Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2015:1605

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
24-02-2015
Datum publicatie
02-03-2015
Zaaknummer
15/800493-14
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Promis; doodslag; oplegging tbs-maatregel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Afdeling Publiekrecht, Sectie Straf

Locatie Haarlem

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 15/800493-14 (P)

Uitspraakdatum: 24 februari 2015

Tegenspraak

Vonnis

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 10 februari 2015 in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum 2] te [geboorteplaats] (Joegoslavië),

ingeschreven in de basisadministratie persoonsgegevens op het adres

[adres] ,

zijnde het adres van de Penitentiaire Inrichting Haaglanden, locatie PPC Scheveningen,

waar verdachte thans gedetineerd is.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie,

mr. M.C. Hollander, en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. M. de Geest, advocaat te Heerhugowaard, naar voren hebben gebracht.

1 Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 20 september 2014 te Alkmaar opzettelijk (en met voorbedachten rade) [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, door met dat opzet (na kalm beraad en rustig overleg) deze een of meermalen (met kracht) met een mes in het bovenlichaam te steken, tengevolge waarvan die [slachtoffer] is overleden.

2 Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het Openbaar Ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3 Bewijs

3.1.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot vrijspraak van de impliciet primair ten laste gelegde moord en tot bewezenverklaring van de impliciet subsidiair ten laste gelegde doodslag.

3.2.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft bepleit dat verdachte dient te worden vrijgesproken van de impliciet primair ten laste gelegde moord. De impliciet subsidiair ten laste gelegde doodslag kan bewezen worden verklaard, aldus de raadsman.

3.3.

Partiële vrijspraak
De rechtbank is, met de raadsman en de officier van justitie, van oordeel dat de verdachte moet hebben gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling en dat er geen sprake is geweest van kalm beraad en rustig overleg, zodat de verdachte moet worden vrijgesproken van de voorbedachten rade en daarmee van de impliciet primair ten laste gelegde moord.

3.4.

Redengevende feiten en omstandigheden

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van de impliciet subsidiair ten laste gelegde doodslag op grond van de volgende bewijsmiddelen, waarbij de rechtbank – nu verdachte dit feit heeft bekend en door of namens hem geen vrijspraak is bepleit – zal volstaan met een opsomming van de bewijsmiddelen, te weten:

  • -

    de bekennende verklaring van verdachte ter terechtzitting afgelegd;

  • -

    het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 1] d.d. 21 september 2014, dossierpagina’s 51 t/m 54;

  • -

    een schriftelijk bescheid, te weten een schouwverslag, opgemaakt door A. Sahebali, forensisch arts KNMG (GGD Hollands Noorden), van [slachtoffer] d.d. 21 september 2014, dossierpagina 205 (forensisch dossier) p. 53 t/m 54;

  • -

    een schriftelijk bescheid, te weten een deskundigenverslag, getiteld ‘Pathologie onderzoek naar aanleiding van een mogelijk niet natuurlijke dood’ van het Nederlands Forensisch Instituut (NFI), opgemaakt door M. Buiskool, arts en patholoog, d.d. 26 september 2014, dossierpagina 205 (forensisch dossier) p. 68 t/m 73 (met bijlage);

  • -

    het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal sporenonderzoek d.d. 22 oktober 2014, dossierpagina 205 (forensisch dossier) p. 34 t/m 39;

  • -

    een schriftelijk bescheid, te weten een deskundigenverslag, getiteld ‘Onderzoek naar biologische sporen en DNA-onderzoek naar aanleiding van een steekincident met dodelijke afloop in Alkmaar op 20 september 2014’ van het NFI, d.d. 5 januari 2015, zaaknummer 2014.09.19.123 (aanvraag 002), los opgenomen in het strafdossier.

3.5.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, met dien verstande dat

hij op 20 september 2014 te Alkmaar opzettelijk [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, door met dat opzet deze met kracht met een mes in het bovenlichaam te steken, ten gevolge waarvan die [slachtoffer] is overleden.

Hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

4 Kwalificatie en strafbaarheid van het feit

Het bewezenverklaarde levert op:

Doodslag.

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is derhalve strafbaar.

5 Strafbaarheid van verdachte

5.1.

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft gevorderd verdachte te ontslaan van alle rechtsvervolging, omdat het impliciet subsidiair tenlastegelegde niet aan verdachte toegerekend kan worden vanwege volledige ontoerekeningsvatbaarheid.

5.2.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft bepleit dat het feit niet aan verdachte toegerekend kan worden en dat hij dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

5.3.

Het oordeel van de rechtbank

Ter beoordeling van de toerekeningsvatbaarheid van de verdachte, heeft de rechtbank een tweetal Pro Justitia rapportages ontvangen. Het betreft een psychologische rapportage d.d. 4 december 2014 van mw. M.G.H. van Willigenburg, klinisch psycholoog, en een psychiatrische rapportage van dr. B.A. Blansjaar, psychiater, d.d. 2 december 2014.

De psycholoog, mw. Van Willigenburg, komt tot de conclusie dat bij verdachte sprake is van een ziekelijke stoornis van de geestvermogens in de vorm van schizofrenie van het paranoïde type en dat hiervan ook sprake was ten tijde van het ten laste gelegde. Ten tijde van het ten laste gelegde was verdachte psychotisch en (naar zijn zeggen) onder invloed van alcohol, cannabis en speed. Verdachte was die dag gesignaleerd door de psychiatrische instelling waar hij onder behandeling was, omdat hij zich de dagen ervoor psychotisch had geuit en zich op de dag van het tenlastegelegde en in de weken voorafgaand aan het tenlastegelegde aan behandeling had onttrokken. Hij zou bij thuiskomst door de crisisdienst beoordeeld worden. Door de psychose was er sprake van een ernstige verstoring van de realiteitstoetsing, gepaard gaande met verhoogde angstniveaus, gebrekkige probleemoplossingsvaardigheden en een verzwakte impulscontrole. Deze stoornissen werden verergerd door het middelengebruik en hebben naar de mening van de psycholoog volledig doorgewerkt in verdachte’s motieven en gedragingen ten tijde van het tenlastegelegde. De psycholoog adviseert daarom om verdachte te beschouwen als ontoerekeningsvatbaar voor het tenlastegelegde.

De psychiater, dr. Blansjaar, komt tot de conclusie dat verdachte lijdt aan een ziekelijke stoornis van de geestvermogens in de vorm van chronische paranoïde schizofrenie, in combinatie met afhankelijkheid van middelen. Van deze stoornis was ook sprake ten tijde van het plegen van het ten laste gelegde feit. Volgens de psychiater leed verdachte op het moment van het ten laste gelegde aan een psychose met achtervolgingswaan met maniform verhoogde stemming en was hij onder invloed van alcohol, cannabis en amfetamine. Daarbij was hij ook al ten tijde van het tenlastegelegde door schizofrene restverschijnselen secundair gepsychopathiseerd. Verdachte is door waanbelevingen ertoe gekomen het slachtoffer – dat hij identificeerde met Milosevic – te steken met een mes. Misbruik van alcohol, cannabis en stimulerende middelen zal daarbij zijn impulsiviteit en agitatie hebben verstrekt, terwijl zijn remmingen en zelfcontrole duurzaam waren verzwakt door schizofrene restverschijnselen. De psychiater concludeert dat verdachte als ontoerekeningsvatbaar voor het tenlastegelegde aangemerkt moet worden.

De rechtbank neemt de conclusies van de psycholoog en de psychiater in zoverre over en is op grond daarvan van oordeel dat verdachte vanwege zijn ziekelijke stoornis volledig ontoerekeningsvatbaar was ten tijde van het plegen van het tenlastegelegde en bewezen verklaarde feit. De rechtbank zal verdachte derhalve ontslaan van alle rechtsvervolging.

6 Motivering van de op te leggen maatregel

6.1.

Het advies van de deskundigen

Uit de Pro Justitia rapporten komt naar voren dat verdachte niet volledig heeft meegewerkt aan het psychologisch en psychiatrisch onderzoek. Verdacht heeft een sterk wantrouwen jegens de psychiatrie en de overtuiging dat de psychiaters hem gek hebben gemaakt. Ook weigerde hij bij herhaling ermee in te stemmen dat informatie bij derden zou worden opgevraagd. Deze weigering komt naar de mening van de deskundigen rechtstreeks voort uit de psychotische pathologie van verdachte. Hierdoor is het moeilijk om een volledig beeld te krijgen van de psychiatrische geschiedenis van verdachte. Het opstellen van een risicoprognose wordt bemoeilijkt doordat niet alle informatie over de behandeling van verdachte voorhanden was. Ten aanzien van de psychiatrische voorgeschiedenis van verdachte is in ieder geval wel duidelijk geworden dat hij sinds 1996 bekend is bij de GGZ en dat hij bij psychotische decompensaties geagiteerd zou zijn en agressieve impulsdoorbraken zou hebben, terwijl hij normaal gesproken onderdanig, vriendelijk en beleefd is. Hij is bekend met schizofrenie van het paranoïde type en met afhankelijkheid van alcohol, cannabis en gokken. In juli 2011 verhuisde verdachte vanuit een sociaal pension naar een begeleide woonvoorziening van de dag- en nachtopvang in Schagen. In mei 2012 werd hij opgenomen met een inbewaringstelling en vervolgens een rechterlijke machtiging (de rechtbank: gedwongen maatregelen op grond van de bepalingen van de Wet Bopz). Verdachte werd ingesteld op depotmedicatie, maar zou daarvan veel bijwerkingen hebben gehad. Op zijn aandringen werd de depotmedicatie gestaakt en kreeg verdachte orale antipsychotische medicatie. Na enige tijd werd verdachte – doordat hij medicatieontrouw was - echter toenemend psychotisch en ging hij zwerven en alcohol misbruiken. In juli 2013 werd hij opnieuw opgenomen met een rechterlijke machtiging en, na herhaaldelijke ontvluchtingen, op 17 september 2013 overgeplaatst naar een Forensisch Psychiatrische Afdeling. Op 20 januari 2014 werd hij in de beschermde woonvorm van GGZ Noord-Holland Noord in Schagen geplaatst. Nadat verdachte – na een medicatiedepot - weer overgeschakeld was op orale medicatie, raakte hij in de zomer van 2014 ernstiger verward.

De psycholoog, mw. Van Willigenburg, overweegt ten aanzien van het recidiverisico dat het in het verleden een tijd lang niet goed ging met verdachte, hetgeen meerdere keren aanleiding is geweest tot een gedwongen opname. Niet duidelijk is of er in het verleden vaker sprake is geweest van gewelddadig gedrag onder invloed van psychotische belevingen. Op basis van de beschikbare informatie wordt duidelijk dat het ziektebesef en -inzicht bij verdachte vrijwel geheel afwezig is. Dit bemoeilijkt de behandeling van verdachte en is in het verleden aanleiding geweest voor gedwongen opnames. De belangrijkste risicofactor lijkt gevormd te worden door de aanwezigheid van psychotische problematiek, in combinatie met het gebrekkige ziektebesef en -inzicht, wat verergerd wordt door het gebruik van middelen. Als deze problematiek onbehandeld blijft, acht de psycholoog het gevaar op herhaling onverminderd hoog.

De psychiater, dr. Blansjaar, acht de kans op herhaling van soortgelijke strafbare feiten verhoogd door het chronisch recidiverende beloop van de schizofrenie van verdachte en door zijn misbruik en afhankelijkheid van psychoactieve middelen. Volgens de deskundige kan de kans op herhaling het best worden verkleind door adequate behandeling van de psychose van verdachte, inclusief medicamenteuze onderhoudsbehandeling ter preventie van recidive. Gezien de eerdere medicatieontrouw van verdachte en het gebrek aan effectiviteit van de laag gedoseerde orale antipsychotica die hij voorafgaand aan het tenlastegelegde gebruikte, lijken sterk werkzame antipsychotica in depotvorm daarbij aangewezen.

Zowel de psycholoog als de psychiater adviseren om verdachte op grond van artikel 37 van het Wetboek van Strafrecht (Sr) te plaatsen in een psychiatrisch ziekenhuis voor de duur van maximaal één jaar. Gezien zijn voorgeschiedenis van herhaalde ontvluchtingen uit zorginstellingen is plaatsing op een Forensisch Psychiatrische Afdeling geïndiceerd. Na klinische behandeling met adequate onderhoudsmedicatie is wellicht resocialisatie naar beschermd wonen mogelijk, eventueel met een BOPZ-maatregel. Gezien de invaliderende werking van de problematiek en de leeftijd van verdachte zal dit waarschijnlijk het hoogst haalbare zijn. De mogelijkheid van een terbeschikkingstelling met bevel tot dwangverpleging is overwogen. Gelet op het feit dat de duur van de behandeling geen factor is die bepalend is voor de mate van succes van de behandeling en omdat verdachte ook in het kader van een terbeschikkingstelling met dwangverpleging uiteindelijk zal moeten gaan resocialiseren en dan terugverwezen zal worden naar de reguliere GGZ, is er naar de mening van de deskundigen geen meerwaarde voor een terbeschikkingstelling, zodat een behandeling in het kader van artikel 37 Sr afdoende wordt geacht.

De reclassering sluit zich aan bij het advies van de psychiater en de psycholoog.

Ter terechtzitting als getuige gehoord, heeft dr. Blansjaar zijn psychiatrisch advies onderschreven en heeft hij aan het advies nog toegevoegd dat verdachte een ernstige psychiatrische stoornis heeft waarbij het niet met volledige zekerheid te zeggen is of een plaatsing in een psychiatrisch ziekenhuis voor de duur van maximaal één jaar voldoende is om de stoornis te behandelen en de veiligheid van de maatschappij te waarborgen. Hij heeft echter aangegeven wel te verwachten dat een behandeling voor maximaal één jaar afdoende zou moeten kunnen zijn. Tevens heeft hij opgemerkt dat de medicatie die verdachte zegt te hebben geslikt, Lorazepam, niet geschikt is om psychoses beheersbaar te maken. Daartoe dienen andere medicijnen te worden gebruikt.

6.2.

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte, anders dan door de deskundigen is geadviseerd, ter beschikking zal worden gesteld en dat hij van overheidswege zal worden verpleegd. Zij heeft hiertoe aangevoerd dat eerdere opnames en instelling op medicatie maar beperkt effect hebben gehad op de gesteldheid van verdachte. Hij onttrok zich aan de behandeling en een medicatiedepot werd omgezet in orale medicatie omdat verdachte niet tegen de bijwerkingen kon. Verdachte kon niet goed met deze vrijheid omgaan en heeft uiteindelijk een levensdelict gepleegd. Zij is van mening dat de deskundigen te optimistisch zijn in hun prognose, terwijl deze prognose is gebaseerd op gebrekkige informatie, nu verdachte geen toestemming heeft gegeven om informatie op te vragen bij derden. Hierdoor is er – behalve hetgeen verdachte hierover zelf heeft verklaard – nauwelijks iets bekend over het (psychiatrisch) verleden van verdachte. Verdachte heeft weinig ziektebesef en –inzicht. Hij had - naar eigen zeggen - al zes weken zijn medicatie niet gebruikt. Verdachte had weliswaar een rechterlijke machtiging, maar de uitvoering daarvan is zeer afhankelijk van de medewerking van verdachte en de aanpak van de begeleiders. Dit is uiteindelijk niet afdoende gebleken. Nu verdachte de laatste jaren als hij op een depot werd ingesteld, uiteindelijk toch weer overging naar orale medicatie vanwege de bijwerkingen, waarna hij vaak niet medicatietrouw bleek, vraagt de officier van justitie zich af of verdachte wel binnen een jaar kan worden ingesteld op de juiste medicatie en of, indien dat wel zou lukken, dan al sprake kan zijn van een stabiele, blijvende instelling. Daarbij weegt voor haar mee dat, als de behandeling van maximaal één jaar in een psychiatrisch ziekenhuis niet afdoende zal blijken te zijn, er geen mogelijkheid tot verlenging van de maatregel van artikel 37 Sr is. In het kader van terbeschikkingstelling heeft men daarentegen langer de tijd om een behandelrelatie op te bouwen met verdachte, om meer van zijn achtergrond te weten te komen en om de medicatie te laten beklijven. Als verdachte dan in aanmerking komt voor een voorwaardelijke beëindiging, kan er langere tijd toezicht zijn, ook op medicijn- en middelengebruik. Om die reden is de officier van justitie van mening dat de maatregel van terbeschikkingstelling met dwangverpleging de aangewezen maatregel in deze is.

6.3.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft bepleit dat verdachte, conform artikel 37 Sr, dient te worden opgenomen in een psychiatrisch ziekenhuis, zoals ook geadviseerd door de psycholoog en psychiater. Volgens de raadsman is er – als verdachte op de juiste medicatie is ingesteld – geen gevaar voor de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen. Als verdachte zijn medicatie neemt is hij begeleidbaar en goed aanspreekbaar op zijn gedrag en is er sprake van een psychisch evenwicht. Er is daarom niet aan de vereisten voor de oplegging van een maatregel tot terbeschikkingstelling voldaan. Hij wijst hierbij ook op het feit dat de deskundigen expliciet hebben verklaard dat de maatregel van artikel 37 Sr afdoende is, waarbij zij ook hebben nagedacht over het eventueel opleggen van de maatregel van terbeschikkingstelling met dwangverpleging.

6.4.

Het oordeel van de rechtbank

Gelet op de aard en de ernst van het bewezen- en strafbaar verklaarde, op de omstandigheden van het geval en op de persoon van verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, acht de rechtbank de na te noemen beslissing passend.

Verdachte heeft, in een psychose met achtervolgingswaan, een zeer ernstig feit gepleegd. Het slachtoffer, met wie verdachte langjarig bevriend was, is door verdachte met een messteek om het leven gebracht. Verdachte heeft het slachtoffer zijn kostbaarste bezit – het leven – ontnomen. Het feit heeft enorme impact gehad op het leven van de naaste familie van het slachtoffer, die met het verlies van hun dierbare zullen moeten leven. Dit is ook door de

(ex-)vrouw en de zoon van het slachtoffer onder woorden gebracht toen zij gebruik maakten van hun spreekrecht. Verdachte wordt het feit niet toegerekend omdat hij verkeerde onder invloed van een ernstige psychiatrische stoornis. Er kan hem daarom geen straf worden opgelegd; wel kan de rechtbank bepalen dat er een maatregel zal worden toegepast.

Bij haar beslissing heeft de rechtbank rekening gehouden met de hiervoor genoemde Pro Justitia rapportages van mw. Van Willigenburg, klinisch psycholoog, en dr. Blansjaar, psychiater, en daarnaast met het reclasseringsadvies van GGZ Palier Reclassering d.d. 9 december 2014, uitgebracht door A.G.J.E. van Eijck, reclasseringswerker.

Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat het zorg- en beveiligingsniveau in een psychiatrische kliniek in geval van een plaatsing ex artikel 37 Sr weliswaar op een vergelijkbaar niveau is als in een TBS-kliniek, maar dat teveel onzekerheid bestaat hoe de behandeling van verdachte, na afloop van het plaatsingsjaar, verder gestalte zal kunnen krijgen in een alsdan te constelleren civiel kader met een rechterlijke machtiging, en of daarmee het recidiverisico voldoende kan worden ingedamd. Daarbij bestaan met name zorgen over hoe verdachte, bij ontslag uit de psychiatrische kliniek, zich zal manifesteren in een (beschermde) woonsituatie, nu hij met een eerdere rechterlijke machtiging, ook reeds onder soortgelijke omstandigheden heeft verbleven voorafgaande aan het gepleegde feit. Dat vangnet is niet afdoende gebleken. Grote zorgen bestaan daarbij met name ten aanzien van de vraag naar de medicatietrouw en het gevaar voor terugval in middelengebruik, hetgeen ook luxerend lijkt te zijn geweest voor het onderhavige gepleegde feit.

De rechtbank is, mede op grond van de adviezen en hetgeen tijdens het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gebracht, van oordeel dat er, als gevolg van een ziekelijke stoornis bij verdachte, sprake is van een zodanig gevaar voor herhaling van soortgelijke gewelddadige delicten ten opzichte van personen, dat de algemene veiligheid van personen en goederen het opleggen van de maatregel van terbeschikkingstelling van verdachte en een in dat kader te realiseren intensieve klinische behandeling van verdachte eist. De maatregel van artikel 37 Sr acht de rechtbank daartoe, alle omstandigheden in aanmerking nemend en gelet ook op de aard en ernst van de geestelijke stoornis van verdachte, het verhoogde recidiverisico, alsmede gegeven het feit dat ten aanzien van verdachte een zeer ernstig feit, een levensdelict, is bewezenverklaard, terwijl niet alle informatie rondom de psychische toestand van verdachte thans bekend is, niet afdoende.

Nu de maatregel van terbeschikkingstelling zal worden opgelegd ter zake van een misdrijf dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen, te weten doodslag, kan de totale duur van de maatregel een periode van vier jaar te boven gaan.

7 Vermogensmaatregel

De rechtbank is van oordeel dat de onder verdachte in beslag genomen en niet teruggegeven voorwerpen, te weten een mes en een zakje wiet, dienen te worden onttrokken aan het verkeer. Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat het bewezen verklaarde feit met behulp van het mes is begaan. Nu dit voorwerp kan dienen tot het begaan of de voorbereiding van soortgelijke feiten, dient het te worden onttrokken aan het verkeer. Het zakje wiet behoort verdachte toe en is aangetroffen bij gelegenheid van het onderzoek naar het door hem begane feit. Het ongecontroleerde bezit hiervan is in strijd met de wet of het algemeen belang en moet om die reden aan het verkeer worden onttrokken.

8 Vorderingen benadeelde partijen en schadevergoedingsmaatregel

8.1.

Vordering benadeelde partij [benadeelde partij 1] (zoon slachtoffer)

De benadeelde partij [benadeelde partij 1] , bijgestaan door mr. T.K.A.B. Eskes, heeft een vordering tot schadevergoeding van € 2.878,40 ingediend tegen verdachte, en ter zitting verhoogd tot € 2.881,74, opgebouwd uit de materiële schade die hij als gevolg van het ten laste gelegde feit zou hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag, en de proceskosten.

De vordering omvat de navolgende posten:

- begrafeniskosten van in totaal € 2.111,74, bestaande uit een bedrag van € 308,04 (kosten die, na uitkering door Dela verzekeringen, voor rekening van [benadeelde partij 1] zijn gebleven) en € 1.803,70 voor een nog te plaatsen gedenksteen met persoonlijke tekst;

- proceskosten voor een bedrag van € 768,- en

- wettelijke rente tot en met 10 februari 2015 over de begrafeniskosten van € 308,04 voor een bedrag van € 2,-.

Ten aanzien van de begrafeniskosten en de kosten voor een gedenksteen

De rechtbank is van oordeel dat de begrafeniskosten en de kosten voor een nog te plaatsen gedenksteen in zijn geheel voor toewijzing in aanmerking komen, nu de wet in artikel 6:108, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) een grondslag biedt voor vergoeding van die schade.

Nu deze kosten voldoende onderbouwd zijn, door de verdediging niet zijn betwist en gesteld noch gebleken is dat die kosten in omvang niet in overeenstemming zouden zijn met de omstandigheden van de overledene, zal de rechtbank de vordering voor wat betreft deze kosten toewijzen.

Ten aanzien van de wettelijke rente

Blijkens de vordering bedraagt de wettelijke rente over het bedrag van € 308,04 tot en met 10 februari 2015 € 2,-. De rechtbank zal dit bedrag toewijzen, vermeerderd met de wettelijke rente over € 308,04 vanaf 11 februari 2015 tot aan de dag der algehele voldoening.

Daarnaast zal de rechtbank de wettelijke rente over het bedrag van € 1.803,70 toewijzen, vanaf het moment dat deze kosten daadwerkelijk gemaakt zullen zijn tot aan de dag der algehele voldoening.

Ten aanzien van de kosten voor rechtsbijstand

De raadsman van de nabestaanden, mr. Eskens, heeft ter onderbouwing van de kosten voor rechtsbijstand verwezen naar het liquidatietarief en heeft één punt van € 384,- voor de zitting en één punt van € 384,- voor het pleidooi gevorderd.

De raadsman van verdachte heeft zich primair op het standpunt gesteld dat uitsluitend de daadwerkelijk gemaakte advocaatkosten voor vergoeding in aanmerking komen. Nu de benadeelde partij recht heeft op gefinancierde rechtsbijstand zonder oplegging van een eigen bijdrage, stelt de raadsman zich op het standpunt dat de benadeelde partij geen kosten voor rechtsbijstand heeft, zodat de vordering moet worden afgewezen.

De rechtbank overweegt ten aanzien hiervan dat de omstandigheid dat een benadeelde partij (mogelijk) recht heeft op van overheidswege gefinancierde rechtsbijstand er niet aan afdoet dat de verdachte tot vergoeding van de gevorderde kosten gehouden is.

De raadsman van verdachte heeft zich subsidiair op het standpunt gesteld dat de door de benadeelde partij gevorderde twee punten samenvallen in één zitting, zodat slechts één punt voor vergoeding in aanmerking komt.

De raadsman van de nabestaanden heeft hierop gereageerd door te stellen dat uit de door hem overgelegde Advocatenmemo 2013 volgt dat er twee punten voor pleidooi staan en twee punten voor het bijwonen van de zitting. Nu hij vandaag de zitting bijwoont en pleidooi houdt, stelt hij zich op het standpunt dat hij voor beide onderdelen punten kan vorderen. Aangezien hij echter twee benadeelde partijen bijstaat, terwijl hij slechts één pleidooi houdt en één zitting bijwoont, vordert hij bij elke benadeelde partij voor elk onderdeel slechts één van de twee punten.

De rechtbank overweegt ten aanzien van het bovenstaande als volgt.

De stelling van de raadsman van de benadeelde partijen dat hem zowel twee punten voor pleidooi als twee punten voor het bijwonen van de zitting toekomen, is naar het oordeel van de rechtbank niet juist, nu deze twee activiteiten feitelijk samenvallen. Blijkens de overgelegde Advocatenmemo 2013 kan de raadsman in dit geval twee punten opvoeren van elk € 384,- voor het houden van pleidooi op de zitting. Hoewel de rechtbank begrip heeft voor hetgeen de raadsman in de toelichting betoogt, dat hij de helft van de proceskosten bij de zoon opvoert en de andere helft bij de moeder, aangezien hij beide nabestaanden bijstaat en één pleidooi voert voor beiden, zal de rechtbank toch beide punten bij de zoon toewijzen. Zoals uit hetgeen hierna volgt, zal blijken, zal de moeder niet-ontvankelijk worden verklaard in haar vordering en zullen in haar zaak de proceskosten niet worden toegewezen. Indien de zoon deze procedure slechts voor zich had gevoerd, had hij ook aanspraak kunnen maken op twee punten voor pleidooi. Gelet daarop zal de rechtbank deze twee punten van elk € 384,- aan de zoon toewijzen.

Schadevergoedingsmaatregel

De rechtbank ziet als gevolg van verdachtes bewezen verklaarde handelen [kort gezegd: doodslag] aanleiding ter zake van de vordering van de benadeelde partij de schadevergoedingsmaatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht op te leggen.

8.2.

Vordering benadeelde partij [getuige 1] ((ex-)partner slachtoffer)

De benadeelde partij [getuige 1] , bijgestaan door mr. T.A.K.B. Eskes, heeft een vordering tot schadevergoeding van € 22.382,- ingediend tegen verdachte, opgebouwd uit de immateriële schade die zij als gevolg van het ten laste gelegde feit zou hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag, en de proceskosten.

De vordering omvat de navolgende posten:

- € 21.000,- aan voorschot smartengeld;

- proceskosten voor een bedrag van € 1.158,- en

- wettelijke rente tot en met 10 februari 2015 over het bedrag aan smartengeld van € 21.000,- voor een bedrag van € 224,-.

Daarnaast is bij pleidooi in het kader van de vergoeding van de immateriële schade schadevergoeding in natura gevorderd in de vorm van een contactverbod en/of straatverbod voor verdachte.

Ten aanzien van de gevorderde immateriële schade

De raadsman van de nabestaande, mr. Eskes, heeft betoogd dat mevrouw [getuige 1] immateriële schade heeft geleden en dat verdachte aansprakelijk is voor deze schade, zodat deze schade voor vergoeding in aanmerking komt. Hij heeft daartoe - kort samengevat - aangevoerd dat deze schade weliswaar niet valt onder de limitatieve opsomming van artikel 6:106 BW, maar dat hierop in de jurisprudentie drie uitzonderingen zijn gemaakt, waaronder de situatie waarin een derde (in dit geval mevrouw [getuige 1] ) in shock is geraakt door het waarnemen van een door een onrechtmatige daad veroorzaakte dood of door de directe confrontatie met de ernstige gevolgen daarvan. Met verwijzing naar het zogenoemde Taxibus-arrest van de Hoge Raad van 22 februari 2002 en naar het recentere Vilt-arrest van 9 oktober 2009 heeft de raadsman aangevoerd dat bij mevrouw [getuige 1] sprake is van 'shockschade'.

De andere uitzondering die hier van toepassing is, betreft de situatie waarin een derde (in dit geval mevrouw [getuige 1] ) in ernstige mate wordt geschonden in zijn of haar mensenrechten. In deze zaak is er sprake van de meest ernstige wijze van inbreuk op meest fundamentele rechten van een slachtoffer en diens nabestaanden. Door de extreme vorm van geweld heeft het slachtoffer en degene die zich in zijn nabijheid bevond, te weten mevrouw [getuige 1] , doodsangsten uitgestaan, waarbij het van belang is dat de doodslag is gepleegd bij mevrouw [getuige 1] thuis, een plek waar het slachtoffer en mevrouw [getuige 1] zich bij uitstek veilig hadden moeten kunnen voelen. Dit levert een ernstige schending op van hun persoonlijke levenssfeer, aldus de raadsman. Daarnaast is er door verdachte op een grove wijze inbreuk gemaakt op het recht op privacy van het slachtoffer en diens nabestaanden. De gevolgen van de doodslag hebben er tevens voor gezorgd dat het gezinsleven van het slachtoffer en de nabestaanden totaal is ontwricht en daarmee is een inbreuk gemaakt op het recht op eerbiediging van het gezinsleven ex artikel 8 EVRM.

Gelet op al deze punten tezamen dient de vordering in zijn geheel te worden toegewezen, aldus de raadsman.

Standpunt van de verdediging

De raadsman van verdachte heeft betoogd dat de wet noch de jurisprudentie ruimte biedt voor vergoeding van shockschade indien er geen sprake is van geestelijk letsel in de zin van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld, zodat deze vordering niet voor toewijzing in aanmerking komt. Nu uit het huisartsenjournaal blijkt dat mevrouw [getuige 1] geen geestelijk letsel heeft opgelopen, geen hulpvraag heeft en er geen verwijzing naar een psychiater heeft plaatsgevonden, is er juridisch geen mogelijkheid voor een immateriële schadevergoeding, aldus de raadsman van verdachte.

Oordeel van de rechtbank

De vraag die de rechtbank dient te beantwoorden is of nabestaande [getuige 1] aanspraak kan maken op vergoeding van door haar geleden shockschade die het gevolg is van het feit dat haar (ex-)partner [slachtoffer] in haar woning is gedood door verdachte. Voor vergoeding van shockschade is, volgens de door de Hoge Raad in het eerder aangehaalde Taxibus-arrest ingezette lijn, vereist dat sprake is van een hevige emotionele schok die veroorzaakt is door de waarneming van een ongeval of de directe confrontatie met de ernstige gevolgen ervan, uit welke schok ernstig letsel is voortgevloeid. Slechts indien komt vast te staan dat aan voornoemde vereisten is voldaan is ook jegens mevrouw [getuige 1] onrechtmatig gehandeld door verdachte en is verdachte gehouden de hierdoor door mevrouw [getuige 1] geleden materiële en immateriële schade te vergoeden.

Beantwoording van voornoemde vraag betreft een benadering die in alle zakelijkheid het risico in zich bergt dat emoties en menselijk leed worden beschouwd als elementen van een juridische optelsom, waarvan de uitkomst bijna per definitie niet als volledige genoegdoening zal worden ervaren. Menselijk lijden, hoe schrijnend ook, is in het hier geldend rechtssysteem als zodanig en op zichzelf staand niet voor vergoeding vatbaar, nog daargelaten de vraag of lijden als hier aan de orde is, eigenlijk wel vergoed kàn worden.

Vaststaat dat verdachte het slachtoffer heeft gedood door middel van het steken met een mes. Ook staat vast dat mevrouw [getuige 1] direct is geconfronteerd met de afschuwelijke gevolgen van hetgeen verdachte het slachtoffer heeft aangedaan.

Als eerste dient nu de vraag te worden beantwoord of bij mevrouw [getuige 1] door deze confrontatie sprake is geweest van een hevige emotionele schok. Door of namens mevrouw [getuige 1] is niet feitelijk onderbouwd dat sprake is geweest van een hevige emotionele schok. Uit het strafdossier blijkt - kort gezegd - dat de heer [slachtoffer] in de tuin van mevrouw [getuige 1] met een mes is neergestoken, terwijl mevrouw [getuige 1] op dat moment in de woonkamer zat. Zij heeft het steken niet gezien, maar zij heeft wel gezien dat verdachte een mes had. Vervolgens is de heer [slachtoffer] heftig bloedend de woning van mevrouw [getuige 1] binnengekomen en riep dat zij de politie moest bellen. Aangezien mevrouw [getuige 1] een hersenbloeding heeft gehad, kan zij zich niet goed verstaanbaar maken, waardoor de heer [slachtoffer] de eerste keer zelf 112 heeft gebeld. Later werd er door de 112 teruggebeld en kostte het mevrouw [getuige 1] heel veel moeite om duidelijk te maken wat er was gebeurd. Ondertussen lag haar (ex-)partner in de huiskamer op sterven en uiteindelijk is hij daar ook overleden. De rechtbank is van oordeel dat het niet anders kan dan dat hetgeen hierboven is beschreven, heeft geleid tot een hevige emotionele schok voor mevrouw [getuige 1] .

De volgende vraag die moet worden beantwoord, is de vraag of mevrouw [getuige 1] als gevolg van deze emotionele schok aantoonbaar geestelijk letsel heeft opgelopen. Op dit punt is de vordering echter onvoldoende onderbouwd, nu daartoe slechts informatie van de huisarts is overgelegd waarin is opgenomen dat mevrouw bij de huisarts geen hulpvraag heeft. Hiermee is niet althans onvoldoende aangetoond dat mevrouw [getuige 1] aantoonbaar geestelijk letsel heeft opgelopen.

De rechtbank overweegt voorts dat ook artikel 8 EVRM – dat het recht op de persoonlijke levenssfeer bescherming biedt – er blijkens het genoemde Taxibusarrest niet toe noopt dat in de wetgeving wordt voorzien in een recht op immateriële schadevergoeding aan de nabestaande die zijn of haar partner verliest als gevolg van het onrechtmatig handelen of nalaten van een ander. In de uitspraak van de Hoge Raad van 9 oktober 2009 (ECLI:NL:HR:2009: BI8583) heeft de Hoge Raad overwogen dat artikel 8 EVRM niet noopt tot toekenning van immateriële schade en dat de toekenning van schadevergoeding een normaal familie- of gezinsleven niet bevordert. Daarvan uitgaande heeft in het onderhavige geval verdachte naar het oordeel van de rechtbank door het slachtoffer om het leven te brengen, als zodanig geen inbreuk gemaakt op mevrouw [getuige 1] recht op eerbiediging van haar persoonlijke levenssfeer. Het toekennen van schadevergoeding bevordert niet het leiden van een normaal familie- of gezinsleven. Zo bezien kan ook het beroep op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer niet leiden tot, of bijdragen aan, de toewijzing van het door mevrouw [getuige 1] gevorderde.

Naar het oordeel van de rechtbank kan de vordering in de vorm van een contact- en/of straatverbod – gelet op het hierboven overwogene – evenmin worden toegewezen.

Het voorgaande brengt mee dat mevrouw [getuige 1] in de onderhavige strafrechtelijke procedure niet kan worden ontvangen in haar vordering. Ook de proceskosten zullen om die reden niet worden toegewezen.

9 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

artikel 36b, 36c, 36d, 36f, 37a, 37b, 287 van het Wetboek van Strafrecht.

10 Beslissing

De rechtbank:

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan zoals hiervoor onder 3.5. weergegeven.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij.

Bepaalt dat het bewezen verklaarde feit het hierboven onder 4. vermelde strafbare feit oplevert.

Verklaart de verdachte voor het bewezen verklaarde niet strafbaar en ontslaat de verdachte daarvoor van alle rechtsvervolging.

Gelast dat verdachte ter beschikking wordt gesteld, en beveelt dat hij van overheidswege wordt verpleegd.

Onttrekt aan het verkeer:

- 1.00 STK Mes Kl: zwart;

- 1.00 ZAK Verdovende Middelen, Wiet.

Wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij [benadeelde partij 1] geleden schade tot een bedrag van € 2.113,74, bestaande uit materiële schade voor een bedrag van € 2.111,74 en de wettelijke rente over een gedeelte van deze schade voor een bedrag van € 2,-, en veroordeelt verdachte tot betaling van dit bedrag aan [benadeelde partij 1] , voornoemd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting.

Wijst toe de wettelijke rente over een bedrag van € 308,04 vanaf 11 februari 2015 tot aan de dag der algehele voldoening.

Wijst toe de wettelijke rente over een bedrag van € 1.803,70 vanaf het moment dat deze kosten daadwerkelijk gemaakt zullen zijn tot aan de dag der algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte in de kosten door de benadeelde partij [benadeelde partij 1] gemaakt, tot op heden begroot op € 768,-, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken.

Legt verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van nabestaande [benadeelde partij 1] de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 2.113,74, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag zoals hierboven is beschreven, bij gebreke van betaling of verhaal te vervangen door 31 dagen hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft.

Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de Staat en dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij.

Verklaart de benadeelde partij [getuige 1] niet-ontvankelijk in de vordering.

Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door

mr. R.A. Otter, voorzitter,

mr. A.C.M. Rutten en mr. J.A.M. Jansen, rechters,

in tegenwoordigheid van de griffier, mr. A. Keulers,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 24 februari 2015.