Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2015:1315

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
20-02-2015
Datum publicatie
20-02-2015
Zaaknummer
15/993507-14
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Promis; voorhanden hebben van grote hoeveelheid (ongeveer 1.700 kilogram) professioneel vuurwerk zonder vergunning en zonder melding; verweer strekkende tot nietigheid van de dagvaarding omdat deze niet zou voldoen aan artikel 261 Sv verworpen; strafmaatverweer in kader van de mate van gevaarzetting nu het vuurwerk niet goed zou zijn onderzocht verworpen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben en de opslag van een grote hoeveelheid professioneel vuurwerk dat bestemd was voor particulier gebruik. Verdachte heeft in totaal ongeveer 1.700 kilogram illegaal vuurwerk voorhanden gehad waarbij het ging om zeer gevaarlijk vuurwerk van de zwaarste categorieën. Zulk vuurwerk kan massa-explosief reageren waardoor de gehele voorraad explodeert op nagenoeg hetzelfde moment met een geweldige kracht. Het voorhanden hebben van illegaal vuurwerk is extreem gevaar zettend. Afgezien van de brandgevaarlijkheid bij de opslag, brengt het tot ontbranding brengen van illegaal vuurwerk enorme risico’s met zich mee, niet slechts voor degene die het vuurwerk tot ontbranding brengt, maar ook voor eventuele omstanders. Te denken valt aan onder meer gehoorbeschadiging, oogletsel en verminking van ledematen. Het heeft verdachte er evenwel niet van weerhouden dergelijk zwaar vuurwerk te kopen en daarbij zeer grote risico’s te nemen. Zo heeft verdachte met het vervoeren van 43,0 kilogram zwaar professioneel vuurwerk enorme risico’s genomen nu het vuurwerk werd verplaatst over de openbare weg in een niet daartoe ingerichte en uiterlijk gekenmerkte bestelbus. Ook de overige grote hoeveelheid vuurwerk is op enig moment naar de opslag in de loods vervoerd. Verdachte heeft bij het plegen van deze feiten puur uit winstbejag gehandeld hetgeen de rechtbank verdachte zwaar aanrekent temeer verdachte in 2005 al eerder is betrapt met illegaal vuurwerk en zich weer heeft laten leiden door puur winstbejag teneinde opnieuw te gaan handelen in illegaal vuurwerk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Afdeling Publiekrecht, Sectie Straf

Locatie Haarlem

Meervoudige economische strafkamer

Parketnummer: 15/993507-14

Uitspraakdatum: 20 februari 2015

Tegenspraak

Strafvonnis (Promis)

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van
6 februari 2015 in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],

ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens op het adres [adres].

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. H.H.M. Beune en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. M.C. Jonge Vos, advocaat te Amsterdam, naar voren hebben gebracht.

1. Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

feit 1:

hij, op of omstreeks 29 oktober 2014, althans in of omstreeks oktober 2014, in de gemeente Castricum, in elk geval in Nederland, al dan niet opzettelijk,

een hoeveelheid professioneel vuurwerk bestemd voor particulier gebruik, te weten

ongeveer 1120 kilogram, in elk geval een hoeveelheid, vuurwerk (Lijst II) en/of

9, althans één of meer, shells (mortierbommen) en/of

10, althans één of meer vuurpijlen en/of

19, althans één of meer, flowerbeds en/of

1480, althans één of meer, bangers

voorhanden heeft gehad en/of aan een ander of anderen ter beschikking heeft gesteld

en/of

als een ander dan een persoon met gespecialiseerde kennis een hoeveelheid professioneel vuurwerk, te weten

ongeveer 1120 kilogram, in elk geval een hoeveelheid, vuurwerk (Lijst II) en/of

9, althans één of meer, shells (mortierbommen) en/of

10, althans één of meer vuurpijlen en/of

19, althans één of meer, flowerbeds en/of

1480, althans één of meer, bangers

voorhanden heeft gehad en/of aan een ander of anderen ter beschikking heeft gesteld;

feit 2:

hij op of omstreeks 29 oktober 2014, te Castricum, in elk geval in Nederland, al dan niet opzettelijk, ongeveer 1700 kg, in elk geval meer dan 25 kg, vuurwerk, buiten een inrichting als bedoeld in

artikel 1.1.4, 2.2.1, 3.2.1 of 3A.2.1 van het Vuurwerkbesluit, waarvoor een omgevingsvergunning is verleend die betrekking heeft op de opslag van vuurwerk of artikel 2.2.1 waarvoor een melding is gedaan krachtens artikel 2.2.4 van het Vuurwerkbesluit

voorhanden heeft gehad.

2. Voorvragen

2.1. Geldigheid van de dagvaarding

De raadsman van verdachte heeft zich op het standpunt gesteld, dat de dagvaarding niet voldoet aan de eisen die artikel 261 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) hieraan stelt. Daartoe heeft hij aangevoerd, dat er in de tenlastelegging onder de feiten 1 en 2 over verschillende hoeveelheden vuurwerk wordt gesproken, terwijl niet duidelijk is welk vuurwerk waar is aangetroffen en voorts niet in alle gevallen uit de tenlastelegging duidelijk wordt om welke categorie of soort vuurwerk het gaat. De tenlastelegging is om die redenen onvoldoende duidelijk en begrijpelijk en de dagvaarding dient derhalve nietig te worden verklaard, aldus de raadsman.

De rechtbank verwerpt het verweer en overweegt hieromtrent als volgt. Op grond van artikel 261 lid 1 Sv behelst de dagvaarding een opgave van het feit dat ten laste wordt gelegd met vermelding omstreeks welke tijd en waar ter plaatse het begaan zou zijn. Het tweede lid voegt daaraan toe dat de dagvaarding tevens de vermelding behelst van de omstandigheden waaronder het feit zou zijn begaan. Uit de jurisprudentie blijkt dat bij de uitleg van deze bepaling voortdurend in het oog moet worden gehouden dat centraal staat of de verdachte zich op basis van de tenlastelegging goed kan verdedigen. De eis van “opgave van het feit” wordt zo uitgelegd dat het geheel in de eerste plaats duidelijk en begrijpelijk, in de tweede plaats niet innerlijk tegenstrijdig en in de derde plaats voldoende feitelijk moet zijn. Een van de factoren die een rol speelt bij het begrip “duidelijk en begrijpelijk” is de vraag of er bij kennisneming van het strafdossier redelijkerwijs twijfel kan bestaan welke specifieke gedragingen verdachte worden verweten.

De rechtbank stelt vast dat de onderhavige tenlastelegging in samenhang met het dossier voldoende duidelijk en begrijpelijk is. Ter terechtzitting van 6 februari 2015 heeft de rechtbank vastgesteld dat de onderdelen genoemd in de tenlastegelegde feiten zijn te herleiden tot onder meer de dossierpagina’s 61, 62, 65 t/m 75, 79 t/m 82, 83 t/m 95, 158 t/m 162, 163 t/m 177 en 259 t/m 263 en de kennisgevingen van inbeslagneming welke los zijn opgenomen. Zo blijkt uit het dossier dat al dat vuurwerk in de bestelbus van verdachte en de hem toebehorende en bij hem in gebruik zijnde loodsen is aangetroffen. Voorts heeft verdachte ter terechtzitting van 6 februari 2015, nadat hij met voornoemde bevindingen is geconfronteerd, verklaard dat al het vuurwerk aan hem toebehoort en door hem werd herkend. Naar het oordeel van de rechtbank is het voor verdachte gelet op het voorgaande voldoende duidelijk en begrijpelijk waarvan hij wordt verdacht, zodat het onderhavige verweer dient te worden verworpen.

De rechtbank merkt voorts op dat ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde feit niet relevant is om welke categorie of soort vuurwerk het gaat en dit tevens ook niet ten laste behoeft te worden gelegd, nu ter zake van dat strafbare feit slechts het gewicht van de aangetroffen hoeveelheid vuurwerk van belang is. Immers dient er een melding te worden gedaan of een vergunning te worden aangevraagd indien er sprake is van opslag van meer dan 25,0 kilogram vuurwerk, zodat het verweer ook op dat punt dient te worden verworpen en de dagvaarding geldig is.

2.2. Overige voorvragen

De rechtbank heeft ook overigens vastgesteld dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het Openbaar Ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3. Bewijs

3.1. Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten.

3.2. Standpunt van de verdediging

De raadsman van verdachte heeft zich voor wat betreft de bewezenverklaring van de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten gelet op de bekennende verklaring van verdachte gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

3.3. Redengevende feiten en omstandigheden

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten op grond van de volgende bewijsmiddelen, waarbij de rechtbank – nu verdachte deze feiten heeft bekend en door of namens hem geen vrijspraak is bepleit – zal volstaan met een opsomming van de bewijsmiddelen, te weten:

- de bekennende verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 6 februari 2015;

- het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van bevindingen d.d. 29 oktober 2014 (dossierpagina 61-62);

- het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van bevindingen aanvang onderzoek NHN06309 d.d. 4 november 2014 inclusief fotobijlagen (dossierpagina 65-75);

- het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van bevindingen d.d. 30 oktober 2014 (dossierpagina 76);

- het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van bevindingen d.d. 29 oktober 2014 inclusief bijlagen (dossierpagina 77-78);

- het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van bevindingen onderzoek [adres] Castricum d.d. 4 november 2014 (dossierpagina 79-82);

- het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van bevindingen d.d. 29 oktober 2014 (dossierpagina 83-95);

- het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van bevindingen d.d. 4 november 2014 (dossierpagina 98-147);

- het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van bevindingen sleutels [adres] d.d. 3 november 2014 (dossierpagina 151-156);

- het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van bevraging vergunning Wet milieubeheer d.d. 25 november 2014 (dossierpagina 157);

- het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van onderzoek inbeslaggenomen vuurwerk aangetroffen op de [adres] d.d. 5 november 2014 inclusief bijlagen (dossierpagina 163-258);

- het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van onderzoek inbeslaggenomen vuurwerk aangetroffen in voertuig d.d. 5 november 2014 inclusief bijlagen (dossierpagina 259-279).

De bewijsmiddelen zijn, ook in onderdelen, telkens slechts gebruikt ten aanzien van het feit waarop zij blijkens hun inhoud betrekking hebben.

3.4. Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten heeft begaan, met dien verstande dat:

feit 1:

hij op 29 oktober 2014, in de gemeente Castricum, opzettelijk een hoeveelheid professioneel vuurwerk bestemd voor particulier gebruik, te weten ongeveer 1120 kilogram vuurwerk Lijst II en 9 shells (mortierbommen) en 10 vuurpijlen en 19 flowerbeds en 1480 bangers voorhanden heeft gehad

en

als een ander dan een persoon met gespecialiseerde kennis een hoeveelheid professioneel vuurwerk, te weten ongeveer 1120 kilogram vuurwerk Lijst II en 9 shells (mortierbommen) en 10 vuurpijlen en 19 flowerbeds en 1480 bangers voorhanden heeft gehad;

feit 2:

hij op 29 oktober 2014, te Castricum, opzettelijk ongeveer 1700 kilogram vuurwerk, buiten een inrichting als bedoeld in artikel 1.1.4, 2.2.1, 3.2.1 of 3A.2.1 van het Vuurwerkbesluit, waarvoor een omgevingsvergunning is verleend die betrekking heeft op de opslag van vuurwerk of artikel 2.2.1 waarvoor een melding is gedaan krachtens artikel 2.2.4 van het Vuurwerkbesluit voorhanden heeft gehad.

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten zijn verbeterd. Blijkens het verhandelde op de terechtzitting is verdachte daardoor niet geschaad in zijn verdediging.

Hetgeen aan verdachte onder 1 en 2 meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

4. Kwalificatie en strafbaarheid van de feiten

Het bewezenverklaarde levert op:

ten aanzien van feit 1:

opzettelijke overtreding van een voorschrift gesteld krachtens artikel 9.2.2.1 van de Wet milieubeheer

en

opzettelijke overtreding van een voorschrift gesteld krachtens artikel 9.2.2.1 van de Wet milieubeheer, in eendaadse samenloop gepleegd;

ten aanzien van feit 2:

opzettelijke overtreding van een voorschrift gesteld krachtens artikel 9.2.2.1 van de Wet milieubeheer.

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is derhalve strafbaar.

5. Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is derhalve strafbaar.

6. Motivering van de sanctie

6.1. Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot de oplegging van gevangenisstraf voor de duur van vijftien (15) maanden, met aftrek van het ondergane voorarrest, waarvan vijf (5) maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie (3) jaren.

6.2. Standpunt van de verdediging

De raadsman van verdachte heeft zich – kort en zakelijk weergegeven en zoals vervat in pagina 5 t/m 8 van zijn pleitnotitie – op het standpunt gesteld, dat met betrekking tot de gevaarzetting onvoldoende vast kan worden gesteld hoe zwaar het vuurwerk is geweest en in welke categorie het valt, zodat verdachte het voordeel van de twijfel dient te krijgen en van de minst zware categorie dient te worden uitgegaan en aan verdachte slechts een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf conform de duur van het voorarrest en een taakstraf voor de duur van maximaal 240 uren dient te worden opgelegd. Daartoe heeft de raadsman aangevoerd, dat de aangetroffen 6 inch shells (mortierbommen) zelf niet zijn onderzocht en de door het NFI onderzochte 6 inch shells compleet ander vuurwerk betreft. Ten aanzien van de 1.480 bangers geldt dat deze door de politie op pagina 164 in lijst III zijn ingedeeld nu het meer dan 6,0 gram netto explosieve massa (hierna: NEM) betreft, terwijl uit het onderzoek op pagina 174 blijkt dat het om 4,5 gram NEM gaat. Ten aanzien van de vuurpijlen blijkt dat deze door de politie op pagina 164 eveneens op lijst III zijn geplaatst en het om 27,0 gram NEM gaat, terwijl de door het NFI onderzochte vuurpijlen 50,0 gram NEM betreffen.

6.3. Oordeel van de rechtbank

Bij de beslissing over de sancties die aan verdachte moeten worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting en de bespreking aldaar van het beknopte reclasseringsadvies betreffende verdachte gedateerd 4 november 2014, opgesteld door dhr. [naam], als reclasseringswerker verbonden aan Reclassering Nederland, is gebleken.

6.4. Hoofdstraf

In het bijzonder heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben en de opslag van een grote hoeveelheid professioneel vuurwerk dat bestemd was voor particulier gebruik. Verdachte heeft in totaal ongeveer 1.700 kilogram illegaal vuurwerk voorhanden gehad waarbij het ging om zeer gevaarlijk vuurwerk van de zwaarste categorieën. Zulk vuurwerk kan massa-explosief reageren waardoor de gehele voorraad explodeert op nagenoeg hetzelfde moment met een geweldige kracht. Het voorhanden hebben van illegaal vuurwerk is extreem gevaar zettend. Afgezien van de brandgevaarlijkheid bij de opslag, brengt het tot ontbranding brengen van illegaal vuurwerk enorme risico’s met zich mee, niet slechts voor degene die het vuurwerk tot ontbranding brengt, maar ook voor eventuele omstanders. Te denken valt aan onder meer gehoorbeschadiging, oogletsel en verminking van ledematen. Het heeft verdachte er evenwel niet van weerhouden dergelijk zwaar vuurwerk te kopen en daarbij zeer grote risico’s te nemen. Zo heeft verdachte met het vervoeren van 43,0 kilogram zwaar professioneel vuurwerk enorme risico’s genomen nu het vuurwerk werd verplaatst over de openbare weg in een niet daartoe ingerichte en uiterlijk gekenmerkte bestelbus. Ook de overige grote hoeveelheid vuurwerk is op enig moment naar de opslag in de loods vervoerd. Verdachte heeft bij het plegen van deze feiten puur uit winstbejag gehandeld hetgeen de rechtbank verdachte zwaar aanrekent temeer verdachte in 2005 al eerder is betrapt met illegaal vuurwerk en zich weer heeft laten leiden door puur winstbejag teneinde opnieuw te gaan handelen in illegaal vuurwerk.

De rechtbank volgt de raadsman van verdachte niet ten aanzien van het door hem gevoerde strafmaatverweer en overweegt daartoe als volgt. Ten aanzien van de negen onder verdachte aangetroffen 6 inch shells (mortierbommen) blijkt inderdaad dat deze niet zijn voorzien van een artikelnummer dan wel voorzien zijn van een ander artikelnummer dan de door het NFI onderzochte type 6 inch shells op pagina 223van het proces-verbaal. Deze shells zijn echter wel door de politie zelf onderzocht. De rechtbank stelt vast dat uit dat onderzoek blijkt dat de bij verdachte aangetroffen shells blijkens pagina 166 van het proces-verbaal een NEM van 1.233,0 gram bevatten, terwijl de door het NFI onderzochte shells een NEM van 1.100,0 gram NEM bevatten, zodat de door de politie onderzochte shells zelfs een hogere NEM bevatten en dus in de zwaardere categorie vallen. Daar komt bij dat shells blijkens pagina 167 van het proces-verbaal per definitie professioneel vuurwerk betreffen. Met betrekking tot de 1.480 bangers is de rechtbank eveneens van oordeel dat deze tot de zwaardere categorie professioneel vuurwerk behoren. Immers bevatten deze weliswaar minder dan 6,0 gram NEM, maar blijkens pagina 164 van het proces-verbaal vallen bangers onder lijst III indien ‘meer dan 6 gram NEM of knalvuurwerk zonder opschriften en langer dan 55 mm’. Blijkens pagina 170 en 174 van het proces-verbaal zijn de onder verdachte aangetroffen bangers 3,0 en 4,5 gram, maar zijn zij 60 mm en 80 mm lang en tevens was een deel niet voorzien van enig opschrift, zodat deze 1.480 bangers onder de zware categorie vuurwerk van lijst III vallen. Hetgeen door de raadsman ten aanzien van de vuurpijlen is aangevoerd, namelijk dat de NFI bij de vuurpijlen van 50,0 gram NEM uitgaat is feitelijk onjuist. Immers blijkt uit pagina 193 van het proces-verbaal dat de vermoedelijke lading 26,1, 27,3 en 28,4 gram betreft hetgeen overeenkomt met de circa 27,0 gram NEM welke op pagina 172 van het proces-verbaal door de politie in de vuurpijlen van verdachte zijn aangetroffen. Derhalve vallen alle drie de soorten vuurwerk naar het oordeel van de rechtbank onder zwaar professioneel vuurwerk.

Ten nadele van verdachte neemt de rechtbank enerzijds in aanmerking dat verdachte blijkens een hem betreffend Uittreksel Justitiële Documentatie gedateerd 21 januari 2015 in het verleden – alhoewel inmiddels reeds tien jaar geleden – eerder is veroordeeld ter zake van het voorhanden hebben van illegaal professioneel vuurwerk. Echter heeft de rechtbank ten voordele van verdachte in aanmerking genomen, dat verdachte door zijn houding ter terechtzitting ervan heeft blijk gegeven het laakbare van zijn eigen handelen in te zien. Door de raadsman is aangevoerd dat verdachte het vuurwerk op een afgelegen en landelijk gelegen plaats voorhanden heeft gehad en niet te midden in een druk en dicht bevolkte woonwijk. Dat neemt evenwel niet weg dat het terrein in gebruik was als loods/werkruimte, ook bij anderen dan verdachte, en dat op het terrein een woning stond die werd bewoond. De gevaarzetting voor personen is daarmee zeker niet louter denkbeeldig geweest.

De rechtbank is van oordeel dat gelet op hetgeen hiervoor is overwogen en voorts met name in de persoonlijke omstandigheden van verdachte, die als zelfstandig ondernemer zijnde de eigenaar van een restaurant met vijf werknemers in vaste dienst die afhankelijk zijn van verdachte, grond is gelegen enigszins af te wijken van de straf zoals door de officier van justitie is gevorderd. Immers is de rechtbank uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting gebleken, dat het restaurant zonder verdachte niet naar behoren functioneert, zodat de ernstige financieel problemen waarin verdachte verkeerd, er momenteel alleen maar groter op worden.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een vrijheidsbenemende straf van na te noemen duur moet worden opgelegd. De rechtbank zal echter bepalen dat een gedeelte daarvan vooralsnog niet ten uitvoer zal worden gelegd en zal daaraan een proeftijd verbinden van drie (3) jaren, opdat verdachte ervan wordt weerhouden zich voor het einde van die proeftijd schuldig te maken aan een strafbaar feit.

6.5. Bijkomende straf (verbeurdverklaring)

De rechtbank is van oordeel dat het onder verdachte in beslag genomen en niet teruggegeven voorwerp, te weten een mobiele telefoon van het merk Nokia, dient te worden verbeurd verklaard. Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de onder 3.4. bewezen verklaarde feiten met betrekking tot dat voorwerp, welke aan verdachte toebehoort, zijn begaan. Immers heeft verdachte voornoemde mobiele telefoon ontvangen van de leverancier van het vuurwerk.

6.6. Vermogensmaatregel (onttrekking aan het verkeer)

De rechtbank is van oordeel dat de onder verdachte in beslag genomen en niet teruggegeven voorwerpen, te weten 1.687,0 kilogram vuurwerk en 43,0 kilogram vuurwerk, dienen te worden onttrokken aan het verkeer. Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de onder 3.4. bewezen verklaarde feiten met betrekking tot die voorwerpen zijn begaan en het ongecontroleerde bezit van die voorwerpen is in strijd met de wet of het algemeen belang.

7. Overige beslissingen omtrent in beslag genomen en niet teruggegeven voorwerpen

De rechtbank is van oordeel dat de onder verdachte in beslag genomen en niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

- een computer van het merk Samsung B223H 2010 092522-11;

- een computer van het merk Ion330ht 9BNTX1003723;

- een computer van het merk Western Digital WCASY2913270;

- een USB stick D33193;

- een mobiele telefoon van het merk LG D802 en

- een mobiele telefoon van het merk LG G2,

dienen te worden teruggegeven aan verdachte, aangezien hij redelijkerwijs als rechthebbende kan worden aangemerkt.

8. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

14a, 14b, 14c, 33, 33a, 36b, 36c, 55 en 57 van het Wetboek van Strafrecht;

1a, 2 en 6 van de Wet op de economische delicten;

9.2.2.1 van de Wet milieubeheer;

1.1.4, 1.2.2, 1.2.4, 2.2.1, 2.2.4, 3.2.1 en 3A2.1 van het Vuurwerkbesluit en

2 en bijlage II van de Regeling aanwijzing consumenten en theatervuurwerk (RACT).

9. Beslissing

De rechtbank:

verklaart bewezen dat verdachte de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten heeft begaan zoals hiervoor onder 3.4. weergegeven;

verklaart niet bewezen wat aan verdachte onder 1 en 2 meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij;

bepaalt dat de onder 3.4. bewezen verklaarde feiten de hierboven onder 4. vermelde strafbare feiten opleveren;

verklaart verdachte hiervoor strafbaar;

veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van VEERTIEN (14) MAANDEN, met bevel dat van deze straf een gedeelte, groot ACHT (8) MAANDEN, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat verdachte voor het einde van de op DRIE (3) JAREN bepaalde proeftijd zich aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt;

bepaalt dat de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk deel van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

verklaart verbeurd:

- (5) een mobiele telefoon van het merk Nokia;

onttrekt aan het verkeer:

- (8) 1.687,0 kilogram vuurwerk en

- (9) 43,0 kilogram vuurwerk;

gelast de teruggave aan verdachte van:

- (1) een computer van het merk Samsung B223H 2010 092522-11;

- (2) een computer van het merk Ion330ht 9BNTX1003723;

- (3) een computer van het merk Western Digital WCASY2913270;

- (4) een USB stick D33193;

- (6) een mobiele telefoon van het merk LG D802 en

- (7) een mobiele telefoon van het merk LG G2.

Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door:

mr. E.M.M. Gabel, voorzitter,

mr. E.J. van Keken en mr. P.H. Lauryssen, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. S.V. Ramdharie, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van vrijdag 20 februari 2015.