Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2015:1603

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
27-02-2015
Datum publicatie
02-03-2015
Zaaknummer
15/821114-14
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Promis; invoer verdovende middelen te Schiphol.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Afdeling Publiekrecht, Sectie Straf

Locatie Haarlemmermeer

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 15/821114-14

Uitspraakdatum: 27 februari 2015

Tegenspraak

Vonnis (P)

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 13 februari 2015 in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] (Suriname),

ingeschreven in de basisadministratie persoonsgegevens op het adres [adres],

thans gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Zwaag.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie

mr. F.A.C. Kooper-Gerritsen en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. E.G.S. Roethof, advocaat te Amsterdam, naar voren hebben gebracht.

1 Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 09 november 2014 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht, een hoeveelheid, van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet, althans bevattende een (ander) middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel

aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.

2 Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het Openbaar Ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3 Bewijs

3.1.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit.

3.2.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft vrijspraak bepleit.

3.3.

Redengevende feiten en omstandigheden 1

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit op grond van het volgende.

Op 9 november 2014 komt verdachte met vlucht PY 994 vanuit Paramaribo aan op Schiphol, gemeente Haarlemmermeer. Bij de verscherpte controle wordt verdachte geselecteerd voor verdere controle. In een visitatieruimte wordt zijn bagage aan een onderzoek onderworpen. In zijn koffer zitten vier zakken met bonbons. Verbalisant onderzoekt één bonbon. Bij het verwijderen van de folie ruikt hij een chemische lucht. Wanneer er met een fretboortje een opening wordt gemaakt, blijft bij het terugtrekken een witte substantie achter op het boortje. Deze substantie geeft een positieve kleurreactie op de MMC cocaïnetest. Verdachte wordt aangehouden.2 Het totale nettogewicht van de witte substantie bedraagt 1940,6 gram. Er worden vier monsters naar het Douane Laboratorium te Amsterdam gestuurd.3 Aldaar wordt vastgesteld dat het cocaïne betreft.4

3.4.

Bewijsoverweging

De raadsman heeft vrijspraak bepleit nu het opzet voor dit feit ontbreekt. Het verhaal van verdachte dat iemand de drugs zonder zijn medeweten aan hem heeft gegeven/in zijn tas gedaan is aannemelijk. De verdediging denkt hierbij in het bijzonder aan de inpakker van de boodschappen in de winkel waarin verdachte de bonbons heeft gekocht. Deze inpakker zou mogelijk de zakken bonbons hebben omgewisseld voor zakken met daarin cocaïne. Voor het geval de rechtbank gelet op het vorenstaande niet tot een vrijspraak komt, doet de raadsman een voorwaardelijk verzoek om [getuige] te horen als getuige. Zij werkt achter de douane op de luchthaven Zanderij. Zij heeft gezien en/of gehoord dat verdachte spullen bij de winkel op Zanderij heeft gekocht. Tevens kan de rechtbank onderzoek laten doen naar de werkwijze in de winkel op Zanderij.

De rechtbank volgt de raadsman niet in zijn betoog en overweegt hieromtrent als volgt. In zaken als deze, waar bij de inreis in Nederland in hand- of ruimbagage verdovende middelen worden aangetroffen, heeft als uitgangspunt te gelden dat een passagier met de inhoud van zijn bagage bekend is en voor die inhoud verantwoordelijk is, tenzij op grond van feiten en omstandigheden aannemelijk wordt dat die passagier niet met de inhoud van de bagage bekend was en daarmee ook niet bekend had behoren te zijn. Van dergelijke feiten en omstandigheden is naar het oordeel van de rechtbank niet gebleken.

Verdachte heeft verklaard dat hij snoepgoed, waaronder de vier zakken met bonbons, in een winkel achter de douane op Zanderij heeft gekocht. Deze zijn voor hem ingepakt en hij heeft zelf deze zak in zijn bagage gedaan. Verdachte suggereert dat de inpakker wellicht achter de kassa de zakken met bonbons heeft omgewisseld voor zakken met daarin cocaïne. De rechtbank acht deze door verdachte geschetste gang van zaken, die niet verder is onderbouwd, niet aannemelijk. Het komt de rechtbank voorts onaannemelijk voor dat een drugsorganisatie aan een onwetend persoon drugs meegeeft die een behoorlijke straatwaarde vertegenwoordigt, aangezien dan de (reële) kans bestaat dat deze persoon en daarmee de cocaïne uit het zicht wordt verloren. De rechtbank is dan ook van oordeel dat het niet anders kan dan dat verdachte dit verhaal heeft bedacht en in werkelijkheid wist dat er in de door hem meegevoerde zakken met bonbons cocaïne zat.

De rechtbank ziet, nu verdachte geen aannemelijke verklaring heeft gegeven voor de aanwezigheid van de cocaïne in zijn bagage, geen aanleiding om af te wijken van voornoemde uitgangspunten. De rechtbank ziet gelet op het vorenoverwogene geen noodzaak om [getuige] te horen als getuige of onderzoek te laten doen naar de werkwijze van de winkel. Derhalve wordt het voorwaardelijke verzoek van de raadsman afgewezen. Naar het oordeel van de rechtbank kan de opzettelijk invoer van cocaïne binnen het grondgebied van Nederland wettig en overtuigend bewezen worden.

3.5.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, met dien verstande dat

hij op 9 november 2014 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht, een hoeveelheid, van een materiaal bevattende cocaïne.

Hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

4 Kwalificatie en strafbaarheid van het feit

Het bewezenverklaarde levert op:

opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, onder A, van de Opiumwet gegeven verbod.

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is derhalve strafbaar.

5 Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is derhalve strafbaar.

6 Motivering van de sanctie

6.1.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot gevangenisstraf voor de duur van 20 maanden met aftrek van het voorarrest.

6.2.

Oordeel van de rechtbank

Bij de beslissing over de sanctie die aan verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

In het bijzonder heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan de opzettelijke invoer van 1.940,6 gram cocaïne. Dit is een voor de gezondheid van personen schadelijke stof. De ingevoerde hoeveelheid was van dien aard, dat deze bestemd moet zijn geweest voor verdere verspreiding en handel. De verspreiding van en handel in cocaïne gaan gepaard met vele andere vormen van criminaliteit, waaronder de door gebruikers gepleegde strafbare feiten ter financiering van hun behoefte aan deze stof.

De rechtbank is van oordeel dat de straf zoals door de officier van justitie is geëist passend en geboden is.

7 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

artikel 2, 10 van de Opiumwet.

8 Beslissing

De rechtbank:

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan zoals hiervoor onder 3.5. weergegeven.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij.

Bepaalt dat het bewezen verklaarde feit het hierboven onder 4. vermelde strafbare feit oplevert.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van twintig (20) maanden.

Bepaalt dat de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door

mr. E.J. van Keken, voorzitter,

mr. D. Gruijters en mr. M.S. de Vries, rechters,

in tegenwoordigheid van de griffier mr. C.W. van der Hoek,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 27 februari 2015.

Mr. E.J. van Keken en mr. M.S. de Vries zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

1 De door de rechtbank in de voetnoten als proces-verbaal aangeduide bewijsmiddelen zijn in de wettelijke vorm opgemaakt door personen die daartoe bevoegd zijn en voldoen ook overigens aan de daaraan bij wet gestelde eisen.

2 Proces-verbaal van aanhouding d.d. 9 november 2014, dossierpagina’s 1-4.

3 Proces-verbaal van onderzoek verdovende middelen d.d. 10 november 2014, dossierpagina’s 40-44.

4 Een schriftelijk bescheid, te weten een rapport van het Douane Laboratorium te Amsterdam d.d. 12 november 2014, kenmerk 13741 X 14.