Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2015:1333

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
05-02-2015
Datum publicatie
20-02-2015
Zaaknummer
15/821070-14
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Promis; bekennende verklaring; invoer verdovende middelen (cocaïne) te Schiphol/in Nederland bewezen verklaard; strafoplegging; verzoek tot oplegging bijzondere voorwaarden gelet op rapportage van de psychiater verworpen nu verdachte geen vaste woon- of verblijfplaats hier ten lande heeft en er geen reclasseringsrapport is aangevraagd; toepassing LOVS richtlijnen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Afdeling Publiekrecht, sectie straf

Locatie Haarlemmermeer

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 15/821070-14 (P)

Uitspraakdatum : 5 februari 2015

Tegenspraak

Vonnis

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 22 januari 2015 in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] (Somalië),

zonder bekende woon- of verblijfplaats in Nederland,

thans gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Amsterdam Over-Amstel (Penitentiair Psychiatrisch Centrum) te Amsterdam.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. B. Haneveld en van wat verdachte en zijn raadsvrouw, mr. L. Stolk-Hogeterp, advocaat te Haarlem, naar voren hebben gebracht.

1. Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 27 oktober 2014 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht een hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne, zijnde heroïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet, althans bevattende een (ander) middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel

aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.

2. Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het Openbaar Ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3. Bewijs

3.1. Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit.

3.2. Redengevende feiten en omstandigheden

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit op grond van de volgende bewijsmiddelen, waarbij de rechtbank – nu verdachte dit feit heeft bekend en door of namens hem geen vrijspraak is bepleit – zal volstaan met een opsomming van de bewijsmiddelen, te weten:

- de bekennende verklaring van verdachte ter terechtzitting afgelegd;

- het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van bevindingen en overdracht d.d. 27 oktober 2014 (dossierpagina’s 4-5);

- het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van bevindingen d.d. 27 oktober 2014 (dossierpagina 6);

- het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal d.d. 27 oktober 2014 (dossierpagina’s 7-9);

- het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van onderzoek verdovende middelen d.d. 28 oktober 2014 (dossierpagina’s 50-53);

- een deskundigenrapport van het Nederlands Forensisch Instituut d.d. 27 november 2014, zaaknummer 2014.11.03.049 (aanvraag 001)(los opgenomen).

3.3. Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde feit

heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 27 oktober 2014 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht een hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne.

Hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

4. Kwalificatie en strafbaarheid van het feit

Het bewezenverklaarde levert op:

opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, onder A, van de Opiumwet gegeven verbod.

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is derhalve strafbaar.

5. Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is derhalve strafbaar.

6. Motivering van de sanctie

6.1. Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vijftien maanden, met aftrek van het ondergane voorarrest.

6.2. Oordeel van de rechtbank

Bij de beslissing over de sanctie die aan verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van verdachte, zoals van een en ander uit het Pro Justitia rapport van [psychiater], psychiater d.d. 7 januari 2015 en uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

In het bijzonder heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan de opzettelijke invoer van ongeveer 1,99 kilogram heroïne. Dit is een voor de gezondheid van personen schadelijke stof.

De ingevoerde hoeveelheid was van dien aard, dat deze bestemd moet zijn geweest voor verdere verspreiding en handel. De verspreiding van en handel in heroïne gaan gepaard met vele andere vormen van criminaliteit, waaronder de door gebruikers gepleegde strafbare feiten ter financiering van hun behoefte aan deze stof.

De rechtbank neemt bij het bepalen van de strafmaat de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht tot uitgangspunt.

In eerdergenoemd rapport Pro Justitia concludeert psychiater [psychiater] dat bij verdachte sprake is van een psychotische stoornis, waarbij schizofrenie het meest waarschijnlijk wordt geacht, alsmede alcohol- en cannabisafhankelijkheid. Deze ziekelijke stoornis heeft de gedragskeuzes en gedragingen van verdachte ten tijde van het ten laste gelegde feit beïnvloed. Hoewel verdachte wist dat het voorstel tot drugssmokkel dat hem werd gedaan, strafbaar was, was hij niet in staat de daadwerkelijke gevolgen goed te overzien. Het middelengebruik (alcohol, wiet en qat) droeg bij aan de verergering van de klachten.

Meerdere factoren, waaronder wanen en hallucinaties in het kader van schizofrenie, de afhankelijkheid van cannabis en alcohol en het gebruik van qat, hebben ertoe bijgedragen dat verdachte in verminderde mate in staat was de gevolgen van zijn handelen te overzien.

De psychiater adviseert verdachte ten aanzien van het ten laste gelegde, verminderd toerekeningsvatbaar te beschouwen.

De rechtbank neemt de conclusies uit dit rapport over en maakt deze tot de hare.

In de persoonlijke omstandigheden van verdachte, zoals uiteengezet in voornoemd rapport van de psychiater, en het gegeven dat verdachte in Nederland niet eerder voor soortgelijke feiten is veroordeeld, vindt de rechtbank aanleiding af te wijken van eerdergenoemde oriëntatiepunten.

De rechtbank zal aan verdachte – anders dan voorgesteld in het rapport van de psychiater indien verdachte woonachtig zou zijn in Nederland – geen bijzondere voorwaarden opleggen. Verdachte heeft ter terechtzitting aanvankelijk verklaard dat hij terug wilde keren naar Groot-Brittannië omdat hij daar kosteloos voor de voor hem noodzakelijke medicatie in aanmerking komt. Na het pleidooi van de raadsvrouw heeft verdachte aangegeven dat hij van plan is om zich in Nederland te vestigen omdat familie van zijn vrouw in Nederland woont. Nu verdachte op dit moment geen vaste woon- of verblijfplaats in Nederland heeft, er enkel sprake is van een nog niet concreet voornemen om in Nederland te verblijven en er evenmin een reclasseringsadvies is opgesteld ziet de rechtbank geen aanleiding om een voorwaardelijk strafdeel met bijzondere voorwaarden op te leggen.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een vrijheidsbenemende straf van na te noemen duur moet worden opgelegd.

7. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

2 en 10 van de Opiumwet.

8. Beslissing

De rechtbank:

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan zoals hiervoor onder 3.3 weergegeven.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij.

Bepaalt dat het bewezen verklaarde feit het hierboven onder 4. vermelde strafbare feit oplevert.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van TWAALF (12) MAANDEN.

Bepaalt dat de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door

mr. S.C.A. van Kuijeren, voorzitter,

mr. I.M. Nusselder en mr. C.H. de Jonge van Ellemeet, rechters,

in tegenwoordigheid van de griffier mr. drs. F.A. Rive,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 5 februari 2015.

De mrs. de Jonge van Ellemeet en Nusselder zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.