Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2015:12200

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
27-05-2015
Datum publicatie
29-11-2017
Zaaknummer
3638564
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Eiser heeft in opdracht van gedaagde gerechtelijke incassowerkzaamheden verricht. Gedaagde heeft de opdracht tussentijds ingetrokken. Dit betekent echter niet dat gedaagde geen honorarium en overige kosten aan eiser hoeft te voldoen. Gedaagde heeft immers het beleid Dagvaardingsprocedure en de algemene voorwaarden van eiser geaccepteerd.

De tegenvordering van gedaagde wordt afgewezen. De voorschotfacturen zijn niet onverschuldigd betaald en van verzuim aan de zijde van eiser is geen sprake.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2017/6285
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Afdeling Privaatrecht

Sectie Kanton – locatie Haarlem

zaak/rolnr.: 3638564 \ CV EXPL 14-12879

datum uitspraak: 27 mei 2015

VONNIS VAN DE KANTONRECHTER

inzake

Invorderingsbedrijf B.V.

te 's-Gravenhage

eiseres in conventie

verweerster in reconventie

hierna te noemen: IVB

gemachtigde: mr. J.J.F.M. Konings

tegen

[gedaagde] , h.o.d.n. [handelsnaam]

wonende te [woonplaats]

gedaagde in conventie

eiser in reconventie

hierna te noemen: [gedaagde]

procederend in persoon

In conventie en in reconventie

De procedure

IVB heeft [gedaagde] gedagvaard op 19 november 2014. [gedaagde] heeft schriftelijk geantwoord en heeft een reconventionele vordering ingesteld. IVB heeft een conclusie van antwoord in reconventie genomen en nadere producties overgelegd. Bij tussenvonnis van 14 januari 2015 heeft de kantonrechter een comparitie van partijen gelast, die op 27 februari 2015 heeft plaatsgevonden. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat partijen verder naar voren hebben gebracht. Ten slotte is vonnis bepaald.

De feiten

a. In januari 2013 heeft [gedaagde] aan IVB een opdracht verstrekt tot het verrichten van buitengerechtelijke incassowerkzaamheden.

b. IVB hanteert Algemene Leveringsvoorwaarden (hierna: de algemene voorwaarden). In de algemene voorwaarden is, voor zover hier relevant, bepaald:

“9.3 Indien Cliënt een incasso-opdracht intrekt (…), de betaling zelf regelt, dan wel een verdere incassobehandeling in de weg staat, is het Invorderingsbedrijf niettemin gerechtigd over de gehele haar ter incasso gestelde vordering 15% commissie, een bedrag van € 25,- (exclusief BTW) aan registratiekosten en overige kosten – waaronder onder meer alle verschuldigde kosten van derden, zoals buitendienst, leges, proces- en executiekosten – in rekening te brengen. (…)

20.4

Indien een dossier wordt gesloten, wordt een eindafrekening gemaakt waarop aan Cliënt in rekening wordt gebracht de toegewezen incassokosten, rente, salaris gemachtigde, honorarium en kosten van derden, vermeerderd met eventuele overige toegekende vergoedingen en gemaakte kosten.”

c. Bij brief van 6 februari 2013 heeft IVB [gedaagde] bericht dat de debiteur van [gedaagde] (hierna: de debiteur) ondanks herhaalde sommaties niet aan zijn betalingsverplichtingen had voldaan. In de brief staat, voor zover hier relevant:

“Gaarne hoor ik van u of u het dossier wilt sluiten of dat u het dossier wilt voortzetten door middel van dagvaarding. (…)

De investering verbandhoudende met de dagvaardingsprocedure bedraagt voor het opstellen van de dagvaarding €204,- excl. BTW en voor het uitbrengen van de dagvaarding door de deurwaarder €108,- excl. BTW, te verhogen met griffierecht. Het wettelijke griffierecht is afhankelijk van uw rechtsvorm en de hoogte van de vordering en bedraagt thans €213,-. Alle kosten worden zoveel mogelijk verhaald op de debiteur. (…)

Bijgesloten heb ik voor u het beleid Dagvaardingsprocedure.”

d. Onderaan deze brief staat:

“Onze algemene voorwaarden zijn van toepassing. Een exemplaar vindt u op de website en wordt u op verzoek kosteloos toegezonden.”

e. In het in de voornoemde brief vermelde beleid Dagvaardingsprocedure van IVB (hierna: het beleid dagvaardingsprocedure) staat onder meer:

“Uw debiteur voert verweer

Het is mogelijk dat uw debiteur na het betekenen van de dagvaarding op enig moment verweer voert. In dit geval geldt alsdan mijn gematigde uurtarief van € 185,- excl. BTW, naast de vaste vergoeding voor het opstellen van de dagvaarding van € 204,- excl. BTW en voor het uitbrengen van de dagvaarding door de deurwaarder € 108,- excl. BTW. (…)

Indien uw debiteur verweer voert en er wordt een vonnis gewezen, dan sommeer ik uw debiteur in geval van een vonnis om alsnog aan het vonnis te voldoen. (…)

Op alle werkzaamheden zijn van toepassing de Algemene Voorwaarden van Het Invorderingsbedrijf, te vinden via www.invorderingsbedrijf.nl.”

f. Op 9 juli 2013 heeft [gedaagde] een bericht geplaatst in het online portaal van IVB, waarmee hij IVB opdracht heeft gegeven de dagvaardingsprocedure tegen de debiteur te starten. In het bericht staat, voor zover hier relevant:

Ik wil de vordering op [debiteur] doorzetten. Ook het gerechtelijke traject. (…) Nu dus graag de vordering binnenhalen, wat er ook maar voor nodig is.”

g. Bij factuur van 9 juli 2013 heeft IVB [gedaagde] conform het beleid dagvaardingsprocedure een bedrag van € 590,52 (inclusief btw) in rekening gebracht voor het opstellen en uitbrengen van de dagvaarding en het griffierecht. [gedaagde] heeft de factuur zonder protest voldaan.

h. Op 16 december 2013 heeft IVB aan [gedaagde] een voorschotfactuur doen toekomen van € 1.119,25 (inclusief btw) aan honorarium voor de te verrichten werkzaamheden. [gedaagde] heeft deze factuur voldaan.

i. In de betreffende procedure heeft de debiteur verweer gevoerd. In aanwezigheid van IVB heeft vervolgens een comparitie van partijen plaatsgevonden, waarna [gedaagde] bij vonnis van rechtbank Noord-Holland van 20 maart 2014 (hierna: het vonnis) in het gelijk is gesteld. In het vonnis is de debiteur veroordeeld aan [gedaagde] een bedrag van € 7.167,66 te betalen, vermeerderd met wettelijke (handels)rente en € 819,13 aan proceskosten.

j. Bij factuur van 20 maart 2014 heeft IVB, nadat het door [gedaagde] betaalde voorschot daarop in mindering was gebracht, voor haar werkzaamheden een bedrag van € 541,72 (inclusief btw) aan honorarium in rekening gebracht. [gedaagde] heeft de factuur onbetaald gelaten.

k. Bij brief van 1 april 2014 aan IVB heeft [gedaagde] geklaagd over de behandeling van zijn zaak door IVB. In de brief staat onder meer:

“Ik heb u al diverse malen laten weten dat de communicatie te wensen over laat. (…)

Uw informatiesysteem (…) is onvolledig (…). Ik ga niet akkoord met uw declaraties en de wijze van factureren. (…) Ik behoud mij alle rechten voor en zal u in de komende week (…) een voorstel sturen hoe ik denk dat we e.e.a. met elkaar kunnen oplossen.”

l. Vervolgens heeft [gedaagde] bij brief van 22 april 2014 onder meer het volgende aan IVB geschreven:

“Vanaf 20 april 2014 jl. onthef ik u van elke behandeling van de onderhavige incassozaak. (…)

Zo nodig met terugwerkende kracht en in ieder geval per 20 april 2014 is de samenwerking met Invorderingsbedrijf b.v., als daar al sprake van was, opgezegd. (…) Uw handelswijze in deze zaak is aantoonbaar nalatig en u heeft daarmee wanprestatie geleverd.”

m. Naar aanleiding van de voornoemde brief heeft IVB het dossier van [gedaagde] op 24 april 2014 gesloten, een eindafrekening opgemaakt en [gedaagde] een bedrag van € 1.646,53 (inclusief btw) in rekening gebracht. [gedaagde] heeft ook deze factuur onbetaald gelaten.

n. Vervolgens heeft [gedaagde] IVB bij brief van 29 april 2014 een bedrag van € 1.141,52 in rekening gebracht wegens onverschuldigde betaling van de voorschotfactuur van 16 december 2013. IVB heeft dit bedrag onbetaald gelaten.

o. Bij brief van 28 mei 2014 heeft IVB [gedaagde] in gebreke gesteld en gesommeerd de onbetaald gebleven facturen van 20 maart 2014 en 24 april 2014, vermeerderd met incassokosten, te voldoen. Dit heeft echter niet tot betaling geleid.

p. [gedaagde] heeft het vonnis vervolgens laten executeren door Hettema & van Bambost Juristen, voor welke werkzaamheden [gedaagde] € 1.261,98 heeft betaald.

De vordering in conventie

IVB vordert (samengevat) veroordeling van [gedaagde] tot betaling van in totaal € 3.064,09, bestaande uit € 2.188,25 aan hoofdsom, € 437,65 aan buitengerechtelijke incassokosten (exclusief btw) en € 346,28 aan rente, vermeerderd met verdere rente en kosten. IVB legt aan haar vordering ten grondslag dat [gedaagde] niet heeft voldaan aan zijn betalingsverplichtingen uit de door partijen gesloten overeenkomst van opdracht. [gedaagde] heeft aan IVB de opdracht verstrekt tot het verrichten van buitengerechtelijke incassowerkzaamheden. Nadat is gebleken dat de debiteur niet vrijwillig aan diens betalingsverplichtingen zou voldoen, heeft [gedaagde] IVB opdracht gegeven de debiteur in rechte te betrekken. [gedaagde] heeft in dit kader het beleid dagvaardingsprocedure geaccepteerd, waarmee partijen een uurtarief van € 185,00 (exclusief btw) zijn overeengekomen. IVB heeft de debiteur conform het voornoemde beleid in rechte betrokken, hetgeen heeft geleid tot een vonnis ten gunste van [gedaagde] . IVB heeft [gedaagde] voor de door haar verrichte werkzaamheden vier facturen gestuurd, waarvan [gedaagde] er in strijd met de tussen partijen geldende (algemene) voorwaarden twee onbetaald heeft gelaten. Nu betaling ondanks herhaalde sommatie is uitgebleven, maakt IVB voorts aanspraak op de wettelijke handelsrente, de buitengerechtelijke incassokosten en de proceskosten.

Het verweer in conventie

[gedaagde] betwist de vordering.

De vordering in reconventie

[gedaagde] vordert (samengevat) veroordeling van IVB tot betaling van € 3.072,24 vermeerderd met rente en kosten, alsmede van alle door hem te lijden (gevolg)schade. [gedaagde] legt aan de vordering ten grondslag dat hij de factuur van 16 december 2013 onverschuldigd aan IVB heeft voldaan. Daarnaast is IVB toerekenbaar tekortgeschoten in haar verplichtingen jegens [gedaagde] , waardoor [gedaagde] de executie van het vonnis jegens de debiteur uit handen heeft moeten geven aan Hettema & Van Bambost Juristen en daarvoor een bedrag van € 1.261,98 heeft betaald. Volgens [gedaagde] dient IVB dit bedrag te vergoeden, evenals de door [gedaagde] gemaakte kosten voor zijn werkzaamheden in deze zaak, vastgesteld op een bedrag van € 605,00.

Het verweer in reconventie

IVB betwist de vordering.

De beoordeling in conventie

1. Tussen partijen is – in de kern – in geschil of [gedaagde] de facturen van 20 maart 2014 en 24 april 2014 (hierna: de facturen) aan IVB dient te voldoen. IVB stelt dat zij in opdracht van [gedaagde] gerechtelijke incassowerkzaamheden heeft verricht en hiervoor honorarium en overige kosten in rekening heeft gebracht conform het beleid dagvaardingsprocedure en de algemene voorwaarden. [gedaagde] erkent IVB opdracht te hebben gegeven deze werkzaamheden te verrichten, maar hij betwist gehouden te zijn de facturen te voldoen.

2. [gedaagde] voert aan dat hij de voorwaarden van IVB niet heeft geaccepteerd en om die reden niet gehouden is de facturen te voldoen. Dit betoog faalt. Vast staat immers dat IVB bij brief van 6 februari 2013 heeft aangeboden gerechtelijke incassowerkzaamheden te verrichten, waarbij melding is gemaakt van het beleid dagvaardingsprocedure en de algemene voorwaarden en van de wijze waarop [gedaagde] hiervan kennis kan nemen. Niet betwist is dat [gedaagde] in reactie op dit aanbod op 9 juli 2013 een bericht heeft geplaatst in het online portaal van IVB, waarin hij IVB opdracht heeft gegeven het gerechtelijke traject te starten. Met IVB is de kantonrechter van oordeel dat [gedaagde] hiermee (tevens) het beleid dagvaardingsprocedure en de algemene voorwaarden van IVB heeft geaccepteerd, waardoor deze op de overeenkomst tussen partijen van toepassing zijn.

3. In navolging van de door [gedaagde] verstrekte opdracht is IVB vervolgens een gerechtelijke procedure gestart. Niet in geschil is dat IVB in dit kader tevens een comparitie heeft voorbereid en bijgewoond, wat heeft geleid tot een vonnis ten gunste van [gedaagde] . Aldus staat vast dat IVB werkzaamheden heeft verricht, waarvoor zij een (redelijk) honorarium dient te ontvangen. Weliswaar betoogt [gedaagde] dat het in dit kader gefactureerde uurtarief van € 185,00 onredelijk hoog is, maar dit uurtarief volgt – naast een vaste vergoeding voor het griffierecht en het opstellen en uitbrengen van de dagvaarding – rechtstreeks uit het door [gedaagde] geaccepteerde beleid dagvaardingsprocedure. [gedaagde] is derhalve gehouden dit uurtarief te voldoen voor de door IVB verrichte werkzaamheden.

4. [gedaagde] betoogt echter dat IVB in de factuur van 20 maart 2014 teveel honorarium heeft gerekend. Volgens [gedaagde] heeft IVB (a) verschillende keren ten onrechte 0,1 uur gedeclareerd voor e‑mails/berichten waaruit geen werk voortvloeit of die [gedaagde] niet heeft ontvangen, (b) ongeveer 0,6 uur teveel gerekend voor de telefoongesprekken van 9 en 20 januari 2014 en (c) 1,0 uur meer aan voorbereidings- en reistijd voor de comparitie in rekening gebracht dan redelijk is. IVB heeft dit vervolgens niet, althans onvoldoende weersproken, hoewel het op haar weg had gelegen de factuur nader toe te lichten. In de gegeven omstandigheden acht de kantonrechter het redelijk het bij factuur van 20 maart 2014 in rekening gebrachte bedrag te verlagen tot (€ 541,72 minus (2,0 uur x uurtarief van € 185,00 = € 370,00 + 21 % btw =) € 447,70 =) € 94,02.

5. Voorts betoogt [gedaagde] dat IVB in de factuur van 24 april 2014 ten onrechte de “vergoeding incassokosten conform vonnis” van € 1.306,73 en kosten voor betekening van het vonnis in rekening heeft gebracht. Vast staat echter dat [gedaagde] de aan IVB verstrekte opdracht tussentijd heeft ingetrokken, waarna IVB het dossier heeft gesloten. Ingevolge de artikelen 9.3 en 20.4 van de algemene voorwaarden is IVB daarom gerechtigd kosten van derden en proces- en executiekosten, alsmede (in rechte) toegekende vergoedingen en kosten in rekening te brengen. Nu vast staat dat [gedaagde] bij het vonnis een bedrag van € 1.306,73 aan incassokosten is toegekend, dient [gedaagde] dit bedrag derhalve aan IVB te voldoen. Ook dient [gedaagde] de aan IVB gefactureerde betekeningskosten te betalen. Anders dan [gedaagde] betoogt, heeft hij middels het beleid dagvaardingsprocedure immers opdracht gegeven tot betekening en executie van het vonnis, nu daarin is bepaald dat IVB de debiteur in het geval van een vonnis zou sommeren daaraan te voldoen.

6. Gelet op het voorgaande zal de vordering tot betaling door [gedaagde] van de facturen van 20 maart 2014 en 24 april 2014 worden toegewezen, met dien verstande dat de hoofdsom toewijsbaar is tot een bedrag van (€ 94,02 + € 1.646,53 =) € 1.740,55. Dit bedrag is aanzienlijk lager dan het bedrag dat de debiteur ingevolge het vonnis aan [gedaagde] dient te betalen en is – anders dan [gedaagde] nog betoogt – aldus niet disproportioneel. De over de toegewezen hoofdsom gevorderde wettelijke handelsrente zal eveneens worden toegewezen.

7. IVB maakt voorts aanspraak op vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. Het gevorderde bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten is echter hoger dan het in het toepasselijke Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten bepaalde tarief. De kantonrechter zal het bedrag dan ook toewijzen tot het wettelijke tarief, te weten € 261,10. De vordering tot betaling van btw over de buitengerechtelijke incassokosten is niet betwist en zal worden toegewezen.

8. De proceskosten komen voor rekening van [gedaagde] omdat hij in het ongelijk wordt gesteld. De gevorderde rente over de proceskosten zal worden toegewezen vanaf de datum gelegen 14 dagen na betekening van dit vonnis, met dien verstande dat in dit kader slechts de wettelijke rente en niet de gevorderde wettelijke handelsrente toewijsbaar is.

De beoordeling in reconventie

9. [gedaagde] stelt zich op het standpunt dat hij de voorschotfactuur van 16 december 2013 (hierna: de voorschotfactuur) onverschuldigd aan IVB heeft betaald, omdat – zo begrijpt de kantonrechter – [gedaagde] reeds bij factuur van 9 juli 2013 de overeengekomen vaste prijs heeft betaald en IVB geen aanvullende werkzaamheden heeft verricht. IVB betwist dat sprake is van onverschuldigde betaling.

10. Vast staat dat de factuur van 9 juli 2013 slechts de overeengekomen vergoeding voor het griffierecht en het opstellen en het uitbrengen van de dagvaarding betreft en niet (tevens) het honorarium van IVB omvat. Nu – zoals hiervoor reeds overwogen – vaststaat dat IVB gerechtigd was tot een honorarium voor haar werkzaamheden tegen het overeengekomen uurtarief en zij dit eerst bij voorschotfactuur in rekening heeft gebracht, heeft [gedaagde] het in dit kader betaalde bedrag niet onverschuldigd voldaan. Het voorschotbedrag is vervolgens immers in mindering gebracht op het totale honorarium in de factuur van 20 maart 2014.

11. Voorts stelt [gedaagde] dat IVB toerekenbaar is tekortgeschoten in haar verplichtingen jegens [gedaagde] . Volgens [gedaagde] heeft IVB bij de uitvoering van de verstrekte opdracht slecht gecommuniceerd en niet voldoende voortvarend gehandeld, waardoor [gedaagde] de executie aan een derde uit handen heeft moeten geven. IVB dient daarom alle (gevolg)schade van [gedaagde] te vergoeden, aldus [gedaagde] . IVB betwist dat sprake is van een toerekenbare tekortkoming en voert – als meest verstrekkend verweer – aan dat zij nimmer in verzuim is komen te verkeren, omdat zij niet in gebreke is gesteld.

12. Vast staat dat [gedaagde] de overeenkomst tussen partijen zelf heeft opgezegd bij brief van 22 april 2014, zonder IVB eerst in de gelegenheid te stellen een eventuele tekortkoming te herstellen. [gedaagde] heeft bij brief van 1 april 2014 weliswaar zijn onvrede geuit over de manier waarop IVB zijn zaak behandelde, maar daarbij heeft [gedaagde] niet omschreven of en waarvan hij nakoming verlangde. Evenmin heeft [gedaagde] IVB een (redelijke) termijn gegeven voor herstel. Sterker nog, [gedaagde] sluit de brief af met de mededeling dat hij IVB nog een voorstel zal sturen voor een oplossing tussen partijen. Anders dan [gedaagde] stelt, kan de brief daarom niet als ingebrekestelling worden aangemerkt. Nu [gedaagde] de overeenkomst vervolgens eenzijdig heeft opgezegd, is de kantonrechter met IVB van oordeel dat verzuim nimmer is ingetreden. Dat brengt mee dat, voor zover al sprake is van een tekortkoming in de nakoming door IVB, de vordering tot schadevergoeding niet kan worden toegewezen. Of [gedaagde] daadwerkelijk schade heeft geleden en of het exoneratiebeding in de algemene voorwaarden van IVB voor vernietiging in aanmerking komt, kan daarom onbesproken blijven.

13. De slotsom luidt dat de vorderingen van [gedaagde] zullen worden afgewezen. Als de in het ongelijk gestelde partij zal [gedaagde] worden veroordeeld in de proceskosten.

De beslissing

De kantonrechter:

in conventie

- veroordeelt [gedaagde] tot betaling aan IVB van € 1.740,55 te vermeerderen met de wettelijke handelsrente over € 94,02 vanaf 14 dagen na 20 maart 2014 en de wettelijke handelsrente over € 1.646,53 vanaf 14 dagen na 24 april 2014 tot aan de dag van de algehele voldoening;

- veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de proceskosten, die aan de kant van IVB tot en met vandaag worden begroot op de volgende bedragen, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf de datum gelegen 14 dagen na betekening van dit vonnis:

dagvaarding € 105,80

griffierecht € 462,00

salaris gemachtigde € 350,00;

- veroordeelt [gedaagde] tot betaling van € 261,10 aan buitengerechtelijke incassokosten vermeerderd met btw over dit bedrag;

- verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

- wijst af het meer of anders gevorderde.

in reconventie

- wijst de vorderingen af;

- veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de proceskosten, die aan de kant van IVB tot en met vandaag worden begroot op € 175,00 aan salaris van de gemachtigde;

- verklaart dit vonnis in zoverre uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. C.A. van Dijk en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van bovengenoemde datum in aanwezigheid van de griffier.

Coll.