Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2015:12023

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
18-12-2015
Datum publicatie
14-03-2016
Zaaknummer
4558989
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

Afwijzing verzoek ontbinding arbeidsovereenkomst. Opzegverbod. De grondslag van het verzoek, een verstoorde arbeidsverhouding, staat in directe relatie met de (langdurige) arbeidsongeschiktheid van verweerster.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2016-0261
AR 2016/705
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Afdeling Privaatrecht

Sectie Kanton - locatie Haarlem

Zaaknr./rolnr.: 4558989 \ AO VERZ 15-310

Uitspraakdatum: 18 december 2015

Beschikking in de zaak van:

Stichting [naam verzoekster],

gevestigd te [vestigingsplaats]

verzoekende partij in de zaak van het verzoek, verwerende partij in de zaak van het (voorwaardelijke) tegenverzoek

verder te noemen: [verzoekster]

gemachtigde: mr. M.C. Hendrikse

tegen

[verweerster] ,

wonende te [woonplaats]

verwerende partij in de zaak van het verzoek, verzoekende partij in de zaak van het (voorwaardelijke) tegenverzoek

verder te noemen: [verweerster]

gemachtigde: mr. J. Duin

1 Het procesverloop

in de zaak van het verzoek en het (voorwaardelijke) tegenverzoek

1.1.

[verzoekster] heeft een verzoek gedaan om de arbeidsovereenkomst tussen partijen te ontbinden. [verweerster] heeft een verweerschrift en een (voorwaardelijk) tegenverzoek ingediend.

1.2.

Op 20 november 2015 heeft een zitting plaatsgevonden. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat partijen ter toelichting van hun standpunten naar voren hebben gebracht.

2 De feiten

in de zaak van het verzoek en het (voorwaardelijke) tegenverzoek

2.1.

[verweerster] , geboren op [geboortedatum] 1957, is op 15 december 2009 in dienst getreden bij
[verzoekster] in de functie van boekhouder. Het huidige salaris bedraagt € 2.050,80 bruto per maand met een arbeidsomvang van 22,8 uur per week.

2.2.

De financiële afdeling van [verzoekster] bestaat uit drie personen. [betrokkene 1] (hierna [betrokkene 1] ) is hoofd van de financiële administratie en is direct leidinggevende van [verweerster] .

2.3.

Op 9 december 2013 heeft [verweerster] een aanvaring gehad met [betrokkene 1] waarna [verweerster] naar huis is vertrokken.

2.4.

Naar aanleiding van dit voorval heeft [verweerster] een gesprek aangevraagd met P&O dat op
12 december 2013 wordt gepland. Dit gesprek is niet doorgegaan omdat [verweerster] zich heeft ziek gemeld wegens migraineklachten.

2.5.

Hoewel [verweerster] op dat moment nog niet hersteld is, heeft op 16 december 2013 een gesprek plaatsgevonden tussen [verweerster] en het hoofd P&O, [betrokkene 2] (hierna [betrokkene 2] ). Op voorstel van [verweerster] is afgesproken dat een structureel werkoverleg zal worden ingevoerd op de financiële afdeling om de communicatie (tussen [verweerster] en [betrokkene 1] ) te verbeteren.

2.6.

Op 19 december 2013 heeft [betrokkene 2] telefonisch contact opgenomen met [verweerster] om te vragen hoe het met haar gezondheid is. [verweerster] heeft aangegeven dat de huisarts heeft geconstateerd dat zij overspannen is.

2.7.

De bedrijfsarts heeft op 31 december 2013 onder andere het volgende gerapporteerd:

“(…) Op basis van mijn bevindingen acht ik [verweerster] niet in staat haar eigen functie of andere, aangepaste, werkzaamheden uit te voeren.

Er is sprake van gezondheidsklachten en beperkingen ten aanzien van haar persoonlijk functioneren. Deze zijn voor een zeer belangrijk deel het gevolg van de werksituatie. Mevrouw vertelt mij dat zij zich door haar leidinggevende niet serieus genomen voelt en gekleineerd wordt. Hierover is in het verleden al eens gesproken.

Mijn advies is om voordat mevrouw weer gaat hervatten tot herstel van de werkrelatie te komen of althans daar afspraken over te gaan maken. Mevrouw kan dan snel weer haar eigen werk gaan hervatten.”

2.8.

In januari 2014 heeft P&O naar aanleiding van het rapport van de bedrijfsarts een voorstel tot mediation gedaan. Dit heeft [verweerster] geaccepteerd. Op 27 mei 2014 heeft de mediator aan [verzoekster] bericht dat de mediation niet tot het gewenste resultaat heeft geleid.

2.9.

In een e-mail van 27 juni 2014 heeft [betrokkene 2] aan [verweerster] geschreven:

“Beste [voornaam verweerster] ,

Hier weer een berichtje uit [vestigingsplaats] . Hoe gaat het nu met je?

Naar aanleiding van het resultaat van de mediation en het advies van de bedrijfsarts zijn wij ons nu aan het beraden. Na de zomerstop, in augustus, willen wij graag schriftelijk contact met je opnemen. Om dan om de tafel te gaan zitten en te bespreken hoe we nu verder moeten.(…)”

2.10.

Op 8 september 2014 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen [verweerster] , [betrokkene 1] , [betrokkene 2] en [betrokkene 3] (directeur van [verzoekster] ) over de terugkeer van [verweerster] in haar eigen functie. De partner van [verweerster] is daarbij ook aanwezig geweest.

2.11.

Naar aanleiding van dit gesprek heeft [verzoekster] begin oktober 2014 een werkhervattingsplan naar [verweerster] gestuurd. Vervolgens is per e-mail een voortslepende discussie ontstaan tussen [verweerster] en [verzoekster] over de inhoud van het plan.

2.12.

De bedrijfsarts heeft op 29 december 2014 onder andere het volgende gerapporteerd:

Momenteel is [verweerster] nog niet belastbaar met arbeid; dit komt met name door een afgenomen conditie en uithoudingsvermogen en de beperkingen die daaruit naar voren komen. Van belang is dat [verweerster] geholpen wordt om haar algemene conditie te verhogen middels een multidisciplinair revalidatietraject. Tijdens het doorlopen van dit traject zal [verweerster] kunnen gaan starten met werkconditie opbouw.(…)De intake bij het revalidatietraject is geweest en er is een indicatie gesteld tot revalidatie. Echter een medische ingreep, eerst gepland op 23 december en later verzet naar 19 januari maken het niet mogelijk nu reeds te starten met de training; er zal rekening gehouden moeten worden met een hersteltijd van 6-8 weken.(…)”

2.13.

Begin februari 2015 wordt door [verzoekster] een externe casemanager, [betrokkene 4] (hierna [betrokkene 4] ), ingeschakeld om het verdere verzuim van [verweerster] te begeleiden.

2.14.

[verzoekster] en [verweerster] hebben afgesproken dat [verweerster] bij Heliomare, een instantie die onder meer arbeidsintegratie verzorgt, na herstel van haar medische ingreep een traject gaat volgen in het kader van de re-integratie naar eigen werk. Op 12 maart 2015 is het traject bij Heliomare gestart.

2.15.

De bedrijfsarts heeft op 9 april 2015 onder andere het volgende gerapporteerd:

(…) Op basis van mijn bevindingen acht ik [verweerster] in staat om per mei te starten met het opbouwen van werkconditie in taken van het eigen werk. Mijn verwachting is dat zij gedurende het lopende revalidatietraject (tot en met medio juli) één werkdag kan gaan opbouwen en vanaf medio juli haar contractuele drie dagen zal kunnen werken.

Mijn advies aan werkgever en medewerkster is om met elkaar het rapport van de arbeidsdeskundige te bespreken en werkafspraken te maken. Mijn advies is om de eerste werkhervatting op therapeutische basis te laten plaats vinden voor 4 uur per dag.(…)”

2.16.

In mei 2015 heeft [verweerster] van [verzoekster] een concept vaststellingsovereenkomst ontvangen ter beëindiging van het dienstverband. Hierop is [verweerster] niet ingegaan.

2.17.

De bedrijfsarts heeft op 10 juni 2015 onder andere het volgende gerapporteerd:

Op basis van mijn bevindingen constateer ik dat door een werk gerelateerde factor en niet door een primair medische reden er een opleving van klachten en beperkingen is ontstaan. Mijn advies is om de in de vorige brief reeds aangegeven ingeslagen weg om naar een medische herstel melding te komen voort te zetten. Daarbij wil ik het medische traject en het werk gerelateerde traject uit elkaar halen. Het revalidatietraject loopt naar alle waarschijnlijkheid tot 23 juli. Mijn advies is de arbeidsongeschiktheid per 1 augustus te beëindigen en daarop vooruitlopend per 1 juli voor 8 uur per week er van uitgaande dat een therapeutische re-integratie vanaf begin mei geleid zou hebben tot het werken van een hele dag per 1 juli.

2.18.

In een e-mail van 26 juni 2015 heeft de gemachtigde van [verweerster] het volgende aan
[betrokkene 4] geschreven:

“(…) In het rapport van de bedrijfsarts, d.d. 10 juli jl. wordt geadviseerd om met ingang van 1 juli a.s. te starten met de daadwerkelijke re-integratie van [verweerster] .

In verband hiermee bevreemdt het cliënte dan ook dat zij tot op heden nog niet van u, dan wel de werkgever heeft vernomen.

Graag zou ik u dan ook willen verzoeken om cliënte op hele korte termijn te informeren over de nader te nemen stappen.(…)

2.19.

In een e-mail van 7 juli 2015 heeft [betrokkene 1] als volgt gereageerd:

Vanaf deze week is er sprake van afwezigheid van directie, zakelijke leiding MT en bezetting van de afdeling boekhouding.

Gezien het feit dat er gedurende de anderhalfjaar durende afwezigheid van [verweerster] , wegens ziekte, meerdere werkprocessen zijn veranderd, en ook gezien het feit dat er geen mensen aanwezig zijn die mw. [verweerster] kunnen helpen cq aansturen qua reintegratie. Na de zomerstop is daar uiteraard alle ruimte voor (…)”

2.20.

Op 6 augustus 2015 is een arbeidsdeskundige rapportage uitgebracht. De conclusie daarvan luidt dat [verweerster] geschikt wordt geacht voor haar eigen werk.

2.21.

[verweerster] is per 13 augustus 2015 hersteld gemeld bij het UWV waartegen [verweerster] bezwaar heeft gemaakt.

2.22.

Op 21 oktober 2015 heeft het UWV het bezwaar van [verweerster] gegrond verklaard en geoordeeld dat [verweerster] met ingang van 13 augustus 2015 volledig arbeidsongeschikt is.

3 Het verzoek

3.1.

[verzoekster] verzoekt de arbeidsovereenkomst met [verweerster] te ontbinden op grond van artikel 7:671b lid 1, onderdeel a, van het Burgerlijk Wetboek (BW), in verbinding met artikel 7:669 lid 3, onderdeel g BW, onder toekenning van de wettelijke transitievergoeding.

3.2.

Aan dit verzoek legt [verzoekster] ten grondslag dat sprake is van – kort gezegd – een verstoorde arbeidsverhouding, zodanig dat van [verzoekster] redelijkerwijs niet gevergd kan worden de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. Ter onderbouwing daarvan heeft [verzoekster] naar voren gebracht dat door toedoen van [verweerster] tussen partijen een onoverbrugbare kloof is ontstaan. Klaarblijkelijk is [verweerster] het niet eens met de wijze waarop [betrokkene 1] leiding geeft aan de financiële afdeling terwijl dat uiteindelijk niet aan haar is om te bepalen. [verweerster] heeft gedurende haar ziekteperiode op verschillende momenten heel dicht bij werkhervatting gezeten maar omdat [verweerster] telkens opnieuw eisen bleef stellen is dit er niet van gekomen. [verweerster] heeft daarmee de indruk gewekt dat zij niet daadwerkelijk wilde terugkeren naar [verzoekster] . Dit heeft [verweerster] ook meerdere keren aangegeven. Door de aanhoudende halsstarrige opstelling en het gebrek aan zelfinzicht bij [verweerster] heeft [verzoekster] alle vertrouwen verloren in een vruchtbare samenwerking. [verzoekster] meent er alles aan gedaan te hebben om het conflict op te lossen en het kan [verzoekster] niet aangerekend worden dat er op een gegeven moment een kentering is gekomen en zij heeft besloten dat de arbeidsovereenkomst dient te worden beëindigd. Herplaatsing is ook niet aan de orde omdat [verweerster] re-integratie in het tweede spoor heeft geweigerd. Het verzoek houdt ten slotte geen verband met de arbeidsongeschiktheid van [verweerster] noch met het lidmaatschap van [verweerster] van de ondernemingsraad.

4 Het verweer en het (voorwaardelijke) tegenverzoek

4.1.

[verweerster] verweert zich tegen het verzoek en stelt dat de verzochte ontbinding moet worden afgewezen. [verweerster] is volledig arbeidsongeschikt en de reden voor de ontbinding houdt direct verband met deze arbeidsongeschiktheid. Daarnaast stelt [verweerster] dat voor haar altijd het uitgangspunt is geweest om terug te keren naar [verzoekster] mits de juiste randvoorwaarden gecreëerd konden worden. [verweerster] heeft geen conflict met [verzoekster] . [verweerster] heeft alleen op bepaalde punten wrijving met [betrokkene 1] . [verweerster] was er juist alles aan gelegen om terug te keren. Het is [verzoekster] geweest die ervan blijk heeft gegeven niet met [verweerster] verder te willen door volstrekt onverwacht een vaststellingsovereenkomst te sturen terwijl er op dat moment weer een mogelijkheid tot re-integratie bestond.

4.2.

Voor zover de arbeidsovereenkomst wordt ontbonden, verzoekt [verweerster] de kantonrechter om bij het bepalen van de ontbindingsdatum rekening te houden met de opzegtermijn van de werkgever. [verweerster] verzoekt ook om toekenning van een billijke vergoeding en om een deugdelijke netto/bruto specificatie op straffe van een dwangsom. [verzoekster] heeft ernstig verwijtbaar gehandeld doordat zij zich weigerachtig heeft getoond [verweerster] tot re-integratie te laten overgaan terwijl hiertoe wel concrete mogelijkheden waren.

[verzoekster] heeft daartegen verweer gevoerd.

5 De beoordeling

in de zaak van het verzoek

5.1.

Het gaat in deze zaak om de vraag of de arbeidsovereenkomst tussen partijen moet worden ontbonden.

5.2.

De kantonrechter stelt vast dat sprake is van een opzegverbod, omdat [verweerster] ongeschikt is tot het verrichten van haar arbeid wegens ziekte. Dit opzegverbod staat gezien artikel 7:671b lid 6 BW in de weg aan ontbinding, omdat het verzoek verband houdt met de ziekte van [verweerster] . Uit al hetgeen naar voren is gebracht door [verzoekster] is het de kantonrechter duidelijk geworden dat de grondslag van het verzoek, een verstoorde arbeidsverhouding, in directe relatie staat met de (langdurige) arbeidsongeschiktheid van [verweerster] . Ondanks het feit dat de bedrijfsarts in april 2015 oordeelt dat er niets aan in de weg staat om [verweerster] in mei 2015 van start te laten gaan met de re-integratie stuurt [verzoekster] aan op een beëindiging van de arbeidsovereenkomst. De stelling van [verzoekster] dat [verweerster] nimmer de intentie heeft gehad om terug te keren naar haar functie is niet aannemelijk geworden. Als immers blijkt dat [verweerster] niet wenst in te gaan op de vaststellingsovereenkomst, laat [verzoekster] (in de persoon van [betrokkene 1] ) eind juni 2015 aan [verweerster] weten dat er na de zomerstop alle ruimte is om te beginnen met de re-integratie. Niet lang daarna volgt echter onderhavig verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst wegens een verstoorde arbeids-verhouding.

5.3.

Het vorenstaande betekent dat het verzoek tot ontbinding moet worden afgewezen.

5.4.

Gelet op de uitkomst van de zaak, is de kantonrechter van oordeel dat het redelijk is dat partijen ieder hun eigen proceskosten dragen.

in de zaak van het (voorwaardelijke) tegenverzoek

5.5.

Nu het verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst wordt afgewezen, behoeft op het tegenverzoek, dat voorwaardelijk is ingesteld, niet te worden beslist.

6 De beslissing

De kantonrechter:

in de zaak van het verzoek

6.1.

wijst de verzochte ontbinding af;

6.2.

bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt.

Deze beschikking is gewezen door mr. C.A. van Dijk, kantonrechter, en op
18 december 2015 in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.

De griffier De kantonrechter