Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2015:12150

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
08-12-2015
Datum publicatie
01-06-2016
Zaaknummer
AWB - 14 _ 3740
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Douane. Indeling speelgoedfiguurtjes in koffertje.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
DouaneUpdate 2016-0311
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank noord-holland

Zittingsplaats Haarlem

zaaknummer: HAA 14/3740

uitspraak van de meervoudige kamer van 8 december 2015 in de zaak tussen

[X] B.V., gevestigd te [Z] , eiseres

(gemachtigde: mr. A.T.M. Jansen),

en

de inspecteur van de Belastingdienst/Douane, kantoor Amsterdam, verweerder.

Procesverloop

Verweerder heeft naar aanleiding van een aangifte voor het brengen in het vrije verkeer op

16 november 2010 aan eiseres een uitnodiging tot betaling (hierna: utb) uitgereikt voor een

bedrag van € 6.475,47 aan douanerechten.

Eiseres heeft op 15 november 2013 een verzoek tot terugbetaling (hierna: verzoek) gedaan. Verweerder heeft het verzoek bij beschikking afgewezen.

Eiseres heeft vervolgens tegen de beschikking een bezwaarschrift ingediend. Verweerder heeft het bezwaar ongegrond verklaard en de beschikking gehandhaafd.

Eiseres heeft daartegen beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 november 2015 te Haarlem.

Namens eiseres is gemachtigde verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde mr. R.F. van ‘t Loo.

Overwegingen

Feiten

1. Op 16 november 2010 heeft eiseres een aangifte voor het brengen in het vrije verkeer, aangiftenummer IM A 001411482 10011 60006 (hierna: de aangifte), gedaan voor 3000 colli met omschrijving “assortiment” met goederencode 9503 00 70. De aangifte is niet door de douane gecontroleerd, doch administratief afgedaan. Naar aanleiding van de aangifte is de utb uitgereikt. De geadresseerde van de goederen is [A BEDRIJF] B.V. te [A PLAATS] .

2. In de bij de aangifte behorende facturen van [B BEDRIJF] Limited van 11 oktober 2010 is het goed omschreven als ‘LPS carry case with pets’.

3. Bij het verzoek om teruggaaf zijn een afbeelding uit een reclamefolder van [A BEDRIJF] en een afbeelding van de verpakking van het product overgelegd. Op de afbeelding van de verpakking staat onder meer vermeld:

”Pets play & stay in their special carry case!’, ‘Littlest PetShop’ en ‘Includes 7 pets!”.

Tijdens de bezwaarfase hebben partijen de volgende objectieve kenmerken en eigenschappen vastgesteld:

“- Een koffertje, waarvan het diepe deel is voorzien van tussenschotjes. De aldus ontstane ruimten zijn voorzien van verschillende achtergronden, alsof de kamertjes zijn behangen.

- Zeven stuks zogenaamde ‘pets’, zijnde niet opgevulde kunststof nabootsingen van dieren of van niet-menselijke wezens.”

In de uitspraak op bezwaar staat de volgende omschrijving:

“De koffer vervult niet slechts een opbergfunctie. Het diepe deel is voorzien van enkele tussenschotjes en de ruimten zijn voorzien van verschillende achtergronden. Indien de koffer verticaal staat kunnen de poppetjes op de schotjes worden geplaatst, waardoor de ruimten doen denken aan kamertjes van de Petshop. Van een dergelijke inrichting kan niet worden gezegd, (…), dat de koffer speciaal is gevormd of ingericht voor het opbergen van de pets. Naar schatting kunnen alle 7 pets in elk van de drie grootste vakken. Ook is de koffer niet gevormd, zoals bijvoorbeeld een vioolkoffer, voor het opbergen van de pets. (…).”

Aangezien bovenstaande omschrijvingen en de objectieve kenmerken en eigenschappen van het product tussen partijen niet in geschil zijn, zal de rechtbank voor de beoordeling van het geschil partijen hierin volgen.

Geschil

4. In geschil is de indeling van de goederen.

5. Eiseres stelt zich op het standpunt dat de koffer louter een opbergfunctie vervult en daarom niet als speelgoed kan worden aangemerkt. Er is geen sprake van een assortiment, de goederen moeten om die reden onder goederencode 9503 00 49 90, te weten ander speelgoed, zijnde nabootsingen van dieren of niet-menselijke wezens, niet opgevuld, worden ingedeeld.

Eiseres concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraak op

bezwaar, de uitspraak op het verzoek om teruggaaf en teruggaaf van € 6.475,47.

6. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de goederen moeten worden ingedeeld onder GN-code 9503 00 70, omdat de koffer niet louter een opbergmiddel is, maar als speelgoed moet worden gekwalificeerd. Met inachtneming van aantekening 4 op hoofdstuk 95 volgt daarom indeling onder voornoemde GN-code. Verweerder concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.

Relevante regelgeving

7. Post 9503 (tekst 2010) luidt, voor zover van belang, als volgt:

Driewielers, autopeds, pedaalauto’s en dergelijk speelgoed op wielen; poppenwagens; poppen; ander speelgoed; modellen op schaal en dergelijke modellen voor ontspanning, ook indien bewegend; puzzels van alle soorten:

(…)

– speelgoed, zijnde nabootsingen van dieren of van niet-menselijke wezens:

9503 00 41 – – opgevuld

9503 00 49 – – ander

9503 00 49 10 – – – van hout, met de hand vervaardigd

9503 00 49 90 – – – andere

(…)

9503 00 70 – ander speelgoed, aangeboden in assortimenten of in stellen

(…)

Aantekening 1 op hoofdstuk 95 luidt, voor zover van belang, als volgt:

“1. Dit hoofdstuk omvat niet:

(…)

d) tassen en zakken voor sportartikelen en andere bergingsmiddelen, bedoeld bij de posten 4202, 4303 en 4304;

(…)”

Aantekening 3 op hoofdstuk 95 luidt als volgt:

“Met inachtneming van het bepaalde in aantekening 1 hiervoor, worden delen en toebehoren waarvan kan worden onderkend dat zij uitsluitend of hoofdzakelijk bestemd zijn voor de artikelen bedoeld bij dit hoofdstuk, ingedeeld als deze artikelen.”

Toelichting IDR op aantekening 3 van hoofdstuk 95 luidt als volgt:

“De posten van dit hoofdstuk omvatten eveneens delen en toebehoren waarvan kan worden onderkend dat zij uitsluitend of hoofdzakelijk zijn bestemd voor de artikelen bedoeld bij dit hoofdstuk en zij niet bij Aantekening 1 IDR op hoofdstuk 95 zijn uitgezonderd.”

Aantekening 4 op hoofdstuk 95 luidt als volgt:

“Met inachtneming van het bepaalde in aantekening 1 hiervoor, omvat post 95.03 onder meer artikelen van deze post gecombineerd met een of meer artikelen en die niet kunnen worden aangemerkt als een stel of assortiment in de zin van algemene regel 3, onder b voor de interpretatie van de nomenclatuur, maar die, indien zij afzonderlijk zouden worden aangeboden, zouden moeten worden ingedeeld onder andere posten, voor zover de artikelen samen zijn opgemaakt voor de verkoop in het klein en de combinatie het wezenlijke karakter van speelgoed heeft.”

Toelichting EG op aantekening 4 luidt:

“Combinaties die op grond van deze Aantekening moeten worden ingedeeld onder post 95.03 bestaan uit een of meer artikelen van post 95.03 in combinatie met een of meer artikelen van andere posten die samen zijn opgemaakt voor de verkoop in het klein en de combinaties hebben het wezenlijke karakter van speelgoed.

Dergelijke combinaties ontlenen het wezenlijke karakter van speelgoed niet alleen aan de verpakking maar ook aan het belang, de waarde en het gebruik van hun componenten.

De indeling van dergelijke combinaties in de desbetreffende onderverdeling wordt bepaald door de artikelen van post 95.03 die deel uitmaken van de combinatie; de andere componenten worden buiten beschouwing gelaten.”

De Toelichting EG op onderverdeling 9503 00 70 luidt, voor zover van belang, als volgt:

'Assortimenten' van deze onderverdeling bestaan uit twee of meer verschillende soorten artikelen (hoofdzakelijk voor amusement), aangeboden in dezelfde verpakking voor de kleinhandel zonder herverpakking.

Artikelen van dezelfde onderverdeling, behalve diegene die vallen onder onderverdelingen 9503 0095 of 9503 0099 (aangezien daaronder diverse artikelen van verschillende soorten kunnen vallen), worden niet als verschillende soorten artikelen aangemerkt.

Behalve de artikelen die een assortiment vormen, kunnen eenvoudige accessoires of voorwerpen van minder belang die bestemd zijn om met de artikelen te worden gebruikt (bijvoorbeeld een wortel van kunststof of een borstel van kunststof voor een speelgoeddier), aanwezig zijn.

Uit hoofde van Aantekening 4 IDR op hoofdstuk 95 vallen onder deze onderverdeling assortimenten die bedoeld zijn voor het amusement van kinderen, bestaande uit artikelen van post 9503 in combinatie met één of meer artikelen die, indien afzonderlijk aangeboden, zouden worden ingedeeld onder andere posten, op voorwaarde dat de combinaties het wezenlijke karakter van speelgoed hebben.”

Aantekening 2 op hoofdstuk 42, voor zover van belang, als volgt:

“Dit hoofdstuk omvat niet:

(…)

l. artikelen bedoeld bij hoofdstuk 95 (bijvoorbeeld speelgoed, spellen, sportartikelen);

(…)”

Beoordeling van het geschil

8. Eiseres stelt dat de aangegeven goederencode onjuist is. De koffer kan niet als speelgoed worden aangemerkt, het is niet meer dan een bergingsmiddel als bedoeld in indelingsregel 5a en moet daarom worden ingedeeld onder de goederencode van de dierfiguren.

9. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de koffer niet voldoet aan de voorwaarden voor toepassing van indelingsregel 5a, omdat de koffer niet speciaal is gevormd of ingericht voor het opbergen van een bepaald artikel of van een stel of assortiment van artikelen. De koffer heeft enkele tussenschotjes en de ontstane ruimten zijn voorzien van verschillende achtergronden, waardoor deze ruimten doen denken aan kamertjes van de Petshop, waarin de dierfiguren kunnen verblijven. De koffer is daardoor niet slechts een bergingsmiddel. Bovendien is de koffer niet speciaal gevormd of ingericht voor het opbergen van de dierfiguren, de maten van de vakjes zijn niet afgestemd op de afmetingen van de dierfiguren. Gelet op de uitvoering van de koffer is verweerder van oordeel dat de koffer het karakter heeft van speelgoed en zou moeten worden ingedeeld onder 9503 00 99. Er is sprake van twee artikelen die zijn opgemaakt voor de verkoop in het klein. De koffer en de dierfiguren zouden, indien zij afzonderlijk worden ingevoerd, worden ingedeeld onder verschillende onderverdelingen binnen post 9503. Met inachtneming van aantekening 4 moet het samenstel als assortiment worden ingedeeld onder GN-code 9503 00 70.

10. Op grond van het bepaalde in artikel 236 van het CDW bestaat recht op

terugbetaling van douanerechten, indien wordt vastgesteld dat het bedrag van de rechten op

het tijdstip van betaling niet wettelijk verschuldigd was.

11. De rechtbank is van oordeel dat aantekening 4 op hoofdstuk 95 betrekking heeft op combinaties van speelgoed van post 9503 met artikelen die onder andere posten vallen en die voldoen aan de overige in deze aantekening gestelde voorwaarden. Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat de koffer, gelet op zijn objectieve kenmerken en eigenschappen, moet worden aangemerkt als speelgoed van post 9503. De koffer is niet ontworpen of bedoeld om de dierfiguren in op te bergen of te vervoeren, maar vormt een onderdeel van het vermaak. Aangezien uit aantekening 4 op hoofdstuk 95 volgt dat zij uitsluitend betrekking heeft op combinaties van artikelen van post 9503 met een of meer artikelen die, indien zij afzonderlijk zouden worden aangeboden, onder andere posten zouden worden ingedeeld, is deze aantekening op de goederen niet van toepassing.

12. Dat aantekening 4 op hoofdstuk 95 mutatis mutandis ook van toepassing is op combinaties van artikelen die onder verschillende onderverdelingen van post 9503 vallen, komt de rechtbank niet logisch voor. Om te beginnen is de voorwaarde dat de combinatie het wezenlijke karakter van speelgoed heeft, in deze opvatting in zoverre zinledig. Alle artikelen van post 9503 hebben immers het wezenlijke karakter van speelgoed. Bovendien biedt aantekening 4 geen uitkomst in een dergelijk geval, omdat die aantekening niets inhoudt over de in dat geval van toepassing zijnde onderverdeling van post 9503.

13. Gelet op indelingsregel 3b dienen de goederen te worden ingedeeld onder GN-code 9503 00 49. Er is immers sprake van een assortiment van goederen (de koffer en de dierfiguren) die onder verschillende onderverdelingen worden ingedeeld. Met het assortiment wordt voorzien in een behoefte of kan een bepaalde activiteit worden uitgevoerd (spelen). Op grond van indelingsregel 3b vindt indeling plaats naar het goed waaraan het assortiment zijn wezenlijk karakter ontleent, indien dit kan worden bepaald. Naar het oordeel van de rechtbank ontlenen de goederen hun wezenlijk karakter aan de dierfiguren, waarmee kinderen kunnen spelen door ze in een kamer in de koffer te zetten, te verplaatsen of gewoon in de hand te nemen om met diverse dierfiguren en/of meer kinderen met dierfiguren te spelen. De koffer vervult in het assortiment een ondergeschikte rol, namelijk als decor en verblijfplaats van de dierfiguren.

14. Het gelijk over de indeling is aan eiseres. Het beroep dient derhalve gegrond te worden verklaard.

Proceskosten

15. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 980 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 490 en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraak op bezwaar;

- vernietigt de beschikking van 13 maart 2014;

- gelast dat verweerder eiseres de gevraagde teruggave van € 6.475,47 verleent;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 980;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 328 aan eiseres te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.C.A. Onderwater, voorzitter, mr. M.H.L.C. Bijvoet en mr. A. van Dongen, leden, in aanwezigheid van E. Hoekman, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 8 december 2015.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na verzending hoger beroep instellen bij het gerechtshof Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312,

1000 BH Amsterdam.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.