Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2015:12175

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
28-05-2015
Datum publicatie
02-08-2016
Zaaknummer
AWB - 14 _ 4929
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Omgevingsvergunning voor het realiseren van een bouwwerk.

Wetsverwijzingen
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht 2.12
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummer: HAA 14/4929

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 28 mei 2015 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. drs. C.R. Jansen),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Haarlemmermeer, verweerder

(gemachtigde: J. Metselaar).

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: [derde belanghebbende], te [woonplaats] (hierna: vergunninghouder).

Procesverloop

Bij besluit van 27 februari 2014 (het primaire besluit) heeft verweerder een omgevingsvergunning verleend voor het realiseren van een bouwwerk op het perceel [adres] (het perceel).

Bij besluit van 30 oktober 2014 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld,

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 april 2015. Eiser is verschenen bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Vergunninghouder is verschenen, vergezeld van [naam 1] , architect.

Overwegingen

1.1

De eerste vraag waarvoor de rechtbank zich gesteld ziet is voor welk bouwwerk verweerder omgevingsvergunning heeft verleend.

1.2

Bij primair besluit heeft verweerder omgevingsvergunning verleend “voor het plaatsen van een dakopbouw met terras op de woning en het wijzigen van de bestaande vergunning nr. [nummer] , op de locatie [adres] .”

Daarnaast blijkt uit de bij de omgevingsvergunning behorende (gewaarmerkte) bouwtekeningen dat zowel de dakopbouw als het dakterras door eiser aangevraagd en door verweerder is vergund. Het bouwwerk waarvoor verweerder omgevingsvergunning heeft verleend bestaat dus uit een dakopbouw met terras. Voor zover eiser betoogt dat het dakterras niet is vergund slaagt deze beroepsgrond niet.

2. De woning op het perceel is gesitueerd op ‘ [adres1] ’ (hierna: het eiland), bestaande uit een zogeheten binnenring en een buitenring met percelen met vrijstaande woningen, alwaar een welstandsvrij regime geldt.

Op grond van het ter plaatse geldende bestemmingsplan “Hoofddorp Floriande Zuid 2007” rust op de gronden waarop het bouwwerk is voorzien de bestemming “Wonen”. Ingevolge artikel 14 van de planvoorschriften en de aanwijzingen op de plankaart bedraagt de maximaal toegestane goothoogte 7 meter. Vast staat dat deze wordt overschreden. De bouwhoogte van de woning is 9.90 meter. Op grond van het bestemmingsplan mag de bouwhoogte 10 meter zijn. De bouwhoogte is in dit geval de goothoogte.

3. Om het bouwwerk niettemin mogelijk te maken heeft verweerder omgevingsvergunning verleend voor de activiteiten bouwen en strijdig planologisch gebruik en daarbij gebruik gemaakt van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onderdeel 2, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) gelezen in samenhang met artikel 4 van bijlage II van het Besluit omgevingsrecht (Bor), alsmede de ‘Beleidsregels afwijking bestemmingsplan 2012’ (de Beleidsregels).

4. Eiser is het hiermee niet eens en heeft beroep ingesteld.

5. Ingevolge artikel 2.12, eerste lid, van de Wabo kan de omgevingsvergunning, voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, slechts worden verleend:

a. indien de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan of de beheersverordening:

1º met toepassing van de in het bestemmingsplan of de beheersverordening

opgenomen regels inzake afwijking,

2º in de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen gevallen, of

3º indien de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en de

motivering van het besluit een goede ruimtelijke onderbouwing bevat.

Ingevolge artikel 2.7 van het Bor worden als categorieën van gevallen, als bedoeld in artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onderdeel 2, aangewezen de categorieën gevallen in artikel 4 van bijlage II.

Ingevolge artikel 4, aanhef en onder 4, van de bij het Bor behorende bijlage II komen voor verlening van een omgevingsvergunning, waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onderdeel 2, van de wet van het bestemmingsplan wordt afgeweken, in aanmerking een dakkapel, dakopbouw of gelijksoortige uitbreiding van een gebouw.

6. Ten aanzien van het dakterras stelt eiser zich op het standpunt dat het dakterras niet is toegestaan volgens de geldende beleidsregels. Ook valt het dakterras daarmee niet onder de kruimelgevallen. Het dakterras kon dan ook niet worden vergund, volgens eiser.

7. De rechtbank ziet zich thans voor de vraag gesteld of het bouwwerk een kruimelgeval betreft als bedoeld in artikel 4 van Bijlage II behorende bij het Bor. In lijn met de uitspraak van 12 maart 2014 van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling), ECLI:NL:RVS:2014:812, overweegt de rechtbank – in navolging van de voorzieningenrechter in haar uitspraak van 1 mei 2014 – dat in het Bor geen nadere beschrijving is opgenomen van hetgeen onder een dakopbouw of gelijksoortige uitbreiding van een gebouw moet worden verstaan. Voorts blijkt uit de tekst van artikel 2:12, eerste lid, aanhef en onder a, onderdeel 2, van de Wabo niet dat is beoogd de toepassing van deze bevoegdheid te beperken tot planologisch ondergeschikte gevallen. Nu het bouwwerk voorziet in een opbouw op het dak heeft verweerder het terecht aangemerkt als een dakopbouw of gelijksoortige uitbreiding van een gebouw zoals bedoeld in artikel 4, aanhef en onder 4, van bijlage II van het Bor. Dat in dit geval de opbouw is voorzien van een dakterras maakt het voorgaande niet anders.

8. In de Beleidsregels wordt aangegeven in welke gevallen verweerder wil afwijken van een bestemmingsplan. De Beleidsregels hebben betrekking op de afwijkingsmogelijkheden binnen het bestemmingsplan, de planologische kruimelgevallen en de uitwegen. Nu het bouwplan een kruimelgeval als bedoeld in artikel 4, aanhef en onder 4, van bijlage II van het Bor betreft zijn de Beleidsregels van toepassing.

9. Partijen verschillen van mening over de vraag welk hoofdstuk van de beleidsregels thans van toepassing is. Verweerder stelt zich op het standpunt dat aangesloten moet worden bij hoofdstuk 3.4 en dan met name bij artikel 3.4.2. Eiser is het daarmee niet eens en stelt dat hoofdstuk 3.1 en dan met name artikel 3.1.1 van toepassing is.

Hoofdstuk 3.1 van de Beleidsregels heeft betrekking op “een bijbehorend bouwwerk bij een woning”. Hoofdstuk 3.4 heeft betrekking op “een dakkapel, dakopbouw of gelijksoortige uitbreiding van een gebouw”. Nu het bouwwerk voorziet in een opbouw op het dak is hoofdstuk 3.4 van toepassing. De beroepsgrond van eiser slaagt dus niet.

10. In artikel 3.4.2 onder b, van de Beleidsregels – voor zover thans van belang – is bepaald dat voor een eerste aanvraag van een dakopbouw (…) bij vrijstaande woningen per geval wordt beoordeeld of verweerder wil afwijken van het (…).

11. Verweerder heeft na een positief ruimtelijk advies besloten om af te wijken van het bestemmingsplan en de gevraagde omgevingsvergunning verleend.

12. Eiser stelt dat aan de omgevingsvergunning geen gedegen, goed onderbouwd stedenbouwkundig advies ten grondslag ligt wat is opgesteld door een onafhankelijke deskundige. Eisers stelt zich op het standpunt dat de memo, in aanvulling op een eerdere memo, niet kan worden aangemerkt als een stedenbouwkundig advies. De memo met betrekking tot de stedenbouwkundige aspecten van het bouwplan ligt dan ook niet ten grondslag aan de afgegeven vergunning.

13.1

De rechtbank stelt voorop dat nu er geen sprake is van een geval als bedoeld in artikel 2:12, eerste lid, aanhef en onder 3, van de Wabo, er in dit geval geen ruimtelijke onderbouwing is vereist. Dat betekent dat aan het ruimtelijk advies minder zwaarwegende eisen worden gesteld. Daarnaast overweegt de rechtbank dat een ruimtelijk advies vormvrij is. Dat de stedenbouwkundige beoordeling in het ruimtelijk advies wordt gevormd door (een) memo(‘s) vormt op voorhand derhalve geen beletsel.

13.2.1

In het ruimtelijk advies van 12 februari 2014 is een stedenbouwkundige beoordeling gemaakt. De stedenbouwkundige beoordeling is later aangevuld bij memo van 27 mei 2014. Dit heeft geresulteerd in een positief ruimtelijk advies. Daarnaast (en in aanvulling op voornoemde adviezen) heeft verweerder overwogen dat op [adres1] , waarop de woning van vergunninghouder is gesitueerd, meerdere woningen zijn gerealiseerd in drie bouwlagen. Op grond van het bestemmingsplan is een goothoogte van zeven meter en een bouwhoogte van 10 meter toegestaan. Het bouwwerk overschrijdt de toegestane goothoogte. Verweerder overweegt dat nu het een ruime kavel betreft in een groene setting, een woning met deze hoogte ruimtelijk aanvaardbaar is. Daarnaast beslaat de dakopbouw niet het gehele dak. Dat betekent dat de dakopbouw qua volume en hoogte vergelijkbaar is met de wel binnen het bestemmingsplan toegestane kap. Hoewel er sprake is van enig nadeel valt dit onder het normaal maatschappelijk risico van het wonen in een stedelijke omgeving.

Ten aanzien van het dakterras heeft verweerder overwogen dat het dakterras is gelegen aan de voorzijde van de woning en op een afstand ligt van meer dan twee meter van de naburige erven zodat er geen sprake is van een evident privaatrechtelijke belemmering. Bij besluiten van 2002, 2004, 2006 en 2008 zijn diverse vergunningen verleend voor het realiseren van een woning met een derde bouwlaag welke ook zijn voorzien van een gelijksoortig dakterras/balkon. Daarnaast behoort enige mate van zicht op elkaars erf tot het normaal maatschappelijk risico van het wonen in een stedelijke omgeving.

13.2.2

Gelet op de stedenbouwkundige beoordeling in het ruimtelijk advies, het door verweerder in het bestreden besluit overgenomen advies van de Commissie bezwaarschriften ten aanzien van de stedenbouwkundige beoordeling en de in het bestreden besluit gegeven (aanvullende) motivering, heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank voldoende onderbouwd waarom wordt afgeweken van het bestemmingsplan.

13.3

Voor zover eiser zich op het standpunt stelt dat verweerder zich in het stedenbouwkundig advies ten onrechte op het standpunt stelt dat het bestemmingsplan niet voorziet in de verplichting een kap als derde bouwlaag te realiseren volgt de rechtbank eiser hierin niet.

In het vigerend bestemmingsplan is uitsluitend de goot- en nokhoogte bepaald. Het bestemmingsplan voorziet niet in de verplichting tot realisering van een kap als derde bouwlaag. Eiser verwijst naar de “stedenbouwkundige eisen en randvoorwaarden” waaruit deze verplichting – wat daarvan verder ook zij – wel zou volgen. Echter deze stedenbouwkundige eisen en randvoorwaarden maken geen deel uit van het bestemmingsplan zodat hiervan bij de invulling van dit bestemmingsplan ook niet behoeft te worden uitgegaan.

13.4

In hetgeen eiser heeft aangevoerd ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder niet in redelijkheid heeft mogen besluiten af te wijken van het bestemmingsplan.

14. Eiser stelt dat verweerder ten onrechte meer gewicht is toegekend aan het belang van het bouwplan dan aan eisers belang bij het behouden en beschermen van zijn woongenot.

15.1

De rechtbank stelt voorop dat de beslissing om met toepassing van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo omgevingsvergunning te verlenen voor het afwijken van het bestemmingsplan, behoort tot de bevoegdheid van verweerder, waarbij verweerder beleidsvrijheid heeft en de rechter de beslissing terughoudend moet toetsen, dat wil zeggen zich moet beperken tot de vraag of verweerder in redelijkheid tot die beslissing heeft kunnen komen.

15.2

Verweerder heeft overwogen dat de woningen op het [adres1] op ruime kavels staan en dat er als gevolg van het bouwwerk enig nadeel ontstaat voor eiser, maar dat dit valt onder het normaal maatschappelijk risico van het wonen in een stedelijke omgeving. De rechtbank vindt deze belangenafweging niet onredelijk. Daartoe overweegt zij als volgt.

Onder verwijzing naar vaste jurisprudentie van de Afdeling (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 5 februari 2014, ECLI:NL:RVS:2014:307) bestaat in het algemeen geen recht op vrij uitzicht. Dat het bouwwerk leidt tot vermindering van uitzicht is niet in geschil. Eiser heeft echter niet aannemelijk gemaakt dat hierdoor zijn woon- en leefklimaat onevenredig zal worden aangetast.

Verder overweegt de rechtbank dat de woning van eiser is gelegen in een stedelijke omgeving, waar dergelijke ontwikkelingen niet ongebruikelijk zijn. In een dergelijke omgeving kan niet worden voorkomen dat door nieuwe ontwikkelingen een vermindering van privacy en woongenot optreedt. Een bepaalde mate van zicht op elkaars erf wordt niet onaanvaardbaar geacht. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat het in dit geval wel een onaanvaardbare aantasting vormt.

Uit de door verweerder overgelegde bezonningsstudie opgesteld op 15 april 2014 door [naam 2] Architecten volgt dat er enige schaduwhinder zal optreden als gevolg van het bouwwerk maar dat de invloed van de toegenomen schaduw weinig of niet merkbaar is door reeds aanwezige begroeiing en/of erfafscheidingen die zelf ook (lange) schaduwen werpen. De schaduwwerking als gevolg van het bouwwerk is derhalve niet onevenredig nadelig voor eiser. Eiser heeft deze conclusie niet gemotiveerd betwist zodat verweerder zich op de resultaten van de bezonningsstudie heeft mogen verlaten.

15.3

Dit brengt de rechtbank tot het oordeel dat verweerder in redelijkheid de belangen van vergunninghouder heeft kunnen laten prevaleren boven de belangen van eiser.

16. Gelet op het hiervoor overwogene heeft verweerder op goede gronden omgevingsvergunning verleend voor het bouwwerk.

17. Voor een proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E.M. van der Linde, rechter, in aanwezigheid van mr. C. van Steenoven, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 28 mei 2015.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.