Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2015:2037

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
12-02-2015
Datum publicatie
12-03-2015
Zaaknummer
15/810219-14
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Ontucht. Seksueel binnendringen. Verdachte (66 jaar) heeft misbruik gemaakt van zijn positie als opvangouder door gedurende de periode van bijna een jaar diverse malen ontuchtige handelingen te plegen met het 12-/13-jarige slachtoffer. Dit terwijl verdachte juist had moeten zorgen voor een veilige en beschermde omgeving voor het slachtoffer, temeer daar verdachte wist dat hij te maken had met een verstandelijk beperkt meisje. Veroordeling tot 15 maanden gevangenisstraf onvoorwaardelijk. Toewijzing vordering benadeelde partij tot een bedrag van 10.000 euro.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Afdeling Publiekrecht, Sectie Straf

Locatie Haarlem

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 15/810219-14 (P)

Uitspraakdatum: 12 februari 2015

Tegenspraak

Vonnis

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 29 januari 2015 in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1947 te [geboorteplaats],

ingeschreven in de basisadministratie persoonsgegevens op het adres [adres].

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie

mr. A. van Eck en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. C.J. Visser, advocaat te Amsterdam, naar voren hebben gebracht.

1 Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op een of meerdere tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 01 januari 2013 tot en met 24 december 2013 te Heemstede, in elk geval in Nederland, (telkens) met [benadeelde] (geboren op [geboortedatum benadeelde] 2000), zijnde een aan zijn zorg en/of opleiding en/of waakzaamheid toevertrouwde minderjarige, die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, (telkens) buiten echt, een of meer ontuchtige handeling(en) heeft gepleegd, die bestond(en) uit of mede bestond(en) uit het seksueel binnendringen van het lichaam van [benadeelde], hebbende verdachte (telkens) een en/of meermalen:

- zijn, verdachtes, penis in de anus van [benadeelde] geduwd en/of gebracht en/of

- zijn, verdachtes, vinger(s) in de anus en/of de vagina van [benadeelde] geduwd en/of gebracht en/of

- de clitorus en/of de vagina van [benadeelde] gelikt;

en/of

hij op een of meerdere tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 01 januari 2013 tot en met 24 december 2013 te Heemstede, in elk geval in Nederland, (telkens) met [benadeelde] (geboren op [geboortedatum benadeelde] 2000), zijnde een aan zijn zorg en/of opleiding en/of waakzaamheid toevertrouwde minderjarige, die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, (telkens) buiten echt, een of meer ontuchtige handeling(en) heeft gepleegd, bestaande uit het (telkens) een en/of meermalen:

- likken van de (boven)benen en/of de clitorus en/of de vagina van [benadeelde] en/of

- zuigen en/of likken aan de tepels en/of de borsten van [benadeelde] en/of

- strelen en/of betasten van de borsten en/of de vagina van [benadeelde] en/of

- zoenen van [benadeelde].

2 Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3 Bewijs

3.1.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de ten laste gelegde feiten, met uitzondering van hetgeen onder het eerste gedachtestreepje is ten laste gelegd, te weten het duwen en/of brengen van de penis in de anus van het slachtoffer.

3.2.

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich overeenkomstig de officier van justitie op het standpunt gesteld dat de ten laste gelegde feiten bewezen kunnen worden verklaard, met uitzondering van hetgeen onder het eerste gedachtestreepje is ten laste gelegd.

3.3.

Redengevende feiten en omstandigheden

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van de ten laste gelegde feiten op grond van de volgende bewijsmiddelen, waarbij de rechtbank – nu verdachte deze feiten heeft bekend en door of namens hem geen vrijspraak is bepleit – zal volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen, te weten:

  • -

    de bekennende verklaring van verdachte ter terechtzitting afgelegd;

  • -

    het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van bevindingen d.d. 17 maart 2014 (dossierpagina 74) met het daarbij gevoegde studioverhoor van [benadeelde] d.d. 11 februari 2014 (dossierpagina’s 43-73).

3.4.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op meerdere tijdstippen in de periode van 1 januari 2013 tot en met 24 december 2013 te Heemstede, telkens met [benadeelde] (geboren op [geboortedatum benadeelde] 2000), zijnde een aan zijn zorg toevertrouwde minderjarige, die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt,

telkens buiten echt, een of meer ontuchtige handeling(en) heeft gepleegd, die bestond(en) uit of mede bestond(en) uit het seksueel binnendringen van het lichaam van [benadeelde], hebbende verdachte telkens een en/of meermalen:

- zijn, verdachtes, vinger(s) in de anus en/of de vagina van [benadeelde] geduwd en/of gebracht en/of

- de clitoris en/of de vagina van [benadeelde] gelikt;

en

hij op meerdere tijdstippen in de periode van 1 januari 2013 tot en met 24 december 2013 te Heemstede, telkens met [benadeelde] (geboren op [geboortedatum benadeelde] 2000), zijnde een aan zijn zorg toevertrouwde minderjarige, die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, telkens buiten echt, een of meer ontuchtige handeling(en) heeft gepleegd, bestaande uit het telkens een en/of meermalen:

- zuigen en/of likken aan de tepels en/of de borsten van [benadeelde] en/of

- strelen en/of betasten van de borsten en/of de vagina van [benadeelde] en/of

- zoenen van [benadeelde].

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten zijn verbeterd. Blijkens het verhandelde op de terechtzitting is verdachte daardoor niet geschaad in zijn verdediging.

Hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

4 Kwalificatie en strafbaarheid van de feiten

Het bewezenverklaarde levert op:

met iemand die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren heeft bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen plegen die bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam, begaan tegen een aan zijn zorg toevertrouwde minderjarige, meermalen gepleegd,

en

met iemand beneden de leeftijd van zestien jaren, buiten echt, ontuchtige handelingen plegen, begaan tegen een aan zijn zorg toevertrouwde minderjarige, meermalen gepleegd.

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is derhalve strafbaar.

5 Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is derhalve strafbaar.

6 Motivering van de sanctie

6.1.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vijftien (15) maanden met aftrek van voorarrest.

6.2.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft verzocht verdachte geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen van langere duur dan de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht.

6.3.

Oordeel van de rechtbank

Bij de beslissing over de sanctie die aan verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

In het bijzonder heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen.

Het slachtoffer is op zesjarige leeftijd in contact gekomen met verdachte en diens echtgenote. Ze verbleef elke zomervakantie bij het gezin omdat haar alleenstaande, werkende moeder in deze periodes moeite had de zorg en opvang voor haar twee kinderen te combineren met haar werk. In de loop der tijd ontstond tussen de twee families een vriendschappelijke band en kwam het slachtoffer ook in andere vakanties bij verdachte en zijn echtgenote thuis. Gemiddeld verbleef het slachtoffer twee maanden per jaar bij het gastgezin. Na een aantal jaren heeft verdachte van zijn positie als opvangouder misbruik gemaakt door gedurende de periode van bijna een jaar diverse malen ontuchtige handelingen met het slachtoffer te plegen. Dit terwijl verdachte juist had moeten zorgen voor een veilige en beschermde omgeving voor het slachtoffer, temeer daar verdachte wist dat hij te maken had met een verstandelijk beperkt meisje. Door zijn grensoverschrijdende gedrag heeft verdachte een ernstige inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit en de persoonlijke levenssfeer van het slachtoffer. Het is een feit van algemene bekendheid dat slachtoffers van zedendelicten nog lange tijd de psychische gevolgen daarvan kunnen ondervinden. Dat het slachtoffer in dit specifieke geval inderdaad last heeft van de psychische gevolgen blijkt uit de schriftelijke slachtofferverklaring d.d. 9 oktober 2014.

De rechtbank rekent verdachte de gevolgen van zijn handelen zwaar aan. Daarbij weegt de rechtbank mee dat verdachte er ter terechtzitting blijk van heeft gegeven het laakbare van zijn handelen niet ten volle in te zien. Aan het laakbare en strafwaardige van het handelen van verdachte doet immers de - door verdachte gestelde - vrijwilligheid van het seksuele contact van de zijde van het slachtoffer niet af, nu het bewezen verklaarde handelen strafbaar is gesteld teneinde de jeugdige te beschermen, ook tegen zichzelf.

Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank in het bijzonder gelet op:

  • -

    het op naam van verdachte staand Uittreksel Justitiële Documentatie, gedateerd 15 mei 2014, waaruit blijkt dat verdachte niet eerder ter zake van een strafbaar feit is veroordeeld;

  • -

    het psychologisch rapport gedateerd 6 augustus 2014, opgemaakt door P.C. Dalebout, gezondheidszorgpsycholoog;

  • -

    het over verdachte uitgebrachte voorlichtingsrapport gedateerd 10 september 2014 van de heer J.H. Kooij, als reclasseringswerker verbonden aan Reclassering Nederland, Adviesunit 2 Noord-West te Haarlem, alsmede de door hem ter terechtzitting van 29 januari 2015 gegeven toelichting.

Het psychologisch rapport gedateerd 6 augustus 2014 houdt onder meer in dat verdachte in zijn benadering van de tenlastegelegde feiten in het geheel geen oog heeft voor de (mogelijke) gevolgen van zijn seksueel grensoverschrijdende gedrag voor het slachtoffer. Daar waar sprake is van lijdensdruk wordt deze met name veroorzaakt door de gevolgen die de tenlastegelegde feiten voor hemzelf hebben. Verdachte schijnt nauwelijks te beseffen dat zijn eigen seksueel grensoverschrijdende gedrag hieraan ten grondslag ligt.

Bij verdachte is geen ziekelijke stoornis of een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens vastgesteld. Wel is er sprake van narcistische persoonlijkheidskenmerken, zonder dat er overigens sprake is van een persoonlijkheidsstoornis. Geadviseerd wordt om betrokkene volledig toerekeningsvatbaar te houden.

Met de conclusie van dit rapport kan de rechtbank zich verenigen.

In het voorlichtingsrapport gedateerd 10 september 2014 is opgemerkt dat het recidiverisico als laag wordt ingeschat omdat er geen sprake is van een ziekelijke stoornis of gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens en het ten laste gelegde situatief van aard lijkt. Bovendien is geen sprake van een delictpatroon. Het risico op onttrekken aan voorwaarden is hoog omdat betrokkene zich niet gemotiveerd toont voor enige vorm van hulpverlening.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat slechts een vrijheidsbenemende straf als passende straf in aanmerking komt. Aan verdachte zal dan ook een gevangenisstraf van na te noemen duur worden opgelegd. Gelet op de houding van verdachte zoals deze uit de rapportages en uit het verhandelde ter terechtzitting naar voren is gekomen, ziet de rechtbank geen aanleiding om hiervan een deel voorwaardelijk op te leggen.

7 Vordering benadeelde partij en schadevergoedingsmaatregel

Namens de benadeelde partij [benadeelde] is een vordering tot schadevergoeding van

€ 13.557,00 ingediend tegen verdachte wegens immateriële schade die zij als gevolg van de ten laste gelegde feiten zou hebben geleden.

7.1.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd de vordering toe te wijzen tot een bedrag van

€ 10.000,- met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

7.2.

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in haar vordering, omdat deze onvoldoende is onderbouwd.

7.3.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat de gestelde immateriële schade tot na te noemen bedrag rechtstreeks voortvloeit uit de bewezen verklaarde feiten. Gelet op de onderbouwing van de vordering en het verhandelde ter terechtzitting, komt de rechtbank een vergoeding tot een bedrag van € 10.000,- billijk voor. De vordering zal dan ook tot dit bedrag worden toegewezen. Daarnaast dient verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken. De tot op heden door de benadeelde partij gemaakte kosten worden vastgesteld op nihil.

De rechtbank zal de benadeelde partij voor het overige niet in haar vordering ontvangen.

Schadevergoedingsmaatregel

Opdat de benadeelde partij niet zelf wordt belast met de inning van het toegewezen bedrag zal de rechtbank de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen.

8 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

artikel 36f, 57, 245, 247 en 248 van het Wetboek van Strafrecht.

9 Beslissing

De rechtbank:

Verklaart bewezen dat verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan zoals hiervoor onder 3.4. weergegeven.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij.

Bepaalt dat de bewezen verklaarde feiten de hierboven onder 4. vermelde strafbare feiten opleveren.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van VIJFTIEN (15) MAANDEN.

Bepaalt dat de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij [benadeelde] geleden schade tot een bedrag van € 10.000,-, bestaande uit immateriële schade, en veroordeelt verdachte tot betaling van dit bedrag aan [benadeelde], voornoemd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting.

Veroordeelt verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering.

Legt verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van slachtoffer [benadeelde] de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 10.000,-, bij gebreke van betaling of verhaal te vervangen door vijfentachtig (85) dagen hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft.

Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de Staat en dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij.

Heft op het (reeds geschorste) bevel tot voorlopige hechtenis van verdachte.

Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door

mr. E.J. Bellaart, voorzitter,

mr. M.W. Groenendijk en mr. H.M. Molenaar, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. H. van de Vijver, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 12 februari 2015.

Mr. Molenaar is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.