reeds op grond van hun jonge leeftijd hiertoe heeft kunnen beslissen. De rechtbank is voorts van oordeel dat aan verdachte een aan de eisen van een behoorlijke en effectieve verdediging beantwoordende compensatie is geboden. Immers heeft de verdediging gelegenheid gekregen alle opgenomen studioverhoren uit te luisteren en te bekijken, waarbij haar tevens de mogelijkheid is geboden naar aanleiding daarvan eventuele nadere onderzoekswensen te formuleren, zoals het laten toetsen van de betrouwbaarheid van de verklaringen door externe deskundigen. Ook is de verdediging in de gelegenheid gesteld een zevental ouders die namens hun kind aangifte had gedaan te horen, zulks naar keuze van de verdediging. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de staat hiermee aan de op haar rustende positieve verplichting voldaan. De verdediging heeft van het aanbod tot het doen van nadere onderzoekswensen (bijvoorbeeld het gemotiveerd aangeven waarom en op welke punten alsnog tot het opnieuw horen van (bepaalde) kinderen en/of de rest van de ouders zou moeten worden overgegaan) na het bekijken van de videoverhoren en het horen van een deel van de ouders, echter geen gebruik gemaakt.

Aldus faalt het verweer dat inbreuk is gemaakt op het recht van de verdachte op een eerlijk proces en diens ondervragingsrecht in de zin van artikel 6 lid 1 en 3 EVRM. Nu aan de verdachte een aan de eisen van een behoorlijke en effectieve verdediging beantwoordende compensatie is geboden voor het ontbreken van de mogelijkheid tot ondervraging van de kinderen, kan derhalve van bewijsuitsluiting om die reden geen sprake zijn.

3.5.

Bewijsmiddelen1

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van de onder 1, 2, 3, 4, 5, 8, 9, 10, 12, 13, 14, 16 en 19 ten laste gelegde feiten op grond van de volgende bewijsmiddelen:

De verklaring van verdachte ter terechtzitting d.d. 3 maart 2015 – zakelijk weergegeven – onder meer inhoudende:

Het klopt dat ik vanaf september 2012 tot aan de dag van mijn op non-actiefstelling/ziekmelding op 18 februari 2014 zwemles gaf bij de [naam zwemschool] in Velsen-Zuid, gemeente Velsen.

Ik weet wie [slachtoffer 1], [slachtoffer 2], [slachtoffer 3], [slachtoffer 4], [slachtoffer 5], [slachtoffer 8], [slachtoffer 9], [slachtoffer 10], [slachtoffer 11], [slachtoffer 13], [slachtoffer 14], [slachtoffer 15], [slachtoffer 17], [slachtoffer 18] en [slachtoffer 22] zijn. Zij hebben zwemles van mij gehad. Ik was tijdens de zwemlessen veel in het water. Ik gaf op een fysieke manier les.

‘Vissenstaart’ is de term die ik in mijn lessen aan de kinderen gebruik voor de rugslag.

T.a.v. feit 1:

Een proces-verbaal van aangifte d.d. 21 februari 2014 (ZD 01, p. 12-21) – zakelijk weergegeven – onder meer inhoudende:

als relaas van verbalisanten:

Op vrijdag 21 februari 2014 verscheen voor ons een persoon die ons opgaf te zijn: [aangeefster 1]. Zij deed aangifte namens de benadeelde [slachtoffer 1], geboren op [datum] 2007.

als de door [aangeefster 1] ten overstaan van verbalisanten afgelegde verklaring:
Wij waren vorige week maandag, (de rechtbank begrijpt, gezien de kalender en de overige stukken m.b.t. dit feit: op maandag 10 februari 2014), bij de zwemles in het [locatie] bij [naam zwemschool]. […] [slachtoffer 1] volgt zwemles vanaf december 2012. Dat is steeds bij dezelfde leraar geweest. […] De deur was dicht en tijdens het afdrogen zei ik tegen [slachtoffer 1] dat hij zijn zwembroek uit moest doen omdat hij anders niet in zijn pyjama kon. [slachtoffer 1] zei toen tegen mij: “Mama, weet je wat ik zo gek vind?? Dat er tijdens de vissenstaart in mijn piemeltje wordt geknepen” […] [slachtoffer 1] zei toen tegen mij dat meester ook met zijn hand in zijn zwembroek gaat […] Ik vroeg aan [slachtoffer 1] of het vaker was gebeurd. Hij antwoordde toen met: “Ja, veel vaker” […] [slachtoffer 1] vertelde dat het deze les heel vaak gebeurd was (p. 15).

Een proces-verbaal van verhoor d.d. 4 maart 2014 (ZD 01, p. 22-52) – zakelijk weergegeven – onder meer inhoudende de door benadeelde [slachtoffer 1] op 26 februari 2014 ten overstaan van een bevoegd zedenrechercheur, tevens gecertificeerd studioverhoorder, afgelegde verklaring:

Nou, nou, ik zat op zwemles. En toen, toen mama net weg ging en mama was net thuis, toen…nee, ik wist niet, toen was ze net thuis, maar toen ging de meester aan mijn piemeltje zitten (p. 32). […] Ja, want hij deed het echt niet boven mijn zwembroek, maar ook in mijn zwembroek (p. 33) […] Eigenlijk word ik gewoon hier vastgehouden. Maar hij doet soms ook hier en soms ook in mijn zwembroek. En dat vond ik eigenlijk niet zo leuk (p. 34). […] Als ik op mijn buik lig, dan doet hij het niet want dan kan hij natuurlijk niet bij mijn piemel komen. Maar als ik op mijn rug lig dan doet hij dat alleen […] Nou, ik voelde gewoon dat hij m’n zwembroek een beetje omhoog trekte. En toen ging, ik en toen voelde ik ook dat hij aan mijn piemeltje zat. Nou, gewoon een beetje erin te knijpen (p. 36) […]

V: En weet je hoe lang het duurde, dat hij dat kneep?
Best lang, totdat ik klaar was. Totdat ik één baantje af had (p. 37). […] Bij het gaatje waar mijn plas uit komt. [...]
V: Is het, is het vaker gebeurd?
Ja heel vaak […] (p. 38) […]
V: Wel tien keer of zo?
Wel meer. […] Vaker. Maar ik weet niet meer hoe vaak, maar wel heel vaak. (p. 41) […] Nou dat vind ik ook best wel stout, dat hij dat doet (p. 46).

T.a.v. feit 2:

Een proces-verbaal van aangifte d.d. 28 februari 2014 (ZD 02, p. 11-19) – zakelijk weergegeven – onder meer inhoudende:

als relaas van verbalisanten:

Op vrijdag 28 februari 2014 verscheen voor ons een persoon die ons opgaf te zijn: [aangeefster 2]. Zij deed aangifte van namens de benadeelde [slachtoffer 2], geboren op [datum] 2008.

als de door [aangeefster 2] ten overstaan van verbalisanten afgelegde verklaring:
V: Sinds wanneer zit [slachtoffer 2] op zwemles bij [naam zwemschool]?

Al een jaar eigenlijk, ik denk vanaf februari 2013. (p. 14)
V: Op welk moment ontstond bij jullie het vermoeden dat [slachtoffer 2] mogelijk seksueel misbruikt/betast zou zijn?

Dat was op een donderdag. Het was om 15.45 uur, de dag voor het informatieve gesprek (rechtbank: bedoeld wordt hier kennelijk het informatief gesprek met de politie dat op 18 september 2013 plaats vond, dossierpagina 6-10).) Als u dan zegt dat het 17 september 2013 is geweest dan zal dat wel. Ik was onderweg naar mijn nichtje en reed over de Breedstraat Beverwijk. […] Hij zei tijdens het spelen: “Mama, de badmeester zit af en toe aan mijn pipi, dat is toch raar?” Ik zei: “Natuurlijk is dat raar.” Ik deed de muziek uit en zei tegen hem dat het raar was en vroeg wat er dan precies gebeurde. [slachtoffer 2] zei toen dat hij dat niet wilde zeggen en dat ik erover op moest houden. Ik heb dat ook gedaan. […] Ik was toen onderweg in de auto naar mijn nicht […] (p. 16).

Een proces-verbaal van verhoor d.d. 10 maart 2014 (ZD 02, p. 20-35) – zakelijk weergegeven – onder meer inhoudende de door benadeelde [slachtoffer 2] op 4 maart 2014 ten overstaan van een bevoegd zedenrechercheur, tevens gecertificeerd studioverhoorder, afgelegde verklaring:

V: Heb je alles tegen mij durven zeggen?

Eh ... niet...ik ... eh .. nee, niet zo heel veel.

V: Heb je niet alles durven te zeggen tegen mij?

Nee, niet alles.

V: Wat heb je niet durven vertellen aan mij dan?

Eh ... dat weet ik niet meer.

V: Heb je nog bij jezelf gedacht...'Oh dat weet ik wel maar dat vertel ik toch liever niet' .

Ja, dat weet ik wel maar dat wil ik niet vertellen.

V: Dat weet je wel maar dat wil je niet vertellen?

Nee. (p. 34)

Een proces-verbaal van verhoor d.d. 7 maart 2014 (ZD 02, p. 36-39) – zakelijk weergegeven – onder meer inhoudende de door aangeefster [aangeefster 2] ten overstaan van verbalisanten afgelegde verklaring:

V: Wij hebben begrepen dat jouw zoon [slachtoffer 2] nog iets heeft gezegd nadat er een zeden rechercheur was geweest om het studioverhoor voor te bereiden. Wat heb jij met jouw zoon [slachtoffer 2] besproken nadat die zedenrechercheur weg was?

Ja. Ik heb gevraagd: "Wat heb je gedaan vandaag?” “Gespeeld en zo,” zei hij. “Heb je nog bezoek gehad” heb ik aan hem gevraagd. Hij zei “ja.”

V: Toen de zedenrechercheur er was, was jij niet thuis, begrijp ik?

Nee. Ik was aan het werk. […]

V: Jij hebt aan [slachtoffer 2] gevraagd wat er was gebeurd?

Ja toen ik uit mijn werk kwam. [slachtoffer 2] vertelde dat er politie op bezoek was geweest maar dat hij niets had verteld omdat hij dat niet durfde. Ik heb gevraagd waarom hij niets had verteld. Hij durfde dus niet. Ik vroeg hem ‘s avonds nogmaals wat er was gebeurd. Dit was rond 19.00 uur. [slachtoffer 2] zei toen: "Dat weet je toch mam?" Ik zei ik tegen hem, dat ik het niet meer precies wist. Toon vertelde [slachtoffer 2] mij weer het hele verhaal opnieuw. […] [slachtoffer 2] zei dat de badmeester in zijn broekje zat. Hij deed het helemaal na. [slachtoffer 2] zat in zijn ondergoed op dat moment. De badmeester ging in zijn broekje zei hij. Daarna deed hij zijn hand omhoog. Hij vertelde dat hij met zijn hand aan zijn "piepie" zat, maar alleen als hij het fout deed. Hij vertelde dat het 1, 2 en 3 keer gebeurde. Maar hij deed het gelukkig nooit fout, zei hij. Verder maakte hij een draaiende beweging met zijn hand en hij zei: "Dan doet hij zo op mijn rug." (p. 37) […] Hij vertelde het echt serieus. […] De eerste keer vertelde hij het met een ondeugende blik. Spannend, van het mag eigenlijk niet. Nu vertelde hij het zo, zoals hij normaal ook tegen mij praat. Op een serieuze manier.”

Een proces-verbaal van verhoor d.d. 16 maart 2014 (ZD 02, p. 40-43) – zakelijk weergegeven – onder meer inhoudende de door getuige [getuige 1] ten overstaan van verbalisanten afgelegde verklaring:

[slachtoffer 2] is mijn neefje en een kind van [aangeefster 2], mijn schoonzusje. Zij is de zus van mijn man.

[aangeefster 2] zou bij mij op visite komen en toen vertelde [slachtoffer 2] in de auto aan zijn moeder, [aangeefster 2], dat de zwemleraar in zijn zwembroekje had gezeten. [aangeefster 2] was toen overstuur bij mij thuis gekomen en heeft verteld wat [slachtoffer 2] had verteld. […] Ik heb [slachtoffer 2] in de gang genomen en heb hem gevraagd wat er was gebeurd en toen vertelde hij dat de zwemleraar in zijn zwembroek had gezeten. […] De woorden zwembroek en zwemleraar heeft hij zeker gebruikt. Ik heb toen gevraagd waarom die zwemleraar dat deed. Maar dat wist hij niet te vertellen. Toen heb ik gevraagd wanneer hij dat deed. [slachtoffer 2] vertelde toen dat als hij iets fout deed dat de zwemleraar dat dan deed. […] Ik denk aan het einde van de zomer. Wij hebben het laten rusten omdat mijn schoonzusje het ook liet rusten. [slachtoffer 2] is een grapjesmaker maar dit kwam wel heel overtuigend over (p. 41).

T.a.v. feit 3:

Een proces-verbaal van aangifte d.d. 4 maart 2014 (ZD 03, p. 6-16) – zakelijk weergegeven – onder meer inhoudende:

als relaas van verbalisanten:

Op dinsdag 4 maart 2014 verscheen voor ons een persoon die ons opgaf te zijn: [aangeefster 3]. Zij deed aangifte namens de benadeelde [slachtoffer 3], geboren op [datum] 2007.

als de door [aangeefster 3] ten overstaan van verbalisanten afgelegde verklaring:
V: Tegen wie wil je aangifte doen?

[verdachte].

V: waar wil je aangifte van doen?

Dat hij aan het piemeltje van mijn zoontje heeft gezeten.

V: Wanneer zou het vermeende seksueel misbruik hebben plaatsgevonden?

Ik weet de data echt niet meer maar hij had altijd op de woensdagen zwemles. Hij is in januari 2013 daar begonnen. Tot na de zomervakantie. Toen is hij in september 2013 eraf gegaan. Een half jaar hebben ze daar gezwommen. […]

V: Waar zou het hebben plaatsgevonden?

In het zwembad. Tijdens de les. (p. 8) […]

V: Hoe heet de zwemschool?

[naam zwemschool] in Velsen zuid.

V: Hoe vaak zou het hebben plaatsgevonden?

Ik weet van twee keer. Hij heeft het mij van twee keer verteld. […] Toen we weer in de auto terug naar huis zaten van de zwemles toen vertelde hij dat meester aan zijn piemeltje had gezeten. […] Ik was aan het autorijden. Ik schrok echt heel erg en volgens mij heb ik alleen maar 'o' gezegd. Ik weet niet meer of dit de eerste of de tweede keer is geweest dat ik vragen heb gesteld over wanneer en hoe. […] Hij weet dat het raar is en vertelde het een beetje schuchter maar wel zo van het is gebeurd. Het was meer iets waar hij mee in zijn hoofd bezig was. (p. 9). […] Ik weet wel dat het niet over de zwembroek heen was. Dat heeft [slachtoffer 3] wel verteld. Ik vroeg hem of het per ongeluk was of hij met zijn hand langs zijn piemeltje ging. Toen zei hij zoiets van 'nee hoor mam, gewoon zo met de hand erin'. […] Ik denk dat het eerste incident april, mei ergens is geweest en het tweede incident weet ik zeker dat was in juni.

V: Waar vond dat gesprek plaats?

Weer in de auto na de zwemles.

V: Kun je jij nog herinneren op welke wijze hij het vertelde?

Eigenlijk op de eerste wijze zoals de eerste keer. Alleen zat nu het woordje 'weer' erbij. Hij zei: 'meester heeft weer aan mijn piemeltje gezeten.' Als ik het mij goed herinner, was [slachtoffer 3] er nu wat lacheriger over. Hij was hier wat nonchalanter over, zo van 'nou, gebeurt het nou weer'. […]

V: Hoe weet jij dat [slachtoffer 3] het nu over een nieuw incident had en niet over het eerdere incident had?

Omdat hij het woordje 'weer' gebruikte en omdat hij een heel goed tijdsbesef heeft. Hij weet goed het onderscheid tussen één en twee keer (p. 10).

T.a.v. feit 4:

Een proces-verbaal van aangifte d.d. 16 maart 2014 (ZD 04, p. 10-22) – zakelijk weergegeven – onder meer inhoudende:

als de door [aangeefster 4] ten overstaan van verbalisanten afgelegde verklaring:

V: Namens welke zoon doe je aangifte?

[slachtoffer 4], geboren op [datum]-2006 (p. 11).

V : Tegen wie wil je aangifte doen?

[verdachte].

V: Wanneer zou het vermeende seksueel misbruik hebben plaatsgevonden?

Dat zou, van wat ik weet, vanaf augustus 2013 tot februari 2014 zijn.

V: Waar zou het hebben plaats gevonden?

In het zwembad [locatie]. […] Mijn moeder vertelde dat [slachtoffer 4] zomaar uit zichzelf vertelde aan haar dat als hij wat fout doet dat de zwemleraar dan in zijn piemel knijpt.

V: Wanneer was dat?

Ik denk in augustus. Het was toen mooi weer en was zomer, dus augustus of september 2013. Het was ook op een middag dat hij zwemles had gehad en ik had gewerkt en ik haalde hem op bij mijn moeder thuis.

V: En hoe ging het verder nadat je [slachtoffer 4] van je moeder had opgehaald?

We zaten in de auto en toen heb ik hem gevraagd: “Oma vertelde net iets…dat de badmeester je in de piemel knijpt.” Hij begon te lachen en zei: “Ja, als ik iets fout doe dan doet hij dat.” (p. 12) […] Toen hebben we het er ook niet meer over gehad en ook niet meer met [slachtoffer 4]. […] Maar tot 3 weken geleden dat hij het uit zichzelf aan zijn vader heeft verteld. […] Dat [slachtoffer 4] ineens uit zichzelf begon te vertellen wat [verdachte] bij hem had gedaan. […] Op zondag [datum] 2014, op mijn verjaardag, was ik alleen met hem. […] Ik zei toen tegen [slachtoffer 4]: “Je hebt wel eens verteld dat de badmeester er aan had gezeten.” Ik hoorde dat [slachtoffer 4] dit toen toegaf door 'ja' te zeggen en ik vroeg wanneer hij dat deed. Ik heb hem toen gevraagd wat er was gebeurd. Ik zag dat [slachtoffer 4] toen ging staan en hij deed het toen voor dat alsof hij aan het buikzwemmen was. Ik zag dat [slachtoffer 4] toen zelf ook zijn hand in zijn broek om het voor te doen. Hij zei toen tegen mij dat [verdachte] dat deed (p. 14). […] [slachtoffer 4] heeft mij gezegd dat hij echt met zijn hand in [slachtoffer 4] zijn broek is gegaan (p. 15).

als relaas van verbalisanten:

Aangever zoekt in haar telefoon naar het berichtje welke zij van haar ex-man [getuige 2] heeft gekregen. In het WhatsApp-berichtje is te zien dat het gesprek heeft plaatsgevonden op 26 februari 2014. Dit is waargenomen door de verbalisanten.

Een ander geschrift, te weten een schermafdruk van een WhatsApp bericht van ‘[getuige 2]’ (ZD 04, p. 22) onder meer inhoudende:

“Ik zit met [slachtoffer 4] te praten en hij verteld me iets waar ik even van schrik. Hij zegt dat die [voornaam verdachte] van zwemmen wel eens aan zijn piemel heeft gezeten. Als ze zwommen en wat fout deden dan ging hij met zijn hand naar zijn piemel. Hij zegt dat hij dit niet verzonnen heeft.”

Een proces-verbaal van verhoor d.d. 31 maart 2014 (ZD 04, p. 23-53) – zakelijk weergegeven – onder meer inhoudende de door benadeelde [slachtoffer 4] op 19 maart 2014 ten overstaan van een bevoegd zedenrechercheur, tevens gecertificeerd studioverhoorder, afgelegde verklaring:

Omdat mijn zwemmeester, die gaat heel vaak als je gaat zwemmen, dan gaat die met zijn hand onder je zwembroek en dan gaat hij aan je piemel zitten (p. 30). […] Ook bij andere kinderen (p. 33) […] Nou, wij zwommen en dan loopt hij, hij loopte naast mij. En dus hij, die…die, die ging er zo in. En toen dacht ik: huh, wat doet hij nou? En toen kwam ik erachter dat hij aan mijn piemel zat (p. 39). [Het gebeurde tijdens] de schoolslag (p. 39). […] Hij deed zijn hand zo los en toen ging hij hier zo onder je broek en dan zat hij aan je piemel (p. 40) […] . Nou, ik zwom zo en toen ging hij zo met zijn hand en toen ging hij zo hierin. En toen ging hij eraan zitten (p. 40) Maar hoe weet je nou dat hij bij je piemel zat?

Omdat ik het ook voelde. Omdat hij, ik voelde ook dat hij hier al in ging. En toen voelde ik opeens een hand zo aan mijn piemel. Ik dacht: huh, wie doet dat nou? En toen keek ik naast me: oh, dat was de meester (p. 41). […] Ehm ... Hij zat er gewoon aan (p. 41). […] Ik vond het best wel vies. Want ik dacht: huh, is hij ... Ik dacht: is hij nou met een man of is hij, of is hij gewoon raar aan het doen? (p. 42) […] Volgens mij zeven keer (p. 42). […] Nou, het voelde zo heel vreemd, want... ik kende die man helemaal eerst niet en, en, en ik dacht: huh, je bent, ik ken jou helemaal niet en dan doe je het. Dan is het best wel raar (p. 43). […] Ik dacht ook, ik dacht: ik hoop niet meer dat hij er aan zou zitten. Ik hoopte gewoon dat hij gewoon normaal ging doen en dat hij gewoon even ging kijken of je het goed deed. […] Ongeveer één minuut maar (p. 48).

Een proces-verbaal van verhoor d.d. 17 maart 2014 (ZD 04, p. 54-56) – zakelijk weergegeven – onder meer inhoudende de door getuige [getuige 2] ten overstaan van verbalisanten afgelegde verklaring:

Ik zat tv te kijken met hem in de woonkamer. Uit het niets begon hij hierover. Hij begon over het zwemmen, dat als hij wel eens wat fout deed dat er dan aan zijn piep werd gezeten. Dan ging hij met zijn hand naar zijn piemel. Ik vroeg wie dat deed en [slachtoffer 4] zei hierop dat de zwemleraar dat deed. Ik vroeg of het over of in zijn broek was en [slachtoffer 4] zei dat het allebei was. Ik vroeg wat hij dan deed en [slachtoffer 4] zei dat hij zijn piemel dan vasthield. Daar schrok ik nog het meest van. Ik heb nog gezegd dat hij hier niet om mocht liegen. [slachtoffer 4] zei dat hij niet loog. Ik vroeg hoe dat dan ging. Hij zei dat als hij wat fout deed met zwemmen dat hij hem dan vastpakte. Ik vroeg of het alleen in het zwembad gebeurde of ook erbuiten. [slachtoffer 4] zei dat het alleen in het zwembad gebeurde (p. 55)

Een proces-verbaal van verhoor d.d. 17 maart 2014 (ZD 04, p. 57-59) – zakelijk weergegeven – onder meer inhoudende de door getuige [getuige 3] ten overstaan van verbalisanten afgelegde verklaring:

V: Hoe lang is het geleden dat [slachtoffer 4] U iets vertelde?

Ik denk dat het in augustus/september is geweest van het vorige jaar. […] We zaten gewoon op de bank tv te kijken en ineens zegt hij tegen mij: Als ik iets verkeerds doe of hij is boos op mij, dan knijpt hij in mijn piemel. Hij was een beetje lacherig. Hij ging ook weer verder met tv kijken. […] Hij zei er ook bij dat het met zwemmen was. Hij noemde de zwemmeester (p. 58).

T.a.v. feit 5:

Een proces-verbaal van bevindingen d.d. 13 maart 2014 (ZD 05, p. 86-87) – zakelijk weergegeven – onder meer inhoudende als relaas van verbalisant:

Op 13 maart 2014, omstreeks 09.30 uur, heb ik telefonisch contact gehad met een man die opgaf te zijn: [melder], wonende in Velserbroek. Ik hoorde van [melder] dat zijn zoontje [slachtoffer 5], geboren op [datum] 2008, in april 2013 op zwemles zat bij de verdachte badmeester. Verder hoorde ik van melder [melder] dat:

- [slachtoffer 5] in april vorig jaar tegen hem en zijn vrouw had verteld dat de badmeester steeds aan zijn piemeltje zat;

- zijn vrouw en hij in eerste instantie dachten dat het misschien per ongeluk ging.

- de volgende zwemles [slachtoffer 5] er weer over begon.

- de keer daarna weer en dat [slachtoffer 5] toen aangaf niet meer naar zwemles te willen.

- zij [slachtoffer 5] in april 2013 van zwemles hebben gehaald bij deze badmeester en ergens anders naar toe zijn gegaan voor zwemles.

- [melder] deze incidenten in april 2013 heeft gemeld bij de wijkagent [voornaam], waarvan hij de achternaam niet wist.

Een proces-verbaal van aangifte d.d. 13 maart 2014 (ZD 05, p. 5-11) – zakelijk weergegeven – onder meer inhoudende de door [aangeefster 5] ten overstaan van verbalisanten afgelegde verklaring:

V: Waarvan wil je aangifte doen?

Van het feit dat [verdachte] [slachtoffer 5] aan zijn piemel heeft gezeten. [slachtoffer 5] (de rechtbank begrijpt: [slachtoffer 5]) is mijn zoon. […]

V: Waar zou [verdachte] aan [slachtoffer 5] zijn piemel hebben gezeten?

In het water. In het zwembad [naam zwembad]. Dat zit in [locatie].

Ik weet niet meer precies wanneer [slachtoffer 5] op zwemles is gegaan maar ik denk dat het in februari 2013 is geweest.

V: Wanneer is [slachtoffer 5] van zwemles afgegaan?

Ik denk eind maart 2013. […]


V: Hoe vaak is [slachtoffer 5] heen geweest naar zwemles?

Zeker wel 8 keer. […]

V: Wanneer heeft [slachtoffer 5] voor het eerst in jouw herinnering iets gezegd over het feit dat [verdachte] aan de piemel van [slachtoffer 5] zat.

Het is heel moeilijk om te zeggen. Maar ik denk de laatste 3 keren. […] Ik pakte zijn zwemtas en ik hoorde [slachtoffer 5] zeggen: “Ik wil niet. Hij zit altijd aan mijn piemel.” Ik vroeg: “Ging dat per ongeluk?” Ik hoorde [slachtoffer 5] zeggen: “Nee, want hij deed zo”. Ik zag dat [slachtoffer 5] een wrijvende beweging maakte. Hij hield zijn hand horizontaal, vingers tegen elkaar en bewoog zijn hand van links naar rechts. (p. 8) […] Gister heb ik aan [slachtoffer 5] gevraagd: ‘Goh denk je nog wel eens aan het zwembad toen je op zwemles zat?” Direct hierop zei [slachtoffer 5]: “Hij zat aan mijn piemel”. Ik vroeg toen: “Wat deed hij?” [slachtoffer 5] zei: “Dat doe ik wel even voor”. [slachtoffer 5] stond gister in zijn onderbroek want hij bootste zijn eigen zwembroek na. Ik zag dat [slachtoffer 5] zijn eigen piemeltje pakte en het met zijn vingertjes bij elkaar kneedde. […] Over zijn onderbroek, want [slachtoffer 5] zei iets van: 'hij ging niet in mijn broek. En ik was niet bloot’ (p. 9)”

Een proces-verbaal van verhoor d.d. 21 maart 2014 (ZD 05, p. 13-38) – zakelijk weergegeven – onder meer inhoudende de door benadeelde [slachtoffer 5] op 19 maart 2014 ten overstaan van een bevoegd zedenrechercheur, tevens gecertificeerd studioverhoorder, afgelegde verklaring:

[verdachte] zat aan mijn onderbroek (p. 16). […] Zo doet hij. Kneten (fonetisch). Met zijn hand (p. 17). Ik denk eerst met deze hand en dan met deze hand. Hij deed het met ze allebei. Altijd als ik er ben. Als ik in het water ben (p. 18) […] Die zat gewoon mij hier vast te houden, met één, opeens één hand en toen ging hij aan mijn piemel. Op m'n piep! (p. 20). Maar ik denk er ook in. Ik weet het niet. Kneden (p. 21).

En zou het per ongeluk gegaan kunnen zijn?

Nee, expres (p. 22).”

Een proces-verbaal van verhoor d.d. 2 april 2014 (ZD 05, p. 39-43) – zakelijk weergegeven – onder meer inhoudende de door getuige [getuige 4] ten overstaan van verbalisanten afgelegde verklaring:


Eind mei, begin juni 2013 kwam [slachtoffer 5] bij ons van een ander zwembad. Ik begreep van zijn moeder dat de communicatie tussen haar en de zwemleraar niet goed ging. [slachtoffer 5] wilde niet naar zwemles. Hij was erg bang. […] Het duurde lang voordat ik hem in het water kreeg. [slachtoffer 5] begon bij mij. Bepaalde oefeningen zijn op de buik en op de rug. [slachtoffer 5] zei: Als ik dit moest doen dan zat mijn andere zwemmeester altijd aan mijn piemel. Ik vroeg hem: Sorry wat zei je? Hij herhaalde nogmaals wat hij eerder al verteld had. […] [slachtoffer 5] zei: Elke keer als ik deze oefening moest doen zat meester aan mijn piemel. Ik nam aan dat dat elke keer was tijdens de drijfoefening. […] Na de zwemles heb ik zijn moeder [aangeefster 5] naar boven geroepen. Ik heb haar verteld wat [slachtoffer 5] tegen ons gezegd had. […] Zijn moeder reageerde: “Ik wist het al een beetje. Ik had het al gehoord. Maar ik wist niet of het waar was.”

T.a.v. feit 8:

Een proces-verbaal informatief gesprek zeden d.d. 16 maart 2014 (ZD 08, p. 5-8) – zakelijk weergegeven – onder meer inhoudende als relaas van verbalisanten:

[aangeefster 6] verklaarde ons onder andere dat:

  • -

    haar dochter [slachtoffer 8] bij [verdachte] gezwommen heeft voor haar C-diploma van januari 2013 tot 21 april 2013;

  • -

    dochter [slachtoffer 9] vanaf de opening van de zwemschool in september 2012 tot op heden daar

zwemt;

- [slachtoffer 9] daar begonnen is voor haar A-diploma.

Een proces-verbaal van aangifte d.d. 19 maart 2014 (ZD 08, p. 9-14) – zakelijk weergegeven – onder meer inhoudende:

als relaas van verbalisanten:

Op woensdag 19 maart 2014 verscheen voor ons een persoon die ons opgaf te zijn: [aangeefster 6]. Zij deed aangifte namens de benadeelden [slachtoffer 8], geboren [datum] 2003 en [slachtoffer 9], geboren [datum] 2007.

als de door [aangeefster 6] ten overstaan van verbalisanten afgelegde verklaring:

[betrokkene 1] kwam zaterdag de 15e bij ons na de lunch om samen met [slachtoffer 8] met de lego te spelen.

Ik zat met mijn man en [slachtoffer 8] aan tafel. [betrokkene 1] kwam binnen. [slachtoffer 8] zei tegen [betrokkene 1] dat [verdachte] niet terug zou komen. [betrokkene 1] vroeg haar of ze nog niet wist waarom hij niet zou terugkomen. Ik zei meteen dat [slachtoffer 8] dat nog niet wist. De moeder van [betrokkene 1] had het wel tegen haar kinderen verteld. Toen [betrokkene 1] dat had gezegd zei [slachtoffer 8] ‘out of the blue’ dat er wel een keer iets was gebeurd wat ze gek vond. Ze wilde het eigenlijk niet zeggen. Ze zei: "een keer toen ik bij hem aan het zwemmen was, ging hij met zijn hand in mijn broek" (p. 11) […] Ze zei dat hij in haar zwembroek ging en dat ze toen hij te ver ging, zij een gekke draai had gemaakt om toen weg te zwemmen. (p.11).
[…]

Op een gegeven moment was [slachtoffer 9] ziek, afgelopen donderdag. We zaten een filmpje te kijken van Barbie. Ik zei nog dat die zeemeerminnen goed konden zwemmen. […] Ik zei dat [verdachte] niet meer terug kwam. Ik vroeg hoe ze het vond bij [verdachte]. Ze zei dat ze het heel erg leuk vond en vooral opduiken van staafjes. Ik vroeg nog of [verdachte] haar ook wel eens ging pakken. Ze keek me zo vragend aan en ik zag dat ze die vraag heel raar vond. […] Er kwam een vriendin voor [slachtoffer 9]. Ik was bezig met kleding uitzoeken. […] Ik heb het vriendinnetje op een gegeven moment naar huis gestuurd. Ik ben met haar die kleding gaan doorzoeken. We kwamen een badpakje tegen. Ik zei nog dat ze goed kon zwemmen. Ze trok hem aan. Ik vroeg: “je had al je A diploma? Ging [verdachte] dan nog wel met jullie het bad in?” Ik vroeg of [verdachte] hen dan nog wel eens ging helpen. Ze zei: “ja, mam, weet je wat ik dan raar vond, dat hij me dan daar vasthield”. Ze wees toen naar haar kruis. Ik vroeg toen aan haar of hij dan op haar broekje of in haar broekje zat. [slachtoffer 9] zei toen: “nee, in mijn broekje”. Ik vroeg nog: “hoe ging dat dan?”. Ze zei dat ze op haar rug zwom en dat [verdachte] bij haar kruis pakte en haar dan omhoog duwde. Toen ik zondag hier op het bureau was geweest, lag ik ' s avonds even bij [slachtoffer 9] in bed. We hadden samen gelezen. Ik vroeg toen hoe het ging en waar [verdachte] dan zat. Ze wees maar tussen haar benen. Ze zei dat hij in haar zat, haar omhoog duwde en het pijn deed. Ze wees tussen haar benen en zei dat hij in haar zat. Ik heb daarover niet doorgevraagd (p. 12).

Een proces-verbaal van verhoor d.d. 8 april 2014 (ZD 08, p. 15-37) – zakelijk weergegeven – onder meer inhoudende de door benadeelde [slachtoffer 8] op 27 maart 2014 ten overstaan van een bevoegd zedenrechercheur, tevens gecertificeerd studioverhoorder, afgelegde verklaring:
Nou, mijn moeder en vader geloofden [verdachte] heel erg goed en ik ook, maar er was, er was volgens mij een dag en ... toen op een dag moest ik op m'n rug liggen in het zwembad. En toen ik, ik vond het al een beetje raar, want meestal gaan ze alleen maar in het zwem .... Gaan ze alleen maar in, echt in het zwembad als mensen, als bijvoorbeeld kinderen die voor A zwemmen, dat vond ik al een heel klein beetje raar. Maar dus, maar dus op een gegeven moment moest, hield hij me vast bij m'n zwembroek. En na een paar slagen ging hij iets, ging hij ietsje dieper met zijn hand. En na weer een paar slagen ging hij nog een ietsje dieper. En na weer een paar slagen nog dieper. En na, en op een gegeven moment heb ik een soort van rare beweging gedaan waardoor hij, waardoor hij ... Ja, waardoor hij, waardoor ik die hand uit m’n zwembroek heb gehaald (p. 18). […]

V: Hoe vaak?

Eén keer. […] Het is, het is ongeveer wel een half jaar, een jaar geleden ongeveer. (p. 21)

V: En wat voelde je dan?

Een koude hand.

V: Een koude hand, oké. En wat raakte hij aan, onder je zwembroek?

Een beetje, heel dicht bij m’n fiep. Vagina. (p. 25).

Een proces-verbaal van verhoor d.d. 3 april 2014 (ZD 08, p. 38-58) – zakelijk weergegeven – onder meer inhoudende de door benadeelde [slachtoffer 8] op 27 maart 2014 ten overstaan van een bevoegd zedenrechercheur, tevens gecertificeerd studioverhoorder, afgelegde verklaring:

Over [verdachte]. Nou, hij had mij ergens vast aan (p. 40). Nou, als ik zo moest liggen, toen deed ik steeds mijn buik omlaag, maar dat… toen houdde hij me steeds vast. Nou, met zijn hele hand (p. 42). Die andere keer had ik gewoon een zwempakje aan en kon hij zo erin. (p. 44) […] Ik denk wel tien keertjes of zo, of meer (p.44). […] Nee, soms doet het wel pijn, maar ... (p. 45). […] Nou, toen had hij een beetje met zijn nagel zo gaat.

V: Oh, en waar komt zijn nagel dan precies?

Hier ongeveer ([slachtoffer 9] wijst het aan) […]

V: En kan je ook vertellen waar je precies zijn nagel voelt dan?

Nou, hier ergens ([slachtoffer 9] wijst het aan) (p. 46)

T.a.v. feit 9:

Een proces-verbaal van aangifte d.d. 21 maart 2014 (ZD 09, p. 13-21) – zakelijk weergegeven – onder meer inhoudende:

als relaas van verbalisanten:

Op vrijdag 21 maart 2014 verscheen voor ons een persoon die ons opgaf te zijn: [aangeefster 7]. Zij deed aangifte namens de benadeelde [slachtoffer 10], geboren [datum] 2008.

als de door [aangeefster 7] ten overstaan van verbalisanten afgelegde verklaring:

V: Tegen wie wil je aangifte doen?

Zwemmeester [verdachte].

[…], dinsdag de 11e kwamen we weer op zwemles en toen bleek dat hij (de rechtbank begrijpt: de verdachte) nog steeds niet aanwezig was. Ik had toen een raar onderbuikgevoel omdat een vrouw vroeg wanneer [verdachte] terugkwam. Hierop werd afwijkend gereageerd door [betrokkene 2], de nieuwe manager. […] Na de zwemles gingen we in de auto en voor de Albert Heijn parkeerde ik mijn auto omdat we boodschappen moesten doen. Ik vroeg toen aan [slachtoffer 10] op een lacherige manier: “Hoe vind je het dat de nieuwe juffen er zijn?”. Ze vond het leuk dat [betrokkene 2] er weer was, dit is 1 van haar favoriete docenten. Ik vroeg toen: “Is er wel eens iets geks of raars gebeurd op zwemles?” Ze vroeg toen waarom ik dat vroeg. Ik zei dat ik me dat gewoon afvroeg. Ze dook toen weg in haar stoel en begon helemaal te giechelen. […] Ik vroeg waarom ze moest giechelen En ze zei dat dat ze het wil zeggen, de waarheid ‘maar dan moet ik lachen’. Ik vroeg toen of er iets met [verdachte] was. Ze knikte ja. Ik vroeg: “Heeft hij bijvoorbeeld weleens je hard bij je schouder geknepen”. Ze zei toen nee. Toen zei ze: “Wel bij mijn snee”. En toen moest ze weer lachen en gieren. […] Toen vroeg ik: “of het was dat hij per ongeluk bij je snee kwam doordat hij je vastpakte bij het zwemmen?”. Toen zei ze: “Nee, echt zo”. Ze maakte hierbij een wrijvende handbeweging bij haar kruis. […] Thuis ben ik met haar op de bank gaan zitten. En toen heb ik haar gevraagd of ze nog eens kon vertellen wat ze ook in de auto aan me had verteld. […] Toen zei ze dat [verdachte] met zijn hand bij haar snee heeft gezeten. Ik vroeg toen hoe dit ging. Zij ging toen met haar hand bij haar kruis. Ik vroeg toen hoe dit is gebeurd. Zij trok haar joggingbroek naar beneden en toen liet ze zien dat hij met gestrekte vingers met zijn hand over haar vagina ging. Ze ging hierbij met haar hand in haar onderbroekje. Ik heb haar gevraagd of het op of in haar broekje was. Toen zei ze: “Mam, echt er in.” Toen heb ik haar gevraagd hoe dit dan precies ging. Of dit bij buik- of rugzwemmen was. Toen demonstreerde ze hoe het is gegaan. Ze gaf aan dat ze aan de kant moest hangen met haar handen om schoolslag te doen. Ze gaf aan dat ze de schoolslag te snel deed en dat ze van [verdachte] rustiger moest zwemmen met haar benen. Toen zou dit gebeurd zijn. Ik heb toen gevraagd of dit 1, 2, 3 of 6 keer was gebeurd. Ze zei toen : “1, 2, 3 keer gebeurd” (p. 16)

V: Op welke dag en tijdstip zwom zij bij [verdachte]?

Van december 2012 tot eind februari 2014 op de maandag (p. 17).

Een proces-verbaal van verhoor d.d. 17 april 2014 (ZD 09, p. 22-40) – zakelijk weergegeven – onder meer inhoudende de door benadeelde [slachtoffer 10] op 9 april 2014 ten overstaan van een bevoegd zedenrechercheur, tevens gecertificeerd studioverhoorder, afgelegde verklaring:

Over zwemles. Dat de zwemmeester aan mijn snee ging zitten. (p. 23). […] Toen ging ik in het zwembad en toen ik wat fout deed ging hij aan mijn snee zitten. Dus toen ik een beetje, een heel klein beetje wat fout deed ging hij aan mijn snee zitten (p. 26). […] Gewoon, hij ging, toen ik mijn zwembroekje aan had, ging hij gewoon aan mijn snee zitten (p. 28). Gewoon je hand erin stoppen. Dan voel ik een beetje raar. Nou het kietelt wel een beetje en dat vind ik wel raar.

V: En wat ging ie dan doen bij je snee?

Gewoon zo doen ([slachtoffer 10] legt haar rechterhand op tafel en gaat met een gestrekte wijsvinger een paar keer heen en weer op het tafelblad, deze wijsvinger heeft zij hierbij plat op het tafelblad) (p. 29). Drie of twee [keer] (p. 31). […] Eén minuutje (p. 39).

T.a.v. feit 10:

Een proces-verbaal van aangifte d.d. 21 maart 2014 (ZD 10, p. 9-12) – zakelijk weergegeven – onder meer inhoudende:

als relaas van verbalisanten:

Op woensdag 19 maart 2014 verscheen voor ons een persoon die ons opgaf te zijn: [aangever]. Hij deed aangifte namens de benadeelde [slachtoffer 11], geboren [datum] 2007.

als de door [aangever] ten overstaan van verbalisanten afgelegde verklaring:
V: Vanaf wanneer tot wanneer heeft jullie dochter [slachtoffer 11] bij [verdachte] gezwommen?

September 2012 tot en met mei 2013 (p. 10) […]

V: Kan je in eigen bewoording vertellen wat er is voorgevallen?

Het was op een woensdag, ik meen in februari 2013. Ik ging [slachtoffer 11] naar bed brengen omstreeks een uur of half zeven, zeven uur. Wij vragen altijd hoe de dag is geweest. Dus ook 'hoe was het zwemmen' zeg maar. Toen zei ze: “Pap, [verdachte] heeft aan mijn billen en aan mijn voorbillen gezeten”. Ik zeg “hoe bedoel je?” Zij zei toen: “Nou dat ie aan mijn billen en voorbillen heeft gezeten.” Ik zeg: “Wanneer?” “Tijdens het zwemmen.” Ik zeg : “Oh”. Ik riep toen mijn vrouw naar boven en die heeft het één keer laten herhalen wat ze had gezegd. Ik vroeg toen: “Wat heb je gedaan”? Toen zei ze: “Ik ben uit het water gegaan, want ik wil niet dat mensen aan me zitten.” Ik vroeg: “En toen, zei [verdachte] nog wat?” Ze zei dat hij had gezegd dat ze het water weer in moest komen en dat ze vrij mocht zwemmen. (p.11)

Een proces-verbaal van verhoor d.d. 24 april 2014 (ZD 16, p. 45-72) – zakelijk weergegeven – onder meer inhoudende de door benadeelde [slachtoffer 17] op 16 april 2014 ten overstaan van een bevoegd zedenrechercheur, tevens gecertificeerd studioverhoorder, afgelegde verklaring:

Bijvoorbeeld, toen ging hij altijd met je... met zijn hand in je onderbroekje. Ehm… en ja… Dat had ik geloof ik, ik weet het niet meer zeker, had ik het ook bij een jongetje of bij een meisje gezien, dat hij dat deed. En ... omdat hij dat had gedaan. Want een kindje, die had het een keer… een kindje die zei dat wel eens tegen mij: merk je wel eens dat [verdachte] zijn hand in je broek steekt? (p. 48) […]

V: Oh, oké. Oké. Hé ... Jij zegt van: een kindje had tegen jou gezegd: merk je wel eens dat [verdachte] een hand in het zwembroek, in je zwembroek doet?

([slachtoffer 17] knikt bevestigend)

V: In jouw zwembroek of in de zwembroek van dat kindje, toen dat kindje dat vertelde?

Nou, ik vertelde dat aan het kindje om te vragen of ze dat, of die dat, of ze dat ook een keertje had

gevoeld.

V: Oh, jij had dus aan een kindje gevraagd van: merk je wel eens dat [verdachte] zijn hand in je zwembroek doet?

Ja.

V: En wat zei dat kindje toen?

Ik geloof het wel.

V: Ik geloof...

Ik denk dat ik het wel eens heb gevoeld.

V: En wie was dat kindje dan?

Dat is een meisje.

V: En weet je ook hoe dat meisje heet?

([slachtoffer 17] schudt ontkennend haar hoofd)

V: Hoe zag dat meisje eruit dan?

Nou, ze was ... een beetje met krulletjes had ze, in haar haar. Ja, krulletjes had ze altijd.

V: Zelfde kleur haar als jij of lichter?

Nee, heel donker.

V: Heel donker.

Heel donker.

V: Oké. En haar huidskleur is die net zoals jij?

Ja, een beetje donker. Een beetje ... Ja, ik weet ook niet precies wat voor. (p. 60) […]

V: Oh, oké. Oké. Hé ... Ja, je vertelde ook van, je had het aan een ander meisje gevraagd hè, van: joh ...

Ja.

V: Doet [verdachte] dat ook wel eens bij jou? En was dat voordat [verdachte] weg was of

nadat [verdachte] weg was, toen je dat aan dat meisje... ?

Dat was daarvoor al heel lang.

V: Heel lang daarvoor al?

Dat was daar voor al.

V: Oké.

Dus dat was ...

V: Dus toen gaf [verdachte] nog zwemles?

Ja.

V: Oké.

Want hij gaf geen zwemles meer toen ik m'n B had gehaald.

Een proces-verbaal van bevindingen d.d. 24 april 2014 (ZD 10, p. 53-54) – zakelijk weergegeven – onder meer inhoudende als relaas van verbalisant:

Gedurende het studioverhoor werd door [slachtoffer 17] verklaard dat zij tijdens de zwemles aan een ander meisje zou hebben verteld dat de badmeester in haar broekje zat. Dit zou [slachtoffer 17] volgens haar zeggen aan dit meisje hebben verteld 'lang' voordat ze dit aan haar ouders had verteld. Dit zou zij hebben verteld ten tijde van dat ze nog voor haar 'A' diploma ging. [slachtoffer 17] zou tijdens de zwemles aan dit meisje hebben gevraagd of zij ook merkte dat [verdachte] zijn hand in haar broek stak, waarop dit meisje zou hebben gezegd dat hij dit ook bij haar deed. [slachtoffer 17] omschreef dit meisje als een meisje met heel donker haar; krulletjes haar, met een iets donkerder huidskleur. Zij zou bij haar in het zwemgroepje hebben gezeten. Op donderdag 24 april 2014, na het studioverhoor, heb ik, verbalisant, in de middag een terugkoppeling aan moeder gegeven over het verloop van het studioverhoor van haar dochter [slachtoffer 17]. Op de vraag of [aangeefster 11] wist over welk kindje [slachtoffer 17] het had, hoorde ik haar zeggen dat zij inderdaad wist om welk meisje het zou gaan. Op vrijdag 25 april 2014 heb ik, verbalisant, telefonisch contact gehad met aangeefster [aangeefster 11], die mij vertelde dat zij erachter was gekomen hoe het meisje heet, '[slachtoffer 11]'. [aangeefster 11] kent de ouders als [naam] en [naam]. Nadat zij op Facebook was geweest, heeft aangeefster haar dochter [slachtoffer 17] een foto laten zien met verschillende kinderen erop tijdens de zwemles, waarop zij aan haar dochter vroeg wie het meisje was over wie ze het had gehad in de studio, waarop [slachtoffer 17] volgens [aangeefster 11], [slachtoffer 11] aanwees. Ik hoorde [aangeefster 11] zeggen dat zij hierdoor zeker wist dat het om deze [slachtoffer 11] ging.

T.a.v. feit 12:

Een proces-verbaal van aangifte d.d. 23 maart 2014 (ZD 12, p. 10-19) – zakelijk weergegeven – onder meer inhoudende:

als relaas van verbalisanten:

Op zondag 23 maart 2014 verscheen voor ons een persoon die ons opgaf te zijn [aangeefster 8]. Zij deed aangifte namens de benadeelde [slachtoffer 13], geboren [geboortedatum 3] 2008.

als de door [aangeefster 6] ten overstaan van verbalisanten afgelegde verklaring:

Later zei ik, na een potje Rumicub, dat de zwemleraar fouten had gemaakt en dat ik wilde dat [slachtoffer 13] er nog iets over wilde vertellen. Toen zei [slachtoffer 13]: “Bij mijn B en C gebeurde het niet meer, maar bij mijn A wel. Vooral als je het niet kon dan deed hij het”. Hij zei ook een paar keer : “Als je het fout deed”. Hij benoemde ook weer echt: “Dat hij dan aan mijn piemel zat.” […] Dit gesprek gisteren was gelukkig niet meer zo beladen. De eerste keer was hij heel boos. De tweede keer merkte ik aan hem dat hij zich schaamde. Gisteren was hij gewoon relaxed zeg maar. (p. 12)

V: Sinds wanneer zit [slachtoffer 13] op zwemles bij zwembad [naam zwemschool]?

Of de laatste week november 2012 of de eerste week van december 2012. Ik denk trouwens dat het 6 december was, omdat dit natuurlijk vlak na sinterklaas was. (p.15)[…]

V: In hoeverre denk je dat [slachtoffer 13] de waarheid spreekt?

Daar ben ik van overtuigd.

V: Wat is de reden dat je overtuigd bent?

Om de manier hoe wij het gesprek hebben gevoerd. Wij hebben niet vaak zo een gesprek maar dan is hij wel eerlijk. Ik merkte het ook aan zijn non-verbale communicatie. Hij draaide zijn hoofd weg. Ook omdat hij zo reageerde van “dat doet hij steeds”. Ik zag dat hij daarna van deze reactie schrok en daarom zei dat hij het soms deed. Hij heeft er verder ook niets bij verzonnen door bijvoorbeeld te zeggen dat [verdachte] het ook bij zijn B en C deed. (p.17)

Een proces-verbaal van bevindingen d.d. 7 april 2014 (ZD 12, p. 20-29) ) – zakelijk weergegeven – onder meer inhoudende als relaas van verbalisanten:

Uitwerking van een met de telefoon opgenomen geluidsfragment, genaamd [bestandsnaam 2]

[bestandsnaam 2]. Dit fragment is met de telefoon van [naam] (de rechtbank leest verbeterd: [aangeefster 8]) opgenomen. De opname betreft een weergave van een gesprekje met haar zoon [slachtoffer 13] d.d. donderdag 13 maart 2014.

Eerste geluidsfragment

[aangeefster 8]: moeder van [slachtoffer 13]

[slachtoffer 13]: [slachtoffer 13]

[…]

[aangeefster 8]: En doet de meester weleens dingen die je niet leuk vindt?

[slachtoffer 13]: (stil)

[aangeefster 8]: Nee? Dat ie een beetje gek doet of een beetje aan je zit.

[slachtoffer 13]: (stil)

[aangeefster 8]: Ja? Doet ie dat wel? Wat doet ie dan?

[slachtoffer 13]: Oh gewoon.

[aangeefster 8]: Oh gewoon? Wat dan een beetje?

[slachtoffer 13]: Laat dat nou maar zitten.

[aangeefster 8]: Laat dat nou maar zitten. Waarom moet ik dat laten zitten?

[slachtoffer 13]: Laat het nou maar zitten ([slachtoffer 13] verheft zijn stem).

[aangeefster 8]: Is het wat geks?

[slachtoffer 13]: Laat het nou maar zitten. (p. 21)

[…]

Uitwerking van een met de telefoon opgenomen geluidsfragment, genaamd [bestandsnaam 3]. Dit fragment is met de telefoon van [naam] (de rechtbank leest verbeterd: [aangeefster 8]) opgenomen. De opname betreft een weergave van een gesprekje met haar zoon [slachtoffer 13] d.d. zondag 16 maart 2014.

Tweede geluidsfragment

[aangeefster 8]: Ik blijf wel even bij je. Ik wil even met je praten, ik wil even iets met je bespreken .... over de zwemles, over de badmeester. Er waren wat kindjes geweest, die waren een beetje verdrietig om [verdachte].

[slachtoffer 13]: Wie was dat?

[aangeefster 8]: Ja, wat kindjes, ik weet niet hoe ze heten, wat jongetjes ..... en dat kwam omdat [verdachte] ... die had dingetjes gedaan die ze niet zo leuk vonden.

[slachtoffer 13]: Welke dingen dan?

[aangeefster 8]: Een beetje aan ze gezeten op plekjes die ze niet zo fijn vonden.

[slachtoffer 13]: Ik begrijp het niet.

[aangeefster 8]: [verdachte] had een beetje aan de kindjes gezeten op plekjes die eigenlijk niet zo .... waar ie eigenlijk niet aan hoort te komen.

[slachtoffer 13]: Huh?

[aangeefster 8]: Dus dat vonden de kindjes niet zo leuk.

[slachtoffer 13]: Hoe zit het dan met mij?

[aangeefster 8]: Hoe zit het dan met jou? Heeft ie dat bij jou dan ook weleens gedaan?

[slachtoffer 13]: Maar wat voor dingen?

[aangeefster 8]: Nou dat ie bijvoorbeeld even aan je piemel zit of zoiets.

[slachtoffer 13]: Euh ... ([slachtoffer 13] fluistert onverstaanbaar)

[aangeefster 8]: Doet ie dat steeds?

[slachtoffer 13]: Nee.

[aangeefster 8]: Doet ie dat. ...

[slachtoffer 13]: (stilte)

[aangeefster 8]: .... soms?

[slachtoffer 13]: Ja.

[aangeefster 8]: Wat doet ie dan?

[slachtoffer 13]: Nou als je het niet zo goed kan.

[aangeefster 8]: Als je het niet zo goed kan. Mmmm kan je ook iets vertellen dan? Het is helemaal niet erg hoor om te vertellen. Je kan het gewoon zeggen.

[slachtoffer 13]: Dat deed ik vroeger niet toen ik vier was.

[aangeefster 8]: Toen durfde je het niet te vertellen?

[slachtoffer 13]: Nee.

[aangeefster 8]: Nee, maar durf je het nu wel te vertellen? Nu ben je een grote jongen. Maar wat kan je erover vertellen dan?

[slachtoffer 13]: Dat ik het niet wil.

[aangeefster 8]: Dat je het niet wil hè .. . nee. (p. 23)

[slachtoffer 13]: Maar bij wie was dat?

[aangeefster 8]: Ik weet hun namen niet.

[slachtoffer 13]: (onverstaanbaar)

[aangeefster 8]: Weet ik niet, ik weet echt hun namen niet. Maar zei je wel tegen de meester dat je dat niet wilde? Durfde je dat niet? Deed ie het vaak?

[slachtoffer 13]: (stilte)

[aangeefster 8]: Ja? Maar kun je me vertellen wat ie deed? Ja?

[slachtoffer 13]: Nou hij deed wat jij vertelde.

[aangeefster 8]: Aan je piemel zitten .... en wat zei ie dan?

[slachtoffer 13]: Maar deed het ook echt zo hieronder hè?

[aangeefster 8]: Onder je broek ook echt, wat zei je tegen de meester?

[slachtoffer 13]: (Stilte) (p. 24)

[…]

Uitwerking van een met de telefoon opgenomen geluidsfragment, genaamd [bestandsnaam 4]. Dit fragment is met de telefoon van [naam] (de rechtbank leest verbeterd: [aangeefster 8]) opgenomen. De opname betreft een weergave van een gesprekje met haar zoon [slachtoffer 13] d.d. zaterdag 22 maart 2014.

Derde geluidsfragment:

[…]

[aangeefster 8]: Maar wat gebeurde er zeg maar ......... wat ie niet mag doen. Kun je dat nog één keer aan mij vertellen?

[slachtoffer 13]: Alleen aan mijn piemel zitten. En dat is het.

[aangeefster 8]: Ok en deed ie dat vaak?

[slachtoffer 13]: Nee, niet heel vaak.

[aangeefster 8]: Maar .... (p. 27)

[slachtoffer 13]: Maar bij de C deed ie het niet meer. Bij de B ook niet.

[aangeefster 8]: Alleen bij de A. Ok. Daar waren jullie met minder. En deed ie het ook bij de andere kindjes?

[slachtoffer 13]: Volgens mij wel. (p. 28)

T.a.v. feit 13:

Een proces-verbaal van aangifte d.d. 27 maart 2014 (ZD 13, p. 9-20) – zakelijk weergegeven – onder meer inhoudende:

als relaas van verbalisanten:

Op donderdag 27 maart 2014 verscheen voor ons een persoon die ons opgaf te zijn [aangeefster 9]. Zij deed aangifte namens de benadeelde [slachtoffer 14] (roepnaam: [slachtoffer 14]), geboren 14 mei 2008.

als de door [aangeefster 9] ten overstaan van verbalisanten afgelegde verklaring:

Op vrijdag 14 maart 2014, was [slachtoffer 14] ziek thuis. Hij had diarree. In de ochtend ging ik bij [slachtoffer 14] op de bank zitten. Ik stelde de volgende vraag aan [slachtoffer 14]: “Hoe vond je [verdachte]?” [slachtoffer 14] zei dat hij [verdachte] ontzettend leuk vond omdat hij hem altijd met een grote boog het water ingooide en dat je zo lekker met hem kon stoeien. Ik zei toen van: “Wist je eigenlijk al dat [verdachte] niet meer terug komt.” [slachtoffer 14] zei toen: “Oh is hij ziek of zo.” Toen heb ik gezegd van: “Nee, de mensen zijn boos op hem omdat hij dingen heeft gedaan met kinderen die niet mogen.” [slachtoffer 14] zei toen: “Oh, je bedoelt dat hij mij met een grote boog het water ingooide,

want dat kreeg ik altijd water in mijn neus en oren.” Toen zei ik: “Nee, hij deed dingen met kinderen die met piemeltjes te maken hadden.” [slachtoffer 14] zei toen: “Ja, dat klopt, altijd als we vissenstaarten moesten zwemmen zat hij altijd heel stevig aan mijn piemeltje.” Toen vroeg ik aan hem: “Wat vond je daar dan van?” [slachtoffer 14] zei toen: “Eigenlijk vond ik het wel een heerlijk gevoel.” (p. 12).

V: Sinds wanneer zit [slachtoffer 14] op zwemles bij [naam zwemschool]?

Sinds oktober/november 2012.(p.12)

[…] op donderdag 20 maart 2014, in de avond lag [slachtoffer 14] bij mij. Ik had hem toen verteld dat [verdachte] een time out had. Toen vertelde [slachtoffer 14] over dat [verdachte] met zijn hand in zijn broekje was gegaan en aan zijn piemeltje had gevoeld tijdens het beoefenen van de vissenstaart. Ik had toen aan [slachtoffer 14] gevraagd of hij nog meer wilde zeggen. Toen zei [slachtoffer 14] van: “Ja, [verdachte] had gezegd dat we het niet aan de mama's mochten zeggen.” (p. 14).

Een proces-verbaal van verhoor d.d. 17 april 2014 (ZD 13, p. 21-37) – zakelijk weergegeven – onder meer inhoudende de door benadeelde [slachtoffer 14] (roepnaam: [slachtoffer 14]) op 2 april 2014 ten overstaan van een bevoegd zedenrechercheur, tevens gecertificeerd studioverhoorder, afgelegde verklaring:

V: Dan ga ik nou vragen waar je over komt praten.

Ik kom praten over [verdachte] (p. 23) […]

V: Waar is [verdachte] dan?

In de gevangenis. Omdat hij aan iemand zijn piemeltje heb gezeten.

V: En hoe weet jij dat?

Heeft mama verteld (p. 28). […]

V: Dus jij zegt: mama had verteld dat [verdachte] in de gevangenis zit, omdat hij aan iemand zijn piemeltje had gezeten.

Ja, aan iedereen zijn piemeltje eigenlijk. Bij [betrokkene 5], [betrokkene 6], ikke… Dat heb ik gewoon gezien. Gewoon dat daar, nee weet je hoe ik dat zag? Omdat bij [betrokkene 6] zijn onderbroek zo'n hele grote bult zat. En daar dacht ik dat dat [verdachte] zijn hand was. En [verdachte] zat ook vlakbij hem en ik zag zijn hand niet, dus daarom… (p. 29) […] Hij deed, hij deed zo onder zo'n onderbroek, dan ging hij zo onder zo'n onderbroek, deed hij zo en dan voelde hij iemand zijn piemeltje en dan ging hij daar zo aanzitten (p. 30). […] Onder mijn zwembroek. Dat voelde ik! Het was lekker een soort knijpen. (p. 32). […] Elke keer. […] Heel even (p. 33).”

T.a.v. feit 14:

Een proces-verbaal van aangifte d.d. 25 maart 2014 (ZD 14, p. 9-15) – zakelijk weergegeven – onder meer inhoudende:

als relaas van verbalisanten:

Op dinsdag 25 maart 2014 verscheen voor ons een persoon die ons opgaf te zijn [aangeefster 10]. Zij deed aangifte namens de benadeelde [slachtoffer 15], geboren [datum] 2007.

als de door [aangeefster 10] ten overstaan van verbalisanten afgelegde verklaring:

[slachtoffer 15] zwom eerst bij zwembad [naam zwembad]. Ik ben daar weggegaan omdat het heel groot is. Allemaal tegelijk, ik geloof 40 kinderen in het bad en al die ouders aan de kant. Ze was al bang voor water, het was altijd hectisch en moest ze spugen. Via school had ik al positieve verhalen gehoord over [naam zwemschool]. De eerste dinsdag van september (de rechtbank begrijpt: in de maand september 2013) is ze begonnen. Ze kwam daar en kreeg een mooi vestje en broekje. […] Op woensdag 12 maart was de informatieavond. […] De dag erna heeft mijn man een kort gesprek gehad met mijn dochter over goede en slechte geheimen, dat ze wel een geheimpje mag hebben, maar dat ze geen geheimpje mag hebben als ze iets stuk heeft gemaakt. Zo ongeveer. Mijn man is ook gaan praten over zwemles, de manier van vasthouden, ze vertelde dat [verdachte] haar bil wel moest vastpakken om te zwemmen. Verder kwam er niets uit en toen heeft hij het zo gelaten omdat de GGD dat adviseerde geen woorden in de mond te leggen. (p.11) Hij heeft dat ook niet gedaan. Er is een week overheen gegaan, er was een forum en mijn man las dat ouders bij een tweede gesprek toch te horen hadden gekregen dat er wel iets was gebeurd. Het zat ons niet lekker en vonden dat we er toch nog een keer er over moesten hebben op een kinderlijke wijze. En dat hebben we afgelopen vrijdag gedaan. Ze was in bad geweest, mijn man was mijn dochter aan het afdrogen. […] Mijn man of ik zei dat papa en mama wel aan haar bil en fluts mogen zitten. Mijn man zei tijdens het afdrogen of iemand anders ook aan haar fluts heeft gezeten. Toen zei ze: “Ja, [verdachte] heeft ook wel eens aan mijn fluts gezeten”. We noemen een vagina altijd een fluts. Het was een klap in onze gezichten. We wilden niet laten zien dat we schrokken […] Ik maakte het een beetje gek en vroeg hoe hij dat dan deed. Ze lag op de rug en zei: als we op de rug zwemmen dat heeft hij één hand onder de billen en één hand op de fluts. Ze zei: “dat hoort niet mama.” […] Ze wist dat het niet hoorde en vond het niet prettig. Ze zei dat het gebeurde als de mama's er niet bij waren. Dit kwam uit haar zelf, ik heb daar niet naar gevraagd. Misschien dat ik wel heb gezegd dat mama dat niet heeft gezien. […] Ze deed het voor en wist dat het niet hoorde en dat ze het niet prettig vond. Ze zei verder dat ze heeft gezien dat hij het ook heeft gedaan bij Yasmine. Misschien dat ze wilde weten of hij het ook bij anderen deed. Hij zou het niet bij [slachtoffer 24] hebben gedaan. Ze zei tegen mij; "Maar [slachtoffer 24] is ook heel klein he mama". [slachtoffer 24] is 5 jaar oud. Ik hield het heel luchtig door ook over andere dingen te praten. Ik vroeg nog aan haar waarom ze het nooit tegen mama heeft verteld, ze zei toen dat ze dacht dat mama boos zou worden op [verdachte]. Zij wist nog niet dat hij niet meer terug zou komen. Ze zei nog: “Vertel me maar mama wat ik moet doen als [verdachte] het weer doet”. Toen heb ik verteld dat hij niet meer terug zou komen. […] Ik vroeg aan haar dat het heel vervelend was dat ze zo zenuwachtig was voor het zwemmen gaan, want ze moest onder het gat door en het zonder vestje moest doen. Toen zei ze tegen mij: “Ja mama maar ik vind het ook vervelend als hij weer aan mijn fluts zit”. […] Ze was in eerste instantie wel een beetje verdrietig omdat ze hem heel aardig vond maar ze snapte heel goed dat hij het niet mocht doen. (p. 12) […] Ze vertelde 3 of 4 keer en het gebeurde op haar broekje. (p. 15)

V: Hebben jullie nog gevraagd of hij in haar broekje is geweest?

Ja mijn man heeft het gevraagd, hij wilde dat weten. Nee alleen over haar broekje (p. 15).

Een proces-verbaal van verhoor d.d. 1 april 2014 (ZD 14, p. 16-28) – zakelijk weergegeven – onder meer inhoudende de door benadeelde [slachtoffer 15] op 1 april 2014 ten overstaan van een bevoegd zedenrechercheur, tevens gecertificeerd studioverhoorder, afgelegde verklaring:

Nou, omdat [verdachte] bij zwemles houdde die op verkeerde plekken vast, bij zwemmen (p. 19). […] Bijvoorbeeld mijn vagina en mijn billen (p. 20). […]

V: Hoe vaak?

Volgens mij drie keer of zo (p. 22). Dan doe ik bijvoorbeeld op m'n rug, maar ... Op m'n billen, moet ik dan met de buik. En op m'n rug doet hij dan bij m’n fluts (p. 23). […]

Nee, hij houdt hem gewoon stil, maar ik vind het een beetje een gek gevoel. Nou, omdat dat, dat zwembroekje is ook heel nat en dan voelt het een beetje raar als hij dat… […]

V: Ja. En hoe lang duurt dan zoiets, dat hij jou vasthoudt?

Ja, in de lengte is het best wel een beetje lang, dus het... Nou, ja, soms .. vier tellen of zo (p. 24). […] Ja, in het begin leek hij me wel... een hele lieve meester, maar toen kwam hij aan m'n vagina en toen vond ik het niet zo leuk (p. 26).

T.a.v. feit 16:

Een proces-verbaal van aangifte d.d. 3 april 2014 (ZD 16, p. 12-19) – zakelijk weergegeven – onder meer inhoudende:

als relaas van verbalisanten:

Op donderdag 3 april 2014 verscheen voor ons een persoon die ons opgaf te zijn [aangeefster 11]. Zij deed aangifte namens de benadeelde [slachtoffer 18], geboren [datum] 2008.

als de door [aangeefster 11] ten overstaan van verbalisanten afgelegde verklaring:

V: […] heb jij tussen 12 maart en 18 maart iets met je dochters over deze zaak besproken?

Nee. Ik heb alleen gezegd dat [verdachte] zijn stem kwijt was en dat hij daarom geen les kon geven. Ik heb niets met hen besproken over het aanraken enzo (p. 15). […]

V: Wat gebeurde er op dinsdag 18 maart?

We hadden gegeten en het was bedtijd. De volgende dag moest [slachtoffer 18] zwemmen met kleding aan. We moesten dus kleding uitzoeken. We zochten een korte broek uit. [slachtoffer 18] stond op dat moment in haar onderbroek en had haar hemd aan. Alleen [slachtoffer 18] en ik waren in haar slaapkamer. Op het moment dat wij bezig waren om haar zwembroek uit te zoeken, zegt ze: “[verdachte] doet weleens dit”. Ik zag dat zij op dat moment haar handje via de bovenkant in haar onderbroek doet aan de bovenkant bij haar plasser. Ik vroeg aan haar: “Wat doet hij dan?” omdat ik niet kon zien wat zij in haar onderbroekje deed. Ik zag toen dat zij in de lucht met haar wijsvingertje een kriebelbeweging maakte. Ik vroeg toen: “Hoe doet hij dat dan? want je hebt een zwembroek aan met een veter erin?” En op dat moment doet zij dat voor. Ik zag dat zij met haar wijsvingertje via haar broekspijpje weer naar haar plasser ging. De eerste zin wat ze zei, was: “[verdachte] doet weleens dit als ik op mijn rug zwem”. Ze vertelde dit lachend. Ik kon dat zinnetje toen nog niet helemaal plaatsen. Ik had op dat moment wel zoiets van: ik moet nu goed opletten. Ik lees het even voor hoe ik het die avond op papier heb gezet:

Ik vroeg aan [slachtoffer 18]: “Doet hij dat vaak?” Zij zei: “Soms komt hij naast mij lopen, in het water als ik rugslag doe en dan doet hij dat.” Ze had al aangegeven dat het kriebelde. Want ik vroeg: “Doet het dan geen pijn?” Ze zei: “Nee, het kriebelt”. Ze heeft ook 1 keer het woord 'kietelt' gebruikt. Ik vroeg nog aan haar of hij dat ook bij andere kinderen deed maar toen zag ik dat zij haar schouders ophaalde. Nadat zij dit had voorgedaan, ben ik naar beneden gegaan en heb dit tegen [betrokkene 3], mijn man verteld. [betrokkene 3] is toen meegegaan naar boven. Ik vroeg toen aan [slachtoffer 18]: “Wat heeft [verdachte] bij jou gedaan?” Ze vertelde precies hetzelfde aan [betrokkene 3] en deed nogmaals hetzelfde voor. (p. 15)

V: Sinds wanneer zit [slachtoffer 18] op zwemles bij [naam zwemschool]?

Dat was december 2012. (p. 16)

Een ander geschrift, te weten een kopie van een notitie van [aangeefster 11] (ZD 16, p. 10-11) – zakelijk weergegeven – onder meer inhoudende:

19:20 dinsdag 17 maart.

[slachtoffer 18] gaat naar bed en heeft het over dat ze morgen met kleding aan mag zwemmen. Wij zoeken een korte broek uit. En zij zegt [verdachte] doet wel is dit (als ik op mijn rug zwem) (Kikkervoeten zwemt) lacht en kijkt me aan. En ze doet met haar wijsvinger bewegingen in haar onderbroek. Ik zeg haar hoe doet hij dat dan je hebt toch een zwembroek aan met een strik erin? Ze doet het voor via haar broekspijpje van haar onderbroek. En doet normaals in de lucht voor wat hij met zijn wijsvinger doet. Soms komt hij naast mij lopen als ik de rugslag/kikkervoeten doe in het water en dan doet hij dat. Ze had al gezegd dat het kriebelt. Ik vraag doet het geen pijn? Nee zegt ze (nogmaals) het kriebelt. Ik vroeg of hij het ook bij andere kinderen doet? (Dat kon ze niet vertellen) Ze haalt haar schouders op. Nadat ze het voordeed bij haar broekspijp heb ik [betrokkene 3] erbij gevraagd. Tegen [slachtoffer 18] gezegd dat ik even haar zwem t-shirt erbij ging pakken beneden. Nogmaals met [betrokkene 3] erbij: “Wat doet [verdachte] bij jou?” Nogmaals vertelde/deed zij het voor.

Een proces-verbaal van verhoor d.d. 15 april 2014 (ZD 16, p. 20-37) – zakelijk weergegeven – onder meer inhoudende de door benadeelde [slachtoffer 18] op 10 april 2014 ten overstaan van een bevoegd zedenrechercheur, tevens gecertificeerd studioverhoorder, afgelegde verklaring:

Nou de badmeester die deed bij ons, bij ons ... bij onze plasser iets. Deed ie dit ([slachtoffer 18] beweegt haar rechterhand naar haar vagina en legt hierbij haar rechterhand boven haar maillot op haar vagina) ... zo onder je zwembroek ([slachtoffer 18] maakt met haar rechterhand een beweging van rechts naar links boven haar kruis) en dat vonden wij niet fijn. Toen wij zaten te zwemmen toen deed ie dat (p. 22) […] Alleen bij mij. Bij mijn plasser deed ie het alleen, ik weet niet of ie het ook bij andere mensen deed, bij de andere kindjes deed (p. 22). Ging ie zo onder je zwembroek door .. (terwijl [slachtoffer 18] dit zegt maakt zij met haar rechterarm en hand een beweging van rechts naar links boven haar kruis) Dit.. ([slachtoffer 18] spreidt haar benen en legt haar rechterhand over haar maillot op haar vagina) (p. 22). Het was altijd als we op zwemles kwamen dan deed ie dat een keer als we op onze rug gingen zwemmen. Toen we nog een keer op onze rug gingen zwemmen toen deed ie het niet. Dus een keer toen we onze rug gingen zwemmen bijvoorbeeld, een vissenstaart doen dan deed ie het altijd soms en soms niet (p. 24). […] Ja. Maar als de badmeester dat deed, zo bij je plasser hè .. waarmee deed hij dat dan? Met zijn vinger. […] Ja, toen ging hij er zo onder door (terwijl [slachtoffer 18] dit zegt gaat zij met haar rechterhand richting haar vagina en legt zij vervolgens deze hand op haar vagina, over haar maillot heen) Zo er onder door. Ja, zo onder je zwembroek door ([slachtoffer 18] beweegt haar hand / vingers weer naar haar vagina, zij legt haar hand niet op haar vagina) (p. 25) […] In het midden. Hiero. ([slachtoffer 18] wijst met haar vingers het midden van haar kruis aan) D'r op. Toen deed ie zo ([slachtoffer 18] steekt haar rechterhand uit richting V, [slachtoffer 18] maakt een vuist met haar rechterhand maar steekt haar wijsvinger omhoog. Deze wijsvinger beweegt zij vervolgens van omhoog naar omlaag met een repeterende beweging, vervolgens brengt [slachtoffer 18] uit eigen beweging haar rechterhand naar haar kruis en legt de hand op haar vagina) […] Hij deed gewoon zo er recht in ([slachtoffer 18] steekt haar rechterhand over haar maillot heen tussen haar benen op haar vagina en gaat vrijwel meteen op haar rug liggen) en zo zwemmen ... ([slachtoffer 18] gaat weer rechtop zitten) …vissenstaarten.. […] (p. 26) […] gingen we zo zwemmen en toen ligt, ging ie zo ... ([slachtoffer 18] maakt terwijl zij half op haar rug ligt een rugslag beweging met haar benen en houdt haar rechterhand tegen haar kruis aan) […] Wat deed ie dan met zijn vinger? Dit. ([slachtoffer 18] maakt een vuist met haar rechterhand en steekt haar wijsvinger omhoog) Niet zo… (terwijl [slachtoffer 18] dit zegt beweegt zij haar wijsvinger op en neer) maar gewoon zo ([slachtoffer 18] strekt haar wijsvinger) Zo… ([slachtoffer 18] legt haar hand en gestrekte vinger op haar vagina over haar maillot heen) ... en zo plat. […] Altijd als we naar zwemles gingen deed ie dat soms. (p. 27). […] Ik vond het niet leuk. Ik vond het niet fijn dat hij dat deed. Vond ik een beetje vervelend voelen. […] Ik wou eerst weten of ie het heel veel keer ging doen en toen daarna had ik het verteld, beneden. (p. 28).

Een proces-verbaal van (nader) verhoor [aangeefster 11] d.d. 16 april 2014 (ZD 16, p. 38-44) – zakelijk weergegeven – onder meer inhoudende:

V: Aflopen week heeft jouw partner contact gezocht met de politie. Dit omdat jouw oudste dochter ook een uitspraak zou hebben gedaan. Klopt het dat je hierover nu een aanvullende verklaring komt afleggen?

Ja, dat klopt.

V: Wat is de volledige personalia van jullie oudste dochter?

[slachtoffer 17], geboren op [datum] 2006 […] Voordat de bijeenkomst was geweest, nadat we de brief hadden ontvangen voor de bijeenkomst vanwege de zwemleraar hebben we aangegeven dat [verdachte] niet meer kwam omdat hij geen stem meer had en dus geen zwemles meer kon geven. 's Avonds na de bijeenkomst vroeg ik aan [slachtoffer 17] wie zij leuker vond, de juf die ze daarvoor had of [verdachte]. Toen gaf ze aan dat ze [verdachte] leuker vond, de vorige juf was namelijk heel erg streng. Ik gaf toen aan dat hij haar zeker niet zoveel had hoeven helpen omdat [slachtoffer 17] al goed kon zwemmen. Ik vroeg toen of [verdachte] haar wel eens moest helpen met zwemmen bij haar rug of bij haar benen bijvoorbeeld. “Ja”, zei [slachtoffer 17], “Hij doet wel eens zo bij mijn rug of mijn benen zo omhoog en dan deed hij ook wel eens zo. Op dat moment zag ik dat [slachtoffer 17] met haar hand een beweging maakt waarbij zij met haar hand achter in haar onderbroek ging, bij haar billen. Toen zei [slachtoffer 17]: “O nee dat is gek dat kan niet”. Op dat moment zijn wij er niet verder op door gegaan (p. 39). […] De tijd daarna zijn we er verder niet over begonnen. [slachtoffer 17] wist ook niets over wat [slachtoffer 18] had verteld, de aangifte en de informatieavond. Tot de avond van dinsdag 8 april, de avond voordat de politie bij ons thuis zou komen om [slachtoffer 18] voor te bereiden op haar verhoor. Toen heb ik [slachtoffer 18] beneden voorbereid op de komst van de politie. [slachtoffer 17] en haar vader waren op dat moment boven. Ik heb toen tegen [slachtoffer 18] gezegd dat grote mensen dat niet mogen doen. Dat was duidelijk voor haar. Zo ging [slachtoffer 18] daarna naar boven naar haar zus en vader. Toen heeft ze tegen [slachtoffer 17] en haar vader boven gezegd dat ze naar een praatjuf van de politie ging. Ik hoorde dit omdat ik achter [slachtoffer 18] aan liep. [slachtoffer 17] vroeg waarom ze daar dan heen moest. [slachtoffer 17] zei: "Mam ik snap het niet wat is er nou". Ik heb toen aan [slachtoffer 17] uitgelegd dat [slachtoffer 18] mag praten met een mevrouw die met kindjes praat bij de politie. Ik zei: “[verdachte] heeft iets gedaan wat niet mag, omdat hij wel eens bij kindjes in hun zwembroek zat”. Op dat moment zei [slachtoffer 17] tegen [slachtoffer 18] dat hij dat ook bij haar had gedaan. Op dat moment zag ik ook dat [slachtoffer 17] weer met haar hand aan de achter kant in haar broek ging. “O”, zei [slachtoffer 18] toen: “bij mij deed hij dit ". Ik zag dat [slachtoffer 18] met haar vinger een kriebelende beweging maakte bij haar plasser. Ik hoorde [slachtoffer 17]

zeggen : “Oo dat deed hij bij mij niet, bij mij deed hij dit". Toen ging ze weer met haar hand aan de achterkant in haar broek. Ook zei [slachtoffer 17] dat ze het maar raar vond of vies. Ze heeft vies en een beetje raar allebei gezegd. [slachtoffer 17] heeft op dat moment ook nog aan [slachtoffer 18] gevraagd of zij het dan ook voor haar aan de mevrouw van de politie wilde vertellen. In dit gesprek hebben wij ook nog gevraagd of hij dat wel vaker deed. Ik hoorde [slachtoffer 17] zeggen: “Ik denk vijf keer, nee misschien wel tien of twintig keer.” Toen zei ik dat hij dat met haar badpak toch niet kon doen. Toen zei [slachtoffer 17]: “Nee als ik mijn bikini aan had.” Ik weet dat zij soms haar badpak en soms haar bikini aan had (p. 39) […] Ik vroeg [slachtoffer 17] nog of hij dat ook bij andere deed. Ik hoorde [slachtoffer 17] zeggen: “Ja dat gebeurde ook bij andere.” (p. 40).

Van wanneer tot wanneer heeft [slachtoffer 17] zwemles gehad?

Van [verdachte] vanaf eind augustus begin september 2012 tot eind juni begin juli 2013. (p. 40)

Een proces-verbaal van verhoor d.d. 24 april 2014 (ZD 16, p. 45-72) – zakelijk weergegeven – onder meer inhoudende de door benadeelde [slachtoffer 17] op 16 april 2014 ten overstaan van een bevoegd zedenrechercheur, tevens gecertificeerd studioverhoorder, afgelegde verklaring:


V: En kan jij mij eens alles vertellen waarover jij komt praten vandaag bij mij?

Over [verdachte]. […] Bijvoorbeeld, toen ging hij altijd met je... met zijn hand in je onderbroekje. Ehm… en ja… Dat had ik geloof ik, ik weet het niet meer zeker, had ik het ook bij een jongetje of bij een meisje gezien, dat hij dat deed. En ... omdat hij dat had gedaan. Want een kindje, die had het een keer… een kindje die zei dat wel eens tegen mij: merk je wel eens dat [verdachte] zijn hand in je broek steekt? (p. 48) […] Bij mij lag het eraan of ik een bikini aan had of niet (p. 50). […] Meer dan ... Ja, meer dan twee keer of zo. Nou, best heel veel. (p. 51). […] Nou, dan ... dat was als je op je rug ging en je kon niet zo goed, als je dan de hele tijd naar beneden zakte, toen deed hij altijd, dan pakte hij je altijd zo op en dan deed hij heel voorzichtig steeds stilletjes, stil die... Je zwembroek omlaag en dan ging zijn hand erin (p. 53). […] Dan deed hij zo en dan steeds zo en zo en dan ... Uiteindelijk zo ([slachtoffer 17] zet haar handen op haar onderrug en schuift met haar handen in haar broek) en dan steeds zo en zo en dan uiteindelijk zo. Als hij klaar was, deed hij het er weer uit. […]

En waar voelde je die hand dan?

Nou, precies gewoon zo op m'n billen. (p. 53). […] Hij ging alleen via de achterkant.

Via de achterkant, oké. Maar via de achterkant aan de bovenkant of aan de onderkant? Bovenkant. (p. 54). Ik vond het wel raar dat hij dat deed. Ik dacht: je mag dat toch niet, dat mag toch niet? (p.55) […]

Jij zegt van: een kindje had tegen jou gezegd: merk je wel eens dat [verdachte] een hand in het zwembroek, in je zwembroek doet?

([slachtoffer 17] knikt bevestigend)

In jouw zwembroek of in de zwembroek van dat kindje, toen dat kindje dat vertelde?

Nou, ik vertelde dat aan het kindje om te vragen of ze dat, of die dat, of ze dat ook een keertje had

gevoeld.

Oh, jij had dus aan een kindje gevraagd van: merk je wel eens dat [verdachte] zijn hand in je

zwembroek doet?

Ja.

En wat zei dat kindje toen?

Ik geloof het wel.

Ik geloof...

Ik denk dat ik het wel eens heb gevoeld.

En wie was dat kindje dan?

Dat is een meisje.

En weet je ook hoe dat meisje heet?

([slachtoffer 17] schudt ontkennend haar hoofd)

Hoe zag dat meisje eruit dan?

Nou, ze was ... een beetje met krulletjes had ze, in haar haar. Ja, krulletjes had ze altijd.

Zelfde kleur haar als jij of lichter?

Nee, heel donker.

Heel donker.

Heel donker.

Oké. En haar huidskleur is die net zoals jij?

Ja, een beetje donker. Een beetje ... Ja, ik weet ook niet precies wat voor. (p. 60) […]

Oh, oké. Oké. Hé ... Ja, je vertelde ook van, je had het aan een ander meisje gevraagd hè, van: joh ...

Ja.

Doet [verdachte] dat ook wel eens bij jou? En was dat voordat [verdachte] weg was of

nadat [verdachte] weg was, toen je dat aan dat meisje... ?

Dat was daarvoor al heel lang.

Heel lang daarvoor al?

Dat was daar voor al.

Oké.

Dus dat was ...

Dus toen gaf [verdachte] nog zwemles?

Ja.

Oké.

Want hij gaf geen zwemles meer toen ik m'n B had gehaald.

T.a.v. feit 19:

Een proces-verbaal van aangifte d.d. 18 april 2014 (ZD 19, p. 9-16) – zakelijk weergegeven – onder meer inhoudende:

als relaas van verbalisanten:

Op vrijdag 18 april 2014 verscheen voor ons een persoon die opgaf te zijn [aangeefster 12]. Zij deed aangifte namens de benadeelde [slachtoffer 22], geboren [datum] 2005.

als de door [aangeefster 12] ten overstaan van verbalisanten afgelegde verklaring:

V: Sinds wanneer zit [slachtoffer 22] op zwemles bij [naam zwemschool]?

Augustus 2012 (p. 12) […] De vrijdag voor het informatieve gesprek (28 maart) was ik zijn zwemtas aan het opruimen. [slachtoffer 22] vroeg of hij moest zwemmen. Ik zei van nee. [slachtoffer 22] vroeg die week al een paar keer wanneer [verdachte] terugkwam. Ik had na de bijeenkomst gezegd dat [verdachte] ziek was. [slachtoffer 22] ging toen zijn zwemtas ophangen en ik zei dat [verdachte] niet meer terugkwam en dat hij les zou krijgen van [betrokkene 2]. [slachtoffer 22] vroeg waarom niet. Ik zei toen dat [verdachte] niet ziek was, maar dat hij dingen had gedaan die niet mogen. Toen vroeg [slachtoffer 22]: “Wat dan?” Toen heb ik volgens mij tegen [slachtoffer 22] gezegd dat hij dingen heeft gedaan die niet prettig zijn bij kinderen. Maar dat weet ik niet zeker. Ik vroeg toen aan [slachtoffer 22]: “Wat vind jij niet prettig?” [slachtoffer 22] zei toen: “[verdachte] heeft aan mijn piemel gezeten” […] 's Avonds hebben we (mijn man en ik) met [slachtoffer 22] gezeten. [betrokkene 4], mijn man, vroeg aan [slachtoffer 22] wat hij aan mij die dag heeft verteld. [betrokkene 4] vroeg wat [verdachte] had gedaan. [slachtoffer 22] zei dat hij aan zijn piemel had gezeten . Ik vroeg toen aan [slachtoffer 22] wat hij daarmee bedoelde. [slachtoffer 22] maakte een knijpende beweging bij zijn kruis. Hij zei direct dat hij daar niet over wilde praten. Hij had zijn hoofd ook naar beneden. Naar mijn idee was dit schaamte. We hebben er verder niet over gesproken […] [slachtoffer 22] zei dat hij tegen [verdachte] had gezegd: “Niet doen”. [slachtoffer 22] zei die avond nog wel dat het niet altijd gebeurde. Ik had daarvoor nog aan [slachtoffer 22] gevraagd wanneer dit gebeurde. Hoe ik net heb opgevat is dat het meerdere keren is gebeurd als hij op zijn rug zwom. Het was altijd in het water. (p. 14).

Een proces-verbaal van verhoor d.d. 29 april 2014 (ZD 19, p. 17-48) – zakelijk weergegeven – onder meer inhoudende de door benadeelde [slachtoffer 22] op 24 april 2014 ten overstaan van een bevoegd zedenrechercheur, tevens gecertificeerd studioverhoorder, afgelegde verklaring:

Mijn badmeester, die heb ... die zit steeds aan m’n piemel (p. 22) […] Nou, hij zit steeds in het water. Als ik altijd omhoog zit, zit hij steeds aan m’n piemel (p. 23). […] Dan gaat hij bij me staan en dan zit hij steeds aan m’n piemel (p.24). […] Dan zit hij, dan gaat hij naar me toe en dan zit hij, zit hij ... ([slachtoffer 22] knijpt over zijn broek in zijn kruis) (p. 26). […]

V: Heb je wat gezegd tegen die badmeester?

Ja.

V: Wat denk jij dan dat je gezegd hebt?

Blijf vanaf. (p. 27).

V: Want jij zegt: hij knijpt in mijn piemel. Wat heb je nog meer bij je piemel zitten?

M'n ballen.

V: Heel goed van jou, ballen. Knijpt hij, [slachtoffer 22], knijpt hij alleen in je piemel of knijpt hij ook in je ballen?

Alleen m'n piemel.

V: Alleen in je piemel. Hoe vaak is dat, hoe vaak gebeurde dat dan?

Elke keer als hij er is. (p. 28). […]

V: Vond je het leuk of vond je het niet leuk?

Niet leuk.

V: Niet leuk, oké. Deed het pijn of deed het geen pijn?

Nee, het deed geen pijn.

V: En wat voelde eigenlijk?

Een hand.

V: Een hand. Voelde je dat of zag je dat?

Ik zag het.

V: Oh, je zag het ook. Hoe kan het dat je dat ziet, want je ligt toch met je hoofd zo in het water?

Maar ik voel ook wat (p. 29). […]

V: Als hij aan jouw piemel zat hè?

Ja?

V: Was dat dan over je zwembroek heen of was dat in je zwembroek?

Erover. (p. 32).

3.6.

Bewijsoverwegingen

De verdediging heeft zich (subsidiair) op het standpunt gesteld, dat op grond van de stukken van het dossier niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat de verdachte de hem ten laste gelegde feiten heeft begaan. Het bewijs is in de kern bezien telkens afkomstig van één bron, te weten het betreffende kind. Daarnaast heeft de verdediging telkens – mede naar aanleiding van de d.d. 2 maart 2015 op schrift gestelde bevindingen van prof. mr. dr. E.G.C. Rassin - kanttekeningen geplaatst bij de betrouwbaarheid van die belastende verklaringen. Ten slotte heeft de verdediging gewezen op het risico van schakelconstructies in de bewijsvoering.

De rechtbank stelt – met de verdediging en de officier van justitie – voorop dat ingevolge artikel 342 tweede lid Sv het bewijs dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan niet uitsluitend mag worden aangenomen op de verklaring van één getuige. Dit principe geldt, gelet op vaste jurisprudentie van de Hoge Raad, voor de gehele tenlastelegging en niet slechts voor een onderdeel daarvan. Deze bepaling strekt ter waarborging van de deugdelijkheid van de bewijsbeslissing, in die zin dat zij de rechter verbiedt tot een bewezenverklaring te komen ingeval de verklaring van één getuige met betrekking tot de feiten en omstandigheden op zichzelf staat en onvoldoende steun vindt in ander bewijsmateriaal. De vraag of aan het bewijsminimum van artikel 342, tweede lid, Sv is voldaan, laat zich niet in algemene zin beantwoorden, maar vergt een beoordeling van het concrete geval.

Tevens neemt de rechtbank in ogenschouw dat gebruik van schakelbewijs gelet op de geldende jurisprudentie slechts toelaatbaar is bij de bewezenverklaring van soortgelijke feiten en voor zover het bewijs voor het ene feit redengevend is voor het bewijs voor het andere feit, waarbij de bewezenverklaringen die worden geschakeld daarnaast zelfstandig moeten worden gefundeerd. Aan schakelbewijs mag immers geen overspannen bewijskracht worden toegekend, reden waarom de rechtbank overigens tot een aantal (namelijk de reeds bovengenoemde) vrijspraken komt. Voor het aannemen van de bewijswaarde voor soortgelijke feiten geldt dat er op essentiële punten sprake is van overeenkomsten in uitvoering of werkwijze.

Betrouwbaarheid van het bewijs

Ten aanzien van de feiten 1, 2, 3, 4 en 5 geldt in de eerste plaats dat op het moment dat de betreffende kinderen voor het eerst praten over de betastingen door de zwemleraar, er nog geen informatiebijeenkomst voor de ouders had plaatsgevonden of anderszins door politie en justitie ruchtbaarheid aan de zaak was gegeven. Dit vergroot de betrouwbaarheid van voormelde verklaringen, daar zich hier niet het risico voordoet dat originele herinneringen en herinneringen die het resultaat zijn van latere informatie en herinterpretatie onnavolgbaar vermengen.


Met betrekking tot de betrouwbaarheid van de door de kinderen afgelegde verklaringen, al dan niet zoals in de aangifte van hun ouders opgenomen, over de ontuchtige handelingen van zwemleraar [verdachte], de verdachte, overweegt de rechtbank voorts het volgende.

Feit 1

De verklaring van [slachtoffer 1] tijdens het studioverhoor wordt als authentiek en betrouwbaar aangemerkt. Daarbij baseert de rechtbank haar oordeel op de omstandigheid dat uit de aangifte van [slachtoffer 1's] moeder blijkt dat haar zoon spontaan na de zwemles vertelde dat er tijdens de vissenstaart in zijn piemeltje werd geknepen. Daarnaast geeft [slachtoffer 1] in het studioverhoor zelf een concrete beschrijving hoe en wanneer de betastingen plaatsvonden. Van een sturende vraagstelling is niet gebleken.

De verdediging heeft er nog op gewezen dat tijdens het studioverhoor gebruik is gemaakt van een anatomisch correcte pop, terwijl dit een omstreden verhoormethode betreft. Met de verdediging is de rechtbank van oordeel dat dit de betrouwbaarheid van de verklaring niet verhoogt. Zij is echter van oordeel dat de wijze waarop de pop in dit verhoor is ingezet evenmin afbreuk doet aan de betrouwbaarheid van de verklaring van [slachtoffer 1], omdat hij daarmee zelf al voldoende duidelijk was gekomen.

Feit 2

De rechtbank merkt ook de aangifte van de moeder van [slachtoffer 2] als betrouwbaar aan. Zij baseert dit oordeel op de omstandigheid dat ook getuige [getuige 1] heeft verklaard dat [slachtoffer 2] tegen haar heeft gezegd dat de zwemleraar aan zijn piemel zat. Daar komt bij dat uit de aangifte blijkt dat [slachtoffer 2] reeds op 17 september 2013 tijdens een rit in de auto spontaan vertelde dat de badmeester af en toe aan zijn ‘pipi’ zat en dat hij dit raar vond. [slachtoffer 2] heeft hier tijdens het studioverhoor weliswaar niet over gesproken, maar heeft aan het einde van het verhoor wel aangegeven dat hij niet alles aan de verhoorder heeft willen vertellen, hetgeen zijn moeder daarna ook heeft bevestigd. De wijze en het moment waarop [slachtoffer 2] met zijn verklaring over de verdachte komt en hoe hij zich tegenover de zedenrechercheur uit, acht de rechtbank dermate authentiek, dat zij geen redenen ziet te twijfelen aan de betrouwbaarheid van de verklaringen van [slachtoffer 2].

Feit 3

De rechtbank merkt ook de aangifte van de moeder van [slachtoffer 3] als betrouwbaar aan. Zij baseert dit oordeel op de omstandigheid dat uit de aangifte blijkt dat [slachtoffer 3] reeds in april/mei 2013 spontaan in de auto van de zwemles terug naar huis vertelde dat de meester aan zijn piemeltje had gezeten en enkele maanden later heeft verteld dat het ‘weer’ was gebeurd. De rechtbank acht de verklaring ook voldoende specifiek. Dat [slachtoffer 3] zelf niet bij de politie is gehoord maakt dit oordeel niet anders.

Feit 4

De rechtbank merkt ook de verklaringen van [slachtoffer 4] als authentiek en betrouwbaar aan. Zij baseert dit oordeel op de omstandigheid dat zowel uit de aangifte van zijn moeder als de verklaringen van zijn vader en oma blijkt dat [slachtoffer 4] op verschillende momenten uit zichzelf heeft verteld dat hij door de verdachte in zijn piemeltje werd geknepen als hij wat fout deed. Daarnaast heeft hij tijdens het studioverhoor een concrete beschrijving gegeven wanneer de betastingen door de verdachte plaatsvonden en hoe hij dit voelde. Dat [slachtoffer 4] niet heel specifiek wist aan te geven hoe vaak het was gebeurd, staat aan de betrouwbaarheid van de verklaring(en) niet in de weg. Voldoende vast staat dat [slachtoffer 4] weet aan te geven dát (en hoe) hij af en toe werd betast; bij zijn moeder en vader geeft hij aan dat het gebeurde als hij iets fout deed. Van een sturende vraagstelling is niet gebleken. Voorts is niet aannemelijk geworden dat hetgeen [slachtoffer 4] eerder heeft verteld over de jegens hem gepleegde ontuchtige handelingen zou zijn ingegeven door informatie van buitenaf, zoals door de verdediging is gesuggereerd.

Feit 5

De rechtbank merkt ook de verklaring van [slachtoffer 5] tijdens het studioverhoor als authentiek en betrouwbaar aan. Zij betrekt in haar oordeel dat uit de aangifte van [slachtoffer 5's] moeder blijkt dat [slachtoffer 5] begin 2013 voor de zwemles spontaan vertelde dat hij niet naar zwemles wilde gaan, omdat verdachte altijd aan zijn piemel zat. Tevens betrekt zij in haar oordeel dat uit de verklaring van getuige [getuige 4], de nieuwe zwemlerares van [slachtoffer 5], blijkt dat [slachtoffer 5] eind mei, begin juni 2013 bij bepaalde oefeningen tegen haar zei dat zijn andere zwemmeester bij die oefeningen altijd aan zijn piemel zat. Daarbij heeft [slachtoffer 5] tijdens het studioverhoor zelf beschreven hoe de betastingen plaatsgevonden. Van een sturende vraagstelling is niet gebleken.

Feit 8

De verdediging heeft opgemerkt dat bij de authenticiteit en validiteit van de verklaring van [slachtoffer 8] de nodige vraagtekens moeten worden geplaatst. Daarbij heeft zij gewezen op de rol van de ouders, het gevaar van herinterpretatie en het feit dat [slachtoffer 8] is bevraagd over een gebeurtenis van meer dan een jaar geleden.

De rechtbank is van oordeel dat op grond van voormelde factoren behoedzaam met de verklaring dient te worden omgegaan. Zij komt in deze zaak echter tot het oordeel dat de verklaring van [slachtoffer 8] als natuurgetrouw dient te worden aangemerkt. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat [slachtoffer 8] niet alleen een gedetailleerde beschrijving van het handelen van verdachte gaf, maar ook heeft verklaard dat zij het raar vond dat verdachte in het water kwam terwijl dat gewoonlijk alleen bij kinderen die voor hun A-diploma zwemmen gebeurt. Van een sturende vraagstelling tijdens het studioverhoor is niet gebleken.

Voorts is de rechtbank zich bewust van het risico van wederzijdse beïnvloeding tussen de zusjes. Zij ziet daar echter in deze zaak geen reële aanwijzingen voor. [slachtoffer 9] en [slachtoffer 8] hebben beiden juist een eigen verhaal, waarbij [slachtoffer 9] expliciet heeft benoemd dat de betastingen plaatsvonden als zij haar buik omlaag deed bij het zwemmen en die buik moest omhoog. [slachtoffer 9] doelt hier kennelijk op het oefenen van de vissenstaart. De rechtbank is van oordeel dat ook de verklaring van [slachtoffer 9] authentiek en betrouwbaar is en acht op grond van het voorgaande bewezen dat verdachte eenmaal de schaamstreek van [slachtoffer 8] en meermalen de vagina en/of schaamstreek van [slachtoffer 9] heeft betast.

Feit 9

De rechtbank merkt ook de verklaring van [slachtoffer 10] tijdens het studioverhoor als authentiek en betrouwbaar aan. Hoewel de vraagstelling van haar moeder enigszins suggestief kan worden genoemd, heeft dit naar het oordeel van de rechtbank niet tot gevolg gehad dat [slachtoffer 10] hierdoor is beïnvloed. Zij heeft immers – net als veel andere kinderen – spontaan verklaard dat verdachte haar betastte op het moment dat ze iets ‘fout’ deed. Ook beschrijft zij gedetailleerd hoe de betastingen plaatsvonden en hoe het voelde. Naar het oordeel van de rechtbank doet het feit dat uit het dossier een wisselend beeld naar voren komt met betrekking tot de periode waarin de ontuchtige handelingen zouden hebben plaatsgevonden niet af aan de betrouwbaarheid van de verklaringen.

Feit 10

De rechtbank is van oordeel dat de verklaring van [slachtoffer 11] rechtens betrouwbaar is. Daarbij baseert zij haar oordeel op de omstandigheid dat uit de aangifte van [slachtoffer 11]’[slachtoffer 13] vader blijkt dat zijn dochter al in februari 2013 spontaan vertelde dat verdachte tijdens het zwemmen aan haar billen en voorbillen had gezeten en het gegeven dat deze (op zichzelf betrekkelijk summiere) verklaring steun vindt in de verklaring van [slachtoffer 17] (feit 16). Uit die verklaring blijkt immers dat zij al vroeg met [slachtoffer 11] over de betastingen door verdachte tijdens de les heeft gesproken; irrelevant acht de rechtbank daarbij wie van de twee meisjes daar nou tegen de ander over is begonnen. Gelet op de overige bewijsmiddelen in deze zaak acht de rechtbank het niet aannemelijk dat sprake is geweest van een ongelukkige aanraking, zoals door de verdediging is gesuggereerd.

Feit 12

De rechtbank merkt de verklaring van [slachtoffer 13] als betrouwbaar aan. Zij neemt daartoe in aanmerking dat - hoewel gesproken kan worden van een sturende vraagstelling door de moeder van [slachtoffer 13] - niet is gebleken van enige daadwerkelijke beïnvloeding. [slachtoffer 13] heeft immers uit zichzelf verteld dat de betastingen alleen plaatsvonden bij het zwemmen voor zijn A-diploma en niet meer bij zijn B en C. Ook heeft hij daarbij verteld dat het gebeurde “als je het niet zo goed kan”. Bovendien heeft hij over de betastingen spontaan tegen zijn moeder gezegd: “maar dan deed hij het ook echt hier zo onder hè.” De verklaring van [slachtoffer 13] is zodanig specifiek dat de rechtbank het niet aannemelijk acht dat [slachtoffer 13] zijn moeder slechts vertelde waar zij naar vroeg, zonder dat dat overeen zou komen met wat hij daadwerkelijk heeft ervaren. De rechtbank neemt hierbij tevens in aanmerking dat [slachtoffer 13] het duidelijk lastig vond er uit zichzelf over te beginnen en over te praten - hij reageerde aanvankelijk heel boos en later zag zijn moeder dat hij zich schaamde (zie het eerste geluidsfragment en de verklaring van zijn moeder in de aangifte) - maar toen het gesprek eenmaal op gang was, kwam [slachtoffer 13] met informatie die niet was ingegeven door de vraagstelling. Van andere beïnvloeding van buitenaf die tot gerede twijfel zou moeten leiden over de authenticiteit van de verklaring is evenmin sprake.

Feit 13

De rechtbank merkt (ook) de verklaring van [slachtoffer 14] tijdens het studioverhoor als authentiek en betrouwbaar aan. Zij neemt daartoe in aanmerking dat uit de aangifte van [slachtoffer 14's] moeder blijkt dat [slachtoffer 14] – na een overigens sturende vraag – spontaan verklaart dat verdachte tijdens het ‘vissenstaarten’ altijd heel stevig aan zijn piemeltje zat. Daarnaast acht de rechtbank de verklaring van [slachtoffer 14] in het bijzonder authentiek omdat hij zowel bij zijn moeder als tijdens het studioverhoor aangeeft dat hij het eigenlijk wel een lekker gevoel vond. De rechtbank acht het op grond daarvan ook niet aannemelijk dat [slachtoffer 14] niet over zichzelf maar (alleen) over andere kinderen zou spreken. De verklaringen van [slachtoffer 14] zijn daarbij zodanig specifiek dat zij het niet aannemelijk acht dat deze zijn beïnvloed door informatie van buitenaf. Ook is niet gebleken van een sturende vraagstelling tijdens het studioverhoor.

Feit 14

De verklaring van [slachtoffer 15] tijdens het studioverhoor is naar het oordeel van de rechtbank authentiek en betrouwbaar. Zij neemt daarbij in aanmerking dat haar verklaringen blijk geven van gevoelens van loyaliteit richting verdachte. Zo antwoordt zij op de vraag van haar moeder waarom zij niet eerder heeft verteld over de betastingen dat ze dacht “dat mama boos zou worden op [verdachte]”. Ook beschrijft zij redelijk specifiek hoe en wanneer de betastingen plaatsvonden. Van een sturende vraagstelling tijdens het studioverhoor is niet gebleken. De rechtbank acht het niet aannemelijk dat de verklaring van [slachtoffer 15] is beïnvloed door informatie van buitenaf.

Feit 16

De rechtbank merkt de verklaring van [slachtoffer 18] tijdens het studioverhoor als betrouwbaar aan. Uit de aangifte van de moeder van [slachtoffer 18] blijkt dat [slachtoffer 18] tijdens het kleren uitzoeken spontaan heeft verteld over de betastingen door verdachte, waarbij zij haar hand in haar onderbroek doet en een kriebelbeweging bij haar vagina maakt. Uit een nadere verklaring van de moeder blijkt dat [slachtoffer 17] op de vraag of verdachte haar nog wel eens hielp met zwemmen bevestigend antwoordde en spontaan met haar hand een beweging maakte waarbij zij met haar hand achter in haar onderbroek ging, bij haar billen. Op de avond waarop de politie langskomt ter voorbereiding van het studioverhoor van [slachtoffer 18] legt de moeder aan [slachtoffer 17] uit dat [slachtoffer 18] gaat praten omdat verdachte wel eens bij kinderen in hun zwembroek zat. [slachtoffer 17] reageert hierop met de mededeling dat verdachte dat ook bij haar heeft gedaan en gaat (wederom) met haar hand naar de achterkant van haar broek. [slachtoffer 18] antwoordt daarop: “Ooh, dat deed hij bij mij niet, bij mij deed hij dit,” waarna zij opnieuw een kriebelbeweging bij haar vagina maakt.

Niet is gebleken dat de verklaringen van [slachtoffer 18] en [slachtoffer 17] zijn beïnvloed door factoren van buitenaf. Ook is niet gebleken dat zij elkaar hebben beïnvloed. Beide zussen hebben een eigen verhaal. Tijdens het studioverhoor geeft [slachtoffer 18] bovendien beeldend en gedetailleerd weer hoe en wanneer de betastingen plaatsvonden.

Hoewel de verklaring van [slachtoffer 17] ten aanzien van de handelingen van verdachte minder concreet is, acht de rechtbank ook deze verklaring betrouwbaar, nu zij heeft vastgesteld dat [slachtoffer 17] al vroeg met (naar later is gebleken) benadeelde [slachtoffer 11] over de betastingen heeft gesproken. Dat niet duidelijk is geworden wie van de beide meisjes met dat gesprek is begonnen, doet hieraan niet af.

Feit 19

De rechtbank merkt de verklaring van [slachtoffer 22] tijdens het studioverhoor als betrouwbaar aan. Zij baseert dit oordeel op de omstandigheid dat uit de aangifte van zijn moeder blijkt dat [slachtoffer 22] in een gesprek met zijn moeder - waarin zij hem uitlegt dat verdachte niet meer terugkomt als zwemleraar - opmerkt dat verdachte aan zijn piemel heeft gezeten. Dit was altijd in het water als [slachtoffer 22] op zijn rug zwom. [slachtoffer 22] verklaart dit tijdens het studioverhoor eveneens. Hij verklaart daarbij gedetailleerd hoe en wanneer de betastingen plaatsvonden. Van een sturende vraagstelling tijdens het studioverhoor is niet gebleken.

Schakelbewijs

De rechtbank is van oordeel dat op grond van de in de verschillende aangiftes en studioverhoren vermelde wijze van handelen van verdachte en de context waarbinnen zich dat handelen heeft afgespeeld, geconcludeerd kan worden dat de bewijsmiddelen met betrekking tot de feiten 1, 2, 3, 4, 5, 8, 9, 10, 12, 13, 14, 16 en 19 op essentiële punten belangrijke overeenkomsten vertonen. Uit voornoemde bewijsmiddelen blijkt immers steeds dat verdachte in het zwembad (tijdens de zwemles) met zijn hand in (of over in het geval van [slachtoffer 5]) de zwembroek van het betreffende kind ging en daarbij de penis of vagina betastte. Opmerkelijke overeenkomsten in de verklaringen zijn voorts dat veel kinderen verklaren dat het betasten of knijpen tijdens de vissenstaart gebeurde (de schoolslag op de rug) en/of als ze wat fout deden. De omstandigheid dat het aldus steeds om vergelijkbare situaties gaat terwijl het gaat om kinderen die veelal op verschillende lestijden en ook wel gedurende verschillende periodes les kregen van verdachte, maken de verklaring van verdachte dat hij de kinderen niet, ook niet per ongeluk, in hun schaamstreek heeft aangeraakt, naar het oordeel van de rechtbank ongeloofwaardig.

De rechtbank is dan ook van oordeel dat de hiervoor vermelde bewijsmiddelen ten aanzien van de feiten 1, 2, 3, 4, 5, 8, 9, 10, 12, 13, 14, 16 en 19 elkaar over en weer versterken en derhalve telkens mede redengevend zijn voor het bewijs van die (overige) feiten, zodat voor bewezenverklaring van die feiten voldoende wettig en overtuigend bewijs voorhanden is. Nu voorts uit de verklaring van verdachte volgt dat hij zich terdege bewust is van de plaatsen waarop hij de lichamen van de kinderen als professionele zwemleraar ter correctie kan aanraken, acht de rechtbank ook bewezen dat verdachte de kinderen opzettelijk en met een kennelijk seksuele lading en daarmee in strijd met de sociaal-ethische normen heeft aangeraakt.

3.7.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de onder 1, 2, 3, 4, 5, 8, 9, 10, 12, 13, 14, 16 en 19 ten laste gelegde feiten heeft begaan, met dien verstande dat:

1.

hij op meerdere tijdstippen in de periode van 1 december 2012 tot en met 10 februari 2014 te Velsen-Zuid, gemeente Velsen, telkens buiten echt ontucht heeft gepleegd met een aan zijn zorg en opleiding en waakzaamheid toevertrouwde minderjarige beneden de leeftijd van zestien jaren, te weten [slachtoffer 1] (geboren op [datum] 2007), immers heeft hij, verdachte, telkens in zijn hoedanigheid als zwemleraar, tijdens de zwemles in de (blote) penis van [slachtoffer 1] geknepen, althans de (blote) penis van die [slachtoffer 1] betast;

2.

hij op meerdere tijdstippen in de periode van 1 februari 2013 tot en met 18 februari 2014 te Velsen-Zuid, gemeente Velsen, in elk geval in Nederland, telkens buiten echt ontucht heeft gepleegd met een aan zijn zorg en opleiding en waakzaamheid toevertrouwde minderjarige beneden de leeftijd van zestien jaren, te weten [slachtoffer 2] (geboren op [datum] 2008), immers heeft hij, verdachte, telkens in zijn hoedanigheid als zwemleraar, tijdens de zwemles de (blote) penis van [slachtoffer 2] betast;

3.

hij op meerdere tijdstippen in de periode van 1 januari 2013 tot en met 1 september 2013 te Velsen-Zuid, gemeente Velsen, telkens buiten echt ontucht heeft gepleegd met een aan zijn zorg en opleiding en waakzaamheid toevertrouwde minderjarige beneden de leeftijd van zestien jaren, te weten [slachtoffer 3] (geboren op [datum] 2007), immers heeft hij, verdachte, telkens in zijn hoedanigheid als zwemleraar, tijdens de zwemles de (blote) penis van [slachtoffer 3] betast;

4.

hij op meerdere tijdstippen in de periode van 1 september 2012 tot en met 18 februari 2014 te Velsen-Zuid, gemeente Velsen, telkens buiten echt ontucht heeft gepleegd met een aan zijn zorg en opleiding en waakzaamheid toevertrouwde minderjarige beneden de leeftijd van zestien jaren, te weten [slachtoffer 4] (geboren op [datum] 2006), immers heeft hij, verdachte, telkens in zijn hoedanigheid als zwemleraar, tijdens de zwemles de (blote) penis van die [slachtoffer 4] betast;

5.

hij op meerdere tijdstippen in de periode van 1 januari 2013 tot en met 30 april 2013 te Velsen-Zuid, gemeente Velsen, telkens buiten echt ontucht heeft gepleegd met een aan zijn zorg en opleiding en waakzaamheid toevertrouwde minderjarige beneden de leeftijd van zestien jaren, te weten [slachtoffer 5] (geboren op [datum] 2008), immers heeft hij, verdachte, telkens in zijn hoedanigheid als zwemleraar, tijdens de zwemles in de penis van die [slachtoffer 5] geknepen, althans de penis van die [slachtoffer 5] betast;

8.

hij op tijdstippen in de periode van 1 december 2012 tot en met 10 februari 2014 te Velsen-Zuid, gemeente Velsen, (telkens) buiten echt ontucht heeft gepleegd met aan zijn zorg en opleiding en waakzaamheid toevertrouwde minderjarigen beneden de leeftijd van zestien jaren, te weten [slachtoffer 8] (geboren op [datum] 2003) en [slachtoffer 9] (geboren op [datum] 2007), immers heeft hij, verdachte, telkens in zijn hoedanigheid als zwemleraar, tijdens de zwemles de (ontblote) vagina('s) en/of schaamstre(e)k(en) van die [slachtoffer 8] en die [slachtoffer 9] betast;

9.

hij op meerdere tijdstippen in de periode van 1 december 2012 tot en met 10 februari 2014 te Velsen-Zuid, gemeente Velsen, telkens buiten echt ontucht heeft gepleegd met een aan zijn zorg en opleiding en waakzaamheid toevertrouwde minderjarige beneden de leeftijd van zestien jaren, te weten [slachtoffer 10] (geboren op [datum] 2008), immers heeft hij, verdachte, telkens in zijn hoedanigheid als zwemleraar, tijdens de zwemles de (ontblote) vagina en/of schaamstreek van die [slachtoffer 10] betast;

10.

hij op een tijdstip in de periode van 1 september 2012 tot en met 1 maart 2013 te Velsen-Zuid, gemeente Velsen, buiten echt ontucht heeft gepleegd met een aan zijn zorg en opleiding en waakzaamheid toevertrouwde minderjarige beneden de leeftijd van zestien jaren, te weten [slachtoffer 11] (geboren op [datum] 2007), immers heeft hij, verdachte, in zijn hoedanigheid als zwemleraar, tijdens de zwemles de (ontblote) vagina en/of bil(len) en/of schaamstreek van die [slachtoffer 11] betast;

12.

hij op meerdere tijdstippen in de periode van 1 december 2012 tot en met 10 februari 2014 te Velsen-Zuid, gemeente Velsen, telkens buiten echt ontucht heeft gepleegd met een aan zijn zorg en opleiding en waakzaamheid toevertrouwde minderjarige beneden de leeftijd van zestien jaren, te weten [slachtoffer 13] (geboren op [datum] 2008) immers heeft hij, verdachte, telkens in zijn hoedanigheid als zwemleraar, tijdens de zwemles de (blote) penis van die [slachtoffer 13] betast;

13.

hij op meerdere tijdstippen in de periode van 1 november 2012 tot en met 18 februari 2014 te Velsen-Zuid, gemeente Velsen, telkens buiten echt ontucht heeft gepleegd met een aan zijn zorg en opleiding en waakzaamheid toevertrouwde minderjarige beneden de leeftijd van zestien jaren, te weten [slachtoffer 14] (geboren op [datum] 2008), immers heeft hij, verdachte, telkens in zijn hoedanigheid als zwemleraar, tijdens de zwemles de (blote) penis van die [slachtoffer 14] betast;

14.

hij op meerdere tijdstippen in de periode van 1 september 2013 tot en met 18 februari 2014 te Velsen-Zuid, gemeente Velsen telkens buiten echt ontucht heeft gepleegd met een aan zijn zorg en opleiding en waakzaamheid toevertrouwde minderjarige beneden de leeftijd van zestien jaren, te weten [slachtoffer 15] (geboren op [datum] 2007), immers heeft hij, verdachte, telkens in zijn hoedanigheid als zwemleraar, tijdens de zwemles de vagina en/of schaamstreek van die [slachtoffer 15] betast;

16.

hij op meerdere tijdstippen in de periode van 1 september 2012 tot en met 18 februari 2014 te Velsen-Zuid, gemeente Velsen, telkens buiten echt ontucht heeft gepleegd met aan zijn zorg en opleiding en waakzaamheid toevertrouwde minderjarigen beneden de leeftijd van zestien jaren, te weten [slachtoffer 18] (geboren op [datum] 2008) en [slachtoffer 17] (geboren op [datum] 2006), immers heeft hij, verdachte, telkens in zijn hoedanigheid als zwemleraar, tijdens de zwemles de (ontblote) vagina('s) en/of bil(len) en/of schaamstre(e)k(en) van die [slachtoffer 18] en [slachtoffer 17] betast;

19.

hij op meerdere tijdstippen in de periode van 1 september 2012 tot en met 18 februari 2014 te Velsen-Zuid, gemeente Velsen, telkens buiten echt ontucht heeft gepleegd met een aan zijn zorg en opleiding en waakzaamheid toevertrouwde minderjarige beneden de leeftijd van zestien jaren, te weten [slachtoffer 22] (geboren op [datum] 2005), immers heeft hij, verdachte, telkens in zijn hoedanigheid als zwemleraar, tijdens de zwemles in de penis van die [slachtoffer 22] geknepen, althans de penis van die [slachtoffer 22] betast;

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten zijn verbeterd.

De rechtbank overweegt daarbij in het bijzonder het volgende. De - bij repliek gewijzigde - tenlastelegging is beoogd te zijn toegesneden op art. 247 en 248, tweede lid, Sr in plaats van op art. 249 Sr. Gelet op het verhandelde ter terechtzitting was dit voor de verdediging duidelijk, en stuitte niet op bezwaren. Het in art. 247 Sr opgenomen onderdeel “beneden de leeftijd van zestien jaren” stond niet in de gewijzigde tenlastelegging, maar wel dat het telkens een minderjarige betreft en uit de daarbij vermelde geboortedatum volgt onmiskenbaar dat het (telkens) een minderjarige van beneden de leeftijd van zestien jaren betreft. Deze voor ieder kenbare, en dus evidente omissie heeft de rechtbank in de bewezenverklaring met een cursieve weergave hersteld. Blijkens het verhandelde op de terechtzitting is verdachte daardoor niet geschaad in zijn verdediging.

Hetgeen aan verdachte onder 1, 2, 3, 4, 5, 8, 9, 10, 12, 13, 14, 16 en 19 meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. Verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

4 Kwalificatie en strafbaarheid van de feiten

Het bewezenverklaarde levert op:

T.a.v. de feiten 1, 2, 3, 4, 5, 8, 9, 12, 13, 14, 16 en 19 telkens:

met iemand beneden de leeftijd van zestien jaren buiten echt ontuchtige handelingen plegen, terwijl de schuldige het feit begaat tegen een aan zijn zorg, opleiding of waakzaamheid toevertrouwde minderjarige, meermalen gepleegd.

T.a.v. feit 10:

met iemand beneden de leeftijd van zestien jaren buiten echt ontuchtige handelingen plegen, terwijl de schuldige het feit begaat tegen een aan zijn zorg, opleiding of waakzaamheid toevertrouwde minderjarige.

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is derhalve strafbaar.

5 Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is derhalve strafbaar.

6 Motivering van de sanctie

6.1.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van drie (3) jaren waarvan een (1) jaar voorwaardelijk, met een proeftijd van tien (10) jaren en met als bijzondere voorwaarden:

  • -

    een verbod om het vak van zwemleraar uit te oefenen, voor de duur van 10 jaren;

  • -

    dat verdachte noch betaald, noch op vrijwillige basis werkzaamheden met minderjarigen onder de zestien jaar mag verrichten, gedurende de proeftijd van 10 jaren.

6.2.

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft (meer subsidiair) verzocht bij de strafoplegging rekening te houden met de negatieve gevolgen van de na verdachtes aanhouding ontstane publiciteitsgolf, alsmede met de omstandigheid dat hij bij terugkeer in de maatschappij voor wat betreft zijn deelname aan het arbeidsproces hoofdzakelijk afhankelijk zal zijn van het wel of niet slagen van de door hem op te zetten eigen onderneming.

6.3.

Oordeel van de rechtbank

Bij de beslissing over de sanctie die aan verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

In het bijzonder heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich als zwemleraar tijdens de zwemlessen veelvuldig schuldig gemaakt aan het plegen van ontuchtige handelingen met jonge slachtoffers. Verdachte heeft met deze handelingen een grote inbreuk gemaakt op de lichamelijke en de geestelijke integriteit van de slachtoffers. De ervaring leert dat slachtoffers van dergelijke misdrijven nog (na) lange tijd de nadelige psychische gevolgen daarvan kunnen ondervinden.

Met zijn handelen heeft verdachte het vertrouwen dat de slachtoffers en hun ouders in hem stelden als zwemleraar op een zeer ernstige manier beschaamd. Vertrouwen dat hij eerst had gewonnen door zichzelf en de zwemschool aan te prijzen als een plek waar - ook kwetsbare - kinderen terecht konden voor hun zwemles. De verschillende indringende slachtofferverklaringen die door de betrokken ouders zijn opgesteld en ter terechtzitting aan de orde zijn gekomen en desgewenst zijn voorgelezen, illustreren welke impact het handelen van verdachte op de kinderen en andere gezinsleden heeft gehad (waaronder schaamte, woede, loyaliteitsgevoelens naar zowel ouders als verdachte, niet slapen, huilen, concentratieproblemen).

Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank in het bijzonder gelet op:

  • -

    het op naam van verdachte staand Uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 17 september 2014, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van een soortgelijk strafbaar feit;

  • -

    het over verdachte uitgebrachte voorlichtingsrapport d.d. 30 mei 2014 van mevrouw M. Helderman als reclasseringswerkster verbonden aan Reclassering Nederland Adviesunit 1 Noord-West te Alkmaar;

  • -

    het over verdachte uitgebrachte voorlichtingsrapport d.d. 20 februari 2015 van mevrouw N. Schilder als reclasseringswerkster verbonden aan Reclassering Nederland Toezichtunit 1 Noord-West te Alkmaar;

  • -

    de rapportage Pro Justitia van het Nederlands Instituut voor Forensische Psychiatrie en Psychologie (NIFP), locatie Pieter Baan Centrum (PBC) d.d. 23 februari 2015.

Verdachte is van gedurende een periode van zeven weken opgenomen in het Pieter Baan Centrum (PBC), waar hij zou worden onderzocht door een multidisciplinair team dat bestond uit een psychiater, een psycholoog, een forensisch milieuonderzoeker en een groepsleider.

In het Pro Justitia rapportage van het PBC wordt beschreven dat verdachte niet heeft meegewerkt aan het onderzoek. Hij heeft weliswaar gesproken met de onderzoekers, maar is uiterst terughoudend in het verstrekken van informatie. Hij heeft zich niet laten onderzoeken door de huisarts en de neuroloog. Ook heeft hij geen machtigingen getekend voor het opvragen van informatie en de primaire referenten hebben niet gereageerd of hebben laten weten niet mee te werken. Verdachte heeft wel deelgenomen aan de activiteiten op de afdeling (lucht, groepsgesprekken, gezamenlijke maaltijd), maar niet aan sport en arbeid.

Gedurende de observatieperiode zijn er bij verdachte geen psychiatrische symptomen waargenomen. Zijn algehele presentatie en activiteitenniveau zijn ook niet verdacht voor een psychiatrische stoornis in engere zin, zoals een stemmings-, angst-, dwang- en/of psychotische stoornis. Stoornissen in de seksuele voorkeur (parafilieën zoals pedofilie en zoöfilie) en/of een verhoogde seksualiteit kunnen door de beperkingen binnen het onderzoek niet worden aangetoond, doch ook niet worden uitgesloten.

Het is niet mogelijk gebleken een (min of meer) volledig beeld te vormen van verdachtes persoonlijkheid, evenals van eventuele kwetsbaarheden (bijvoorbeeld ten aanzien van de agressieregulatie, frustratietolerantie en gewetensfuncties), maar ook niet van positieve, beschermende factoren. Gelet hierop is het dan ook niet mogelijk de vraag te beantwoorden of er bij verdachte ten tijde van de hem ten laste gelegde feiten, sprake was van een ziekelijke stoornis en/of gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens.

Ook op andere wijze en met de andere uitgebrachte rapporten heeft de rechtbank - en daarmee ook de ouders van de slachtoffers - geen enkel inzicht gekregen in de redenen waaronder verdachte keer op keer tot zijn handelen is gekomen.

Gelet op de ernst, aard en veelheid van de feiten en bij gebrek aan enig aanknopingspunt om verdachte ter beveiliging van de maatschappij een vorm van behandeling en toezicht te kunnen opleggen, is de rechtbank van oordeel dat niet met een andere of lagere straf kan worden volstaan dan door de officier van justitie is gevorderd. Daaraan doet niet af dat de rechtbank tot meer vrijspraken komt dan de officier van justitie bij de eis had betrokken. De rechtbank ziet in hetgeen de verdediging heeft aangevoerd met betrekking tot, onder andere, de negatieve publiciteit rondom verdachte onvoldoende grond om de op te leggen straf (enigszins) te matigen.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een vrijheidsbenemende straf van na te noemen duur moet worden opgelegd. De rechtbank zal echter bepalen dat een gedeelte daarvan vooralsnog niet ten uitvoer zal worden gelegd en zal daaraan - gelet op het bepaalde in art. 14b, derde lid, Sr - een proeftijd verbinden van tien (10) jaren, opdat verdachte ervan wordt weerhouden zich voor het einde van die proeftijd schuldig te maken aan een strafbaar feit.

Daarnaast acht de rechtbank het noodzakelijk dat het verdachte gedurende de proeftijd van tien (10) jaren is verboden het vak van zwemleraar uit te oefenen en - betaald of onbetaald - werkzaamheden of activiteiten te verrichten met minderjarigen die de leeftijd van zestien jaren nog niet hebben bereikt, zoals hierna vermeld. Deze verboden zullen als bijzondere voorwaarden aan het voorwaardelijk deel van de op te leggen straf worden verbonden.

Verdachte heeft zich gedurende een langere periode en ten aanzien van een relatief groot aantal jonge kinderen telkens schuldig gemaakt aan een misdrijf dat is gericht tegen de onaantastbaarheid van het lichaam van personen, te weten het met iemand beneden de leeftijd van zestien jaren buiten echt ontuchtige handelingen plegen, begaan tegen een aan zijn zorg, opleiding of waakzaamheid toevertrouwde minderjarige, meermalen gepleegd.

Gelet op de aard van het bewezenverklaarde gedrag van de verdachte dient er naar het oordeel van de rechtbank ernstig rekening mee te worden gehouden dat verdachte wederom een dergelijk misdrijf zal begaan. Daarom zal zij bevelen dat de hierna op grond van art. 14c Sr te stellen voorwaarden ingevolge art. 14e Sr dadelijk uitvoerbaar zijn.

7 Beslissingen omtrent in beslag genomen en niet teruggegeven voorwerpen

7.1.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de onder verdachte in beslag genomen en niet teruggegeven laptop dient te worden onttrokken aan het verkeer omdat op deze laptop dierenporno is aangetroffen.

Ten aanzien van de onder verdachte in beslag genomen en niet teruggegeven telefoon en usb-stick heeft de officier van justitie zich primair op het standpunt gesteld dat deze eveneens dienen te worden onttrokken aan het verkeer, nu op deze voorwerpen een flinke hoeveelheid foto’s van kinderen in en om het zwembad zijn aangetroffen. De officier van justitie is van mening dat - gelet op de samenhang met de feiten – foto’s van kinderen in zwembroek niet in bezit horen te zijn van verdachte. Subsidiair heeft zij zich op het standpunt gesteld dat de teruggave van deze voorwerpen slechts kan worden gelast onder de voorwaarde dat de foto’s worden verwijderd.

7.2.

Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft verzocht de in beslag genomen telefoon en usb-stick na verwijdering van de foto’s terug te geven aan verdachte. De verdediging heeft opgemerkt dat het Openbaar Ministerie hiermee reeds akkoord was.

De verdediging heeft daarnaast verzocht de in beslag genomen laptop zonder harde schijf aan verdachte te retourneren. Daarbij heeft de verdediging erop gewezen dat de harde schijf reeds door de politie uit de laptop is verwijderd.

7.3.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat de laptop - zonder de harde schijf - aan de verdachte dient te worden terug gegeven, gelet op de vrijspraak van de verdachte te zake van het onder 22 ten laste gelegde. Verdachte was niet opzettelijk in het bezit van de dierenporno, maar voorkomen dient uiteraard te worden dat de laptop met het ten laste gelegde bestand aan de verdachte zou worden verstrekt.

Ook van de onder de verdachte in beslag genomen en nog niet terug gegeven telefoon en usb-stick zal de rechtbank de teruggave aan verdachte gelasten. Gelet op de aard van de bewezen verklaarde feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan is het naar het oordeel van de rechtbank - en dat is door de verdediging onbetwist - aangewezen dat tevoren de digitale inhoud van de usb-stick en de telefoon geheel wordt gewist.

8 Vorderingen benadeelde partijen en schadevergoedingsmaatregelen

Bij de beoordeling van de vorderingen van de benadeelde partijen, plaatst de rechtbank de volgende inleidende overwegingen.

Voor zover namens de onderstaande benadeelde partijen door de wettelijke vertegenwoordigers een vergoeding voor geleden materiële schade wordt gevraagd en die vordering door de rechtbank wordt toegewezen, betreft het telkens verplaatste schade in de zin van art. 6:107 BW. Het gaat in zoverre immers steeds om kosten die de ouders ten behoeve van hun kind hebben gemaakt, welke kosten als rechtstreekse schade in de zin van art. 51f lid 1 Sv zijn aan te merken. Ingevolge art. 6:96 lid 2 (onder a en b) BW komen deze ten behoeve van het kind gemaakte kosten als vermogensschade voor vergoeding in aanmerking. Het gaat in de hierna gespecificeerde kostenposten per benadeelde partij, voor zover de rechtbank deze toewijst, immers steeds om (a) redelijke kosten ter voorkoming of beperking van schade die als gevolg van de gebeurtenis waarop de aansprakelijkheid berust, mocht worden verwacht en/of (b) redelijke kosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid.

Namens de verdachte is een beroep gedaan op de overwegingen van het Hof Amsterdam in ‘de Amsterdamse zedenzaak’, Hof Amsterdam 26 april 2013, ECLI:NL:GHAMS:2013: BZ8885. Juist deze overwegingen schoten in het licht van art. 6:107 BW in cassatie evenwel tekort (HR 16 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2668). Voor het toekennen van een andere betekenis of reikwijdte aan art. 6: 107 BW dan waarvoor de bepaling is bedoeld - en die bij de beoordeling van de vorderingen van benadeelde partijen ook in het strafgeding van toepassing is - ziet de rechtbank geen reden.

Ten aanzien van de navermelde beslissingen op de vorderingen tot vergoeding van immateriële schade zal de rechtbank deze telkens naar maatstaven van billijkheid begroten op € 1.000,- en de vorderingen tot dat bedrag toewijzen. Nadere bewijslevering ten aanzien van een hoger gevorderd bedrag levert een onevenredige belasting van het strafgeding op. Gelet hierop zal de rechtbank bepalen dat de benadeelde partij in dat deel van de vordering niet ontvankelijk is.

8.3.1.

Vordering benadeelde partij [slachtoffer 1] ([slachtoffer 1])

Namens de benadeelde partij [slachtoffer 1] is een vordering tot schadevergoeding van

€ 2.622,16 ingediend tegen verdachte wegens materiële en immateriële schade die hij als gevolg van het onder 1 ten laste gelegde feit zou hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag.

De gestelde schade bestaat uit:

a. € 13,20 reiskosten;

b. € 108,96 tegemoetkoming voor opname verlofuren;

c. € 2.500,- immateriële schade.

De officier van justitie heeft gevorderd de vordering toe te wijzen tot het gevorderde bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente, en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De rechtbank is van oordeel dat de gestelde materiële schade, totaal € 122,16, rechtstreeks voortvloeit uit het onder 1 bewezen verklaarde feit.

Tevens komt de rechtbank vergoeding van de immateriële schade tot een bedrag van

€ 1.000,- billijk voor, gelet op de onderbouwing van de vordering en het verhandelde ter terechtzitting.

In zoverre zal de vordering dan ook worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 10 februari 2014 tot aan de dag der algehele voldoening.

Daarnaast dient verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken.

Naar het oordeel van de rechtbank is niet komen vast te staan dat de overige gestelde immateriële schade het rechtstreeks gevolg zijn van het hiervoor in de rubriek bewezen verklaring onder 1 bewezen verklaarde feit. Nadere bewijslevering ten aanzien van het hogere bedrag zoals gevorderd levert een onevenredige belasting van het strafgeding op. Gelet hierop zal de rechtbank bepalen dat de benadeelde partij in dat deel van de vordering niet ontvankelijk is.

De benadeelde partij kan de delen van de vordering, die tot niet-ontvankelijkheid zullen leiden, desgewenst bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

8.3.2.

Vordering benadeelde partij [slachtoffer 2] ([slachtoffer 2])

Namens de benadeelde partij [slachtoffer 2] is een vordering tot schadevergoeding van

€ 2.136,66 ingediend tegen verdachte wegens materiële en immateriële schade die hij als gevolg van het onder 2 ten laste gelegde feit zou hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag.

De gestelde schade bestaat uit:

a. € 136,66 reis- en parkeerkosten;

b. € 2.000,- immateriële schade.

De officier van justitie heeft gevorderd de vordering toe te wijzen tot het gevorderde bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente, en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De rechtbank is van oordeel dat de materiële schade tot een bedrag een bedrag van € 107,72 rechtstreeks voortvloeit uit het onder 2 bewezen verklaarde feit. De overige gevorderde kosten zijn niet gemaakt, omdat namens de benadeelde partij - in lijn met de door de rechtbank op 5 maart 2015 gegeven toelichting op de planning - niemand is verschenen op de derde zittingsdag (11 maart 2015, in plaats van de aanvankelijk genoemde datum 10 maart 2015). De vordering tot vergoeding van reis- en parkeerkosten zal dus voor het overige worden afgewezen.

Tevens komt de rechtbank vergoeding van de immateriële schade tot een bedrag van € 1.000,- billijk voor gelet op de onderbouwing van de vordering en het verhandelde ter terechtzitting.

In zoverre zal de vordering dan ook worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 18 februari 2014 tot aan de dag der algehele voldoening.

Daarnaast dient verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken.

Naar het oordeel van de rechtbank is niet komen vast te staan dat de overige gestelde immateriële schade het rechtstreeks gevolg is van het hiervoor in de rubriek bewezen verklaring onder 2 bewezen verklaarde feit. Nadere bewijslevering ten aanzien van het hogere bedrag zoals gevorderd levert een onevenredige belasting van het strafgeding op. Gelet hierop zal de rechtbank bepalen dat de benadeelde partij in dat deel van de vordering niet ontvankelijk is.

De benadeelde partij kan de delen van de vordering, die tot niet-ontvankelijkheid zullen leiden, desgewenst bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

8.3.3.

Vordering benadeelde partij [slachtoffer 4] ([slachtoffer 4])

Namens de benadeelde partij [slachtoffer 4] is een vordering tot schadevergoeding van

€ 2.274,68 ingediend tegen verdachte wegens materiële en immateriële schade die hij als gevolg van het onder 4 ten laste gelegde feit zou hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag.

De gestelde schade bestaat uit:

a. € 124,86 reis- en parkeerkosten;

b. € 149,82 tegemoetkoming voor opname verlofuren;

c. € 2.000,- immateriële schade.

De officier van justitie heeft gevorderd de vordering toe te wijzen tot het gevorderde bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente, en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De rechtbank is van oordeel dat de materiële schade tot een bedrag een bedrag van € 247,75 rechtstreeks voortvloeit uit het onder 4 bewezen verklaarde feit. Het gaat om € 97,93 ter vergoeding van reis- en parkeerkosten en € 149,82 ter tegemoetkoming voor de opname van verlofuren. De overige gevorderde kosten zijn niet gemaakt, omdat namens de benadeelde partij - in lijn met de door de rechtbank op 5 maart 2015 gegeven toelichting op de planning - niemand is verschenen op de derde zittingsdag (11 maart 2015, in plaats van de aanvankelijk genoemde datum 10 maart 2015). De vordering tot vergoeding van reis- en parkeerkosten zal dus voor het overige worden afgewezen.

Tevens komt de rechtbank vergoeding van de immateriële schade tot een bedrag van € 1.000,- billijk voor gelet op de onderbouwing van de vordering en het verhandelde ter terechtzitting.

In zoverre zal de vordering dan ook worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 18 februari 2014 tot aan de dag der algehele voldoening.

Daarnaast dient verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken.

Naar het oordeel van de rechtbank is niet komen vast te staan dat de overige gestelde immateriële schade het rechtstreeks gevolg zijn van het hiervoor in de rubriek bewezen verklaring onder 4 bewezen verklaarde feit. Nadere bewijslevering ten aanzien van het hogere bedrag zoals gevorderd levert een onevenredige belasting van het strafgeding op. Gelet hierop zal de rechtbank bepalen dat de benadeelde partij in dat deel van de vordering niet ontvankelijk is.

De benadeelde partij kan de delen van de vordering, die tot niet-ontvankelijkheid zullen leiden, desgewenst bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

8.3.4.

Vordering benadeelde partij [slachtoffer 5] ([slachtoffer 5])

Namens de benadeelde partij [slachtoffer 5] is door zijn wettelijk vertegenwoordigers en met bijstand van mr. A.M. Wolf, advocaat te Haarlem, een vordering tot schadevergoeding van

€ 10.660,80 ingediend tegen verdachte wegens materiële en immateriële schade die hij als gevolg van het onder 5 ten laste gelegde feit zou hebben geleden, vermeerderd met de nader te berekenen wettelijke rente.

De gestelde schade bestaat uit:

a. € 225,- aan kosten voor begeleiding, tegemoetkoming opname verlofuren;

b. € 5.750,- wegens een jaar zitten blijven basisschool;

c. € 28,- reiskosten zes maal bezoek aan rechtbank;

d. € 5,- reiskosten bezoek aan advocaat;

e. € 11,- reiskosten bezoek Kennemer Gasthuis;

f. € 72,50 reiskosten tien maal bezoek aan Kinder- en Jeugdtraumacentrum (KJTC);

g. € 35,00 telefoonkosten;

h. € 23,- parkeerkosten zesmaal bezoek aan rechtbank;

i. € 4,80 parkeerkosten bezoek aan advocaat;

j. € 6,50 parkeerkosten bezoek aan Kennemer Gasthuis;

k. € 4.500,- voorschot immateriële schade (smartengeld).

De officier van justitie heeft gevorderd de vordering toe te wijzen tot een bedrag van
€ 4.000,- vermeerderd met de wettelijke rente, en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De rechtbank is van oordeel dat de materiële schade tot een bedrag een bedrag van € 95,80 rechtstreeks voortvloeit uit het onder 5 bewezen verklaarde feit. Het gaat om vergoeding van de onder c, d, g, h en i vermelde reis-, parkeer- en telefoonkosten, met uitzondering van de reis- en parkeerkosten met betrekking tot het Kennemer Gasthuis en het KJTC.

Naar het oordeel van de rechtbank is niet komen vast te staan dat de overige gestelde materiële schade het rechtstreeks gevolg is van het hiervoor in de rubriek bewezen verklaring onder 5 bewezen verklaarde feit. Nadere bewijslevering ten aanzien van dat deel van de vordering levert een onevenredige belasting van het strafgeding op. Gelet hierop zal de rechtbank bepalen dat de benadeelde partij in dat deel van de vordering niet ontvankelijk is.

Tevens komt de rechtbank vergoeding van de immateriële schade tot een bedrag van € 1.000,- billijk voor gelet op de onderbouwing van de vordering en het verhandelde ter terechtzitting.

In zoverre zal de vordering dan ook worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 30 april 2013 tot aan de dag der algehele voldoening.

Daarnaast dient verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken.

Naar het oordeel van de rechtbank is niet komen vast te staan dat de overige gestelde immateriële schade het rechtstreeks gevolg zijn van het hiervoor in de rubriek bewezen verklaring onder 5 bewezen verklaarde feit. Nadere bewijslevering ten aanzien van het hogere bedrag zoals gevorderd levert een onevenredige belasting van het strafgeding op. Gelet hierop zal de rechtbank bepalen dat de benadeelde partij in dat deel van de vordering niet ontvankelijk is.

De benadeelde partij kan de delen van de vordering, die tot niet-ontvankelijkheid zullen leiden, desgewenst bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

8.3.5.

Vordering benadeelde partij [slachtoffer 6] ([slachtoffer 6])

Namens de benadeelde partij [slachtoffer 6] is een vordering tot schadevergoeding van

€ 1.500,- ingediend tegen verdachte wegens immateriële schade die hij als gevolg van het onder 6 ten laste gelegde feit zou hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag.

De rechtbank is van oordeel dat nu niet wettig en overtuigend is bewezen hetgeen aan de verdachte onder 6 is tenlastegelegd, de benadeelde partij niet in de vordering, die betrekking heeft op dat ten laste gelegde feit, kan worden ontvangen.

Gelet hierop zal de rechtbank bepalen dat de benadeelde partij niet ontvankelijk is in de vordering, met kostenveroordeling als hierna in het dictum vermeld.

8.3.6.

Vordering benadeelde partij [slachtoffer 7] ([slachtoffer 7])

Namens de benadeelde partij [slachtoffer 7] is een vordering tot schadevergoeding van

€ 1.414,74 ingediend tegen verdachte wegens materiële en immateriële schade die hij als gevolg van het onder 7 ten laste gelegde feit zou hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag.

De rechtbank is van oordeel dat nu niet wettig en overtuigend is bewezen hetgeen aan de verdachte onder 7 is tenlastegelegd, de benadeelde partij niet in de vordering, die betrekking heeft op dat ten laste gelegde feit, kan worden ontvangen.

Gelet hierop zal de rechtbank bepalen dat de benadeelde partij niet ontvankelijk is in de vordering, met kostenveroordeling als hierna in het dictum vermeld.

8.3.7.

Vordering benadeelde partij [slachtoffer 10] ([slachtoffer 10])

Namens de benadeelde partij [slachtoffer 10] is door de advocaat van haar wettelijk vertegenwoordiger mondeling ter terechtzitting een vordering tot schadevergoeding van € 1.000,- ingediend tegen verdachte wegens immateriële schade die zij als gevolg van het onder 9 ten laste gelegde feit zou hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag.

De officier van justitie heeft gevorderd de vordering toe te wijzen tot het gevorderde bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente, en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De vergoeding van de gestelde immateriële schadekomt de rechtbank billijk voor, gelet op de onderbouwing van de vordering en het verhandelde ter terechtzitting.

De vordering zal dan ook worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 10 februari 2014 tot aan de dag der algehele voldoening

Daarnaast dient verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken.

8.3.8.

Vordering benadeelde partij [slachtoffer 14] ([slachtoffer 14])

Namens de benadeelde partij [slachtoffer 14] is een vordering tot schadevergoeding van

€ 2.757,50 ingediend tegen verdachte wegens materiële en immateriële schade die hij als gevolg van het onder 13 ten laste gelegde feit zou hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag.

De gestelde schade bestaat uit:

a. € 7,50 reiskosten;

b. € 750,- verlies van arbeidsvermogen moeder; 10 uur moeten overdragen, factuur d.d. 8 juli 2014 aan Kerk in Actie - artikel [naam artikel], excl. 21% BTW en excl. reiskosten.

c. € 2.000,- immateriële schade.

De officier van justitie heeft gevorderd de vordering toe te wijzen tot het gevorderde bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente, en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De rechtbank is van oordeel dat de gestelde materiële schade rechtstreeks voortvloeit uit het onder 13 bewezen verklaarde feit. Ten aanzien van de gevorderde vergoeding van verlies aan arbeidsvermogen van de moeder van de benadeelde, overweegt de rechtbank het volgende. Toegelicht is dat het om werkzaamheden ging die de moeder van de benadeelde partij als zelfstandige niet zelf heeft kunnen uitvoeren in verband met het maken van de melding en het doen van aangifte, als ook omdat zij haar zoon moest bijstaan bij het studioverhoor. Het gaat derhalve om kosten - misgelopen inkomsten - die ten behoeve van de benadeelde zijn gemaakt en die rechtstreeks verband houden met het strafbare feit. Ook deze kosten komen derhalve naar het oordeel van de rechtbank in het kader van art. 6:107 BW, gelet op art. 6:96 lid 2, onder a en b, BW, voor vergoeding in aanmerking.

Tevens komt de rechtbank vergoeding van de immateriële schade tot een bedrag van € 1.000,- billijk voor gelet op de onderbouwing van de vordering en het verhandelde ter terechtzitting.

Voor zover aan de vordering tot vergoeding van immateriële schade ten grondslag wordt gelegd de (immateriële) schade die de rest van het gezin heeft geleden door het jegens [slachtoffer 14] begane feit 13, heeft de rechtbank dit gelet op de beperkte reikwijdte van art. 51a Sv niet bij de hoogte van de vergoeding in aanmerking kunnen nemen.

In zoverre zal de vordering dan ook worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 18 februari 2014 tot aan de dag der algehele voldoening.

Daarnaast dient verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken.

Naar het oordeel van de rechtbank is niet komen vast te staan dat de overige gestelde immateriële schade het rechtstreeks gevolg is van het hiervoor in de rubriek bewezen verklaring onder 13 bewezen verklaarde feit. Nadere bewijslevering ten aanzien van het hogere bedrag zoals gevorderd levert een onevenredige belasting van het strafgeding op. Gelet hierop zal de rechtbank bepalen dat de benadeelde partij in dat deel van de vordering niet ontvankelijk is.

De benadeelde partij kan de delen van de vordering, die tot niet-ontvankelijkheid zullen leiden, desgewenst bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

8.3.9.

Vordering benadeelde partij [slachtoffer 16] ([slachtoffer 16])

Namens de benadeelde partij [slachtoffer 16] is een vordering tot schadevergoeding van

€ 3.615,- ingediend tegen verdachte wegens materiële en immateriële schade die hij als gevolg van het onder 15 ten laste gelegde feit zou hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag.

De rechtbank is van oordeel dat nu niet wettig en overtuigend is bewezen hetgeen aan de verdachte onder 15 is tenlastegelegd, de benadeelde partij niet in de vordering, die betrekking heeft op dat ten laste gelegde feit, kan worden ontvangen.

Gelet hierop zal de rechtbank bepalen dat de benadeelde partij niet ontvankelijk is in de vordering, met kostenveroordeling als hierna in het dictum vermeld.

8.3.10.

Vordering benadeelde partij [slachtoffer 18] ([slachtoffer 18])

Namens de benadeelde partij [slachtoffer 18] is een vordering tot schadevergoeding van

€ 2.190,29 ingediend tegen verdachte wegens materiële en immateriële schade die zij als gevolg van het onder 16 ten laste gelegde feit zou hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag.

De gestelde schade bestaat uit:

a. € 190,29 reis- en parkeerkosten; waarvan € 142,45 ook voor [slachtoffer 17];

b. € 2.000,- immateriële schade.

Ter terechtzitting is uit de namens de benadeelde partij gegeven toelichting op de vordering gebleken dat het naast de (ook voor [slachtoffer 17] gevorderde) reis- en parkeerkosten van
€ 142,45 (ook voor [slachtoffer 17]) en om € 15,40 in verband met het studioverhoor. De vordering verstaat de rechtbank aldus, dat deze in zoverre ter zitting is gehandhaafd en voor het overige niet.

De officier van justitie heeft gevorderd de vordering toe te wijzen tot het gevorderde bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente, en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De rechtbank is van oordeel dat de materiële schade tot een bedrag van € 71,85 rechtstreeks voortvloeit uit het onder 16 jegens deze benadeelde partij begane, bewezen verklaarde feit. Dit bedrag bestaat uit de helft van de vergoeding van kosten die tegelijk voor [slachtoffer 18] en haar zus [slachtoffer 17] zijn gemaakt (€ 56,45) en een vergoeding van € 15,40 aan reis- en parkeerkosten voor het studioverhoor voor [slachtoffer 18].

De overige gevorderde kosten ter vergoeding van materiële schade worden afgewezen. Een deel wordt bij de vordering van [slachtoffer 17] vergoed en een deel van de kosten zijn niet gemaakt, omdat namens de benadeelde partij - in lijn met de door de rechtbank op 5 maart 2015 gegeven toelichting op de planning - niemand is verschenen op de derde zittingsdag (11 maart 2015, in plaats van de aanvankelijk genoemde datum 10 maart 2015). De vordering tot vergoeding van reis- en parkeerkosten zal dus voor het overige worden afgewezen.

Tevens komt de rechtbank vergoeding van de immateriële schade tot een bedrag van
€ 1.000,- billijk voor gelet op de onderbouwing van de vordering en het verhandelde ter terechtzitting.

In zoverre zal de vordering dan ook worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 18 februari 2014 tot aan de dag der algehele voldoening.

Daarnaast dient verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken.

Naar het oordeel van de rechtbank is niet komen vast te staan dat de overige gestelde immateriële schade het rechtstreeks gevolg zijn van het hiervoor in de rubriek bewezen verklaring onder 16 bewezen verklaarde feit. Nadere bewijslevering ten aanzien van het hogere bedrag zoals gevorderd levert een onevenredige belasting van het strafgeding op. Gelet hierop zal de rechtbank bepalen dat de benadeelde partij in dat deel van de vordering niet ontvankelijk is.

De benadeelde partij kan de delen van de vordering, die tot niet-ontvankelijkheid zullen leiden, desgewenst bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

8.3.11.

Vordering benadeelde partij [slachtoffer 17] ([slachtoffer 17])

Namens de benadeelde partij [slachtoffer 17] is een vordering tot schadevergoeding van

€ 3.389,15 ingediend tegen verdachte wegens materiële en immateriële schade die zij als gevolg van het onder 16 ten laste gelegde feit zou hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag.

De gestelde schade bestaat uit:

a. € 707,85 kosten behandeling bij jeugdtherapeut ([naam praktijk]);

b. € 180,30 reis- en parkeerkosten; waarvan € 142,45 ook voor [slachtoffer 18];

c. € 2.500,- immateriële schade.

De officier van justitie heeft gevorderd de vordering toe te wijzen tot het gevorderde bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente, en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De rechtbank is van oordeel dat de materiële schade tot een bedrag van € 123,85 rechtstreeks voortvloeit uit het onder 16 jegens deze benadeelde partij begane, bewezen verklaarde feit. Dit bedrag bestaat uit de helft van de vergoeding van kosten die tegelijk voor [slachtoffer 18] en haar zus [slachtoffer 17] zijn gemaakt (€ 56,45) en een vergoeding van € 67,40 aan reis- en parkeerkosten die alleen ten behoeve van [slachtoffer 17] zijn gemaakt.

De overige gevorderde kosten ter vergoeding van reis- en parkeerkosten worden afgewezen. Een deel wordt bij de vordering van [slachtoffer 17] vergoed en een deel van de kosten zijn niet gemaakt, omdat namens de benadeelde partij - in lijn met de door de rechtbank op 5 maart 2015 gegeven toelichting op de planning - niemand is verschenen op de derde zittingsdag (11 maart 2015, in plaats van de aanvankelijk genoemde datum 10 maart 2015). De vordering tot vergoeding van reis- en parkeerkosten zal dus voor het overige worden afgewezen.

Naar het oordeel van de rechtbank is niet komen vast te staan dat de overige gestelde schade, € 707,85 aan kosten voor de behandeling bij een jeugdtherapeut, het rechtstreeks gevolg zijn van het hiervoor in de rubriek bewezen verklaring onder 16 bewezen verklaarde feit. Nadere bewijslevering ten aanzien van dat deel van de vordering levert een onevenredige belasting van het strafgeding op. Gelet hierop zal de rechtbank bepalen dat de benadeelde partij in dat deel van de vordering niet ontvankelijk is.

Voorts komt de rechtbank vergoeding van de immateriële schade tot een bedrag van
€ 1.000,- billijk voor gelet op de onderbouwing van de vordering en het verhandelde ter terechtzitting.

In zoverre zal de vordering dan ook worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 1 juni 2013 tot aan de dag der algehele voldoening.

Daarnaast dient verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken.

Naar het oordeel van de rechtbank is niet komen vast te staan dat de overige gestelde immateriële schade het rechtstreeks gevolg zijn van het hiervoor in de rubriek bewezen verklaring onder 16 bewezen verklaarde feit. Nadere bewijslevering ten aanzien van dat deel van de vordering levert een onevenredige belasting van het strafgeding op. Gelet hierop zal de rechtbank bepalen dat de benadeelde partij (ook) in dat deel van de vordering niet ontvankelijk is.

De benadeelde partij kan de delen van de vordering, die tot niet-ontvankelijkheid zullen leiden, desgewenst bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

8.3.12.

Vordering benadeelde partij [slachtoffer 20] ([slachtoffer 20])

Namens de benadeelde partij [slachtoffer 20] is een vordering tot schadevergoeding van

€ 2.124,12 ingediend tegen verdachte wegens materiële en immateriële schade die hij als gevolg van het onder 17 ten laste gelegde feit zou hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag.

De rechtbank is van oordeel dat nu niet wettig en overtuigend is bewezen hetgeen aan de verdachte onder 15 is tenlastegelegd, de benadeelde partij niet in de vordering, die betrekking heeft op dat ten laste gelegde feit, kan worden ontvangen.

Gelet hierop zal de rechtbank bepalen dat de benadeelde partij niet ontvankelijk is in de vordering, met kostenveroordeling als hierna in het dictum vermeld.

8.3.13.

Vordering benadeelde partij [slachtoffer 19] ([slachtoffer 19])

Namens de benadeelde partij [slachtoffer 19] is een vordering tot schadevergoeding van

€ 2.124,12 ingediend tegen verdachte wegens materiële en immateriële schade die hij als gevolg van het onder 17 ten laste gelegde feit zou hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag.

De officier van justitie heeft gevorderd de vordering toe te wijzen tot het gevorderde bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente, en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De rechtbank is van oordeel dat nu niet wettig en overtuigend is bewezen hetgeen aan de verdachte onder 15 is tenlastegelegd, de benadeelde partij niet in de vordering, die betrekking heeft op dat ten laste gelegde feit, kan worden ontvangen.

Gelet hierop zal de rechtbank bepalen dat de benadeelde partij niet ontvankelijk is in de vordering, met kostenveroordeling als hierna in het dictum vermeld.

8.3.14.

Vordering benadeelde partij [slachtoffer 21] ([slachtoffer 21])

Namens de benadeelde partij [slachtoffer 21] is - na schriftelijk herstel ter terechtzitting - een vordering tot schadevergoeding ingediend van € 3.085,- - bij welk herstel de hoogte van de therapiekosten is gesteld op € 585,- in plaats van € 1.035,- - tegen verdachte wegens materiële en immateriële schade die hij als gevolg van het onder 18 ten laste gelegde feit zou hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag.

De rechtbank is van oordeel dat nu niet wettig en overtuigend is bewezen hetgeen aan de verdachte onder 15 is tenlastegelegd, de benadeelde partij niet in de vordering, die betrekking heeft op dat ten laste gelegde feit, kan worden ontvangen.

Gelet hierop zal de rechtbank bepalen dat de benadeelde partij niet ontvankelijk is in de vordering, met kostenveroordeling als hierna in het dictum vermeld.

8.3.15.

Vordering benadeelde partij [slachtoffer 22] ([slachtoffer 22])

Namens de benadeelde partij [slachtoffer 22] is een vordering tot schadevergoeding van

€ 2.046,36 ingediend tegen verdachte wegens materiële en immateriële schade die hij als gevolg van het onder 19 ten laste gelegde feit zou hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag.

De gestelde schade bestaat uit:

a. € 46,36 reiskosten;

b. € 2.000,- immateriële schade.

De officier van justitie heeft gevorderd de vordering toe te wijzen tot het gevorderde bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente, en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De rechtbank is van oordeel dat de gestelde materiële schade, totaal € 46,36, rechtstreeks voortvloeit uit het onder 19 bewezen verklaarde feit.

Tevens komt de rechtbank vergoeding van de immateriële schade tot een bedrag van € 1.000,- billijk voor, gelet op de onderbouwing van de vordering en het verhandelde ter terechtzitting.

In zoverre zal de vordering dan ook worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 18 februari 2014 tot aan de dag der algehele voldoening.

Daarnaast dient verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken.

Naar het oordeel van de rechtbank is niet komen vast te staan dat de overige gestelde immateriële schade het rechtstreeks gevolg zijn van het hiervoor in de rubriek bewezen verklaring onder 19 bewezen verklaarde feit. Nadere bewijslevering ten aanzien van het hogere bedrag zoals gevorderd levert een onevenredige belasting van het strafgeding op. Gelet hierop zal de rechtbank bepalen dat de benadeelde partij in dat deel van de vordering niet ontvankelijk is.

De benadeelde partij kan de delen van de vordering, die tot niet-ontvankelijkheid zullen leiden, desgewenst bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

8.3.16.

Vordering benadeelde partij [slachtoffer 23] ([slachtoffer 23])

Namens de benadeelde partij [slachtoffer 23] is een vordering tot schadevergoeding van

€ 3.378,62 ingediend tegen verdachte wegens materiële en immateriële schade die zij als gevolg van het onder 20 ten laste gelegde feit zou hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag.

De rechtbank is van oordeel dat nu niet wettig en overtuigend is bewezen hetgeen aan de verdachte onder 20 is tenlastegelegd, de benadeelde partij niet in de vordering, die betrekking heeft op dat ten laste gelegde feit, kan worden ontvangen.

Gelet hierop zal de rechtbank bepalen dat de benadeelde partij niet ontvankelijk is in de vordering, met kostenveroordeling als hierna in het dictum vermeld.

8.3.17.

Vordering benadeelde partij [slachtoffer 24] ([slachtoffer 24])

Namens de benadeelde partij [slachtoffer 24] is - in een gewijzigd voegingsformulier - een vordering tot schadevergoeding van € 3.517, 65 (in plaats van € 3.565,03) ingediend tegen verdachte wegens materiële en immateriële schade die zij als gevolg van het onder 21 ten laste gelegde feit zou hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag.

De rechtbank is van oordeel dat nu niet wettig en overtuigend is bewezen hetgeen aan de verdachte onder 21 is tenlastegelegd, de benadeelde partij niet in de vordering, die betrekking heeft op dat ten laste gelegde feit, kan worden ontvangen.

Gelet hierop zal de rechtbank bepalen dat de benadeelde partij niet ontvankelijk is in de vordering, met kostenveroordeling als hierna in het dictum vermeld.

8.3.18.

Vordering benadeelde partij [slachtoffer 26] ([slachtoffer 26])

Namens de benadeelde partij [slachtoffer 26] is een vordering tot schadevergoeding van

€ 3.378,62 ingediend tegen verdachte wegens materiële en immateriële schade die zij als gevolg van het onder 24 ten laste gelegde feit zou hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag.

De rechtbank is van oordeel dat nu niet wettig en overtuigend is bewezen hetgeen aan de verdachte onder 24 is tenlastegelegd, de benadeelde partij niet in de vordering, die betrekking heeft op dat ten laste gelegde feit, kan worden ontvangen.

Gelet hierop zal de rechtbank bepalen dat de benadeelde partij niet ontvankelijk is in de vordering, met kostenveroordeling als hierna in het dictum vermeld.

8.4.

Schadevergoedingsmaatregel

Opdat de benadeelde partijen niet zelf worden belast met de inning van het toegewezen bedrag zal de rechtbank telkens de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen.

9 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

artikel 14a, 14b, 14c, 36f, 57, 247 en 248 van het Wetboek van Strafrecht.

10 Beslissing

De rechtbank:

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte onder 6, 7, 11, 15, 17, 18, 20, 21, 22, 23 en 24 is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat verdachte de onder 1, 2, 3, 4, 5, 8, 9, 10, 12, 13, 14, 16 en 19 ten laste gelegde feiten heeft begaan zoals hiervoor onder 3.7. weergegeven.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte onder 1, 2, 3, 4, 5, 8, 9, 10, 12, 13, 14, 16 en 19 meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij.

Bepaalt dat de onder 1, 2, 3, 4, 5, 8, 9, 10, 12, 13, 14, 16 en 19 bewezen verklaarde feiten de hierboven onder 4. vermelde strafbare feiten opleveren.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van DRIE (3) JAREN.

Beveelt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot EEN (1) JAAR niet ten uitvoer zal worden gelegd en stelt daarbij een proeftijd vast van tien (10) jaren.

Stelt als algemene voorwaarden dat verdachte:

  • -

    zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

  • -

    ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt.

Stelt als bijzondere voorwaarden dat verdachte gedurende voormelde proeftijd:

  • -

    niet het vak van zwemleraar zal uitoefenen;

  • -

    geen werkzaamheden of activiteiten zal verrichten met minderjarigen die de leeftijd van zestien jaren nog niet hebben bereikt, noch beroepsmatig noch als vrijwilliger, met die uitzondering dat onder dit verbod niet is begrepen sociale contacten met kinderen in de familie- of relatiesfeer.

Beveelt dat de op grond van artikel 14c gestelde voorwaarden en het op grond van artikel 14d lid 1 Sr uit te oefenen toezicht dadelijk uitvoerbaar zijn.

Bepaalt dat de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk deel van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Gelast de teruggave aan verdachte van:

  • -

    een laptop (Packerd Bell) (beslagnummer 1), zonder harde schijf;

  • -

    een telefoon (beslagnummer 2), waarvan de inhoud geheel is gewist;

  • -

    een usb stick (zwart) (beslagnummer 3), geheel gewist.

Wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij [slachtoffer 1] geleden schade tot een bedrag van € 1.122,16, bestaande uit € 122,16 voor de materiële en

€ 1.000,- voor de immateriële schade, en veroordeelt verdachte tot betaling van dit bedrag vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 10 februari 2014 tot aan de dag der algehele voldoening, aan [slachtoffer 1], voornoemd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting.

Verklaart de benadeelde partij [slachtoffer 1] voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering.

Veroordeelt verdachte in de kosten door de benadeelde partij [slachtoffer 1] gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken.

Legt verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van slachtoffer [slachtoffer 1] de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 1.122,16, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 10 februari 2014 tot aan de dag der algehele voldoening, bij gebreke van betaling of verhaal te vervangen door eenentwintig (21) dagen hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft.

Wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij [slachtoffer 2] geleden schade tot een bedrag van € 1.107,72, bestaande uit € 107,72 voor de materiële en

€ 1.000,- voor de immateriële schade, en veroordeelt verdachte tot betaling van dit bedrag vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 18 februari 2014 tot aan de dag der algehele voldoening, aan [slachtoffer 2], voornoemd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting.

Wijst af de vordering tot vergoeding van de overige door de benadeelde partij [slachtoffer 2] gestelde materiële schade.

Verklaart de benadeelde partij [slachtoffer 2] voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering.

Veroordeelt verdachte in de kosten door de benadeelde partij [slachtoffer 2] gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken.

Legt verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van slachtoffer [slachtoffer 2] de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 1.107,72, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 18 februari 2014 tot aan de dag der algehele voldoening, bij gebreke van betaling of verhaal te vervangen door eenentwintig (21) dagen hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft.

Wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij [slachtoffer 4] geleden schade tot een bedrag van € 1.247,75, bestaande uit € 247,75 voor de materiële en

€ 1.000,- voor de immateriële schade, en veroordeelt verdachte tot betaling van dit bedrag vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 18 februari 2014 tot aan de dag der algehele voldoening, aan [slachtoffer 4], voornoemd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting.

Wijst af de vordering tot vergoeding van de overige door de benadeelde partij [slachtoffer 4] gestelde materiële schade.

Verklaart de benadeelde partij [slachtoffer 4] ten aanzien van de overige gestelde immateriële schade niet-ontvankelijk in de vordering.

Veroordeelt verdachte in de kosten door de benadeelde partij [slachtoffer 4] gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken.

Legt verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van slachtoffer [slachtoffer 4] de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 1.247,75, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 18 februari 2014 tot aan de dag der algehele voldoening, bij gebreke van betaling of verhaal te vervangen door tweeëntwintig (22) dagen hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft.

Wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij [slachtoffer 5] geleden schade tot een bedrag van € 1095,80 bestaande uit € 95,80 voor de materiële en

€ 1.000,- voor de immateriële schade, en veroordeelt verdachte tot betaling van dit bedrag vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 30 april 2013 tot aan de dag der algehele voldoening, aan [slachtoffer 5], voornoemd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting.

Verklaart de benadeelde partij [slachtoffer 5] voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering.

Veroordeelt verdachte in de kosten door de benadeelde partij [slachtoffer 5] gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken.

Legt verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van slachtoffer [slachtoffer 5] de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 1095,80, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 30 april 2013 tot aan de dag der algehele voldoening, bij gebreke van betaling of verhaal te vervangen door 20 dagen hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft.

Wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij [slachtoffer 10] geleden schade tot een bedrag van € 1.000,-, bestaande uit immateriële schade, en veroordeelt verdachte tot betaling van dit bedrag vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 10 februari 2014 tot aan de dag der algehele voldoening, aan [slachtoffer 10], voornoemd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting.

Veroordeelt verdachte in de kosten door de benadeelde partij [slachtoffer 10] gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken.

Legt verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van slachtoffer [slachtoffer 10] de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 1.000,- vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 10 februari 2014 tot aan de dag der algehele voldoening, bij gebreke van betaling of verhaal te vervangen door twintig (20) dagen hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft.

Wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij [slachtoffer 14] geleden schade tot een bedrag van € 1.757,50, bestaande uit € 757,50 voor de materiële en

€ 1.000,- voor de immateriële schade, en veroordeelt verdachte tot betaling van dit bedrag vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 18 februari 2014 tot aan de dag der algehele voldoening, aan [slachtoffer 14], voornoemd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting.

Verklaart de benadeelde partij [slachtoffer 14] voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering.

Veroordeelt verdachte in de kosten door de benadeelde partij [slachtoffer 14] gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken.

Legt verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van slachtoffer [slachtoffer 14] de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 1.757,50, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 18 februari 2014 tot aan de dag der algehele voldoening, bij gebreke van betaling of verhaal te vervangen door zevenentwintig (27) dagen hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft.

Wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij [slachtoffer 18] geleden schade tot een bedrag van € 1.071,85, bestaande uit € 71,85 voor de materiële en

€ 1.000,- voor de immateriële schade, en veroordeelt verdachte tot betaling van dit bedrag vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 18 februari 2014 tot aan de dag der algehele voldoening, aan [slachtoffer 18], voornoemd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting.

Wijst af de vordering tot vergoeding van de overige door de benadeelde partij [slachtoffer 18] gestelde materiële schade.

Verklaart de benadeelde partij [slachtoffer 18] voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering.

Veroordeelt verdachte in de kosten door de benadeelde partij [slachtoffer 18] gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken.

Legt verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van slachtoffer [slachtoffer 18]. de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 1.071,85, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 18 februari 2014 tot aan de dag der algehele voldoening, bij gebreke van betaling of verhaal te vervangen door twintig (20) dagen hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft.

Wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij [slachtoffer 17] geleden schade tot een bedrag van € 1.123,85, bestaande uit € 123,85 voor de materiële en

€ 1.000,- voor de immateriële schade, en veroordeelt verdachte tot betaling van dit bedrag vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 1 juni 2013 tot aan de dag der algehele voldoening, aan [slachtoffer 17], voornoemd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting.

Wijst af de vordering tot vergoeding van de overige door de benadeelde partij [slachtoffer 17] gestelde reis- en parkeerkosten.

Verklaart de benadeelde partij [slachtoffer 17] voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering.

Veroordeelt verdachte in de kosten door de benadeelde partij [slachtoffer 17] gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken.

Legt verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van slachtoffer [slachtoffer 17] de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 1.123,85, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 1 juni 2013 tot aan de dag der algehele voldoening, bij gebreke van betaling of verhaal te vervangen door eenentwintig (21) dagen hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft.

Wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij [slachtoffer 22] geleden schade tot een bedrag van € 1.046,36, bestaande uit € 46,36 voor de materiële en

€ 1.000,- voor de immateriële schade, en veroordeelt verdachte tot betaling van dit bedrag vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 18 februari 2014 tot aan de dag der algehele voldoening, aan [slachtoffer 22], voornoemd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting.

Verklaart de benadeelde partij [slachtoffer 22] voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering.

Veroordeelt verdachte in de kosten door de benadeelde partij [slachtoffer 22] gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken.

Legt verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van slachtoffer [slachtoffer 22] de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 1.046,36, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 18 februari 2014 tot aan de dag der algehele voldoening, bij gebreke van betaling of verhaal te vervangen door twintig (20) dagen hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft.

Verklaart de benadeelde partijen [slachtoffer 6], [slachtoffer 7], [slachtoffer 16], [slachtoffer 20], [slachtoffer 19], [slachtoffer 21], [slachtoffer 23], [slachtoffer 24] en [slachtoffer 26] niet ontvankelijk in hun vorderingen.

Veroordeelt de benadeelde partijen [slachtoffer 6], [slachtoffer 7], [slachtoffer 16], [slachtoffer 20], [slachtoffer 19], [slachtoffer 21], [slachtoffer 23], [slachtoffer 24] en [slachtoffer 26] in de kosten door verdachte gemaakt, welke kosten de rechtbank tot op heden begroot op nihil.

Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door

mr. M.W. Groenendijk, voorzitter,

mr. P.H. Lauryssen en mr. B.A.A. Postma, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. H. van de Vijver, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 25 maart 2015.

1 De door de rechtbank als processen-verbaal aangeduide bewijsmiddelen zijn in de wettelijke vorm opgemaakt door personen die daartoe bevoegd zijn en voldoen ook overigens aan de daaraan bij de wet gestelde eisen. De rechtbank bezigt de hierna te noemen andere geschriften slechts tot bewijs in verband met de inhoud van andere bewijsmiddelen voor het feit waarop die andere geschriften betrekking hebben.