Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2015:12201

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
29-12-2015
Datum publicatie
25-01-2018
Zaaknummer
3455994 CV EXPL 14-10704
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Compensatie voor vertraging vlucht toegewezen.

Weersomstandigheden op voorgaande vlucht. Besluiten luchtverkeersleiding

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Prg. 2018/65
NTHR 2018, afl. 2, p. 115
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Afdeling Privaatrecht

Sectie Kanton – locatie Haarlem

zaak/rolnr.: 3455994 \ CV EXPL 14-10704

datum uitspraak: 29 december 2015

VONNIS VAN DE KANTONRECHTER

inzake

  1. [passagier]

  2. [passagier]

beiden te [woonplaats]

eisers

hierna te noemen de passagiers

gemachtigde mr. I.G.B. Martzdorff en mr. L.J.J. Hoezen (EUclaim)

tegen

de commanditaire vennootschap

Transavia Airlines C.V.

te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer

gedaagde

hierna te noemen Transavia

gemachtigde mr. M. Reevers

Het verdere verloop van de procedure

De kantonrechter heeft de passagiers bij vonnis van 11 augustus 2015 in de gelegenheid gesteld te reageren op de door Transavia bij haar conclusie van dupliek overgelegde producties. De passagiers hebben dit gedaan in een akte op de rol van 3 november 2015. Transavia heeft in een brief van 23 november 2015 bezwaar gemaakt tegen de in de akte opgenomen stellingen die niet zien op die producties. Vonnis is (nader) bepaald op vandaag.

De feiten

  1. De passagiers hebben met Transavia een vervoersovereenkomst gesloten op grond waarvan Transavia de passagiers zou vervoeren van Marrakech (Marokko) naar Rotterdam Airport, Nederland, op 24 december 2013 met vertrektijd 10.45 uur (lokale tijd) en aankomsttijd 15.35 uur (lokale tijd), vluchtnummer HV 5682, hierna: de vlucht.

  2. De vlucht heeft een vertraging van meer dan drie uur opgelopen.

  3. De gemachtigde van de passagiers heeft vanaf 23 april 2014 compensatie van
    € 400,-- per passagier van Transavia gevorderd in verband met voornoemde vertraging.

  4. Transavia heeft geweigerd dit bedrag te betalen.

De vordering

De passagiers vorderen dat Transavia bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis veroordeeld zal worden tot betaling van:
- € 800,--, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf

24 december 2013 tot aan de dag der algehele voldoening;
- € 181,50 aan buitengerechtelijke incassokosten te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 23 april 2014 of datum dagvaarding, dit alles met veroordeling van Transavia in de proceskosten, waaronder de nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf
14 dagen na wijzen van dit vonnis.

De passagiers leggen aan de vordering ten grondslag de Verordening (EG) nr. 261/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 11 februari 2004 tot vaststelling van gemeenschap-pelijke regels inzake compensatie en bijstand aan luchtreizigers bij instapweigering en annu-lering of langdurige vertraging van vluchten en tot intrekking van de verordening (EEG) nr. 295/91 (hierna: de Verordening) en onder meer het Sturgeon‑arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Europese Hof) van 19 november 2009. De passagiers stellen dat Transavia vanwege de vertraging van de vlucht gehouden is hen te compenseren conform artikel 7 van de Verordening tot een bedrag van € 400,-- per passagier. Daarnaast maken de passagiers aanspraak op de wettelijke rente over de hoofdsom, de buitengerechtelijke kosten en de wettelijke rente over de kosten, als schadevergoeding aan hen te voldoen.

Het verweer

Transavia concludeert tot afwijzing van de vordering. Daartoe voert Transavia - kortweg - het volgende aan. De passagiers hebben ingevolge artikel 5 lid 3 van de Verordening geen recht op compensatie, omdat de vertraging te wijten is aan een buitengewone omstandigheid, te weten weersomstandigheden op een voorgaande vlucht die de vlucht in kwestie verhinderden (overeenkomstig overweging 14 in de Verordening), en een besluit van luchtverkeersbeheer (overeenkomstig overweging 15 in de Verordening) dat gold voor het toestel op de dag dat dit de onderhavige vlucht uitvoerde. Transavia heeft geen invloed kunnen uitoefenen op de onderhavige omstandigheden. Transavia onderbouwt haar verweer met onder andere nieuwsberichten over de storm op 24 december 2013, de METAR-berichten voor Rotterdam en Amsterdam rond het geplande tijdstip van vertrek van
vlucht HV 5681, de operations limitations voor het onderhavige toestel (een Boeing 737),
de managements-rapportage en een verklaring van de gezagvoerder op de vlucht
HV 5681 / HV 5682. Transavia betwist daarnaast de gevorderde rente en buitengerechtelijke kosten te zijn verschuldigd. Transavia verzoekt ten slotte de passagiers te veroordelen in de proceskosten en de nakosten.

De beoordeling

  1. De kantonrechter heeft geen acht geslagen op het in de laatste akte van de passagiers opgenomen commentaar dat niet ziet op de door Transavia in haar laatste conclusie overgelegde producties. Terecht heeft Transavia immers bezwaar gemaakt tegen die extra uitlatingen. Bij akte mocht alleen commentaar worden gegeven op die producties en het is juist niet de bedoeling het in de eerdere twee schriftelijke rondes gevoerde debat voort te zetten.

  2. De zaak gaat er in de kern over of sprake was van weersomstandigheden op een voorgaande vlucht en daarmee een buitengewone omstandigheid en of is komen vast te staan dat een besluit van het luchtverkeersbeheer voor een specifiek toestel - het toestel dat de vlucht uitvoerde - op een specifieke dag een langdurige vertraging heeft veroorzaakt.

3. In de considerans van de Verordening heeft de gemeenschapswetgever erop gewezen dat buitengewone omstandigheden zich met name kunnen voordoen in geval van bijvoorbeeld weersomstandigheden die uitvoering van de vlucht in kwestie verhinderen. Op grond van artikel 5 lid 3 van de Verordening is de luchtvaartmaatschappij niet verplicht compensatie als bedoeld in artikel 7 te betalen, indien zij kan aantonen dat de annulering of vertraging het gevolg is van buitengewone omstandigheden die ondanks het treffen van alle redelijke maatregelen niet voorkomen konden worden.

4. Het Europese Hof heeft in zijn arrest Wallentin-Hermann van 22 december 2008 in rechtsoverweging 40 overwogen dat, aangezien niet alle buitengewone omstandigheden aanleiding geven tot vrijstelling, de luchtvaartmaatschappij die zich op dergelijke omstandigheden beroept bovendien moet aantonen dat de genoemde omstandigheden hoe dan ook niet voorkomen hadden kunnen worden door het treffen van aan de situatie aangepaste maatregelen, dat wil zeggen maatregelen die op het tijdstip van de buiten-gewone omstandigheden met name voldoen aan voor de betrokken luchtvaartmaat-schappij aanvaardbare technische en economische voorwaarden. In rechtsoverweging 41 heeft het Europese Hof overwogen dat de vervoerder dient aan te tonen dat hij zelfs met inzet van alle beschikbare materiële en personeelsmiddelen kennelijk niet had kunnen vermijden - behoudens indien hij op het relevante tijdstip onaanvaardbare offers uit het oogpunt van de mogelijkheden van zijn onderneming had gebracht - dat de buiten-gewone omstandigheden waarmee hij werd geconfronteerd tot annulering - en na het Sturgeonarrest - tot langdurige vertraging van de vlucht leidden.

5. Volgens Transavia heeft de aan de vlucht in kwestie voorafgaande vlucht HV 6318 van Madrid naar Rotterdam niet op Rotterdam kunnen landen een op 24 december 2013 woedende storm met windstoten boven Rotterdam tot 53 knopen (100 kilometer per uur). Door deze storm - de windkracht en de windrichting - werd de normale uitvoering van het vliegverkeer op vliegveld Rotterdam ernstig verstoord. Daardoor kon het toestel dat vlucht HV 6318 uitvoerde niet op (de enige landingsbaan van) Rotterdam landen. Na contact met de luchtverkeersleiding heeft de gezagvoerder besloten uit te wijken naar Amsterdam Schiphol Airport (Schiphol). Op de luchthaven van Rotterdam was geen vervangend toestel beschikbaar en de storm bleef aanhouden, zodat is besloten met het onderhavige toestel nog steeds de geplande rotatie Schiphol - Marrakech - Rotterdam (HV 5681/ HV 5682) te maken. Daarvoor zijn de passagiers met bussen van Rotterdam naar Amsterdam vervoerd. Het vertrek uit Amsterdam naar Marrakech moest echter als gevolg van een besluit van de luchtverkeersleiding worden uitgesteld in afwachting van verbetering van de weersomstandigheden. De toegestane windsnelheid bedroeg volgens de operations limitations voor het onderhavige toestel 33 knopen en op het geplande tijdstip van vertrek van Schiphol bedroeg de windsnelheid 47 knopen. Toestellen (waaronder het onderhavige toestel) moesten wachten op bufferplaatsen en vliegtuigtrappen konden door de windstoten niet tegen de toestellen worden geplaatst. Daardoor liep de afhandeling van de vluchten op Schiphol vertraging op, hetgeen de gezagvoerder van de vlucht in kwestie heeft verklaard. Omdat de vlucht van Schiphol naar Marrakech uiteindelijk pas om 15:01 uur (lokale tijd) kon vertrekken, heeft óók de vlucht in kwestie van Marrakech naar Rotterdam vertraging opgelopen.

6. De kantonrechter stelt voorop dat uit de door Transavia overgelegde stukken blijkt dat op 24 december 2013 een storm boven Nederland heeft gewoed waardoor het toestel dat de voorgaande vlucht zou uitvoeren niet op tijd van Rotterdam (later Amsterdam) naar Marrakech kon vertrekken. Anders dan Transavia betoogt werkt deze omstandigheid niet door op de vlucht in kwestie, aangezien de vlucht van Marrakech naar Rotterdam niet als (onderdeel) van de vlucht in kwestie kan worden beschouwd. Evenmin is komen vast te staan dat besluiten van het luchtverkeersbeheer voor dat het toestel de vertraging hebben veroorzaakt. Van Transavia mocht worden verwacht dat zij haar verweer met berichten of een verklaring van de verkeersleiding onderbouwt en dat heeft zij nagelaten. De verklaring van de gezagvoerder en de algemene berichtgeving van internet over de maatregelen op de luchthavens van Rotterdam en Amsterdam zijn ontoereikend. Het verweer van Transavia wordt dan ook verworpen. Daardoor komt de kantonrechter ook niet toe aan beantwoording van de vraag of Transavia alle redelijke maatregelen heeft getroffen om de gevolgen van een eventuele vertraging te voorkomen.

7. Het voorgaande brengt mee dat het beroep van Transavia op artikel 5 lid 3 van de Verordening strandt, zodat de hoofdsom, gelet op de afstand van de vlucht en de duur van de vertraging zal worden toegewezen. Dit geldt ook voor de gevorderde wettelijke rente vanaf de datum van de vlucht, omdat de vertraging (het verzuim) op dat moment is ingetreden.

8. De passagiers hebben een bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten gevorderd. De passagiers hebben onvoldoende weersproken gesteld dat verhaalbare buitengerechtelijke kosten niet onder de dekking van hun verzekeringspolis vallen, zodat de kantonrechter uitgaat van de juistheid van deze stelling. Nu de onderhavige vordering niet ziet op een verbintenis uit overeenkomst tot betaling van een geldsom of een verbintenis tot vergoeding van schade, vastgelegd in een vaststellingsovereenkomst of een verbintenis tot betaling van geldsom omgezet in verbintenis tot vervangende schadevergoeding in de zin van artikel 6:87 Burgerlijk Wetboek (BW), dient voor de vaststelling van de hoogte van de incassokosten te worden aangeknoopt bij het rapport Voorwerk II. De kantonrechter oordeelt voorts dat de door de gemachtigde van de passagiers verrichte werkzaamheden meer hebben omvat dan de verzending van een enkele (eventueel herhaalde) aanmaning, het enkel doen van een schikkingsvoorstel, het inwinnen van eenvoudige inlichtingen of het op gebruikelijke wijze samenstellen van het dossier. Dit betekent dat het gevorderde bedrag, dat in overeenstemming is met de kantonrechter-staffel van het rapport Voorwerk II, voor toewijzing vatbaar is. De gevorderde rente over de buitengerechtelijke kosten is eveneens toewijsbaar, met dien verstande dat de wettelijke rente wordt toegewezen vanaf de dag van de dagvaarding, omdat niet is gesteld wanneer het verzuim van Transavia is ingetreden.

9. Transavia wordt veroordeeld in de proceskosten, omdat zij ongelijk krijgt. De nakosten komen eveneens voor rekening van Transavia, voor zover deze kosten daadwerkelijk door de passagiers worden gemaakt. De gevorderde rente over de toe te wijzen proceskosten vanaf datum vonnis is niet toewijsbaar, omdat Transavia ten aanzien van deze kosten op dit moment nog niet in verzuim is. Daarom wordt de gevorderde rente toegewezen met ingang van de datum gelegen 14 dagen na betekening van dit vonnis


De beslissing

De kantonrechter:

- veroordeelt Transavia tot betaling aan de passagiers van € 981,50 te vermeerderen met de wettelijke rente over € 800,-- vanaf 24 december 2013 en over € 181,50 vanaf 3 juli 2014, telkens tot de dag van algehele voldoening;

- veroordeelt Transavia tot betaling van de proceskosten die aan de kant van de passagiers tot en met vandaag worden begroot op de volgende bedragen:

dagvaarding € 93,80

griffierecht € 219,--

salaris gemachtigde € 300,--;

- veroordeelt Transavia tot betaling van de nakosten, die worden begroot op € 75,--, voor zover deze kosten daadwerkelijk door de passagiers worden gemaakt;

- verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. C.A. van Dijk en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van bovengenoemde datum in aanwezigheid van de griffier.

Coll.