Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2015:2482

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
05-03-2015
Datum publicatie
25-03-2015
Zaaknummer
15/973722-13
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHAMS:2016:1129, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Onderzoek Andes.

Vrijspraak van ten laste gelegde medeplegen (poging tot) afpersing danwel medeplegen poging tot zware mishandeling, veroordeling voor bedreiging.

Herroeping van een gedeelte van de voorwaardelijke invrijheidstelling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Afdeling Publiekrecht, Sectie Straf

Locatie Haarlem

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 15/973722-13 (P)

Uitspraakdatum: 5 maart 2015

Tegenspraak

Vonnis

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzittingen van 18 en 24 november 2014, 2 december 2014, 7 en 15 januari 2015 en 19 februari 2015 in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],

thans gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Alphen aan den Rijn te Alphen aan den Rijn.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officieren van justitie

mr. J. Plooij en mr. W. Bos en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. A.A. Franken, advocaat te Amsterdam, naar voren hebben gebracht.

1 Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

feit 1, primair

hij in of omstreeks de periode van februari 2013 tot en met mei 2013 te Amsterdam en/of Hilversum en/of Huizen en/of Beverwijk en/of Zandvoort en/of (elders) in Nederland, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, met het oogmerk om zich en/of één of meer anderen wederrechtelijk te bevoordelen, door geweld en/of bedreiging met geweld een ander, namelijk [slachtoffer 1], heeft gedwongen tot de afgifte van één of meer geldbedragen (van 100.000 euro en/of 2.000 euro en/of 1.000 euro), in elk geval van enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan die [slachtoffer 1], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat hij, verdachte, en/of één of meer van zijn mededader(s):

- met die [slachtoffer 1] heeft/hebben afgesproken om elkaar te ontmoeten (in en/of bij het pand aan de [adres 1] te Amsterdam);

- ( vervolgens) die [slachtoffer 1] (nabij het pand aan de [adres 1] te Amsterdam) heeft/hebben geconfronteerd met het feit dat hij een geldbedrag niet juist zou hebben verdeeld en/of zou hebben gelogen over (de verdeling van) een geldbedrag en/of die [slachtoffer 1] (op dreigende toon) heeft/hebben medegedeeld:

"al had je 800 ruggen, liever had je 800 ruggen, dan had je er beter voor gestaan, daar ging het niet om, alleen zet me niet voor schut" en/of die [slachtoffer 1] (op dreigende toon) heeft/hebben toegevoegd dat hij eerlijk moest zijn;

- ( daarbij) die [slachtoffer 1] (nabij het pand aan de [adres 1] te Amsterdam) op enig moment (met kracht) tegen diens hoofd en/of lichaam heeft/hebben gestompt en/of geslagen; - (daarbij en/of bij één of meer andere gelegenheden) die [slachtoffer 1] (op dreigende toon) heeft/hebben medegedeeld dat die [slachtoffer 1] één of meer geldbedragen (van 100.000 euro en/of 2.000 euro en/of 1.000 euro) diende af te geven en/of moest betalen (aan hem, verdachte, en/of één of meer anderen);

- door voornoemde handelingen een dermate dreigende situatie voor die [slachtoffer 1] heeft/hebben gecreëerd en in stand gehouden, dat de vrees van die [slachtoffer 1] voor (verder) geweld van de zijde van verdachte en/of één of meer van zijn mededaders gerechtvaardigd was;

feit 1, subsidiair

hij in of omstreeks de periode van februari 2013 tot en met mei 2013 te Amsterdam en/of Hilversum en/of Huizen en/of Beverwijk en/of Zandvoort en/of (elders) in Nederland, ter uitvoering van het door hem, verdachte, voorgenomen misdrijf, om tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, met het oogmerk om zich en/of één of meer anderen wederrechtelijk te bevoordelen door met geweld en/of bedreiging met geweld, een ander, namelijk [slachtoffer 1], te dwingen tot de afgifte van één of meer geldbedragen (van 100.000 euro en/of 2.000 euro en/of 1.000 euro), in elk geval van enig goed, geheel of ten dele

toebehorende aan die [slachtoffer 1], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), tezamen en in vereniging met één of meer van zijn mededaders, althans alleen

- met die [slachtoffer 1] heeft afgesproken om elkaar te ontmoeten (in en/of bij het

pand aan de [adres 1] te Amsterdam);

- ( vervolgens) die [slachtoffer 1] (nabij het pand aan de [adres 1] te Amsterdam) heeft geconfronteerd met het feit dat hij een geldbedrag niet juist zou hebben verdeeld en/of zou hebben gelogen over (de verdeling van) een geldbedrag en/of die [slachtoffer 1] (op dreigende toon) heeft medegedeeld: "al had je 800 ruggen, liever had je 800 ruggen, dan had je er beter voor gestaan, daar ging het niet om, alleen zet me niet voor schut" en/of die [slachtoffer 1] (op

dreigende toon) heeft toegevoegd dat hij eerlijk moest zijn;

- ( daarbij) die [slachtoffer 1] (nabij het pand aan de [adres 1] te Amsterdam) op enig moment (met kracht) tegen diens hoofd en/of lichaam heeft gestompt en/of geslagen;

- ( daarbij en/of bij één of meer andere gelegenheden) die [slachtoffer 1] (op dreigende toon) heeft medegedeeld dat die [slachtoffer 1] één of meer geldbedragen (van 100.000 euro en/of 2.000 euro en/of 1.000 euro) diende af te geven en/of moest betalen (aan hem, verdachte, en/of één of meer anderen);

- door voornoemde handelingen een dermate dreigende situatie voor die [slachtoffer 1] heeft gecreëerd en in stand gehouden, dat de vrees van die [slachtoffer 1] voor (verder) geweld van de zijde van verdachte en/of één of meer van zijn mededaders gerechtvaardigd was;

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

feit 1, meer subsidiair

hij op of omstreeks 22 maart 2013 te Amsterdam ter uitvoering van het door hem, verdachte, voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, aan een ander, te weten [slachtoffer 1], opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade zwaar lichamelijk toe te brengen met dat opzet en al dan niet na kalm beraad en rustig overleg tezamen en in vereniging met één of meer van zijn mededader(s), althans alleen, (met kracht) tegen het hoofd en/of lichaam van die [slachtoffer 1] heeft gestompt en/of geslagen,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

feit 2, primair

hij op of omstreeks 25 april 2013 te Hilversum [slachtoffer 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, immers heeft hij die [slachtoffer 2] (telkens) op dreigende toon en/of wijze: -toegevoegd (met luide en/of driftige stem)
"Ik kom je even zeggen, mijn naam niet in de film, geen woord en ook niet in het boek"
en/of
"Ben ik duidelijk"
en/of
"mijn naam niet in de film en als je denkt dat je het toch kan doen dan weet je wat er gebeurt"
en/of
"ik dreig niet"
en/of
"Wat zei je daar?"
en/of
"Moet ik het nu afmaken! Wil je dat ik het nu doe?"
en/of
"Ga maar aangifte doen als je wilt. Haal de politie er maar bij en laat je vrouw maar getuigen. Het maakt allemaal niets uit, je weet wat er gaat gebeuren hè"
en/of
"Je weet wat er gebeurt hè"
en/of
"Als je de politie belt dan zal je het wel weten, ik dreig niet maar ik doe!"

en/of
"niemand die mij tegenhoudt"
en/of
"Vuile kankerhond dat je er bent"

althans woorden van gelijke (dreigende) aard en/of strekking;

feit 2, subsidiair

hij op of omstreeks 25 april 2013 te Hilversum (telkens) ter uitvoering van het door hem voorgenomen misdrijf om [slachtoffer 2] door geweld en/of enig andere feitelijkheid en/of door bedreiging met geweld of enig andere feitelijkheid, gericht tegen die [slachtoffer 2] en/of één of meer andere personen, te dwingen iets te doen en/of niet te doen, namelijk om de naam van hem, verdachte en/of zijn personage niet te noemen in de verfilming van de Heineken-ontvoering, althans een film, op dreigende toon en/of wijze heeft - toegevoegd (met luide en/of driftige stem)
"Ik kom je even zeggen, mijn naam niet in de film, geen woord en ook niet in het boek"
en/of
"Ben ik duidelijk"
en/of
"mijn naam niet in de film en als je denkt dat je het toch kan doen dan weet je wat er gebeurt"
en/of
"ik dreig niet"
en/of
"Wat zei je daar?"
en/of
"Moet ik het nu afmaken! Wil je dat ik het nu doe?"
en/of
"Ga maar aangifte doen als je wilt. Haal de politie er maar bij en laat je vrouw maar getuigen. Het maakt allemaal niets uit, je weet wat er gaat gebeuren hè"
en/of
"Je weet wat er gebeurt hè"
en/of
"Als je de politie belt dan zal je het wel weten, ik dreig niet maar ik doe!"
en/of
"niemand die mij tegenhoudt"
en/of
"Vuile kankerhond dat je er bent"
althans woorden van gelijke (dreigende) aard en/of strekking;

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

2 Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3 Bewijs

3.1.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot vrijspraak van het onder 1 primair ten laste gelegde feit en tot bewezenverklaring van de onder 1 subsidiair en 2 primair ten laste gelegde feiten.

3.2.

Vrijspraak ten aanzien van feit 1

Met de officier van justitie en de raadsman is de rechtbank van oordeel dat niet wettig en overtuigend bewezen is hetgeen verdachte onder 1 primair ten laste is gelegd en dat verdachte daarvan moet worden vrijgesproken. Immers, het dossier bevat geen bewijsmiddel waaruit volgt dat het vermeende slachtoffer [slachtoffer 1] ([slachtoffer 1]) in het kader van het ten laste gelegde feit een geldbedrag dan wel een ander goed heeft afgegeven (aan verdachte en/of zijn medeverdachten).

De rechtbank is voorts, met de raadsman, van oordeel dat niet wettig en overtuigend bewezen is hetgeen verdachte onder 1 subsidiair ten laste is gelegd. Verdachte dient ook hiervan te worden vrijgesproken. De rechtbank overweegt daartoe het volgende.

Teneinde tot een bewezenverklaring te komen van de ten laste gelegde poging tot afpersing in vereniging van [slachtoffer 1], dient vastgesteld te worden dat door verdachte en/of zijn medeverdachten is geprobeerd [slachtoffer 1] door geweld en/of bedreiging met geweld te dwingen tot afgifte van een geldbedrag of een ander goed. Daartoe dient te worden vastgesteld dat aan [slachtoffer 1] te kennen is gegeven dat hij een geldbedrag (of ander goed) diende af te geven. In de tenlastelegging is dit onder het laatste gedachtestreepje omschreven, zakelijk weergegeven, als dat [slachtoffer 1] (op dreigende toon) is medegedeeld dat hij één of meer geldbedragen (van 100.000 euro en/of 2.000 euro en/of 1.000 euro) diende af te geven en/of moest betalen. Ook indien de rechtbank de bewijsmiddelen in onderling verband en samenhang beziet, acht zij het bewijs daarvan niet aanwezig. Immers, het dossier bevat een aanzienlijk aantal opgenomen gesprekken, gevoerd tussen verdachte en/of medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2], waaruit afgeleid zou kunnen worden dat sprake was van een probleem tussen enerzijds verdachte en/of zijn medeverdachten en anderzijds [slachtoffer 1] en dat dat probleem kennelijk (mede) een financiële kwestie betrof. Uit het op 22 maart 2013 in het bedrijfspand aan de [adres 1] te Amsterdam opgenomen gesprek kan eveneens afgeleid worden dat medeverdachten [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] [slachtoffer 1] daar op aan hebben gesproken en dat medeverdachte [medeverdachte 2] hem bij die gelegenheid een klap heeft gegeven. De rechtbank is echter van oordeel dat het dossier onvoldoende bewijsmiddelen bevat teneinde bewezen te kunnen verklaren dat [slachtoffer 1] (op enig moment) eveneens is medegedeeld dat hij een geldbedrag (of ander goed) zou moeten afgeven, terwijl dit onderdeel cruciaal is om te komen tot een begin van uitvoering van afpersing. Tijdens het op 27 maart 2013 om ongeveer 15:00 uur opgenomen gesprek tussen verdachte en medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] zou, volgens de schriftelijke weergave daarvan in het dossier, weliswaar door medeverdachte [medeverdachte 1] gezegd zijn: ‘laten we eerst maar die 100 ruggen in handen krijgen’ en vervolgens door verdachte ‘maar die krijgen we al’ en zou daarop de naam ‘[slachtoffer 1]’ zijn gevallen, echter deze weergegeven gespreksfragmenten zijn onvoldoende om ondubbelzinnig uit af te leiden dat aan [slachtoffer 1] is medegedeeld dat hij moest betalen. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat delen van het gesprek blijkens de schriftelijke uitwerking niet zijn te verstaan en dat zich in het dossier geen andere bewijsmiddelen bevinden waaruit kan worden afgeleid dat aan [slachtoffer 1] is medegedeeld dat hij een geldbedrag moest afstaan. Uit de door [slachtoffer 1] en andere getuigen en verdachten afgelegde verklaringen is een dergelijke aan [slachtoffer 1] gedane mededeling niet af te leiden. Dat medeverdachte [medeverdachte 1] blijkens een op 28 maart 2013 om ongeveer 18:17 uur opgenomen gesprek tegen [getuige 1] en [getuige 2] over [slachtoffer 1] zou hebben gezegd ‘je bent helemaal vernederd tot op het bot, teruggeven van dat miljoen dat vindt ie nog het ergste, geloof me nou, dat is een vermogen van hem (…) terug naar die jongen’ acht de rechtbank onvoldoende nu deze uitlating ook veronderstellender wijs kan zijn gedaan. De rechtbank is dan ook van oordeel dat, nu onvoldoende is komen vast te staan dat aan [slachtoffer 1] is medegedeeld dat hij een geldbedrag af diende te geven, de ten laste gelegde poging tot afpersing niet wettig en overtuigend kan worden bewezen.

Ook hetgeen verdachte onder 1 meer subsidiair ten laste is gelegd, kan niet wettig en overtuigend worden bewezen. Verdachte dient ook van dit feit te worden vrijgesproken. De rechtbank overweegt daartoe het volgende.

Uit het op 10 maart 2013 in Hotel Amrath in Hilversum opgenomen gesprek tussen verdachte en medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] kan afgeleid worden dat door [medeverdachte 1] onder andere wordt gesproken over het in elkaar trappen van [slachtoffer 1], nu blijkens de schriftelijke weergave van dit gesprek door [medeverdachte 1] gezegd wordt: ‘Vrijdag wil ik die [slachtoffer 1] (fon) laten komen en als ie dan bekent dan trappen we hem meteen in elkaar en schoppen hem de straat op… nemen we die [getuige 3]en elke ex Hells Angel die we kunnen pakken, nemen we meteen aan. Begrijp je, ben helemaal klaar met die goser, moet ie maar kijken wat hij ermee wil doen’. Uit het dossier valt op te maken dat met ‘[slachtoffer 1]’ [slachtoffer 1] wordt bedoeld. Uit de schriftelijke weergave van het gesprek kan niet afgeleid worden dat verdachte inhoudelijk op deze mededeling heeft gereageerd. Ook overigens kan niet uit het dossier worden afgeleid dat verdachte betrokken is geweest bij het plannen van de mishandeling van [slachtoffer 1]. Zoals hiervoor reeds is weergegeven, blijkt uit het dossier dat medeverdachte [medeverdachte 2] op (vrijdag) 22 maart 2013 [slachtoffer 1] een klap heeft gegeven. Echter, eveneens blijkt dat verdachte daarbij niet aanwezig was. Wel kan uit het dossier worden afgeleid dat verdachte daarvan naderhand op de hoogte is gebracht. Het enkele feit dat verdachte wellicht vooraf wetenschap heeft gehad van een door een ander medegedeeld voornemen om [slachtoffer 1] ‘in elkaar te trappen’ en achteraf van een mishandeling van deze [slachtoffer 1] op de hoogte is gesteld, is onvoldoende om vast te kunnen stellen dat verdachte dusdanig actief betrokken is geweest bij het plannen en uitvoeren van deze mishandeling dat sprake is geweest van een bewuste en nauwe samenwerking en een gezamenlijke uitvoering.

3.3.

Bespreking van bewijsverweren ten aanzien van feit 2 1

De raadsman van verdachte heeft aangevoerd dat verdachte vrijgesproken dient te worden van het onder 2 ten laste gelegde feit. Hij heeft daartoe het volgende aangevoerd. Van bedreiging in de zin van artikel 285 van het Wetboek van Strafrecht (Sr) kan eerst sprake zijn indien bij de bedreigde persoon, [slachtoffer 2], de redelijke vrees is ontstaan dat hij het leven zou kunnen verliezen of zwaar zou kunnen worden mishandeld. Van die redelijke vrees is geen sprake geweest. Zo kan een aantal van de tenlastegelegde zinnen in redelijkheid niet worden opgevat als uitlatingen die bij [slachtoffer 2] de vrees hebben kunnen opwekken dat hij het leven zou verliezen of zwaar zou worden mishandeld. Voorts geldt dat verdachte geen wapen bij zich had, zodat bij [slachtoffer 2] in redelijkheid niet de vrees kan zijn ontstaan dat hij ter plekke om het leven zou worden gebracht, nu verdachte niet in staat is [slachtoffer 2] met zijn blote handen om het leven te brengen. Bovendien vormen de omstandigheden dat [slachtoffer 2] niet onmiddellijk na de komst van verdachte de deur heeft dichtgegooid en de politie heeft gebeld, een contra-indicatie voor de bij [slachtoffer 2] ontstane vrees dat verdachte hem naar het leven zou staan dan wel zwaar zou mishandelen.

De rechtbank verwerpt het verweer en overweegt daartoe als volgt.

Van strafbare bedreiging is sprake indien de bedreiging van dien aard is en onder zodanige omstandigheden is geschied dat bij de bedreigde de redelijke vrees kon ontstaan dat het misdrijf waarmee gedreigd werd, ook gepleegd zou worden. Uit de hierna weergegeven verklaringen van aangever [slachtoffer 2] en getuige [getuige 4] blijkt dat verdachte, met een helm op zijn hoofd, ’s avonds om 22:00 uur bij de woning van aangever aanbelt en dat hij een agressieve en opgefokte indruk maakt. Verdachte zegt aangever dat hij niet in de film en het boek wil voorkomen en zet zijn eis kracht bij door een aantal keer te herhalen dat aangever ‘weet wat er gebeurt’ als aangever denkt dat hij dit toch kan doen. Ook zegt verdachte onder andere: ‘ik dreig niet, maar ik doe gewoon’ en ‘moet ik het nu afmaken, wil je dat ik het nu doe’. Daarbij spreekt verdachte op dreigende toon, met stemverheffing. Op enig moment schreeuwt hij zelfs. Ook staat hij op enig moment zeer dicht op aangever. Weliswaar heeft verdachte niet letterlijk tegen aangever gezegd dat hij hem zou doden dan wel zwaar zou mishandelen indien niet gedaan zou worden wat hij duidelijk kwam maken, echter de aard van de hiervoor genoemde uitlatingen, gedaan in samenhang met de overige, hierna weer te geven, uitlatingen en de hiervoor genoemde omstandigheden waaronder die werden gedaan, brengen met zich dat bij aangever wel degelijk de redelijke vrees kon ontstaan dat een dergelijk ernstig misdrijf tegen hem gepleegd zou worden. Dat bij aangever en overigens ook bij zijn echtgenote, getuige [getuige 4], een dergelijke vrees is ontstaan blijkt ook uit hetgeen zij daarover hebben verklaard. Aangever heeft immers verklaard dat hij heel sterk het gevoel had dat het maar een millimeter van een fatale escalatie zat en echt bang was dat het verkeerd ging aflopen. Ook heeft hij verklaard dat zijn echtgenote letterlijk stond te shaken van schrik en angst.2 Dat verdachte op dat moment geen wapen zou hebben getoond en niet in staat zou zijn aangever zonder wapen iets aan te doen, doet daaraan niet af, nu die omstandigheden niet uitsluiten dat aangever (eventueel op een ander moment en/of door iemand anders) iets aangedaan zou worden. Hetzelfde geldt voor de omstandigheden dat aangever niet direct de deur van zijn woning heeft dicht gedaan en niet onmiddellijk de politie heeft gebeld, waarbij voor dit laatste bovendien geldt dat aangever blijkens de verklaring van [getuige 4] na het treffen met verdachte de raadsman van verdachte heeft gebeld, die voorstelde om even te wachten met het bellen van de politie, waarna om ongeveer 23:52 uur het alarmnummer 112 is gebeld.3

3.4.

Redengevende feiten en omstandigheden

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van het onder 2 primair ten laste gelegde feit op grond van het volgende.

Op donderdagavond 25 april 2013 omstreeks 22:00 uur rijdt verdachte op zijn scooter naar de woning van [slachtoffer 2] in Hilversum. Verdachte wil [slachtoffer 2] zeggen dat hij niet in een verfilming van de Heineken-ontvoering wil voorkomen. Verdachte belt aan bij de woning en als [slachtoffer 2] de deur opent, spreekt verdachte hem op boze toon aan.4 Diezelfde avond om 23:52 uur meldt [slachtoffer 2] bij de Centrale Meldkamer dat verdachte bij hem voor de deur van zijn woning stond en hem met de dood bedreigde.5

De volgende dag doet [slachtoffer 2] aangifte en hij verklaart daarbij onder andere, zakelijk weergegeven, het volgende:

Op 25 april 2013 omstreeks 22.00 uur ging de bel. Ik zag dat het [verdachte] was. [verdachte] had een helm op. Hij zei: “Ik kom je even zeggen, mijn naam niet in de film, geen woord en ook niet in het boek”. Hij voegde daar iets aan toe van: “ben ik duidelijk?” Ik zag toen meteen dat hij opgefokt was en ik voelde meteen een zekere agressiviteit. Gaandeweg in het gesprek ging hij steeds meer schreeuwen en schelden. Hij zei: “Mijn naam niet in de film en als je denkt dat je dat toch kan doen, dan weet je wat er gebeurt”. Dat zei hij op een hele dreigende toon, met stemverheffing. Hij voegde daar ook aan toe, en dat zei hij een paar keer: “Ik dreig niet”. Het was niet mis te verstaan dat hij bedoelde dat hij in actie zou komen. Hij zei ook: “Ik dreig niet maar ik doe gewoon”. Het werd dus steeds dreigender en agressiever zodat ik het gevoel kreeg: straks valt hij me aan. Hij heeft een paar keer gezegd: “Het maakt mij allemaal niet uit. Je weet wat er gaat gebeuren”. Hij had daarbij een dreigende opstelling. Hij stond dicht op mij waardoor ik die woeste blik in zijn ogen goed kon zien. Op dat moment draaide hij zich om en liep hij weg waarbij hij zei: “Geen woord over mij. Niet mijn naam in de film en het boek”. Hij liep toen in de richting van de trap bij mijn voordeur naar beneden, waarop ik naar hem riep: “[verdachte], doe effe normaal man, waar slaat dit op”. Op dat moment draaide hij zich gelijk om en zei zoiets van: “Wat zei je daar?” alsof ik iets heel erg had gezegd. Hij kwam op me terug lopen en zijn woede en agressiviteit namen op dat moment nog meer toe waarbij hij dreigende zei: “Moet ik het nu afmaken? Wil je dat ik dat nu doe?”. Dit zei hij een aantal malen, terwijl hij heel dicht op mij kwam staan waarbij hij weer dingen zei zoals: “Vuile kankerhond”. Ik vond dat echt heel intimiderend en bedreigend en kreeg het gevoel dat hij mij ieder moment te lijf kon gaan. Ik had heel erg het gevoel van: straks lig ik hier te vechten voor mijn leven, zo agressief was die man. Dit was in mijn beleving zonder meer een bedreiging die tegen het leven was gericht. Vervolgens zei hij ook nog zoiets van: “Ga maar aangifte doen als je wilt. Haal de politie er maar bij en laat je vrouw ook maar getuigen. Het maakt allemaal niets uit. Je weet wat er gaat gebeuren hè”. Daarbij zei hij ook nog iets van: “Niemand die mij tegen houdt en “Geen woord hierover want je weet wat er gebeurt”. Inmiddels was hij echt aan het schreeuwen en had hij een vertrokken gezicht. Toen is hij volgens mij scheldend naar zijn scooter gelopen. Voordat hij wegreed riep hij: “Je weet wat er gebeurt hè”. 6

Ook de echtgenote van [slachtoffer 2], [getuige 4], heeft de volgende dag bij de politie een verklaring afgelegd. Zij verklaart onder andere, zakelijk weergegeven, het volgende:

Ik stond op de trap toen [slachtoffer 2] de voordeur opendeed. Ik had vanaf mijn positie goed zicht op de voordeur. Ik hoorde dat [verdachte] gelijk met luide en driftige stem begon te praten. Ik hoorde dat hij onder andere zei: “En denk erom, mijn naam komt nergens voor. Niet in het boek en niet in de film. Je vrouw staat erbij die is er getuige van. Ik dreig niet maar ik doe”. Ik zag dat hij telkens dreigend op [slachtoffer 2] toeliep. Hij is groot en het was heel bedreigend. Ook hoorde ik [verdachte] zeggen: “Ik vind je”. Ik zag dat [verdachte] op enig moment terugliep naar zijn scooter. [slachtoffer 2] riep hem toe: “Doe normaal [verdachte]”. Ik zag toen dat [verdachte] hierop terugstoof naar de voordeur en riep: “Moet ik het nu doen!” Er werd heel veel gevloekt door hem. Ik hoorde dat [verdachte] zei: “Als je de politie belt dan zal je het wel weten, ik dreig niet maar ik doe!” Ik voelde dat het op het scherpst van de snede zat met [verdachte]. Ik wil hier mee zeggen, gaat hij door of stopt hij. Op enig moment liep hij weg, stapte op zijn scooter en reed weg. 7

3.5.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 2 primair ten laste gelegde feit heeft begaan, met dien verstande dat

hij op 25 april 2013 te Hilversum [slachtoffer 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, immers heeft hij die [slachtoffer 2] (telkens) op dreigende toon en/of wijze toegevoegd met luide en/of driftige stem "Ik kom je even zeggen, mijn naam niet in de film, geen woord en ook niet in het boek" en "Ben ik duidelijk" en "Mijn naam niet in de film en als je denkt dat je het toch kan doen dan weet je wat er gebeurt" en "Ik dreig niet" en "Wat zei je daar?" en "Moet ik het nu afmaken! Wil je dat ik het nu doe?" en "Ga maar aangifte doen als je wilt. Haal de politie er maar bij en laat je

vrouw maar getuigen. Het maakt allemaal niets uit, je weet wat er gaat gebeuren hè" en "Je weet wat er gebeurt hè" en "Als je de politie belt dan zal je het wel weten, ik dreig niet maar ik doe!" en "Niemand die mij tegenhoudt" en "Vuile kankerhond dat je er bent", althans woorden van gelijke (dreigende) aard en/of strekking.

4 Kwalificatie en strafbaarheid van het feit

Het bewezenverklaarde levert op:

ten aanzien van feit 2:

bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of zware mishandeling.

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is derhalve strafbaar.

5 Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is derhalve strafbaar.

6 Motivering van de straf

6.1.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van één jaar en zes maanden, met aftrek van de tijd die verdachte in verzekering en in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht.

6.2.

Oordeel van de rechtbank

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. In het bijzonder heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan bedreiging. Verdachte heeft om 22:00 uur ’s avonds bij de woning van het slachtoffer [slachtoffer 2] aangebeld, heeft hem duidelijk gemaakt dat hij niet wenste voor te komen als personage in een film en heeft het slachtoffer daarbij bedreigd. Het slachtoffer en vooral ook zijn echtgenote zijn daarvan vreselijk geschrokken. Uit de verklaringen die zij bij de politie hebben afgelegd blijkt dat verdachte zeer agressief op hen overkwam. Ook blijkt uit de verklaring van de echtgenote bij de politie dat zij zeer angstig is geweest als gevolg van het voorval.

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank zich voor een belangrijk deel laten leiden door het feit dat verdachte blijkens het op zijn naam staande Uittreksel Justitiële Documentatie van 14 oktober 2014 eerder is veroordeeld tot langdurige gevangenisstraffen voor het plegen van ernstige strafbare feiten, hetgeen hem er niet van heeft weerhouden zich opnieuw schuldig te maken aan een strafbaar feit. Gelet op dit laatste is de rechtbank van oordeel dat verdachte een gevangenisstraf dient te worden opgelegd. Deze dient niet langer te zijn dan de tijd die verdachte in deze strafzaak reeds in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht.

7 Vordering tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidsstelling

Bij onherroepelijk arrest van het Gerechtshof te Amsterdam van 3 juli 2009 (parketnummer 23/000306-08) is verdachte (te dezen aanzien veroordeelde) een gevangenisstraf opgelegd voor de duur van 9 jaar wegens afpersing, (medeplegen van) witwassen, afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen, deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven, terwijl hij leider van die organisatie was, mishandeling, bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, meermalen gepleegd en medeplegen van mishandeling.
Veroordeelde is, met toepassing van artikel 15 Sr, op 27 januari 2012 voorwaardelijk in vrijheid gesteld, onder de algemene voorwaarde dat hij zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een nieuw strafbaar feit.

De schriftelijke vordering van de officier van justitie van 17 maart 2014 strekt ertoe dat de rechtbank de voorwaardelijke invrijheidstelling voor een periode van 1095 dagen geheel of gedeeltelijk herroept, nu veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd heeft schuldig gemaakt aan nieuwe strafbare feiten, zijnde de in dit vonnis genoemde (poging tot) afpersing, subsidiair medeplegen van een poging tot zware mishandeling (feit 1) en bedreiging (feit 2).

De rechtbank heeft bij het onderzoek ter terechtzitting bevonden dat zij bevoegd is over de vordering te oordelen en dat de officier van justitie daarin ontvankelijk is.

De raadsman heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de vordering dient te worden afgewezen. Subsidiair heeft de raadsman verzocht te volstaan met een waarschuwing of een verlenging van de proeftijd. Daarbij heeft de raadsman erop gewezen dat de vordering niet onverwijld is ingediend zoals artikel 15, tweede lid Sr voorschrijft. Immers, er zijn bijna 11 maanden verstreken tussen het moment van aanhouding van veroordeelde op 27 april 2013 voor de bedreiging van [slachtoffer 2] en het moment van indienen van de vordering, die op 17 maart 2014 door de griffie van de rechtbank is ontvangen. Bovendien heeft de officier van justitie in dat feit geen aanleiding gezien de schorsing van de voorwaardelijke invrijheidstelling te vorderen. Dit zou ook niet passend zijn geweest, gelet op de LOVS-oriëntatiepunten volgens welke een geldboete van € 250,- ter oriëntatie wordt genoemd. Gelet op de geringe ernst van dat feit zou, gelet op de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit een waarschuwing of verlenging van de proeftijd gepast zijn.

De rechtbank stelt voorop dat er termen zijn de vordering toe te wijzen, nu veroordeelde zich na zijn voorwaardelijke invrijheidstelling wederom heeft schuldig gemaakt aan het plegen van een strafbaar feit. De rechtbank neemt in aanmerking dat veroordeelde zich bovendien wederom heeft schuldig gemaakt aan een bedreiging, terwijl hij ook bij vorengenoemd arrest van het Gerechtshof te Amsterdam voor onder andere een bedreiging was veroordeeld. Om die reden is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden volstaan met een waarschuwing of een enkele verlenging van de proeftijd. Wel kan volstaan kan worden met een gedeeltelijke herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling. De rechtbank zal veroordeelde immers vrijspreken van hetgeen hem onder feit 1 is ten laste gelegd. Een volledige herroeping zou niet in verhouding staan tot de aard en de ernst van het bewezen verklaarde feit en de hem daarvoor op te leggen straf. De rechtbank zal de vordering dus gedeeltelijk toewijzen en bepalen dat het nog niet ten uitvoer gelegde gedeelte van de eerder bij voormeld vonnis opgelegde gevangenisstraf gedeeltelijk moet worden ondergaan. De rechtbank ziet in het verstrijken van de termijn van bijna 11 maanden tussen het moment van aanhouding van veroordeelde voor de bedreiging van [slachtoffer 2] en het moment van indienen van de vordering, geen aanleiding het toe te wijzen gedeelte verder te matigen.

8 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

285 van het Wetboek van Strafrecht.

9 Beslissing

De rechtbank:

verklaart niet bewezen wat aan verdachte onder feit 1 is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;

verklaart bewezen dat verdachte het onder feit 2 ten laste gelegde feit heeft begaan zoals hiervoor onder 3.5. weergegeven;

verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij;

bepaalt dat het bewezen verklaarde feit het hiervoor onder 4. vermelde strafbare feit oplevert;

verklaart verdachte hiervoor strafbaar;

veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur ZESENVEERTIG (46) DAGEN;

bepaalt dat de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

wijst toe de vordering tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling met betrekking tot de zaak, bekend onder parketnummer 23/000306-08, op de hierna te noemen wijze;

gelast dat een gedeelte van de vrijheidsstraf die als gevolg van de toepassing van de regeling van de voorwaardelijke invrijheidsstelling niet ten uitvoer is gelegd, alsnog moet worden ondergaan, te weten NEGENTIG (90) DAGEN;

heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis.

Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door

mr. M. Daalmeijer, voorzitter,

mr. G.D. de Jong en mr. J.C. van den Bos, rechters,

in tegenwoordigheid van de griffiers mr. L.P. van Os en mr. S.J. de Vries,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van donderdag 5 maart 2015.

1 De door de rechtbank in de voetnoten als proces-verbaal aangeduide bewijsmiddelen zijn in de wettelijke vorm opgemaakt door personen die daartoe bevoegd zijn en voldoen ook overigens aan de daaraan bij wet gestelde eisen.

2 Proces-verbaal van aangifte van 26 april 2013, dossierpagina 5 bovenaan.

3 Proces-verbaal van verhoor getuige van 26 april 2013, dossierpagina 2 halverwege.

4 Proces-verbaal van verhoor verdachte van 27 april 2013, dossierpagina’s 9 halverwege en 10 tot en met halverwege.

5 Loopproces-verbaal van 3 mei 2013, pagina 1.

6 Proces-verbaal van aangifte van 26 april 2013, dossierpagina’s 3 en 4.

7 Proces-verbaal van verhoor getuige van 26 april 2013, dossierpagina’s 1 en 2.