Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2015:1548

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
16-02-2015
Datum publicatie
26-02-2015
Zaaknummer
HAA 14/801
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De afwijzing van het verzoek van eiseres om een vierde toetskans voor de onderdelen Bestuursprocesrecht en Gedragsrecht kan in rechte stand houden. Artikel 14, eerste lid, van de Stageverordening 2005 (de Verordening) is niet in strijd met artikel 9c van de Advocatenwet. Er is evenmin grond om te oordelen dat artikel 14 van de Verordening in strijd moet worden geacht met de in de artikel 3:3 en 3:4 van de Awb neergelegde beginselen van behoorlijk bestuur. Er is dus geen reden om artikel 14 van de Verordening in dit geval buiten toepassing te laten. Artikel 14 van de Verordening laat dus geen ruimte voor een belangenafweging als bedoeld in het eerste lid van artikel 3:4 van de Awb of voor het voeren van beleid bij de toepassing van de hardheidsclausule ten aanzien van het tweede lid van dit artikel. Ook voor gebruikmaking van de inherente afwijkingsbevoegdheid is geen ruimte. Van strijd met artikel 4:84 van de Awb kan geen sprake zijn.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummer: HAA 14/801

uitspraak van de meervoudige kamer van 16 februari 2015 in de zaak tussen

[eiseres], te [woonplaats], eiseres,

en

het Curatorium Beroepsopleiding Advocatuur, verweerder

(gemachtigden: mr. M.W.J. Sloots en mr. G.J.M. Hessel-Bouwhuijzen).

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: de Algemene Raad van de Nederlandse Orde van Advocaten, te 's-Gravenhage.

Procesverloop

Bij besluit van 20 september 2013 (het primaire besluit) heeft de Algemene Raad van de Nederlandse Orde van Advocaten (hierna: de raad) het verzoek van eiseres om een vierde toetskans voor de onderdelen Bestuursprocesrecht en Gedragsrecht afgewezen.

Bij besluit van 7 januari 2014 (het bestreden besluit) heeft verweerder het door eiseres daartegen ingestelde administratief beroep ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 november 2014. Eiseres is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.

Overwegingen

1. De rechtbank stelt allereerst vast dat eiseres belang heeft bij deze procedure nu verweerder ter zitting heeft verklaard dat eiseres bij een gegrond beroep om herbeëdiging kan verzoeken.

2. De rechtbank stelt vervolgens vast dat de schrapping van eiseres van het tableau buiten de omvang van dit geding valt. Deze procedure gaat enkel over de vraag of de afwijzing van het verzoek van eiseres om een vierde toetskans voor de onderdelen Bestuursprocesrecht en Gedragsrecht stand kan houden.

3. Ingevolge artikel 14, eerste lid, van de Stageverordening 2005 (de Verordening) is aan de Beroepsopleiding een examen verbonden dat bestaat uit een aantal gedurende de cursuscyclus per onderdeel af te nemen toetsen, en is de stagiaire verplicht aan alle toetsen deel te nemen.

Ingevolge het tweede lid van dit artikel kan een stagiaire één keer in alle onderdelen van het examen een toets afleggen, met de mogelijkheid van twee herkansingen per onderdeel.

Ingevolge het derde lid van dit artikel, voor zover thans van belang, is de stagiaire verplicht deel te nemen aan de toetsmogelijkheid voor een bepaald onderdeel direct volgend op het gevolgde onderwijs voor dat onderdeel van de Beroepsopleiding in de eerste cursuscyclus.

Ingevolge het vierde lid van dit artikel is de stagiaire, indien één of meer onderdelen van het examen niet zijn behaald, verplicht deel te nemen aan de direct daaropvolgende herkansingsmogelijkheid voor het desbetreffende onderdeel. Het bepaalde in de voorgaande volzin betreft alleen de eerste herkansingsmogelijkheid.

Ingevolge het zesde lid van dit artikel zal, indien niet wordt voldaan aan de verplichting als bedoeld in het derde en vierde lid, dit worden beschouwd als het niet behaald hebben van dat onderdeel van het examen.

Ingevolge het elfde lid van dit artikel kan de raad in gevallen waarin naar zijn oordeel de toepassing van het derde, vierde of zesde lid tot een onbillijkheid van overwegende aard zal leiden, besluiten af te wijken van het gestelde in het zesde lid.

4. Bij brief van 20 augustus 2013 heeft eiseres, naar aanleiding van de kennisgeving van het voornemen tot de schrapping van eiseres van het tableau per 10 oktober 2013, de feiten en omstandigheden kort vóór en nà de door haar benutte toetskansen uiteengezet. Zij heeft de raad verzocht om haar een vierde toetskans te geven voor de onderdelen Bestuursprocesrecht en Gedragsrecht. Eiseres heeft om een “terme de grâce” verzocht.

5. In het primaire besluit heeft de raad zich op het standpunt gesteld dat hij, gelet op artikel 14, tweede lid, van de Verordening, niet bevoegd is eiseres een vierde toetskans voor de onderdelen Bestuursprocesrecht en Gedragsrecht te geven. In het bestreden besluit onderschrijft verweerder dit standpunt. Het beroep van eiseres op de hardheidsclausule van artikel 14, elfde lid, van de Verordening slaagt volgens verweerder ook niet omdat zo’n beroep slechts in verband met een eerste of tweede toetskans mogelijk is. Voor het doen van een beroep op die hardheidsclausule in verband met een derde toetskans bestaat ook geen noodzaak, omdat de stagiaire, gelet op artikel 14, vierde lid, tweede volzin, van de Verordening, het tijdstip van het benutten van de derde toetskans zelf kan bepalen. Voor zover eiseres met haar beroep op het “Beleid inzake toepassing hardheidsclausule bij verval toetskansen” beoogt alsnog haar eerste en tweede toetskans te behouden, slaagt dit beroep niet omdat zij niet binnen vier weken na de betreffende toetskans daartoe een verzoek heeft ingediend. Eiseres komt verder geen geslaagd beroep toe op het “Beleid inzake toepassing hardheidsclausule na schrapping” omdat zij haar drie toetskansen al heeft benut. Het betoog van eiseres dat zij niet wist dat zij een verzoek kon indienen tot behoud van de eerste toetskans, een beroep kon doen op de hardheidsclausule van artikel 14, elfde lid, van de Verordening of in overleg zich tijdelijk van het tableau kon laten schrappen voor het behoud van de derde toetskans, heeft verweerder niet anders doen besluiten. De beleidsregels zijn gepubliceerd in het Advocatenblad en in het Vademecum Advocatuur wet- en regelgeving en zijn vermeld op de website van de Nederlandse orde van Advocaten. Dat eiseres die mogelijkheden niet heeft benut, komt voor haar rekening en risico, aldus verweerder.

6. Eiseres heeft in beroep aangevoerd dat de Verordening in strijd is met het bepaalde in de artikelen 3:3, 3:4 en 4:84 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Voorts is zij van mening dat het bestreden besluit onredelijk en onzorgvuldig is omdat daarin geen rekening is gehouden met haar bijzondere omstandigheden. Zij heeft benadrukt dat bij het niet behalen van de twee vakken in de eerste plaats de operatie en de nazorg van haar dochter en daarna haar gezondheidsklachten een enorme rol hebben gespeeld en dat zij zich destijds niet bewust was van haar mogelijkheden om haar toetskansen te behouden. Door definitieve schrapping van het tableau zou de investering in haar opleiding, onderneming en haar toekomst teniet worden gedaan.

7.1

Ingevolge artikel 9c, eerste lid, van de Advocatenwet (Aw)

draagt de Nederlandse orde van advocaten zorg voor een opleiding voor stagiaires en stelt zij de stagiaire in de gelegenheid deze opleiding te volgen die met een examen wordt afgesloten.

Ingevolge het tweede lid van dit artikel worden de volgende onderwerpen, de opleiding als bedoeld in het eerste lid betreffende, nader vastgesteld bij of krachtens verordening als bedoeld in artikel 28, tenzij daarin bij algemene maatregel van bestuur is voorzien:

a. de inhoud en de duur van de opleiding;

b. de omvang van het examen en de wijze waarop het examen wordt afgenomen;

c. de eisen voor de toelating tot het afleggen van het examen;

d. de eisen voor het verkrijgen van vrijstelling voor bepaalde onderdelen van het examen;

e. de aan de stagiaire in rekening te brengen cursus- en examengelden.

7.2

Ingevolge artikel 28, eerste lid, van de Aw stelt het college van afgevaardigden verordeningen vast in het belang van de goede uitoefening van de praktijk.

7.3

In de memorie van toelichting bij de Wijziging van de Advocatenwet (Beroepsopleiding advocaten) (Kamerstukken II 1986-1987, 19 996, nr. 3), bij welke wetswijziging onder meer artikel 9c in de wet is opgenomen, staat (in paragraaf 1 en 2):

“Het hier te bespreken wetsvoorstel tot wijziging van de Advocatenwet (Stb. 1952, 365) heeft tot doel enkele wettelijke eisen te stellen aan de opleiding en stage van pas beginnende advocaten (stagiaires). Het behoeft nauwelijks betoog welke grote belangen zijn gediend met goed opgeleide advocaten. Zowel de persoonlijke belangen van de cliënten van die advocaten zijn hierbij in het geding als die van een goede rechtspleging in haar algemeenheid. Tevens zijn wettelijke voorschriften die een passende beroepsopleiding verzekeren wenselijk, opdat daarop ook door beginnende advocaten zelf beroep kan worden gedaan.”

“Het programma voorziet in een examen dat grotendeels bestaat uit een aantal tussentijds af te leggen toetsen. Een beoordelingsregeling in deze zin is noodzakelijk als waarborg voor de kwaliteit van de opleiding. Door het examen worden de deelnemers gestimuleerd de opleiding serieus te volgen en voor te bereiden, terwijl de examenresultaten voor de docenten en cursusorganisatie een graadmeter zijn om na te gaan of de beoogde doelstellingen worden bereikt.”

8. De rechtbank neemt aan dat eiseres bedoelt dat artikel 14, van de Verordening in strijd moet worden geacht met de door haar genoemde artikelen. De rechtbank overweegt allereerst dat zij geen grond ziet om te oordelen dat artikel 14 van de Verordening buiten het in artikel 9c van de Aw gegeven kader valt en om die reden in strijd moet worden geacht met dat artikel. Artikel 14 van de Verordening verplicht tot deelname aan toetsen maar biedt tegelijk afdoende herkansingsmogelijkheden en geeft daarmee naar het oordeel van de rechtbank een examenregeling die past bij een goede opleiding voor advocaten, zoals volgens de memorie van toelichting met onder meer artikel 9c van de Aw is beoogd. De rechtbank ziet evenmin grond om te oordelen dat artikel 14 van de Verordening in strijd moet worden geacht met de in de artikel 3:3 en 3:4 van de Awb neergelegde beginselen van behoorlijk bestuur. Er is dus geen reden om artikel 14 van de Verordening in dit geval buiten toepassing te laten.

9. Verder is artikel 14 van de Verordening een algemeen verbindend voorschrift. In het tweede lid van dit artikel is – dwingend – bepaald dat er drie toetskansen zijn. Uit het elfde lid van dit artikel volgt niet dat met toepassing van de hardheidsclausule van het bepaalde in het tweede lid kan worden afgeweken. Artikel 14 van de Verordening laat dus geen ruimte voor een belangenafweging als bedoeld in het eerste lid van artikel 3:4 van de Awb of voor het voeren van beleid bij de toepassing van de hardheidsclausule ten aanzien van het tweede lid van dit artikel. Verweerders standpunt dat het “Beleid inzake toepassing hardheidsclausule na schrapping” in dit geval niet van toepassing is, is dan ook juist. Ook voor gebruikmaking van de inherente afwijkingsbevoegdheid is geen ruimte. Van strijd met artikel 4:84 van de Awb kan geen sprake zijn.

10. Het betoog van eiseres dat zij zich niet bewust was van de mogelijkheden voor het behoud van de toetskansen leidt niet tot een ander oordeel. De rechtbank volgt verweerder in zijn standpunt dat nu de beleidsregels gepubliceerd zijn, eiseres daarmee bekend moet worden geacht. De omstandigheid dat eiseres die mogelijkheden onbenut heeft gelaten komt voor haar rekening en risico.

11. De rechtbank concludeert dat wat eiseres aanvoert niet slaagt en dat haar beroep ongegrond is.

12. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Kraefft, voorzitter, en mr. J.M. Janse van Mantgem en mr. B. Veenman, leden, in aanwezigheid van mr. S. Vosse-Pirs, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 16 februari 2015.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening .