Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2015:12168

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
17-09-2015
Datum publicatie
01-11-2016
Zaaknummer
3934051 \ CV EXPL 15-1496
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Vervoersovereenkomst ex artikel 8:1090

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
S&S 2016/91
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Afdeling Privaatrecht

Sectie Kanton – Locatie Zaandam

zaak/rolnr.: 3934051 / CV EXPL 15-1496

datum uitspraak: 27 augustus 2015

VONNIS VAN DE KANTONRECHTER

inzake

de commanditaire vennootschap Turien & Co., h.o.d.n. Turien & Co. Assuradeuren, gevestigd te Alkmaar, optredend in haar hoedanigheid van Nederlands vertegenwoordiger van de rechtspersoon naar Zwitsers recht Zürich Versicherungsgesellschaft A.G., gevestigd et Zürich (Zwitserland)

eiseres

gemachtigde: mr. J. Streefkerk, advocaat te Voorburg, gemeente Leidschendam-Voorburg

tegen

de besloten vennootschap Hoogwout Berging B.V., gevestigd en kantoorhoudende te Oostzaan

gedaagde

gemachtigden: mr. M. Verheijden en mr. R de Haan, advocaten te Rotterdam.

Het procesverloop

Eiseres heeft een vordering ingesteld, zoals omschreven in de dagvaarding van 24 februari 2015.

Gedaagde heeft bij antwoord verweer gevoerd.

De kantonrechter heeft bij tussenvonnis van 21 mei 2015 een comparitie van partijen gelast, die heeft plaatsgevonden op 7 juli 2015. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat partijen verder naar voren hebben gebracht.

De feiten

Het geschil

Eiseres vordert veroordeling van gedaagde tot betaling aan haar van een bedrag van

€ 16.544,25 (€ 15.207,32 aan hoofdsom, € 78,54 aan expertisekosten, € 135,-- aan eigen risico en € 1.123,39 aan buitengerechtelijke incassokosten), te vermeerderen met rente en met veroordeling van gedaagde tot betaling van de proceskosten.

Zij legt aan de vordering ten grondslag dat op 11 november 2010 tussen de verzekerde van Turien en Hoogwout een vervoersovereenkomst in de zin van artikel 8:1090 BW tot stand is gekomen. In het kader van deze overeenkomst heeft Hoogwout haar contractuele verplichting om de vervoerde zaak onbeschadigd af te leveren geschonden, hetgeen een toerekenbare tekortkoming van Hoogwout oplevert.

Op grond van de tekortkoming is Hoogwout verplicht om de schade te vergoeden. In dit geval komt de fout van de bergingsmedewerker voor rekening van Hoogwout als diens werkgever. De tekortkoming is erin gelegen dat de medewerker van Hoogwout op een zeer onvoorzichtige manier heeft geprobeerd om de Rolls Royce te lossen. Hij heeft verzuimd om te voorkomen dat de kostbare auto zomaar, zonder tegengehouden te worden door de lier of een ander bevestigingsmiddel, van de autoambulance kon afrollen. Deze handelwijze van de Hoogwout-medewerker is zonder meer verwijtbaar. Als deskundig vervoerder had hij moeten onderkennen dat het lossen van de auto op deze manier tot schade zou leiden, althans dat de aanmerkelijke kans bestond dat op deze manier schade zou ontstaan aan de Rolls-Royce (en andere zaken). Van vervoerdersovermacht in de zin van artikel 8:1098 BW is geen sprake. Los van de overeenkomst heeft de Hoogwout-medewerker jegens Turiens verzekerde onzorgvuldig en onrechtmatig gehandeld in de zin van artikel 162 BW omdat hij een inbreuk heeft gemaakt op het eigendomsrecht van de verzekerde van Turien, terwijl de medewerker bovendien in strijd heeft gehandeld met hetgeen betamelijk is in het maatschappelijk verkeer door de Rolls-Royce op onzorgvuldige wijze te (willen) lossen, voor welke fout van de medewerker Hoogwout evenzeer aansprakelijk is en wel op grond van artikel 6:170 BW.

De Rolls-Royce was all risk verzekerd bij Turien. Uit hoofde van deze verzekering heeft Turien op 1 juni 2011 (na ontvangst van het desbetreffende expertiserapport) het schade-bedrag ad € 15.342,32 vergoed aan haar verzekeringnemer [x] . Op grond van artikel 7:962 lid BW heeft Turien door middel van subrogatie het oorspronkelijke vorderingsrecht van haar verzekerde jegens derden – in dit geval: jegens Hoogwout – verkregen.

Hoogwout heeft verweer gevoerd en geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van Turien in haar vordering, althans tot afwijzing van die vordering, met veroordeling van Turien in de proces- en nakosten.

In haar conclusie van antwoord heeft Turien zich primair beroepen op de niet-ontvankelijkverklaring van Turien in haar vordering omdat van subrogatie geen sprake zou zijn en Turien derhalve geen zelfstandig vorderingsrecht zou hebben. Na de door de gemachtigde van Turien ter comparitie gegeven toelichting op dit punt, heeft Hoogwout aangegeven dat haar verweer op dit punt zonder belang is en dat een beslissing van de kantonrechter ter zake niet nodig is.

Voorts heeft Hoogwout een beroep op verjaring op grond van artikel 13 lid 5 van de toepasselijke Algemene Bergings- en Vervoercondities Gestrande Voertuigen (hierna te noemen: ABVV) gedaan. Hoogwout is pas per brief d.d. 15 juli 2011 aansprakelijk gesteld, toen de ter zake toepasselijke zes maandentermijn reeds was verstreken.

Anders dan door Turien wordt gesteld, is tussen partijen geen vervoersovereenkomst tot stand gekomen, maar een bergingsovereenkomst. Hoogwout heeft niet betwist dat op de tussen partijen gesloten overeenkomst de Algemene Bergings- en Vervoercondities Gestrande Voertuigen (hierna te noemen: ABVV) van toepassing zijn. Op grond van artikel 13 lid 5 ABVV verjaart een vordering uit hoofde van artikel 7 zes maanden na aflevering en was de vordering dus reeds verjaard op het moment van de aansprakelijkstelling d.d. 15 juli 2011.

Hoogwout betwist voorts dat artikel 6:236 BW van toepassing zijn, nog daargelaten dat Turien geen vorderingsrecht heeft. Een beroep op dat artikel komt slechts toe aan een consument, waarvan ten deze geen sprake is.

Voor zover de kantonrechter zou oordelen dat de vordering nog niet is verjaard, betwist Hoogwout aansprakelijk te zijn voor de schade. De oorzaak van de schade is gelegen in een fout van bestuurder [A] omdat hij zonder (voldoende) bij te remmen achteruit van de autoambulance is gereden.

Voor zover Hoogwout wel aansprakelijk wordt geacht, is sprake van eigen schuld in de zin van artikel 6:101 BW omdat het ontstaan van de schade bovenal, of in ieder geval gedeeltelijk, aan de eigen schuld van bestuurder [A] te wijten. Met hem was afgesproken dat hij in de auto zou plaatsnemen om bij te sturen en bij te remmen. [A] is echter zonder (voldoende) bij te remmen achteruit van de autoambulance gereden, waardoor hij zelf een groot aandeel heeft in het ontstaan van de schade, hetgeen verdisconteerd dient te worden in het bepalen van een door Hoogwout te betalen schadevergoeding. Daarnaast is de berger op grond van de ABVV nimmer aansprakelijk voor enigerlei schade anders dan in deze voorwaarden is voorzien. In de voorwaarden is voorzien in schade aan het voertuig, aan de bagage en aan de lading. Voor zover Hoogwout aansprakelijk wordt geacht voor de schade van Turien/ [X] komt om die reden dan ook alleen de schade aan de auto zelf voor vergoeding in aanmerking en dienen de overige vorderingen van Turien te worden afgewezen.

Tot slot heeft Hoogwout erop gewezen dat wegens opheffing van het faillissement van [X] de vennootschap is ontbonden, om welke reden de vordering tot vergoeding van het eigen risico van [X] moet worden afgewezen.

De beoordeling

Nu Hoogwout haar bij conclusie van antwoord gevoerde verweer ten aanzien van de subrogatie van Turien in de rechten van [X] ter comparitie niet langer heeft gehandhaafd, kan dit verweer verder buiten beschouwing blijven.

Tussen partijen is niet in geschil dat tussen [X] en Hoogwout een overeenkomst tot stand is gekomen. Naar de mening van Turien gaat het om een vervoersovereenkomst, terwijl volgens Hoogwout sprake is van een bergingsovereenkomst.

In dit verband wordt het navolgende overwogen.

Vaststaat dat geen gebruik is gemaakt van een takelwagen, maar van een autoambulance met een lier. Dat betekent dat sprake is van een vervoersovereenkomst met de op de vervoerder rustende resultaatsverplichting tot conforme aflevering van de ten vervoer ontvangen zaken. Bij een dergelijke overeenkomst is sprake van een verjaringstermijn van één jaar en begint de aansprakelijkheid op het moment van de feitelijke inontvangstneming van de zaken door de vervoerder en eindigt deze op het moment van de feitelijke aflevering, waarbij deze tijdstippen niet behoeven samen te vallen met de begrippen inlading en uitlading omdat het gaat om het feitelijk ter beschikking stellen van de zaken. Conform artikel 8:1102 BW is ieder beding in algemene voorwaarden, dat deze aansprakelijkheid wil beperken, nietig. De afwijking voor wat betreft verjaringstermijn en omvang van de aansprakelijkheid is niet nadrukkelijk overeengekomen en het afwijkend beding in de algemene voorwaarden is nietig. Vaststaat dat bij het vervoer schade is veroorzaakt en dat [A] op aanwijzing van de vervoerder van de autoambulance is afgereden. Dat hierbij schade is opgetreden, komt voor risico van de vervoerder, gelet op de wettelijke resultaatsverplichting. Het was de keuze van de vervoerder om de bestuurder ( [A] ) de auto te laten besturen, terwijl er sprake was van een mankement aan de motor. Bij de uitvoering van de aan hem opgedragen taak ging het mis. De schade, die hierdoor is opgetreden, dient dan ook te worden vergoed door Hoogwout.

Overigens, indien het lossen van de auto wel als berging zou kunnen worden beschouwd, is aan de zijde van Hoogwout geen redelijke zorg betracht doordat het afrijden van de wagen beter begeleid had moeten worden en niet door de bestuurder had moeten gebeuren, althans in elk geval niet zonder dat een lier of een andere bevestigingsmethode was gebruikt. Niet gesteld of gebleken is dat aan de berging bijzondere risico’s verbonden waren. Het gaat hier om het vervoer/berging van een auto met een mankement aan de motor, waardoor deze niet zelfstandig meer kon rijden. De aflevering van het voertuig door de vervoerder/berger hield dan ook in dat deze bij de garage werd afgeleverd door Hoogwout. Onderdeel van die werkzaamheden was dus ook de feitelijke aflevering bij de garage.

Het vorenstaande betekent dat de vordering van Turien zal worden toegewezen, met dien verstande dat de gevorderde buitengerechtelijke incassokosten zullen worden toegewezen tot het wettelijke tarief, neerkomende op een bedrag van € 968,--. De gevorderde rente over de buitengerechtelijke incassokosten is niet toewijsbaar omdat niet is gesteld of gebleken dat die kosten door Turien al zijn betaald.

Gelet op de uitslag van de procedure dient Hoogwout met de proceskosten te worden belast. De wettelijke rente hierover is toewijsbaar vanaf 14 dagen na betekening van dit vonnis.

De beslissing

De kantonrechter:

Veroordeelt Hoogwout om aan Turien te betalen:

  • -

    € 15.285,86 aan hoofdsom en expertisekosten, te vermeerderen met de wettelijke rente over € 15.207,32 vanaf 23 juli 2011 tot aan de dag der voldoening en over € 78,54 vanaf 23 juli 2011 tot aan de dag der voldoening;

  • -

    € 135,-- wegens eigen risico, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 11 november 2010 tot aan de dag der voldoening;

  • -

    € 968,-- aan buitengerechtelijke incassokosten.

Veroordeelt Hoogwout tot betaling van de proceskosten, die aan de kant van Turien tot en met vandaag worden begroot op de volgende bedragen:

dagvaarding € 94,19

griffierecht € 932,--

salaris gemachtigde € 600,--, te vermeerderen met de wettelijke rente over deze bedragen vanaf 14 dagen na betekening van dit vonnis tot aan de dag der voldoening.,

Verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.K. Korteweg, kantonrechter, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van bovengenoemde datum in aanwezigheid van de griffier.

.