Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2015:2191

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
17-03-2015
Datum publicatie
02-04-2015
Zaaknummer
C-15-220725 - KG ZA 15-35
Rechtsgebieden
Ondernemingsrecht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Vaststelling dividendbeleid. Toepassing van Hoge Raad 9 juli 1990, NJ 1991, 51 (‘Sluis’). Feitelijk beklemde minderheidscertificaathouders. Weigering door de meerderheid om werkelijk dividendbeleid vast te stellen en te voeren én geen bereidheid om minderheidscertificaathouders tegen acceptabele condities uit te kopen. Met die opstelling bewerkstelligen gedaagden dat de deelnemingen van de minderheidscertificaathouders worden gereduceerd tot ‘dood kapitaal’. Gevoerd dividendbeleid is niet meer dan een gedragslijn, die inhoudt dat er hoe dan ook geen dividend wordt uitgekeerd. Volgt gebod tot het bijeenroepen van een bijzondere vergadering van certificaathouders om een voorstel voor het te voeren dividendbeleid over de jaren 2015-2020 ter besluitvorming voor te leggen.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 2
Burgerlijk Wetboek Boek 2 8
Burgerlijk Wetboek Boek 2 15
Burgerlijk Wetboek Boek 2 216
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2015/575
RO 2015/46
AR 2015/1355
JONDR 2015/574
JIN 2015/108 met annotatie van E.A. van de Kuilen en E.P.C. Duinkerke
JOR 2015/196
OR-Updates.nl 2015-0143
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Afdeling privaatrecht

Sectie Handel & Insolventie

zaaknummer / rolnummer: C/15/220725 / KG ZA 15-35

Vonnis in kort geding van 17 maart 2015

in de zaak van

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[Achternaam A] MANAGEMENT B.V.,

gevestigd te [plaats],

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[Voornaam 1] [Achternaam B] MANAGEMENT B.V.,

gevestigd te [plaats],

eiseressen,

advocaat mr. B.J.H. Kesnich te Amsterdam,

tegen

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[Voornaam 2] [Achternaam B] MANAGEMENT B.V.,

gevestigd te [plaats],

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[Voornaam 3] [Achternaam B] MANAGEMENT B.V.,

gevestigd te [plaats],

3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[Voornaam 4] [Achternaam B] MANAGEMENT B.V.,

gevestigd te [plaats],

4. de stichting

STICHTING ADMINISTRATIEKANTOOR [Achternaam B] HOTELS,

gevestigd te [plaats],

5. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[Achternaam B] BEHEER B.V.,

gevestigd te [plaats],

gedaagden,

advocaat mr. A.P. van Oosten te Rotterdam.

Partijen zullen hierna enerzijds [eiser] en [eiseres] dan wel (gezamenlijk) [eisers] en anderzijds respectievelijk [2B], [3B], [4B], STAK en [B Beheer] dan wel (gezamenlijk) [gedaagden] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding

  • -

    de mondelinge behandeling

  • -

    de pleitnota van [eisers]

  • -

    de pleitnota van [gedaagden].

1.2.

Na uitroeping van de zaak zijn onder meer verschenen:

  • -

    [X], statutair bestuurder van [eiser]

  • -

    [Y], statutair bestuurder van [eiseres]

  • -

    mr. Kesnich voornoemd

  • -

    [Voornaam 2] [Achternaam B], statutair bestuurder van [2B], [3B], [4B], STAK en [B Beheer]

  • -

    mr. Van Oosten voornoemd.

1.3.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[eisers] houden 25% ([eiser] en [eiseres] ieder 12,5%) van de door STAK uitgegeven certificaten in het aandelenkapitaal van [B Beheer]. [2B], [3B] en [4B] houden ieder eveneens 25% van voornoemde certificaten. [B Beheer] is enig aandeelhouder van een zestal besloten vennootschappen die ieder een [hotel] exploiteren. Schematisch weergegeven ziet de vennootschapsstructuur er als volgt uit:

[verwijderd i.v.m. anonimisering vonnis]

2.2.

Sinds haar oprichting op 3 januari 2000 heeft [B Beheer] éénmaal, op 12 maart 2009, dividend uitgekeerd aan de gezamenlijke certificaathouders. De (rest van de) winst is ieder jaar aan de overige reserves toegevoegd.

2.3.

[X] is enig aandeelhouder en enig statutair bestuurder van [eiser]. Tot haar overlijden op 11juli 2011 was [Voornaam 1] [Achternaam B] ([Voornaam 1]) enig aandeelhouder en enig statutair bestuurder van [eiseres]. Bij haar overlijden heeft [Voornaam 1] [Achternaam B] de aandelen in [eiseres] gecertificeerd nagelaten aan haar kinderen. Stichting Administratiekantoor [Voornaam 1] [Achternaam B] Management is thans enig aandeelhouder van [eiseres]. Bestuursleden van deze stichting zijn [Y] ([Y]) en [Z] ([Z]). [Y] is enig statutair bestuurder van [eiseres].

2.4.

De certificaten zijn uitgegeven door het STAK. [Voornaam 2] [Achternaam B], [Voornaam 3] [Achternaam B] en [Voornaam 4] [Achternaam B] zijn aandeelhouder en zelfstandig bevoegd statutair bestuurder van respectievelijk [2B], [3B] en [4B] en statutair bestuurders van het STAK. Daarnaast is [Voornaam 2] [Achternaam B] ook de enig statutair bestuurder van [B Beheer]. Het STAK, [B Beheer] en haar 6 dochtervennootschappen vormen tezamen een groep zoals bedoeld in art. 2:24b BW (hierna: de [B Groep]).

2.5.

Van origine is de [B Groep] een familiebedrijf, waarin [Voornaam 1] [Achternaam B] en [X], de voormalig echtgenoot van wijlen [Voornaam 1] [Achternaam B], volop participeerden. Het aandelenkapitaal in [B Beheer] was gelijkelijk verdeeld over [2B], [3B], [4B] en [eiseres]. Met de echtscheiding van [Voornaam 1] [Achternaam B] en [X] werd het aan hen als bestuurders van [eiseres] toebedeelde aandeel van 25% gesplitst in twee gelijke pakketten: 12,5% voor [eiseres] ([Voornaam 1] [Achternaam B]) en 12,5% voor [eiser] ([X]).

2.6.

De verhoudingen waarin [eiser] en [eiseres] in de afgelopen jaren tot het bedrijf zijn komen te staan zijn door het overlijden van [Voornaam 1] [Achternaam B] enerzijds en een beschuldiging aan her adres van [X] wegens het op onjuiste wijze verwerken van omzet in de administratie van Motel […] B.V. anderzijds veranderd, en wel in die zin dat er minder sprake is van directe betrokkenheid bij het bedrijf en meer aandacht voor het rendementsbelang van de deelneming.

2.7.

[eiser] en [eiseres] hebben hun pakketten te koop aangeboden aan de andere certificaathouders. Tot op heden zijn de overige certificaathouders, het STAK en [B Beheer] niet bereid gebleken de certificaten van [eiser] en [eiseres] te kopen. Partijen zijn in onderling overleg niet tot overeenstemming gekomen over de te betalen koopprijs. Gedaagden zijn ook niet ingegaan op het voorstel de certificaten te kopen tegen een door een deskundige vast te stellen prijs gelijk aan de waarde van de certificaten in het economisch verkeer.

2.8.

[eiser] en [eiseres] verzoeken gedaagden al meer dan twee jaar om uitgekocht te worden en om een redelijk dividendbeleid te bepalen en een redelijk dividend uit te keren.

2.9.

In de algemene vergadering van certificaathouders van 18 juni 2014 is toegezegd dat gedaagden zich zouden beraden over het vaststellen van een beleid op grond waarvan er dividend zou worden uitgekeerd aan de certificaathouders. Na een inhoudelijk debat tussen de diverse certificaathouders, waarin de voor en tegens zijn besproken om het beleid te wijzigen heeft [Voornaam 2] [Achternaam B] de stand van de gedachtenvorming als volgt samengevat:

[2B]: ‘Ik heb een uitkeringstoets gedaan om vast te stellen of dividend uitkeren kan. De kredietovereenkomst geeft beperkingen. KIV in ieder gevat tot 2015. Garantievermogen en de facto een dividendlock. Deze overeenkomst is ook door [X] ondertekend. Een deal maken zonder deze eisen zou de rentevoet aanzienlijk verhogen of in het geheel niet mogelijk maken. Tussentijds dividendbeleid wijzigen kan niet, zeker niet zonder overleg vooraf met de bank. Vervolgens heb ik ook zaken op een rijtje gezet waardoor ik bepaal of het wenselijk is. Hoewel het naar mijn mening in strijd is met de visie en het reeds vele jaren gevoerde beleid op dit punt, zou een bescheiden dividend als redelijk aangemerkt kunnen worden. Ik vind het echter niet juist dat […] met een achtergestelde lening in het risico zit alsmede twee participanten ([3B] en [2B]) die nog een grote vordering op de vennootschap hebben. Vorderingen van andere participanten zijn in het verleden immers op hun verzoek met voorrang afgelost. Dat zou dan nu ook met [3B] en [2B] moeten gebeuren.

(…)

Verandering in dividendbeleid is bespreekbaar, maar die dingen moeten er wel in opgenomen worden zegt [2B].

[3B] is het hiermee eens en blijft daarnaast bij zijn standpunt het bedrijf eerst te laten groeien.

(…)

[2B] leest verder voor: ‘Het beleid wordt als volgt vastgesteld voor de komende vijf jaar: voortzetting van het beleid zoals dat reeds sinds de oprichting is gevoerd. Vanaf nu moet de winst van het bedrijf gebruikt worden om het eigen vermogen te vergroten en de afhankelijkheid van de bank te verkleinen. Bij het aangaan van nieuwe financieringen moet getracht worden te veel beperkingen te voorkomen. Vervolgens moeten achtergestelde leningen en schulden aan participanten worden afgelost en na vijf jaar moet het bestuur het dividendbeleid herzien. Waarbij rekening gehouden wordt met de mening van de certificaathouders, zonder dat de visie van het familiebedrijf daarmee uit het oog wordt verloren.

Volgens [2B] moet het beleid van het bedrijf erop gericht zijn om voorwaarden te creëren op een acceptabel dividendbeleid. [2B] wil voorstel maken voor samen met [3B] en [4B]. Besluit van het stichtingsbestuur met de intentie dat het mogelijk moet worden om een redelijk dividendbeleid te voeren.

[3B] somt op wat er in die vijf jaar wel allemaal moet gebeuren om dan dividend uit te kunnen keren. De bank, Brederode en participanten moeten afgelost zijn.

2.10.

In de vergadering van 23 september 2014 is kort verslag gedaan van de voortgang van het overleg over een op termijn gewijzigd dividendbeleid. Een definitief besluit daarover is nog niet genomen. Per e-mail van 25 november 2014 (Productie 30) geeft [Voornaam 2] [Achternaam B] aan […] een update van de gedachtenvorming:

De besprekingen over het familiestatuut zijn gestaakt. Dat is heel jammer nu we net in een fase waren om tot afronding te komen maar het is helaas niet anders.(...) dividendbeleid lijkt wel haalbaar (met de) “mitsen en maren” die ik erbij aangaf op termijn. Uiterlijk 2018, misschien eerder.

Berekeningsmethode 1à 1,5 procent van de vrije winstreserve zoals die op de balans staat met een max van tien procent van de jaarwinst. (...)

Ik wil besluiten die een belangrijke wijziging van beleid betekenen of in strijd zijn met de bedrijfsvisie alleen doorvoeren als mijn bestuurders daar volledig mee instemmen.

Naar mijn mening blijft het ook nog steeds mogelijk dat het bestuur besluit dat de bedrijfsvisie ongewijzigd blijft en het dividendbeleid ook.

2.11.

Bij email van […] van 28 november 2014 hebben [eiser] en [eiseres] hierover hun teleurstelling uitgesproken. Wederom hebben zij aangeboden hun certificaten te verkopen, maar daar is opnieuw geen gebruik van gemaakt.

2.12.

Daarnaast hebben [eiser] en [eiseres] aangegeven graag te zien dat ter vergadering van 16 december 2014 tot vaststelling van een redelijk dividendbeleid en vaststelling van een substantieel dividend ten laste van de winst en/of de overige reserves. Daarbij hebben [eiser] en [eiseres] aangegeven dat bij een redelijk dividendbeleid te denken valt aan een uitkering van een bedrag gelijk aan 50% van het operationeel resultaat van [B Beheer] bij en solvabiliteit van minimaal 30% en gezonde liquiditeit.

2.13.

Bij e-mail van 14 december 2014 heeft [Voornaam 2] [Achternaam B] daarop laten weten dat hij besluiten die [B Beheer] neemt, alleen wil nemen met instemming van het STAK-bestuur.

3 Het geschil

3.1.

[eisers] vordert om bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis:

I. Gedaagden hoofdelijk, des de één voldoenende de ander zal zijn gekweten en/of gezamenlijk, jegens eisers te bevelen om uiterlijk binnen één maand na betekening van het in deze te wijzen vonnis te hebben gerealiseerd dat [B Beheer] BV. een redelijk dividendbeleid, te weten een te volgen gedragslijn bij de bepaling, welk gedeelte van de winst wordt uitgekeerd en welk gedeelte wordt gereserveerd, heeft vastgesteld inhoudende dat met ingang van boekjaar 2014 ieder jaar een dividend aan haar aandeelhouders c.q. certificaathouders wordt uitgekeerd, behoudens door [B Beheer] gemotiveerd te stellen en met gegevens deugdelijk te onderbouwen bijzondere omstandigheden, van tenminste de helft van de operationele winst bij een solvabiliteit van tenminste 25% en bij een zodanige liquiditeitspositie die voldoet aan de uitkeringstoets van art. 2:216 lid 2 BW, alsmede om bij voortduring en gedurende het aandeelhouderschap c.q. certificaathouderschap van [B Beheer] de hiervoor benodigde medewerking te verlenen, waaronder begrepen het uitoefenen van stemrecht op certificaten c.q. aandelen, een en ander op straffe van het verbeuren van een dwangsom van € 10.000,-- per dag of gedeelte van een dag dat een of meerdere gedaagden hiermee in gebreke is c.q. blijft, althans een zodanige beslissing te nemen als u edelachtbare in goede justitie vermeent te behoren;

II. Gedaagden hoofdelijk, des de één voldoenende de ander zal zijn gekweten en/of gezamenlijk, jegens eisers te bevelen om uiterlijk binnen één maand na betekening van het in deze te wijzen vonnis een dividend ten laste van de overige reserves vast te stellen en uit te betalen ad € 1.000.000,--, alsmede alle hiervoor benodigde medewerking te verlenen, waaronder begrepen het uitoefenen van stemrecht op certificaten c.q. aandelen, een en ander op straffe van het verbeuren van een dwangsom van € 10.000,— per dag of gedeelte van een dag dat een of meerdere gedaagden hiermee in gebreke is c.q. blijft, althans een zodanige beslissing te nemen als u edelachtbare in goede justitie vermeent te behoren;

III. Met veroordeling van gedaagden, hoofdelijk, des de een voldoenende en de ander zal zijn gekweten, in de proceskosten ex art. 237 e.v. Rv, alsmede de nakosten
– conform het forfaitaire liquidatietarief van rechtbanken en gerechtshoven – voor een bedrag van € 131,00,-- zonder betekening in conventie of reconventie, € 205,-- zonder betekening in conventie en reconventie tezamen, welke bedragen in geval van betekening met € 68,-- worden verhoogd, te vermeerderen met de wettelijke rente ex art. 6:119 BW daarover indien gedaagden dat bedrag niet binnen zeven dagen na aanzegging respectievelijk betekening van het in deze te wijzen vonnis hebben voldaan, althans een zodanig bedrag als u edelachtbare in goede justitie vermeent te behoren.

3.2.

Aan haar vordering legt [eisers] – samengevat – ten grondslag dat (de overige certificaathouders van [B Beheer] c.q.) [gedaagden] niet bereid zijn [eiser] en [eiseres] als feitelijk minderheidscertificaathouders uit te kopen en weigeren een redelijk dividendbeleid vast te stellen en een (daarop gebaseerde) vaststelling en uitbetaling van een redelijk dividend mee te werken, terwijl [B Beheer] daar op grond van de op haar rustende zorgvuldigheidsplicht, alsmede op grond van de redelijkheid en billijkheid wel toe gehouden is en daartoe geen vennootschapsrechtelijk noch financieel beletsel bestaat, aldus [eisers]

3.3.

[gedaagden] voert tot haar verweer – kort gezegd – aan dat het bestendig beleid van [B Beheer] sinds haar oprichting in 2000 altijd, met volledige instemming van [eisers], is geweest om nagenoeg geen dividend uit te keren maar om de gerealiseerde winst aan te wenden voor continuïteit, groei, investeringen en het verkrijgen van gunstige financieringsvoorwaarden daarvoor. De belangen van de vennootschap en de (overige) certificaathouders verzetten zich tegen een directe en ingrijpende wijziging van het bestaande dividendbeleid als gevorderd. Om alle beletselen weg te nemen, is tijd nodig. Voor een zorgvuldige afweging van alle betrokken belangen leent dit kort geding zich niet, temeer daar van de rechter volgens vaste jurisprudentie een terughoudende opstelling en een marginale toetsing gevraagd wordt. Bovendien hebben [eisers] bij de gevraagde voorzieningen ook niet het vereiste spoedeisend belang, aldus nog steeds [gedaagden]

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Op grond van artikel 254 Rv is de voorzieningenrechter in alle spoedeisende zaken, waarin gelet op de belangen van partijen een onmiddellijke voorziening bij voorraad wordt vereist, bevoegd deze te geven. Naast een bevoegdheids- of ontvankelijkheidsvereiste is het spoedeisend belang een van de belangen waarmee de voorzieningenrechter rekening heeft te houden bij de beantwoording van de vraag of het verantwoord is om door middel van het geven van een voorlopige voorziening vooruit te lopen op de beslissing in een eventuele bodemprocedure. Daarbij dient de voorzieningenrechter zich er rekenschap van te geven dat zowel de feiten als de juridische waardering daarvan onzeker kunnen zijn, de geschilpunten ingewikkeld en de voorziening zelf soms ingrijpend. Omdat de mate van onzekerheid respectievelijk de voor- en nadelen van (het uitblijven van) de voorlopige voorziening steeds weer kan verschillen voor partijen, legt ook het spoedeisend belang van elke gevorderde voorziening een steeds wisselend gewicht in de schaal. Het beroep van [gedaagden] op het ontbreken van een spoedeisend belang staat daarom niet op voorhand in de weg aan een inhoudelijke beoordeling van de vordering van [eisers]. De afweging van alle betrokken belangen waaronder de beweerde urgentie van de gevraagde voorlopige voorziening zal daarom worden uitgesteld, totdat hierna een zo goed mogelijke prognose zal zijn gegeven van het oordeel van de bodemrechter over de feiten en het daarop toe te passen recht.

4.2.

Bij de beoordeling van het onderhavige geschil is het nuttig het volgende voorop te stellen.

(1) Ingevolge jurisprudentie van de Hoge Raad kan van gegronde redenen om aan een juist beleid van de vennootschap te twijfelen – een en ander in de zin van art. 2:350 lid 1 – onder omstandigheden niet alleen sprake zijn indien de vennootschap gedurende een aantal jaren, zonder dat het belang van de vennootschap zulks rechtvaardigt, geen of een in verhouding tot de winst slechts gering dividend uitkeert, doch tevens indien de vennootschap op grond van een statutaire bepaling gedurende een reeks van jaren de door haar gemaakte winsten niet of slechts in geringe mate bij wege van dividend aan de aandeelhouders uitkeert zonder dat zulks (nog langer) door het vennootschappelijke belang gerechtvaardigd wordt, en zij niet aan wijziging van die statutaire bepaling wenst mede te werken (Hoge Raad 9 juli 1990, NJ 1991, 51 ‘Sluis’).

(2) In het voetspoor van de Hoge Raad heeft de Ondernemingskamer van het Gerechtshof Amsterdam overwogen dat aandeelhouders in beginsel zonder meer recht hebben op uitkering van de in een boekjaar gerealiseerde winst en dat de winst in beginsel aan de aandeelhouders dient te worden uitgekeerd, tenzij het vennootschappelijk belang vereist dat tot (gehele of gedeeltelijke) reservering van de winst wordt overgegaan, waarbij het gedurende onbepaalde tijd handhaven van een beleid waarbij alle winst wordt gereserveerd in het algemeen niet gerechtvaardigd zal zijn (Gerechtshof Amsterdam 6 juni 2011, ECLI:NL:GHAMS:2011:BQ9757 ‘Jeezet’).

(3) Het is bestendige rechtspraak dat de vennootschap bij het voeren van haar dividendbeleid rekening dient te houden met niet alleen haar eigen belang maar ook dat van alle bij haar betrokkenen, waaronder de minderheidsaandeelhouders.

4.3.

Verder verdient opmerking vooraf dat de omstandigheid dat [eisers] vóór het overlijden van [Voornaam 1] [Achternaam B] en de gebeurtenissen rond [X] het vraagstuk van het dividendbeleid en de dividenduitkering door een andere bril bekeken onverlet laat dat het door hen thans al sedert enige jaren nagestreefde rendementsbelang – ook in het licht van de hiervoor vermelde jurisprudentie – een legitiem belang is, dat door een behoorlijk handelende vennootschap moet worden afgewogen tegen de andere belangen die bij vaststellen en voeren van een dividendbeleid zijn betrokken.

4.4.

Ter zitting is voldoende aannemelijk geworden dat de overige certificaathouders vooralsnog niet bereid zijn om de certificaten van [eiser] en [eiseres] over te nemen, terwijl evenmin binnen afzienbare tijd uitzicht is op een (betekenisvolle) wijziging van het sinds de oprichting van [B Beheer] gevolgde gedragslijn, bestaande in toevoeging van alle winst aan de stille reserves zonder uitkering van dividend aan de certificaathouders. Met die opstelling bewerkstelligen [gedaagden] dat de deelnemingen van [eiser] en [eiseres] worden gereduceerd tot ‘dood kapitaal’. Doordat zij mogelijke belangstellenden voor de aandelen geen indicatie kunnen geven van het te verwachten rendement op die aandelen, waar [gedaagden] zelf niet bereid zijn om de pakketten voor een (objectief vastgestelde) marktconforme prijs over te nemen, wordt het hen immers in feite onmogelijk gemaakt om de waarde van hun certificaten te verzilveren.

4.5.

Aldus bezien is er dus – anders dan [gedaagden] ter zitting hebben betoogd – wel degelijk sprake van een situatie waarin [eiser] en [eiseres] de positie van beklemde minderheid innemen: zij zitten klem tussen enerzijds de weigering van de meerderheid om werk te maken van het daadwerkelijk vaststellen en voeren van een beleid dat de naam dividendbeleid waardig is, anderzijds de weigering om hen tegen acceptabele condities uit te kopen.

4.6.

Wat het eerste betreft: een beleid waarin ongeacht de resultaten van het bedrijf gedurende 14 van de 15 jaar geen dividend wordt uitgekeerd, terwijl dat bedrijf 14 van de 15 jaar substantiële winst heeft gemaakt, mag de naam dividendbeleid niet dragen. Met een dergelijke gedragslijn is uiteraard niets mis zolang alle dividendgerechtigden de wenselijkheid daarvan onderschrijven, maar de essentie van een dividendbeleid is dat daarin een afweging is gemaakt tussen de belangen van de aandeelhouders/certificaathouders bij een redelijke rendement op hun deelneming tegen de belangen die zich tegen uitkering van (de volledige) winst van tijd tot tijd (kunnen) verzetten c.q. een modus operandi is beschreven om van jaar tot jaar tot een dergelijke afweging te komen.

4.7.

Dat in het onderhavige geval – bij gebreke van een dividendbeleid – van een (redelijke) afweging van belangen in concreto sprake is geweest, blijkt overigens ook niet. [eisers] hebben notulen van een ‘Vergadering van Certificaathouders 18 juni 2014 te [plaats]’ in het geding gebracht, waarin – voor zover hier van belang – onder meer het volgende is opgenomen:

(…)

[4B]: “Ik zou eigenlijk willen afspreken om nooit dividend uit te keren. Dan is het maar duidelijk. Maar dat ik op korte termijn mijn mening daarin bijstel, dat geloof ik niet.”

(…)

[2B]: “0 is wel heel principieel. maar 1000 euro, is misschien zo weinig dat je het niet erg vindt. Misschien kan het onder bepaalde voorwaarden wel. Wij zitten misschien wel heel erg in de gedachte: dividend uitkeren is geld aan [X] geven.”

[4B]: “het is wel zo: wij werken hard, en jullie zitten achterover. Dat demotiveert mij om mee te werken aan dit dividend. Ik gun dit Remco wel. Dat is een heel ander verhaal.”

[…]: “Klopt, het heeft een grote gunfactor.”

(…)

[3B]: “In de lijn van een familiebedrijf is het altijd lastig daar een dividendbeleid in te hebben. Want het belang van het familiebedrijf is voortbestaan, niet geld uit de zaak halen.”

(…)

[3B]: “Mijn mening: ik wil dat geld in het bedrijf blijft. Ik vind deze stap (het formuleren van beleid) al heel behoorlijk.”

[…]: “Het formuleren van dividend betekent niet dat het ook direct uitgevoerd moet worden.”

[3B] zegt dat er niet veel te verdelen valt op dit moment.

[…]: “Dat zal met de liquiditeit te maken hebben. Er is nog zat te verdelen.”

(…)

4.8.

Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter zijn de geciteerde uitlatingen van de certificaathouders over het (vooralsnog dus juist níet) voeren van een (nieuw) dividendbeleid, c.q. het doen van uitkeringen, eerder te duiden als onwil en ‘niet gunnen’ van een dividenduitkering aan (in ieder geval) [eiser] en (daarmee ook aan) [eiseres], dan als onmogelijkheid. De door [gedaagden] bepleite lezing van deze uitlatingen in de context van al hetgeen besproken is, kan de voorzieningenrechter niet tot een andere gevolgtrekking brengen. Hooguit zou uit de hiervoor sub 2.9 en 2.10 aangehaalde passages kunnen worden geconcludeerd dat [Voornaam 2] [Achternaam B] wat meer doordrongen is van de noodzaak om “met iets te komen” dan de overige deelnemers aan de besluitvorming. Voor zover zijn uitlatingen al perspectief bieden, is echter sprake van persoonlijke opvattingen waarin geen beleid wordt omschreven of in het vooruitzicht wordt gesteld en die, naar vervolgens gebleken is, ook niet door de anderen worden gedragen. Het standpunt heeft verder vooral het karakter van opeenstapeling van argumenten waarom verruiming van de tot op heden gevolgde gedragslijn niet, althans nu nog niet, mogelijk of verantwoord zou zijn.

4.9.

Dat kenmerkt ook het ter zitting gevoerde verweer. Zonder een financiële c.q. bedrijfseconomische analyse waarin aspecten als de omvang van het garantievermogen, de rente op het te betalen krediet, noodzaak en tempo van de benodigde investeringen, bestaande achtergestelde leningen etc. in onderlinge samenhang in het licht van de hiervoor genoemde uitgangspunten worden beschouwd, die ontbreekt, is over de betekenis van de geopperde bezwaren echter geen behoorlijk oordeel te vormen. Het verweer is dan ook onvoldoende onderbouwd. Niet is gebleken dat door [gedaagden] alternatieven worden overwogen en daarbinnen wordt afgewogen en gekozen op een wijze waarbij kenbaar met de belangen van de minderheidsaandeelhouders rekening wordt gehouden. Dat het in het verleden altijd zo is gedaan, zoals [gedaagden] ter zitting heeft betoogd, is volgens vaste jurisprudentie geen doorslaggevend argument. Het feit dat de financieringskosten toenemen indien meer met vreemd vermogen wordt gefinancierd, is dat evenmin.

4.10.

Op grond van het voorgaande moet het ervoor worden gehouden dat er geen bestendig dividendbeleid is. Er is niet meer dan een gedragslijn, die inhoudt dat er hoe dan ook geen dividend wordt uitgekeerd, in combinatie met een bij sommige betrokkenen geleidelijk ontluikend besef dat dit niet tot in lengte van jaren vol te houden is. De voorzieningenrechter komt dan ook tot de conclusie dat ook de bodemrechter tot het oordeel zal komen dat die situatie niet houdbaar is.

4.11.

Nu aannemelijk is dat [eisers] al enige tijd bezig zijn om [gedaagden] tot een andere koers te bewegen en de resultaten tot op heden op zijn vooral cosmetische waarde lijken te hebben, kan een spoedeisend belang bij een voorziening die recht doet aan hun belangen hen niet worden ontzegd. De huidige situatie is immers, als gezegd, aldus dat [eisers] voor het rendement op hun vermogen zijn aangewezen op dividend. Dat de winst binnen de vennootschap wordt gehouden draagt uiteraard wel bij aan de waarde van die aandelen, maar dat is bij een stand van zaken waar de buitenwereld noch de binnenwereld belangstelling voor die aandelen heeft onvoldoende compensatie.

4.12.

Het is niet aan de voorzieningenrechter om het dividendbeleid van een onderneming vast te stellen en in beginsel evenmin om de grenzen van de toelaatbaarheid daarvan onder bepaalde omstandigheden te bepalen. Het eerste is aan de onderneming zelf, het laatste aan de bodemrechter. De voorzieningenrechter kan echter, binnen de formulering van de vorderingen van [eisers], wel een voorziening treffen die de onderneming prikkelt om van de vaststelling van haar dividendbeleid werk te maken. Daarvoor is in het onderhavige geval voldoende aanleiding, nu aannemelijk is dat het er zonder die prikkel op korte termijn niet van zal komen. De voorzieningenrechter zal daarom het primair gevorderde aldus toewijzen dat het STAK wordt opgedragen om in een daartoe bijeen te roepen bijzondere vergadering van certificaathouders, die uiterlijk 30 juni 2015 moet worden gehouden, een aan de certificaathouders een voorstel voor het te voeren dividendbeleid over de jaren 2015-2020 ter besluitvorming voor te leggen, met daarbij gevoegd het advies van een onafhankelijk – door het bestuur van het STAK aan te zoeken en door de vennootschap te betalen – registeraccountant die op de lijst van door de Ondernemingskamer van het Gerechtshof te Amsterdam in enquête-procedures benoembaar geachte deskundigen is opgenomen, waarin deze na het door hem nodig geachte onderzoek onderschrijft dat het voorgestelde beleid:

  • -

    a) verantwoord is, en

  • -

    b) toereikend is om aan de uit het Nederlandse vennootschapsrecht voortvloeiende eisen die aan een redelijk dividendbeleid worden gesteld, te voldoen, en, indien van toepassing,

  • -

    c) het minimaal nodige is om daaraan te voldoen,

met de aantekening dat de deskundige bij de inrichting van zijn proces om tot advisering te komen de Leidraad Deskundigen in civiele zaken zoveel mogelijk dient toe te passen.

4.13.

Voor het geval het voorstel wordt aangenomen, wordt [gedaagden] veroordeeld om de overeenkomstig dat voorstel aan [eisers] toekomende bedragen, voor zover dan opeisbaar, binnen twee weken na de dagtekening van het daartoe strekkende besluit betaalbaar te stellen. Voor het geval het voorstel wordt aangehouden of afgewezen, zal het overeenkomstig dat voorstel uit te keren dividend op een daartoe door partijen in onderling overleg te openen geblokkeerde rekening moeten worden gestort, waarop het blijft staan totdat de bodemrechter op een binnen twee maanden na die afwijzing aan te spannen procedure heeft beslist.

4.14.

Gelet op de omstandigheid dat de hier gegeven voorziening een invulling vormt van de aan het slot van het petitum sub I en II telkens algemeen geformuleerde verzoek om enigerlei passend geachte voorziening, waaraan niet uitdrukkelijk een dwangsom is verbonden, is het uit een oogpunt van hoor en wederhoor niet passend om die dwangsom op te leggen. De voorzieningenrechter vertrouwt erop dat gedaagden na lezing van dit vonnis de noodzaak inzien om in beweging te komen.

4.15.

[gedaagden] zal als de grotendeels in het ongelijk te stellen partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [gedaagden] worden begroot op:

- dagvaarding € 77,84

- griffierecht 3.864,00

- salaris advocaat 816,00

Totaal € 4.757,84

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1.

gebiedt het STAK in een daartoe uiterlijk 30 juni 2015 bijeen te roepen bijzondere vergadering van certificaathouders een voorstel voor het te voeren dividendbeleid over de jaren 2015-2020 ter besluitvorming voor te leggen, met daarbij gevoegd het advies van een onafhankelijk registeraccountant als hiervoor omschreven waaruit blijkt dat dat het voorgestelde beleid:

  • -

    a) verantwoord is, en

  • -

    b) toereikend is om aan de uit het Nederlandse vennootschapsrecht voortvloeiende eisen die aan een redelijk dividendbeleid worden gesteld, te voldoen, en, indien van toepassing,

  • -

    c) het minimaal nodige is om daaraan te voldoen,

Met de aantekening dat de deskundige bij de inrichting van zijn proces om tot advisering te komen de Leidraad Deskundigen in civiele zaken zoveel mogelijk dient toe te passen.

Indien het in 5.1 bedoelde voorstel door de certificaathouders wordt aangenomen:

5.2.

veroordeelt [gedaagden] om de overeenkomstig het in 5.1 bedoelde voorstel aan [eisers] toekomende bedragen, voor zover dan opeisbaar, binnen twee weken na de dagtekening van het daartoe strekkende besluit betaalbaar te stellen,

Indien het in 5.1 bedoelde voorstel door de certificaathouders wordt aangehouden of afgewezen:

5.3.

veroordeelt [gedaagden] om het overeenkomstig het in 5.1 bedoelde voorstel uit te keren dividend op een daartoe door partijen in onderling overleg te openen rekening te storten, totdat de bodemrechter op een binnen twee maanden na die aanhouding c.q. afwijzing aan te spannen procedure heeft beslist,

In alle gevallen

5.4.

veroordeelt [gedaagden] in de proceskosten, aan de zijde van [eisers] tot op heden begroot op € 4.757,84,

5.5.

veroordeelt [gedaagden] in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 131,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 68,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak, en te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over de nakosten met ingang van veertien dagen na de betekening van dit vonnis tot aan de voldoening,

5.6.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.7.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.H. Schotman en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier mr. S.M.P. Langeveld op 17 maart 2015.1

1 Conc.: 936