Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2015:12224

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
16-09-2015
Datum publicatie
17-05-2018
Zaaknummer
132100 / HA ZA 11-591
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Inhoudsindicatie

“Aanbestedingsrecht. Onrechtmatige daad. Aanbesteding door de gemeente van onkruid- en veegbeheer op verhardingen. Na voorlichting door deskundigen heeft de rechtbank geoordeeld dat de gemeente ten onrechte het werk heeft aanbesteed aan Alba, een Duitse vennootschap. De Duitse vennootschap voldeed niet de inschrijfvoorwaarde dat zij beschikte over een aan een VCA gelijkwaardig (veiligheids)certificaat. De rechtbank heeft beslist dat de gemeente onrechtmatig heeft gehandeld jegens Van der Wiel door de inschrijving van Alba niet uit te sluiten van (verdere) deelname aan de aanbesteding van het werk. De vordering van Huiberts V.O.F. is afgewezen omdat niet is vast komen te staan dat zij een vordering heeft op de gemeente.”

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK TE ALKMAAR

Sector civiel recht

AJB/SJ/JB

zaaknummer / rolnummer: 132100 / HA ZA 11-591

Vonnis van 16 september 2015

in de zaak van

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

P.C. VAN DER WIEL B.V.,

gevestigd te Beinsdorp,

2. vennootschap onder firma

HUIBERTS V.O.F.,

gevestigd te Den Helder,

[eiser 3]

wonende te [woonplaats],

[eiseres 4]

wonende te [woonplaats],

eisers,

advocaat mr. B.M. Vijverberg, voorheen te Eindhoven, thans te Diessen, gemeente Hilvarenbeek,

tegen

de publieke rechtspersoon

DE GEMEENTE DEN HELDER,

gevestigd te Den Helder,

gedaagde,

advocaat mr. D.J.L. van Ee te Amsterdam.

Partijen zullen hierna ''de combinatie'' en ''de gemeente'' genoemd worden.

1 De procedure

1.1

Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 9 april 2014;

- het bij brief van 18 juli 2014 door de deskundigen ([deskundige 3] [deskundige 2] en [deskundige 1]) ingediende deskundigenbericht met zes bijlagen;

- de conclusie na deskundigenbericht van de zijde van de combinatie;

- de conclusies na deskundigenbericht tevens houdende vordering tot niet ontvankelijkverklaring van eisers sub 2, 3 en 4 van de zijde van de gemeente;

- de pleitaantekeningen van de zijde van de combinatie;

- de pleitaantekeningen van de zijde van de gemeente;

- het proces-verbaal van pleidooi, gehouden op dinsdag 2 juni 2015.

1.2

Ten slotte is vonnis bepaald. De inhoud van voormelde stukken geldt als hier ingelast.

2 De verdere beoordeling

2.1

In het tussenvonnis van 9 april 2014 is een onderzoek door de drie deskundigen (de heren [deskundige 3], [deskundige 2] en [deskundige 1]) bevolen ter beantwoording van de volgende vragen:

1) is, in het kader van de aanbesteding van het werk zoals vermeld onder 2.1 van het tussenvonnis van 9 mei 2012 en uitgaande van de wet- en regelgeving geldend op 28 januari 2011, de certificering van het Duitse bedrijf Alba, bestaande uit een ''Zertifikat Entsorgungsfachbetrieb'' (EfbV-certificaat), een ISO9001-certificaat alsmede aansluiting bij het ''Betreuungsvertrag SVG'', mede in acht genomen dat Alba als Duits bedrijf onderworpen is aan de Duitse wet- en regelgeving, in alle voor dit werk relevante opzichten met betrekking tot kwaliteit, veiligheid en milieu gelijkwaardig of ongelijkwaardig aan het veiligheidssysteemcertificaat volgens VCA*?

2) heeft u nog overige opmerkingen die voor de beoordeling van de zaak van belang zouden kunnen zijn?

2.2

In het deskundigenbericht wordt verantwoord hoe de deskundigen te werk zijn gegaan. Kort gezegd komt het erop neer dat ze eerst overleg hebben gevoerd over de planning en over de inhoudelijke afstemming over een te volgen werkwijze. De deskundigen zijn overeengekomen om gebruik te maken van een matrix met hierin, voor alle elementen uit de VCA*, doelstellingen, minimumeisen en vereiste documentatie. Elke deskundige heeft individueel een eigen matrix gevuld. Vervolgens heeft een bijeenkomst plaatsgevonden. Daar zijn de matrices besproken met als doel de vaststelling of sprake is van gelijkwaardigheid of ongelijkwaardigheid, vanuit het uitgangspunt dat gelijkwaardigheid niet afhangt van het voldoen aan alle details maar dat een weging van elementen daarbij van belang is. Door de drie deskundigen is tijdens de bijeenkomst vastgesteld dat de kern van de VCA* in ieder geval wordt gevormd door onderstaande elementen (vragen) uit de VCA 2008/5.1:

1: heeft het bedrijf voor alle risicovolle functies een actuele veiligheids-, gezondheids- en milieurisico-inventarisatie en -evaluatie?

2: vinden taakrisicoanalyses plaats?

3: worden LMRA's uitgevoerd vóór aanvang van werkzaamheden?

2.3

Uitkomst van het deskundigenbericht is dat de deskundigen [deskundige 3] en [deskundige 2] van mening zijn dat gelijkwaardigheid van de certificering van Alba voor de elementen die de kern van een VCA-systeem vormen niet aangetoond kan worden, en dat deskundige [deskundige 1] van mening is dat wel sprake is van gelijkwaardigheid. Volgens hem is gelijkwaardigheid voor de elementen die de kern vormen van een VCA-systeem vooral terug te vinden in de Duitse wetgeving.

2.4

[deskundige 1] heeft zijn van de meerderheid afwijkende zienswijze vastgelegd in een notitie die deel uitmaakt van het deskundigenbericht. [deskundige 2] heeft, in reactie op de zienswijze van [deskundige 1], zijn zienswijze gegeven en vastgelegd in een notitie. Ook deze notitie maakt deel uit van het deskundigenbericht.

2.5

Partijen hebben gereageerd op het deskundigenbericht, eerst direct in conceptvorm aan de deskundigen die deze reacties in het deskundigenbericht hebben verwerkt, en voorts nog eens na indiening van het definitieve deskundigenbericht in de gerechtelijke procedure, bij akte na deskundigenbericht. Tot slot heeft een pleidooi plaatsgevonden waarin partijen zich nogmaals hebben uitgelaten over het deskundigenbericht.

2.6

De rechtbank ziet zich thans voor de vraag geplaatst wat de uitkomst van het deskundigenbericht is nu twee van de drie deskundigen van mening zijn dat sprake is van ongelijkwaardigheid en één van de drie van mening is dat sprake is van gelijkwaardigheid, alsmede voor de vraag of zij, na beoordeling van door partijen eventueel opgeworpen bezwaren tegen het deskundigenbericht, de uiteindelijke uitkomst van het deskundigenbericht wel of niet overneemt. De rechtbank zal deze punten hierna bespreken. De rechtbank zal echter eerst het niet ontvankelijkheidsverweer van de zijde van de gemeente beoordelen.

ten aanzien van eisers sub 2, 3 en 4

2.7

De gemeente heeft ter onderbouwing van dat laatste verweer het volgende gesteld. De dagvaarding is uitgebracht op 14 september 2011. Toen bestond Huiberts VOF niet meer. Die vof is op 4 juli 2011 uitgeschreven uit het handelsregister en is voortgezet onder de naam Huiberts-Adams BV. Noch Huiberts vof noch haar vennoten [eiser 3] en [eiseres 4] (gedaagden sub 2, 3 en 4 in deze procedure) hebben daarom belang bij hun vorderingen. De combinatie heeft dit verweer betwist. De rechtbank zal de stellingen van partijen hierna, voor zover relevant, bespreken.

2.8

De rechtbank stelt voorop dat tussen partijen niet in geschil is dat de vof niet meer bestond ten tijde van de dagvaarding en dat de vordering van de vof op de gemeente ten tijde van de dagvaarding was overgegaan op Huiberts-Adams BV.

2.9

Van de zijde van eisers is ter zitting gesteld dat ''bij deze'' een machtiging wordt verstrekt om als procespartij op te treden. De rechtbank begrijpt dat hiermee bedoeld wordt dat Huiberts-Adams BV een machtiging verstrekt aan Huiberts vof en de vennoten [eiser 3] en [eiseres 4] om als procespartij op te treden. De gemeente heeft dit verweer betwist.

2.10

De rechtbank oordeelt als volgt. Aanwezig ter zitting was de heer [eiser 3], zowel voor zichzelf (gedaagde sub 3) als voor Huiberts vof (gedaagde sub 2). Hij is niet verschenen voor Huiberts-Adams BV die immers geen partij in deze zaak is. De rechtbank ziet daarom niet in dat en hoe hij ter plekke in de hoedanigheid van bestuurder van Huiberts-Adams BV een machtiging kon geven, nog daargelaten de vraag of en hoe een machtiging kan worden ontvangen door een op datzelfde moment niet meer bestaande vof. Dit verweer van de combinatie wordt verworpen.

2.11

De combinatie merkt voorts op dat ze aanvankelijk in de veronderstelling verkeerde dat de rechtsopvolging pas na moment van dagvaarden werd geëffectueerd en dat vanaf het moment dat werd beseft dat dat niet zo was Huiberts-Adams BV genoemd is in de processtukken, namelijk in de laatste conclusie van augustus 2014. De gemeente heeft dit verweer betwist.

2.12

De rechtbank oordeelt als volgt. Het noemen van een naam van een andere rechtspersoon in de processtukken met daarbij vermelding van de omstandigheid dat eisers sub 2, 3 en 4 in de rechtspersoon daarin zijn opgegaan verandert niets aan het feit dat Huiberts vof ten tijde van de dagvaarding geen vordering op de gemeente had. Dit verweer faalt.

2.13

Het verweer van de combinatie dat dit verweer tardief is en voor alle weren gevoerd had moeten worden, wordt verworpen. Tussen partijen is niet in geschil dat Huiberts vof betrokken is geweest bij het aanbestedingstraject. Huiberts vof heeft daarna de gestelde vordering op de gemeente overgedragen aan een andere rechtspersoon, Huiberts-Adams BV, en de vof is opgeheven. Vervolgens heeft het niet meer bestaande Huiberts vof een niet meer tot haar beschikking staande vordering ingesteld tegen de gemeente. Drie jaar na dagvaarding vermelden Huiberts vof plus vennoten voor het eerst zijdelings in de processtukken dat zij zijn opgegaan in een andere rechtspersoon, zonder expliciet te melden dat zij ten tijde van de dagvaarding niet meer als zodanig bestonden en ook geen vordering hadden op de gemeente. Als er één partij is aan wie het verwijt kan worden gemaakt dat over deze omstandigheid te laat inzicht is gegeven, is het de combinatie wel. Zij had daar, anders dan de gemeente, immers kennis van, zelfs uit de eerste hand. Hiermee verhoudt zich redelijkerwijze niet dat Huiberts vof en haar vennoten thans de gemeente verwijten deze omstandigheid te laat te hebben geconstateerd. Aan de combinatie komt geen beroep toe op tardiviteit.

2.14

De rechtbank gaat voorbij aan het verweer dat is geformuleerd onder punt 4 van de pleitaantekeningen van de zijde van de combinatie (heropening vereffening Huiberts vof). De rechtbank begrijpt niet wat hiermee bedoeld wordt en hoe hieruit zou volgen dat Huiberts vof wel een vordering op de gemeente zou hebben.

2.15

Het voorgaande betekent dat niet is komen vast te staan dat Huiberts vof, en in het verlengde daarvan de vennoten [eiser 3] en [eiseres 4], een vordering hebben op de gemeente zoals geformuleerd onder 4.1 van het vonnis van 9 mei 2012. De vordering zal, voor zover deze door hun is ingesteld, worden afgewezen.

ten aanzien van eiseres sub 1

2.16

De rechtbank zal de vordering ingesteld door Van der Wiel als enig overgebleven eiseres verder beoordelen. De rechtbank zal eiseres verder noemen ''Van der Wiel''.

2.17

Van der Wiel heeft het volgende gesteld ten aanzien van de vraag wat de uiteindelijke conclusie in het deskundigenbericht is. In het vonnis van 5 juni 2013 is bepaald dat de drie deskundigen bij meerderheid beslissen. Nu twee van de drie deskundigen [deskundige 3] en [deskundige 2]) van mening zijn dat sprake is van ongelijkwaardigheid en één ([deskundige 1]) van mening is dat sprake is van gelijkwaardigheid, is met het deskundigenbericht het bewijs geleverd dat de certificering van Alba minderwaardig is aan het veiligheidssysteem volgens VCA*. De gemeente heeft dit niet weersproken. De rechtbank is het met Van der Wiel eens dat de uiteindelijke conclusie van het deskundigenbericht is dat sprake is van ongelijkwaardigheid nu een meerderheid van de deskundigen die mening is toegedaan.

2.18

De rechtbank zal thans beoordelen of zij de mening van de meerderheid van deskundigen ([deskundige 3] en [deskundige 2]) volgt. Zij zal daartoe onder meer de door partijen opgeworpen bezwaren tegen de bevindingen van [deskundige 3] en [deskundige 2] bespreken.

2.19

Van der Wiel heeft in zijn conclusie na deskundigenbericht laten weten zich te kunnen vinden in de mening van [deskundige 3] en [deskundige 2]. De gemeente heeft een aantal bezwaren opgeworpen tegen hun mening alsook tegen het deel waarover de drie deskundigen wel overeenstemming hebben. De rechtbank zal deze hierna bespreken.

begrip gelijkwaardigheid

2.20

De gemeente heeft allereerst aangevoerd dat de bevindingen van de drie deskundigen niet of slechts beperkt bruikbaar zijn omdat hun onderzoek is uitgevoerd aan de hand van een onjuiste maatstaf. De drie deskundigen hebben een onjuiste invulling gegeven aan het begrip gelijkwaardigheid door als uitgangspunt te nemen dat sprake is van gelijkwaardigheid als Alba door wet- en regelgeving zoals aangegeven in het vonnis van 9 april 2014 wordt gedwongen te voldoen aan de vereisten van VCA* (de deskundigen noemen VCA 2008/5.1 maar de rechtbank zal ten behoeve van de consistentie met de eerdere vonnissen uitgaan van de term VCA*). Volgens de gemeente dient niet te worden beoordeeld of alle procedurele vereisten identiek zijn, maar of hetzelfde beschermingsniveau wordt gewaarborgd. Daarvoor is genoeg, zo stelt de gemeente, dat de vereisten die worden gesteld om in aanmerking te komen voor de Duitse certificaten en de Duitse wet- en regelgeving hetzelfde beschermingsniveau waarborgen als VCA*. Het is volgens de gemeente niet vereist dat de aspecten uit de VCA* expliciet worden benoemd in de Duitse wet- en regelgeving om als gelijkwaardig te kunnen worden aangemerkt. Dat is een te strenge eis die het aanbestedingsrecht niet toelaat, aldus de gemeente. Van der Wiel heeft dit verweer van de gemeente betwist.

2.21

De rechtbank verwerpt dit verweer van de gemeente. Een certificeringssysteem dient om te kunnen waarborgen dat op een bepaald gebied aan vooraf bepaalde en expliciet gemaakte kwaliteitseisen wordt voldaan. Een certificaat dient als bewijsstuk voor de kwaliteit op een bepaald gebied. Aan afgifte van een dergelijk certificaat gaat meestal een inspectie of audit op die kwaliteitseisen vooraf. De rechtbank is van oordeel dat het begrip gelijkwaardigheid zoals gedefinieerd door de deskundigen, dat door het uitgangspunt van dwang een waarborg op een bepaald resultaat (''eindeffect'') in zich heeft, zich hiermee goed verhoudt. Daarbij geldt dat de enkele verplichting die in een Duitse wet staat omschreven nog niet betekent dat Alba aan die verplichting heeft voldaan. Juist een certificaat of, zoals kennelijk in Duitsland een rapport van een veiligheidsinspecteur (zie proces-verbaal van pleidooi), toetst of ook aan die verplichting is voldaan. Niet is gebleken dat Alba rapporten van een dergelijke veiligheidsinspecteur in haar bezit heeft. De rechtbank ziet bovendien niet in dat, zoals de gemeente stelt, de deskundigen uit zijn gegaan van de noodzaak dat álle procedurele vereisten één op één identiek zijn. De deskundigen maken in hun deskundigenbericht juist expliciet dat het niet noodzakelijk is dat gelijkwaardigheid wordt aangetoond voor ieder detail maar wel voor de door hen gezamenlijk bepaalde kern van het systeem van VCA* dat wordt gevormd door een beperkt aantal elementen (zie hierboven rechtsoverweging 2.2).

beoordeling beschermingsniveau

2.22

De gemeente heeft verder aangevoerd dat de heren [deskundige 3] en [deskundige 2], die samen de beslissende meerderheid van de commissie van deskundigen vormen, per deelvraag en per certificaat nagaan of al dan niet sprake is van gelijkwaardigheid en dat uit het deskundigenbericht niet blijkt of beoordeling van het beschermingsniveau heeft plaatsgevonden noch welke afweging daarbij een rol heeft gespeeld, terwijl volgens de gemeente gelijkwaardigheid niet afhangt van het voldoen aan elk detail maar de beoordeling van het beschermingsniveau van belang is. Van der Wiel heeft dit verweer betwist.

2.23

De rechtbank ziet niet in dat, zoals de gemeente lijkt te veronderstellen, het in kaart brengen van alle elementen op zichzelf betekent dat alle elementen even zwaar zijn gewogen. Uit het deskundigenbericht blijkt ook niet dat zulks heeft plaatsgevonden. [deskundige 3] en [deskundige 2] hebben immers expliciet aangegeven dat gelijkwaardigheid voor de elementen die de kern van een VCA-systeem vormen niet aangetoond kan worden (zie hierboven onder 2.2). Hieruit blijkt naar het oordeel van de rechtbank reeds duidelijk dat deze kernelementen, alsmede daaraan nauw gerelateerde subelementen, zwaarder zijn gewogen dan andere elementen. De rechtbank verwerpt daarom dit verweer van de gemeente.

geen afweging welke eisen voor dit werk relevant

2.24

Het verweer van de gemeente dat [deskundige 3] en [deskundige 2] onvoldoende duidelijk hebben gemaakt welke door VCA* gestelde eisen specifiek voor dit werk relevant zijn, wordt ook verworpen. Uit het deskundigenbericht bladzijde 7 tweede alinea onder c blijkt dat de deskundigen zich ervan rekenschap hebben gegeven dat het werk bestaat uit straatvegen en daaraan de conclusie verbinden dat er wellicht uit volgt dat elementen verschillend moeten worden gewogen. Zoals hiervoor vastgesteld hebben de deskundigen dat ook gedaan.

gelijkwaardigheid aangenomen ten aanzien van één certificaat

2.25

De gemeente heeft verder aangevoerd dat de heren [deskundige 3] en [deskundige 2] zijn overgegaan tot beoordeling van de twee andere certificaten nadat zij voor één certificaat voor een (deel)vraag in de VCA* gelijkwaardigheid hebben aangenomen, terwijl dat niet meer nodig was.

2.26

De rechtbank laat dit verweer buiten beschouwing nu de gemeente er geen gevolgen aan heeft verbonden.

relevante Duitse wet- en regelgeving onvoldoende in ogenschouw genomen

2.27

De gemeente voert aan dat [deskundige 3] en [deskundige 2] onvoldoende gedetailleerd acht hebben geslagen op relevante Duitse wet- en regelgeving. Volgens de gemeente zijn beide deskundigen bij de beoordeling van gelijkwaardigheid niet voldoende inhoudelijk ingegaan op de Duitse wet- en regelgeving en ook niet op de daartoe door de heer [deskundige 1] gegeven vindplaatsen terwijl deze Duitse wet- en regelgeving een bepalende rol speelt bij het kader waarbinnen Alba opereert. De Arbeidsschutzgesetz en het SGB VII zijn ten onrechte niet betrokken bij het onderzoek en dus ook niet in de matrix betrokken, aldus de gemeente. Van der Wiel heeft dit verweer betwist.

2.28

De rechtbank oordeelt als volgt. [deskundige 1] heeft in zijn notitie van 11 juni 2014 een opsomming gegeven van (volgens hem relevante) Duitse wet- en regelgeving. Dat zijn, naast de EfbV die al onderwerp van onderzoek is: ArbSchG, SGB VII, ASiG, BGV, KrW/AbfG en AVV. In de matrix die als bijlage 2 bij het deskundigenbericht is overgelegd en die de uitkomsten van de bijeenkomst van 3 juni 2014 weergeeft blijkt dat in de vierde kolom een deel van deze Duitse wet- en regelgeving in de beoordeling is betrokken: ASiG, AVV, en BVG A2 (de rechtbank begrijpt dat dit laatste een consequente typefout is en dat bedoeld is BGV A2). De rechtbank maakt hieruit op dat de ASiG, AVV en BGV A2, anders dan de gemeente aanvoert, wel in de beoordeling zijn betrokken.

2.29

[deskundige 1] verwijst zelf, zoals Van der Wiel terecht opmerkt, in zijn matrix niet naar de ArbSchG en nauwelijks naar de KrW/AbfG. Bij de drie elementen waarvan de deskundigen hebben bepaald dat deze het zwaarst wegen verwijst hij naar geen van beide. Het had daarom op de weg van de gemeente gelegen om nader te onderbouwen waarom [deskundige 3] en [deskundige 2] er wel naar hadden moeten verwijzen en welk probleem is ontstaan doordat ze dat nalaten. Dat heeft de gemeente niet gedaan. De rechtbank acht dit verweer ten aanzien van ArbSchG en de KrW/AbfG dan ook onvoldoende onderbouwd.

2.30

Ten aanzien van de SGB VII geldt het volgende. Van der Wiel heeft hierover gesteld in zijn reactie aan de deskundigen (bladzijde 18 van het deskundigenbericht) dat dit een algemene wet is, die nader is uitgewerkt in de BGV die door alle deskundigen is meegenomen in het onderzoek. Gelet op deze opmerking van de zijde van der Wiel had het op de weg van de gemeente gelegen om nader te onderbouwen welke toegevoegde waarde de SGB VII heeft boven de wél door [deskundige 3] en [deskundige 2] beoordeelde BGV en welke gevolgen niet-beoordeling van de SGB VII heeft. Dat heeft de gemeente echter niet gedaan. De rechtbank acht het verweer ten aanzien van de SGB VII ook onvoldoende onderbouwd.

2.31

Gelet op het voorgaande verwerpt de rechtbank dit verweer van de gemeente.

zelfstandige beoordeling Duitse wet- en regelgeving

2.32

De gemeente heeft tot slot gesteld dat, kort samengevat, de heren [deskundige 3] en [deskundige 2] niet in staat zijn om zelfstandig onderzoek te doen naar de gelijkwaardigheid van de Duitse wet- en regelgeving omdat ze daar de vaardigheden niet voor hebben. Volgens de gemeente dient daarom minder belang te worden gehecht aan de mening van [deskundige 3] en [deskundige 2] dan aan de mening van [deskundige 1]. Voorts stelt de gemeente dat de heer [deskundige 3] gelet op het feit dat hij is voorgesteld door de heer [deskundige 2], in feite gezien moet worden als deskundige van de zijde van Van der Wiel. Van der Wiel heeft dit verweer betwist.

2.33

De rechtbank passeert dit verweer. Bij vonnis van 9 april 2014 is beslist dat de deskundigen bij meerderheid van stemmen beslissen (dictum onder 3.7). Voorts merkt de rechtbank op dat de gemeente bij akte uitlating benoeming deskundige van 29 januari 2014 heeft laten weten akkoord te gaan met de heer [deskundige 3]. Daarbij heeft de gemeente geen voorbehoud gemaakt. Tot slot past de wijze waarop de heer [deskundige 3] door beide deskundigen is benoemd in de wijze die de rechtbank voor ogen had om een derde deskundige te vinden.

resumerend

2.34

De drie deskundigen hebben naar het oordeel van de rechtbank een gedegen en gedetailleerd overzicht gemaakt van de relevante te beoordelen elementen, en hebben voldoende onderbouwd op grond waarvan zij zijn gekomen tot de conclusie om aan drie van deze elementen een zwaarwegender rol te geven omdat deze de kern van de VCA* vormen. De heren [deskundige 3] en [deskundige 2] hebben naar het oordeel van de rechtbank goed gemotiveerd op grond waarvan zij komen tot de conclusie van ongelijkwaardigheid. Gelet op al het hiervoor vermelde en gelet op het eerder geformuleerde uitgangspunt dat de deskundigen bij meerderheid beslissen, zal de rechtbank de conclusie van [deskundige 3] en [deskundige 2] overnemen en tot de hare maken.

2.35

Dat betekent dat Van der Wiel erin is geslaagd het bewijs te leveren van zijn stelling dat Alba geen aan VCA* gelijkwaardige certificaten heeft overgelegd.

2.36

Onder verwijzing naar hetgeen reeds is overwogen onder 4.10 tot en met 4.10.3 van het vonnis van 9 mei 2012 betekent dit dat het gevorderde onder I en II van het petitum, voor zover gegrond op onrechtmatige daad, voor toewijzing gereed ligt, voor zover door Van der Wiel gevorderd.

2.37

Van der Wiel is in het gelijk gesteld. Huiberts vof, [eiser 3] en [eiseres 4] (hierna: Huiberts c.s.) zijn in het ongelijk gesteld. De gemeente is jegens Van der Wiel in het ongelijk gesteld en jegens Huiberts c.s. in het gelijk gesteld. De rechtbank ziet in het voorgaande aanleiding om de gemeente te veroordelen in de proceskosten van Van der Wiel en deze proceskosten vast te stellen op een kwart van de totale proceskosten van gedaagden (het aandeel van Van der Wiel) inclusief de kosten van het deskundigenbericht, en Huiberts c.s. te veroordelen in de proceskosten van de gemeente voor zover deze zien op Huiberts c.s., en deze vast te stellen op drie kwart van de totale proceskosten van de gemeente (het aandeel van Huiberts c.s.) inclusief het deskundigenbericht.

2.38

De proceskosten van Van der Wiel worden tot heden begroot op:

kosten dagvaarding (¼ x € 76,31) € 19,08

griffierecht (¼ x € 560,00) € 140,00

kosten deskundigenbericht (¼ x € 17.614,21) € 4.403,55

salaris advocaat (¼ x € 1808,00; 4 pt tarief II à € 452,00) € 452,00

totaal € 5.014,63.

De rechtbank zal de gemeente veroordelen dit bedrag aan Van der Wiel te betalen.

2.39

De proceskosten van de gemeente jegens Huiberts c.s. worden tot heden begroot op:

griffierecht (¾ x € 560,00) € 420,00

salaris advocaat (¾ x € 2.260,00; 5 pt tarief II à € 452,00) € 1.695,00

totaal € 2.115,00.

De rechtbank zal Huiberts c.s. veroordelen dit bedrag aan de gemeente te betalen. Voorts zal de rechtbank bepalen dat de kosten voor het deskundigenbericht, zijnde ¾ x € 17.614,21 = € 13.210,66 bij Huiberts c.s. zullen blijven, nu Huiberts c.s. het voorschot hebben betaald.

2.40

De gemeente vordert dat Huiberts c.s. worden veroordeeld om te voldoen de wettelijke rente over de proceskosten. Deze vordering is toewijsbaar zoals vermeld in het dictum.

3 De beslissing

De rechtbank

3.1

verklaart voor recht dat de gemeente jegens Van der Wiel onrechtmatig heeft gehandeld door de inschrijving van Alba niet uit te sluiten van (verdere) deelname aan de aanbesteding van het werk.

3.2

veroordeelt de gemeente om aan Van der Wiel te vergoeden de door Van der Wiel als gevolg van de onrechtmatige daad van de gemeente geleden en nog te lijden schade, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet.

3.3

wijst de vorderingen van Huiberts vof, [eiser 3] en [eiseres 4] af.

3.4

veroordeelt de gemeente in de kosten van dit geding aan de zijde van Van der Wiel, tot op deze uitspraak begroot op € 5.014,63.

3.5

veroordeelt Huiberts vof, [eiser 3] en [eiseres 4] in de kosten van dit geding aan de zijde van de gemeente, tot op deze uitspraak begroot op € 2.115,00, te voldoen binnen 14 dagen na betekening van dit vonnis, bij gebreke waarvan voormeld bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente met ingang van de vijftiende dag na de betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling, en bepaalt daarbij dat de kosten voor het deskundigenbericht voor het bedrag van € 13.210,66 bij Huiberts vof, [eiser 3] en [eiseres 4] zullen blijven.

3.6

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

3.7

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. S.M. Jongkind-Jonker en in het openbaar uitgesproken op 16 september 2015.