Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2015:1294

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
19-02-2015
Datum publicatie
26-01-2016
Zaaknummer
AWB - 14 _ 895
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Betrokkene ontving een uitkering op grond van de Werkloosheidswet. Hij heeft zijn gewerkte uren niet volledig aan verweerder gemeld en hem wordt een boete opgelegd. Betrokkene hanteerde op grond van informatie van zijn (ex-) werkgever een onjuiste wijze van invullen van de urenbriefjes met betrekking tot de tijd–voor-tijd-uren. Hij hanteerde deze onjuiste wijze consequent, ook indien dit in zijn nadeel was. Onder meer hierin heeft de rechtbank aanleiding gezien de boete te matigen.

Wetsverwijzingen
Werkloosheidswet 27a
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Alkmaar

Bestuursrecht

zaaknummer: ALK 14/895

uitspraak van de meervoudige kamer van 19 februari 2015 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser,

(gemachtigde: mr. J.A.C.M. van Ginneken),

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder

(gemachtigde: J. Knufman).

Procesverloop

Bij besluit van 18 oktober 2013 (het primaire besluit) heeft verweerder eiser een boete opgelegd van € 1.128,60.

Bij besluit van 27 februari 2014 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 november 2014. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. De rechtbank neemt de volgende, door partijen niet betwiste, feiten als vaststaand aan. Bij besluit van 7 januari 2013 is aan eiser een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW) toegekend, met ingang van 6 december 2012. De uitkering is gebaseerd op een gemiddeld aantal arbeidsuren per week van 41,27. Vanaf 25 februari 2013 is eiser werkzaam op uitzendbasis via [naam] B.V., in een wisselend aantal uren per week.

2. Bij afzonderlijk besluit van 18 oktober 2013 heeft verweerder het recht op WW van eiser over de periode van 4 maart 2013 tot en met 19 mei 2013 herzien, omdat uit onderzoek is gebleken dat eiser niet volledig zijn gewerkte uren heeft doorgegeven. Tegen dit besluit heeft eiser bezwaar gemaakt, maar hij heeft berust in de beslissing op bezwaar waarin het primaire besluit gehandhaafd is. De herziening staat dan ook rechtens vast.

3. Het bestreden besluit gaat over de bij het primaire besluit opgelegde boete van 100% van het benadelingsbedrag, dat door verweerder is berekend op € 1.128,60.

4. Ingevolge artikel 27a, eerste lid, van de WW legt het UWV een bestuurlijke boete op van ten hoogste het benadelingsbedrag wegens het niet of niet behoorlijk nakomen door de werknemer van de verplichting, bedoeld in artikel 25. De bestuurlijke boete is niet lager dan de boete die op grond van het derde lid zou worden opgelegd indien er geen sprake was van een benadelingsbedrag.

Ingevolge het tweede lid van dit artikel wordt onder benadelingsbedrag verstaan het brutobedrag dat als gevolg van het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 25, ten onrechte of tot een te hoog bedrag aan uitkering is ontvangen

Op grond van het achtste lid van dit artikel kan het UWV:

a. de bestuurlijke boete verlagen indien sprake is van verminderde verwijtbaarheid;

b. afzien van het opleggen van een bestuurlijke boete indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn.

Ingevolge het tiende lid van dit artikel worden bij algemene maatregel van bestuur nadere regels gesteld over de hoogte van de bestuurlijke boete.

Ingevolge artikel 2, eerste lid, van het Boetebesluit socialezekerheidswetten (het Boetebesluit), zoals dit sinds 1 januari 2013 luidt, wordt de bestuurlijke boete vastgesteld op de hoogte van het benadelingsbedrag, met dien verstande dat zij op ten minste € 150 wordt vastgesteld. Bij verminderde verwijtbaarheid wordt de bestuurlijke boete verlaagd.

In artikel 2a van het Boetebesluit staan de criteria voor het aannemen van verminderde verwijtbaarheid opgesomd:

“1. Bij de bepaling van de hoogte van de bestuurlijke boete wordt de mate waarin de gedraging aan de betrokkene kan worden verweten beoordeeld naar de omstandigheden waarin betrokkene verkeerde op het moment dat hij de inlichtingenverplichting had moeten nakomen.

2. Bij de beoordeling van de mate waarin de gedraging aan de betrokkene kan worden verweten, leiden in ieder geval de volgende criteria tot verminderde verwijtbaarheid:

a. de betrokkene verkeerde in onvoorziene en ongewenste omstandigheden, die niet tot het normale levenspatroon behoren en die hem weliswaar niet in de feitelijke onmogelijkheid brachten om aan de inlichtingenverplichting te voldoen, maar die emotioneel zo ontwrichtend waren dat hem niet volledig valt toe te rekenen dat de inlichtingen niet tijdig of volledig zijn verstrekt;

b. de betrokkene verkeerde in een zodanige geestelijke toestand dat hem de overtreding niet volledig valt aan te rekenen, of

c. de betrokkene heeft wel inlichtingen verstrekt, die echter onjuist of onvolledig waren, of heeft anderszins een wijziging van omstandigheden niet onverwijld gemeld, maar uit eigen beweging alsnog de juiste inlichtingen verstrekt voordat de overtreding is geconstateerd, tenzij de betrokkene deze inlichtingen heeft verstrekt in het kader van toezicht op de naleving van een inlichtingenverplichting.”

Volgens artikel 3, eerste lid, van verweerders Beleidsregel boete werknemer 2013 (de Beleidsregel) is het basisboetebedrag gelijk aan 100% van het benadelingsbedrag.

Op grond van artikel 4 van de Beleidsregel hanteert het UWV bij de afstemming van de boete, als bedoeld in artikel 5:46, tweede en derde lid van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), het Boetebesluit. Bij de afstemming wordt de boete aangepast aan de ernst van de overtreding en de mate van verwijtbaarheid. Hierbij worden de criteria zoals genoemd in artikel 2a van het Boetebesluit in acht genomen. Daarnaast wordt ook nagegaan of sprake is van een samenloop van omstandigheden die elk op zich niet, maar in hun onderlinge samenhang beschouwd wel leiden tot verminderde verwijtbaarheid.

5.1

Eiser heeft aangevoerd dat hij de gewerkte uren conform de instructie van zijn werkgever heeft doorgegeven, waardoor hem geen verwijt valt te maken van de onjuiste opgave. Eiser heeft daarbij toegelicht dat 8 uren werk per week werden gegarandeerd en dat de overige gewerkte uren werden opgespaard voor de weken waarin geen werk was. Hij heeft daarom in elke week 8 gewerkte uren doorgegeven, ook als hij meer uren gewerkt had of als hij niet gewerkt had.

5.2

Verweerder heeft zich hierover op het standpunt gesteld dat het eiser duidelijk had kunnen en moeten zijn dat hij alle daadwerkelijk gewerkte uren moest doorgeven. Verweerder wijst daartoe op de toelichtingen bij de vragen op het wijzigingsformulier dat aan eiser is toegezonden en het inkomstenformulier dat door eiser is ingevuld. In die toelichtingen is opgenomen dat de gewerkte uren moeten worden doorgegeven.

5.3

De rechtbank overweegt als volgt. Tussen partijen is niet in geschil dat het wettelijk systeem van de WW inhoudt dat per kalenderweek de daadwerkelijk gewerkte uren worden gekort op de uitkering. De omstandigheid dat eiser heeft gehandeld op basis van onjuiste informatie van zijn werkgever is geen grond voor het oordeel dat eiser geen verwijt valt te maken. Eiser blijft immers zelf verantwoordelijk voor het verstrekken van de juiste informatie aan verweerder. Deze beroepsgrond slaagt daarom niet.

6.1

Eiser heeft vervolgens aangevoerd dat hij door zijn handelwijze verweerder niet heeft benadeeld, omdat hij de ‘opgespaarde’ uren heeft opgenomen in de weken 32 tot en met 35, toen er geen werk voor hem was. Pas nadat de tijd-voor-tijd-uren op waren, heeft hij weer een WW-uitkering aangevraagd.

6.2

Verweerder heeft zich hierover op het standpunt gesteld dat niet van belang is dat eiser eerst na het opnemen van de tijd-voor-tijd-uren opnieuw WW heeft aangevraagd. Feit blijft dat deze opgenomen uren zijn gemaakt in de periode waarin eiser een WW-uitkering ontving, waardoor benadeling heeft plaatsgevonden.

6.3

De rechtbank overweegt als volgt. Door de handelwijze van eiser heeft hij over de periode 4 maart 2013 tot en met 19 mei 2013 te veel uitkering ontvangen. Daarmee heeft hij verweerder benadeeld. De omstandigheid dat hij eerst op een later moment weer WW heeft aangevraagd dan in de situatie waarin hij de uren wel op het juiste moment had doorgegeven, maakt niet dat er geen sprake is van benadeling. Een latere start van de WW-uitkering hoeft immers niet te betekenen dat het totaalbedrag aan uitkering ook lager is, nu de duur van het recht op de WW-uitkering niet wijzigt door een latere ingangsdatum.

Met betrekking tot de omvang van de benadeling overweegt de rechtbank als volgt. Zoals uit het dossier en tijdens de zitting naar voren is gekomen heeft de handelwijze van eiser er ook toe geleid dat hij twee weken is gekort op zijn uitkering, terwijl hij feitelijk niet had gewerkt. Dit heeft geleid tot een nabetaling van WW van € 164,90. Nu de rechtbank de handelwijze van eiser als één voortgezette gedraging beschouwt, dient het bedrag van de benadeling met € 164,90 verminderd te worden.

7. Ten aanzien van de hoogte van de boete overweegt de rechtbank als volgt. In zijn uitspraak van 24 november 2014 (ECLI:NL:CRVB:2014:3754) heeft de Centrale Raad van Beroep het vanaf 1 januari 2013 geldende boeteregime, zoals hiervoor weergegeven onder 4, beoordeeld. De rechtbank gaat bij de beoordeling van de aan eiser opgelegde boete uit van deze uitspraak.

Nu bij eiser sprake is van opzet noch van grove schuld, is 50% van het benadelingsbedrag een passend uitgangspunt bij de afstemming van de boete op het aspect verwijtbaarheid. Bij een benadelingsbedrag van € 963,70 (€ 1.128,60 – € 164,90) is dat € 481,85. Bij de beantwoording van de vraag of een boete ter hoogte van dit bedrag passend is, vindt de rechtbank het volgende nog van belang. Uit overweging 5.3 volgt dat geen sprake is van verminderde verwijtbaarheid. Dit laat onverlet dat het consequent volgens het onjuiste advies handelen ook in het nadeel van eiser was, bijvoorbeeld in de weken dat hij feitelijk geen werkzaamheden verrichtte of door het later aanvragen van WW. Voorts heeft eiser inmiddels de te veel betaalde WW terugbetaald en heeft hij een periode van werkloosheid zelf gefinancierd. Gezien deze omstandigheden acht de rechtbank een boete van € 250,- in dit geval passend en evenredig.

8. Het beroep is daarom gegrond en de rechtbank vernietigt het bestreden besluit. De rechtbank zal met toepassing van artikel 8:72a van de Awb zelf in de zaak voorzien. De boete wordt vastgesteld op € 250,-.

9. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoedt. De rechtbank veroordeelt verweerder tevens in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.948,- (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, 1 punt voor het verschijnen ter hoorzitting, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 487,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;

- herroept het primaire besluit;

- legt aan eiser een boete op van € 250,-;

- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 45,- aan eiser te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.948,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. W.B. Klaus, voorzitter, en mr. M. Kraefft en mr. M.J.C. Beerse, leden, in aanwezigheid van mr. J.H. Bosveld, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 19 februari 2015.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.