Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2015:11989

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
24-12-2015
Datum publicatie
10-03-2016
Zaaknummer
AWB - 15 _ 3063
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Coffeeshop niet in strijd met het beleid of het bestemmingsplan. Geen onevenredige overlast.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module Horeca 2016/2731
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummers: HAA 15/3063 en HAA 15/3498

uitspraak van de meervoudige kamer van 24 december 2015 in de zaken tussen

de besloten vennootschap [eiser 8] , te [plaatsnaam] ,

[eiser 1] , te [plaatsnaam] ,

[eiser 2] , te [plaatsnaam] ,

[eiser 3] , te [plaatsnaam] ,

[eiser 4] , te [woonplaats] ,

[eiser 5] , te [plaatsnaam] ,

de besloten vennootschap [eiser 6] , h.o.d.n. [eiser 6], te [plaatsnaam] ,

de besloten vennootschap [eiser 7], te [plaatsnaam] ,

(gemachtigde: mr. D.W. Giltay Veth),

de besloten vennootschap [eiser 9] , te [plaatsnaam]

(gemachtigde: mr. W. Visser)

hierna tezamen: eisers.

en

de burgemeester van de gemeente Haarlemmermeer, verweerder

(gemachtigden: mr. M.F.A. Dankbaar en M .Hogenwerf).

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: de besloten vennootschap [derde belanghebbende], gevestigd te Haarlem,

(gemachtigde: mr. M. Veldman).

Procesverloop

Bij besluit van 16 juni 2015 heeft verweerder aan [derde belanghebbende] B.V. (hierna: de vergunninghouder) op grond van de Algemene Plaatselijke Verordening van de gemeente Haarlemmermeer (hierna: de APV) een exploitatievergunning ten behoeve van een coffeeshop verleend alsmede een ‘gedoogverklaring Opiumwet’ beide afgegeven voor de duur van één jaar.

Eisers hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 oktober 2015.

Eisers zijn vertegenwoordigd door mr. Giltay Veth en J.W. Gehrels. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden. De vergunninghouder is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Verweerder heeft aan de vergunninghouder een exploitatievergunning verleend voor de duur van één jaar onder voorwaarden en gelijktijdig voor dezelfde termijn een zogeheten ‘gedoogverklaring Opiumwet’ verleend ten behoeve van de vestiging van coffeeshop ‘ [naam 1] ’ in het pand aan de [adres 1] (hierna: het perceel).

Het perceel bevindt zich op bedrijventerrein Hoofddorp-Noord.

2. Eisers kunnen zich hiermee niet verenigen.

3. Voor zover eisers stellen dat niet alle stukken (gedurende de gehele termijn) ter inzage hebben gelegen dan wel dat niet is vermeld waar de stukken ter inzage hebben gelegen – wat daar verder ook van zij – is de rechtbank van oordeel dat dit niet kan leiden tot een vernietiging van het bestreden besluit nu eisers tijdig een volledige zienswijze tegen het voornemen tot het verlenen van de exploitatievergunning en de gedoogverklaring hebben kunnen indienen. En ook overigens is de rechtbank niet gebleken dat eisers benadeeld zijn. Deze beroepsgronden slagen niet.

4.1

Eisers betogen dat verweerder hen tot 17 december 2014 ten onrechte niet heeft betrokken bij de eventuele vestiging van een coffeeshop op het perceel. Er heeft voor die tijd geen overleg met hen plaatsgevonden. Verweerder heeft hierdoor in strijd gehandeld met het zorgvuldigheidsbeginsel.

4.2

Anders dan eisers veronderstellen, was verweerder in dit geval niet gehouden voorafgaand aan het verlenen van een exploitatievergunning in overleg te treden met belanghebbenden. Van schending van het zorgvuldigheidsbeginsel is dan ook geen sprake. De rechtbank overweegt hiertoe dat verweerder afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) – en daarmee de uniforme openbare voorbereidingsprocedure – op de voorbereiding van het besluit strekkende tot het verlenen van de exploitatievergunning (en de gedoogverklaring) van toepassing heeft verklaard. Binnen die procedure hebben belanghebbenden de mogelijkheid een zienswijze in te brengen tegen het ontwerpbesluit. In afdeling 3.4 noch in een andere regeling is voor verweerder een verplichting opgenomen om voorafgaand aan de procedure tot overleg over te gaan. Deze beroepsgrond slaagt niet.

5.1.

Eisers voeren verder aan dat het bedrijventerrein Hoofddorp-Noord is bedoeld voor werken en wonen en niet als locatie voor een coffeeshop. Tijdens bijeenkomsten in december 2013 en mei 2014 is van gemeentelijke zijde aangegeven dat het bedrijventerrein in het kader van een revitaliserings- en herstructureringstraject levendiger zal worden gemaakt door woningbouw, detailhandel en andersoortige bedrijven mogelijk te maken. Er is niet gezegd dat er een coffeeshop zou komen, terwijl hier ten tijde van de bijeenkomst van mei 2014 al wel sprake van was. In het kader van de revitalisering hebben een aantal ondernemers de stap genomen om woningbouw te gaan ontwikkelen op het bedrijventerrein. Als de komst van de coffeeshop bij deze ondernemers bekend was geweest, hadden zij deze plannen niet doorgezet. Eisers menen dat verweerder het vertrouwensbeginsel heeft geschonden door geen (tijdige) melding te maken van de komst van de coffeeshop.

5.2.

Voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel is, zoals de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) eerder heeft overwogen (zie onder meer de uitspraak van 2 juli 2014, ECLI:NL:RVS:2014:2398), nodig dat er aan het bestuursorgaan toe te rekenen concrete en ondubbelzinnige toezeggingen zijn gedaan door een daartoe bevoegd persoon, waaraan rechtens te honoreren verwachtingen kunnen worden ontleend.

Daargelaten dat de bedoelde medewerker(s) van de gemeente die op de bijeenkomsten hebben gesproken niet bevoegd waren te besluiten over de komst van een coffeeshop op het perceel en het al dan niet verlenen van een exploitatievergunning alsmede gedoogverklaring (dat is immers de burgemeester), is niet gebleken dat deze medewerkers ondubbelzinnig en ongeclausuleerd hebben toegezegd dat er geen coffeeshop op het bedrijventerrein Hoofddorp-Noord zal worden gevestigd. Er is kennelijk, zoals eisers stellen, door de medewerkers van de gemeente gezegd dat er andersoortige bedrijven en woningen komen. Dat eisers bij de komst van andersoortige bedrijven niet aan een coffeeshop hebben gedacht, maakt het besluit niet onrechtmatig. De rechtbank is van oordeel dat van een schending van het vertrouwensbeginsel geen sprake is. Deze beroepsgrond slaagt niet.

6.1

Eisers voeren vervolgens een aantal gronden aan op grond waarvan zij menen dat de aanvraag alsmede de verleende exploitatievergunning en gedoogverklaring in strijd zijn met het Coffeeshopbeleid 2012.

6.2.1.

Eisers voeren ten eerste aan dat op grond van het Coffeeshopbeleid 2012 zich geen coffeeshop mag bevinden binnen een straal van 350 meter van een instelling die hoofdzakelijk gericht is op jongeren in de leeftijdscategorie 12 tot en met 18 jaar. Er bevinden zich echter binnen deze straal van het perceel twee instellingen gericht op jongeren, namelijk [naam instelling 1] en [naam instelling 2] Company. Bovendien bevinden zich binnen een straal van 350 meter van het perceel ook nog eens 18 leerbedrijven.

6.2.2

De rechtbank stelt vast dat [naam instelling 1] een indoor trampolinepark is. [naam instelling 2] Company is een dansschool. Verweerder heeft onder verwijzing naar de websites van beide ondernemingen aangegeven dat zowel [naam instelling 1] als de [naam instelling 2] Company zich niet in hoofdzaak richten op jeugd tussen 12 en 18 jaar. Eisers hebben het tegendeel niet aannemelijk gemaakt, noch is dit gebleken.

Ten aanzien van de leerbedrijven stelt de rechtbank vast dat dit (garage)bedrijven zijn waar leerlingen tijdens hun opleiding een stage kunnen lopen. Het gaat hier om reguliere bedrijven, waar de focus ligt op het uitvoeren van bedrijfsactiviteiten. De mogelijkheid om op zo’n bedrijf stage te lopen heeft een aan die bedrijfsactiviteiten ondergeschikt karakter. Van bedrijven die in hoofdzaak zijn gericht op jongeren is dan ook geen sprake.

Van strijd met het Coffeeshopbeleid 2012 is naar het oordeel van de rechtbank dan ook niet gebleken. Deze beroepsgrond slaagt niet.

6.3.1.

Verder stellen eisers dat er geen behoefte is aan dan wel noodzaak bestaat voor een tweede coffeeshop binnen de gemeente. Immers de vergunninghouder geeft aan dat de komst van de coffeeshop een evenredige vermindering van klanten bij de bestaande coffeeshop [naam 2] inhoudt. Eisers leiden hieruit af dat alle gebruikers reeds bij coffeeshop [naam 2] terecht kunnen.

6.3.2.

De rechtbank is van oordeel dat de behoefte aan een tweede coffeeshop niet hoeft te worden aangetoond. Immers op grond van het Coffeeshopbeleid 2012, waar reeds de afweging is gemaakt hoeveel coffeeshops binnen de gemeente zullen worden toegestaan, zijn er twee coffeeshops toegestaan. Nu er binnen de gemeente één coffeeshop was ( [naam 2] ), bestond er nog ruimte voor een tweede coffeeshop waar de vergunninghouder thans invulling aan wenst te geven. Deze beroepsgrond slaagt niet.

6.4.1.

Eisers voeren vervolgens aan dat de vergunningsaanvraag niet aan het Coffeeshopbeleid 2012 voldoet. Eisers stellen daartoe dat in het eerste ondernemersplan dat ter inzage heeft gelegen twee locaties zijn genoemd, te weten de [adres 2] en [nummer] . Nadien heeft de vergunninghouder nog het perceel als derde locatie genoemd. Op grond van het Coffeeshopbeleid 2012 mag echter na ongeschikt bevinding van de eerste locatie slechts één alternatieve locatie worden aangevoerd.

6.4.2.

De rechtbank is van oordeel dat uit de aanvraag van 26 februari 2014 volgt dat de vergunninghouder een aanvraag voor een coffeeshop op de [adres 3] deed. In een later stadium heeft de vergunninghouder de aanvraag in die zin gewijzigd dat de beoogde locatie voor de coffeeshop wordt gewijzigd in [adres 4] . Er is dus geen sprake van drie, maar slechts van twee locaties. Van strijd met het Coffeeshopbeleid 2012 is naar het oordeel van de rechtbank dan ook geen sprake. De omstandigheid dat de aanvrager niet binnen de termijn van drie maanden de alternatieve locatie [adres 4] heeft opgevoerd, brengt niet mee dat de aanvraag om die reden niet verder in behandeling kon worden genomen. Het gaat hier om een termijn van orde waarbij overschrijding niet is gesanctioneerd. Deze beroepsgrond slaagt niet.

6.5.1.

Verder voeren eiseres ook aan dat niet duidelijk is welk ondernemersplan voor verweerder als kader heeft gediend voor toetsing aan het Coffeeshopbeleid en het verlenen van de exploitatievergunning. Zo is niet duidelijk welke maatregelen door de vergunninghouder zullen worden getroffen om overlast in de omgeving te voorkomen. Immers het ondernemersplan dat aanvankelijk door verweerder ter inzage werd gelegd, vermeldt als locatie voor de coffeeshop twee adressen op de [adres 5] , terwijl de vergunning is verleend voor een coffeeshop op de locatie [adres 4] .

6.5.2.

De rechtbank is van oordeel dat de toets aan het Coffeeshopbeleid 2012 heeft plaatsgevonden ten aanzien van de locatie [adres 4] . Dit volgt uit de Nota van februari 2015. Dat in het aanvankelijk (foutief) door verweerder ter inzage gelegde ondernemersplan als locatie de adressen op de [adres 5] zijn genoemd, maakt dit niet anders. Immers het ondernemersplan zoals dat door de vergunninghouder is opgesteld is niet locatiegebonden. De beide ter inzage gelegde ondernemersplannen zijn inhoudelijk exact gelijk aan elkaar. De maatregelen die de vergunninghouder zal treffen ter voorkoming van en beëindiging van overlast in de omgeving daarmee dus ook. Deze beroepsgrond slaagt niet.

6.6.1.

Eisers betogen verder dat in het ondernemersplan, in strijd met de onder 3.5.1. van het Coffeeshopbeleid 2012 gestelde voorwaarde, geen ledenbeleid is opgenomen.

6.6.2.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder terecht deze voorwaarde niet in de gedoogverklaring heeft opgenomen omdat deze voorwaarde in de nieuwe Aanwijzing Opiumwet is komen te vervallen. Deze beroepsgrond slaagt niet.

6.7.1.

Eisers voeren vervolgens aan dat op grond van het Coffeeshopbeleid 2012 een coffeeshop niet op een monofunctioneel bedrijventerrein mag zijn gevestigd. Dat is gelet op de toelichting op de planvoorschriften bij het bestemmingsplan nu wel het geval.

6.7.2.

Verweerder heeft ter zitting hierover verklaard dat het bedrijventerrein Hoofddorp -Noord in het geheel en het perceel in het bijzonder de bestemming ‘gemengd-1’ heeft. Verder heeft verweerder verklaard dat aan de term ‘monofunctioneel’ in het kader van het Coffeeshopbeleid 2012 een andere invulling is gegeven dan aan dezelfde term gebruikt in de toelichting op de planvoorschriften. In de toelichting op de planvoorschriften is bedoeld vast te stellen dat het hele bedrijventerrein één bestemming heeft. Het Coffeeshopbeleid 2012 moet echter zo worden gelezen dat een coffeeshop niet op een monofunctioneel bedrijventerrein in de zin van bijvoorbeeld een kantorenpark mag zijn gevestigd in verband met het ontbreken van sociale controle na vijf uur ‘s avonds. Dat is op het bedrijventerrein Hoofddorp -Noord niet aan de orde. Immers op het bedrijventerrein zijn in verband met de gemengde bestemming thans onder andere winkels, bedrijven, horeca en (bedrijfs)woningen gevestigd op grond waarvan sprake is van voldoende sociale controle.

6.7.3.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder met de ter zitting gegeven toelichting inzichtelijk heeft gemaakt dat de term ‘monofunctioneel’ in de toelichting op de planvoorschriften afwijkt van de definitie zoals gegeven in het Coffeeshopbeleid 2012 nu in het Coffeeshopbeleid 2012 de term monofunctioneel is gehanteerd vanuit het oogpunt van de benodigde sociale controle voor de coffeeshop.

Gezien de invulling van het bedrijventerrein twijfelt de rechtbank er niet aan dat tenminste enige sociale controle op het bedrijventerrein Hoofddorp -Noord zal kunnen plaatsvinden, zodat strijd met Coffeeshopbeleid op dit punt niet is gebleken.

Eisers stellen voorts dat in de toekomst het bedrijventerrein een woonwijk zal worden en dat een coffeeshop alsdan dan in strijd zal zijn met het Coffeeshopbeleid 2012. Nog daargelaten dat dit een toekomstige ontwikkeling betreft terwijl de exploitatievergunning voor de duur van slechts een jaar is verleend, overweegt de rechtbank dat de gedingstukken voor deze toekomstvisie onvoldoende steun bieden.

6.8.

Tot slot is de rechtbank, anders dan eisers, van oordeel dat hoofdagent
[naam 3] van Politie Kennemerland (afdeling vergunningsadvisering) in de brief van 30 juli 2014 aan zijn goedkeuring geen voorwaarde (zoals ontvangst van het ondernemingsplan) heeft verbonden. Hij heeft uitsluitend de wens geuit om ook het ondernemersplan voor de locatie [adres 4] te ontvangen, het oorspronkelijke ondernemingsplan voor [adres 3] had hij al ontvangen en beoordeeld. De rechtbank stelt op grond van de gedingstukken vast dat verweerder het ondernemersplan ten aanzien van de locatie [adres 4] aan de politie heeft overgelegd. De rechtbank stelt verder vast dat blijkens de e-mail van19 mei 2015 de politie hieraan ook goedkeuring heeft verleend. Dit laatste lag ook voor de hand nu dit ondernemersplan wat betreft de inhoud gelijk was aan het eerdere ondernemersplan.

7.1.

Vervolgens voeren eisers aan dat de exploitatievergunning in strijd is met het bestemmingsplan. Immers op grond van de Integrale Beleidsnota horeca 2009 (hierna: Horecabeleid 2009) dient een coffeeshop te worden aangemerkt als horeca-categorie 4 (zwaarste categorie). Deze categorie is niet op het perceel toegestaan.

7.2.

Verweerder heeft ter zitting verklaard dat in het Horecabeleid 2009 voor de categorieën 1, 2 en 3 aansluiting is gezocht bij het bestemmingsplan. Categorie 4 is als een aparte categorie met apart beleid aan het Horecabeleid 2009 toegevoegd in verband met het Coffeeshopbeleid 2012 en kan niet worden gezien als een zwaardere categorie dan de categorieën 1 tot en met 3. Bezien vanuit de categorieën benoemd in het bestemmingsplan, moet een coffeeshop als categorie 1 of 2 worden aangemerkt. Een aparte categorie voor een coffeeshop kan niet in het bestemmingsplan worden opgenomen, omdat verkoop van drugs in strijd is met de Opiumwet.

7.3.

Op grond van artikel 2:28A, derde lid, aanhef en onder a, van de Algemene plaatselijke verordening (APV) weigert de burgemeester, onverminderd het bepaalde in artikel 1:8, de vergunning indien de vestiging of exploitatie van het horecabedrijf in strijd is met een geldend bestemmingsplan.

7.4.1.

De rechtbank is, gelet op verweerders verklaring ter zitting, van oordeel dat met de categorie 4 uit het Horecabeleid 2009 geen sprake is van een zwaardere categorie ten opzichte van de categorieën 1, 2 en 3 uit het Horecabeleid 2009. Het betreft immers een bijzondere en afwijkende (rest)categorie uit het Horecabeleid 2009, uitsluitend bedoeld voor coffeeshops.

De rechtbank is verder van oordeel dat verweerder afdoende heeft verklaard dat coffeeshop (categorie 4) geen deel kan uitmaken van de in de planvoorschriften neergelegde definitiebepalingen. Immers op grond van vaste jurisprudentie van de Afdeling staat vast dat een coffeeshop, de verkoop van (verboden) softdrugs niet in planologisch opzicht kan worden gereguleerd, zodat moet worden aangehaakt bij een vergelijkbare legale functie. De rechtbank verwijst ter ondersteuning van haar standpunt naar de uitspraak van de Afdeling van 20 juni 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BW8878.

De rechtbank is van oordeel dat het beroep op de categorie-indeling in Horecabeleid 2009 dan ook niet leidt tot de conclusie dat de coffeeshop in strijd is met het bestemmingsplan.

7.4.2.

De rechtbank is daarnaast van oordeel dat verweerder de coffeeshop terecht met een horecavoorziening uit de categorie 1 of 2 heeft gelijkgesteld, nu het gebruik van het pand als coffeeshop qua ruimtelijke uitstraling met deze legale functie (café of snackbar) vergelijkbaar is. Zo zijn de openingstijden van 10.00 tot 22.00 vergelijkbaar met openingstijden van horecacategorie 1 en 2. En er zullen in [naam 1] ook broodjes, soep en non-alcoholische dranken worden verkocht die gelet op de inrichting ook daar genuttigd kunnen worden. Ook de verkeer aantrekkende werking is vergelijkbaar.

7.4.3.

Nu er geen sprake is van strijd met het bestemmingsplan doet de in artikel 2:28A, derde lid, aanhef en onder a, van de APV neergelegde dwingende weigeringsgrond voor verlening van de exploitatievergunning zich naar het oordeel van de rechtbank niet voor. Deze beroepsgrond slaagt niet.

8.1.

Eisers voeren verder aan dat er onevenredige overlast voor de omwonenden en naastgelegen bedrijven zal ontstaan door de toenemende parkeerdruk als gevolg van de komst van de coffeeshop. Er is onvoldoende parkeergelegenheid, zo stellen eisers.

Er is geen objectieve onderbouwing gegeven van de parkeerbehoefte. Eisers menen dat de vergunninghouder moet aangeven hoeveel parkeerplaatsen nodig zullen zijn.

Eisers menen op grond van hun eigen berekeningen, met gebruikmaking van de CROW-parkeernormen waarbij zij zijn uitgegaan van een discotheek, dat 31 parkeerplaatsen nodig zijn.

Eisers verbazen zich erover dat de gemeente vier “gratis” parkeerplaatsen aanlegt voor een coffeeshopondernemer, puur om een vergunning mogelijk te maken.

8.2.

Verweerder heeft in het verweerschrift alsmede ter zitting aangegeven dat er 7 parkeerplaatsen waren. Na herstructurering van het gebied zijn dit 12 parkeerplaatsen geworden. De parkeersituatie is bovendien overzichtelijker geworden omdat de parkeervakken duidelijker zijn aangegeven hetgeen handhaving zal vergemakkelijken. Verder geeft verweerder aan dat het in de onderhavige zaak gaat om een verleende exploitatievergunning en niet om een omgevingsvergunning met vrijstelling. Er dient daarom alleen te worden getoetst op grond van artikel 2:28, derde lid, aanhef en onder c, van de APV of er geen ontoelaatbare overlast voor de woon- en leefomgeving zal ontstaan. In dat kader is zijdelings naar de CROW-normen gekeken teneinde parkeeroverlast te voorkomen. Er heeft geen daadwerkelijke toets aan de CROW-normen plaatsgevonden, zoals dat aan de orde is bij een omgevingsvergunning. Verder geeft verweerder aan dat daarbij is gekeken welke parkeernormen er gelden voor een snackbar of restaurant (horecacategorie 1 of 2) die ter plaatse zijn toegestaan. Tot slot stelt verweerder dat aan de exploitatievergunning (en de gedoogverklaring) tal van voorwaarden zijn verbonden om parkeeroverlast tegen te gaan. Verweerder geeft aan dat hij geen parkeerproblemen verwacht.

8.3.1.

Op grond van artikel 2:28A, derde lid, aanhef en onder c, van de APV weigert de burgemeester, onverminderd het bepaalde in artikel 1:8, de vergunning indien naar zijn oordeel moet worden aangenomen dat de woon- en leefsituatie in de omgeving van het horecabedrijf of openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloed. Hierbij houdt de burgemeester rekening met het karakter van de straat en de wijk, waarin het horecabedrijf is gelegen of zal zijn gelegen, de aard van het horecabedrijf en de spanning, waaraan het woonmilieu ter plaatse reeds blootstaat of bloot zal komen te staan door de exploitatie.

8.3.2.

De rechtbank stelt vast dat verweerder bij de beslissing of er sprake is van een ontoelaatbare overlast voor de woon- en leefomgeving beoordelings- en beleidsvrijheid toekomt. De rechtbank kan de verleende exploitatievergunning daarom slechts terughoudend toetsen. Bepalend is hier of verweerder in redelijkheid tot verlening van de exploitatievergunning heeft kunnen komen.

8.3.3.

De rechtbank is van oordeel dat bij de beoordeling van de woon- en leefsituatie in de omgeving van [adres 4] , verweerder aannemelijk moet maken dat er geen parkeeroverlast zal zijn. Het uitvoeren van een specifiek parkeeronderzoek is daarvoor in dit geval niet vereist. De rechtbank acht aannemelijk dat verweerder een gefundeerde inschatting van het aantal benodigde parkeerplaatsen heeft kunnen maken, nu hij daarbij de CROW-normen als uitgangspunt heeft genomen. Verweerder heeft daarbij in redelijkheid de norm van een snackbar/restaurant als uitgangspunt kunnen nemen voor het aantal benodigde parkeerplaatsen. Immers een coffeeshop kan planologisch gezien hiermee worden gelijkgesteld. In het aldus geschatte aantal benodigde parkeerplaatsen is thans voorzien.

8.3.4.

De rechtbank stelt verder vast dat verweerder aan de vergunning een aantal voorwaarden heeft verbonden ter voorkoming van parkeeroverlast in de omgeving. Verweerder is voornemens streng te handhaven op onder andere parkeeroverlast. Ook heeft verweerder aangegeven dat de meeste bezoekers ’s avonds naar de coffeeshop komen op het moment dat de bedrijven dicht zijn. Er zijn op dat moment meer parkeerplaatsen voor de bezoekers van de coffeeshop beschikbaar. Ter zitting is door verweerder verder onweersproken gesteld dat de bezoekers van de coffeeshop ook elders in de buurt van de coffeeshop (kortdurend) hun auto kunnen parkeren. Gelet op al het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het niet aannemelijk is dat er sprake zal zijn van onevenredig parkeeroverlast.

Ten slotte stelt de rechtbank vast dat de wijze van financiering van de nieuw aangelegde parkeerplaatsen niet bepalend is voor de beoordeling van de rechtmatigheid van de bestreden besluiten.

Deze beroepsgrond slaagt niet.

8.3.5.

Overigens wijst de rechtbank erop dat, anders dan eisers stellen, geen sprake is van een situatie waarin zij geen rekening hoefden te houden met enige vorm van overlast en mochten uitgaan van een ongestoord woongenot. Immers op het perceel rust de bestemming gemengd-1 (tot en met horeca categorie 2) hetgeen betekent dat er op deze locatie verschillende vormen van gebruik zijn toegestaan met de daarbij behorende overlast.

9.1.

Voor zover eisers stellen dat er overlast door samenscholing en straathandel wordt verwacht, overweegt de rechtbank als volgt. Verweerder heeft in het verweerschrift alsmede ter zitting aangegeven dat om overlast en verstoring van het woongenot te beperken er voorschriften aan de exploitatievergunning zijn verbonden. Daarbij gaat het in eerste instantie om de zogeheten (I)AHOJG voorschriften. Verder gelden er aanvullende de verplichtingen voor de vergunninghouder om in de directe omgeving zelf toezicht te houden en overlast van bezoekers/klanten te (doen) stoppen en om tijdens openingstijden een portier aanwezig te hebben. Tegen niet-naleving van de (I)AHOJG-criteria, de vergunningvoorschriften en andere wettelijke eisen wordt streng opgetreden, hetgeen is neergelegd in het Handhavingsarrangement. Alle meldingen van overlast en criminaliteit worden door de politie bijgehouden. Als dat nodig is kunnen er extra maatregelen genomen, zoals het intensiveren van het toezicht. Dit is voldoende om de overlast tot een minimum te beperken. Ook het Wetboek van Strafrecht en de APV bieden de mogelijkheid om op te treden tegen bijvoorbeeld samenscholing, ordeverstoringen of hinderlijk gedrag. De gemeentelijke toezichthouders en de politie zien erop toe dat deze bepalingen worden nageleefd. Indien dat nodig is dan zal er ook worden opgetreden bijvoorbeeld door het opleggen van boetes of het aanhouden van verdachten. Aan de vergunning is een voorschrift verbonden waarin is bepaald dat dat de vergunninghouder erop moet letten dat de softdrugs binnen een afstand van 50 meter rondom het pand niet worden doorverkocht. De gemeentelijke toezichthouders en de politie zullen controleren of de exploitant dit voorschrift naleeft. Doorverkopen van (soft)drugs is op grond van de Opiumwet verboden. Tegen illegale handel kan ook strafrechtelijk worden opgetreden.

9.2.

De rechtbank is van oordeel dat, gelet op de aan de vergunninghouder opgelegde voorschriften alsmede gelet op de mogelijkheden die het Wetboek van Strafrecht en de APV bieden, er sprake is van voldoende waarborgen om onevenredige aantasting van de openbare orde en de woonomgeving te voorkomen. De rechtbank ziet verder geen reden eraan te twijfelen dat naleving van de voorschriften zal plaatsvinden, hetgeen is gewaarborgd in het Handhavingsarrangement.

10. Anders dan eisers stellen is de rechtbank van oordeel dat verweerder niet heeft nagelaten de in het Coffeeshopbeleid 2012 genoemde (29) voorwaarden aan de vergunninghouder op te leggen in verband met het exploiteren van de coffeeshop. Immers in de exploitatievergunning in samenhang bezien met de gedoogverklaring worden alle voorwaarden uit het Coffeeshopbeleid 2012 aan de vergunninghouder opgelegd. Dit met uitzondering van het ledenbeleid, waarover de rechtbank in rechtsoverweging 6.6. reeds heeft geoordeeld.

11. De rechtbank stelt vast dat partijen het er over eens zijn dat de overname van de aanvraag door de besloten vennootschap [derde belanghebbende] niet langer een probleem is nu ter zitting is vastgesteld dat ten aanzien van de besloten vennootschap ook een Bibob-toets heeft plaatsgevonden. Deze beroepsgrond behoeft dan ook geen bespreking meer.

12.1.

Verder stellen eisers dat de brief van 26 februari 2014 niet als een aanvraag voor een exploitatievergunning kan worden aangemerkt. Het is enkel een brief waarin de vergunninghouder vraagt om een toezegging dat hij de enige aanvrager voor de exploitatievergunning voor een coffeeshop is dan wel dat hij een voorlopige claim op de exploitatievergunning zou kunnen krijgen.

12.2.

De rechtbank is van oordeel dat nu tussen verweerder en de vergunninghouder niet in geschil is dat de vergunninghouder met de brief van 26 februari 2014 een aanvraag voor een exploitatievergunning voor een coffeeshop heeft gedaan, er geen aanleiding is daarover anders te oordelen. Het is immers aan verweerder om te bepalen of hij voldoende gegevens heeft om deze in behandeling te nemen. Zo nodig kan deze op een later tijdsstip worden aangevuld. Deze beroepsgrond slaagt niet.

13. De rechtbank is anders dan eisers van oordeel dat maatschappelijk draagvlak dan wel het hebben van horeca ervaring geen vereiste is voor het verlenen van de exploitatievergunning en de gedoogverklaring voor een coffeeshop nu dit niet als criterium voor het al dan niet verlenen van de exploitatievergunning en gedoogverklaring is opgenomen.

14. Voor zover eisers hebben aangevoerd dat er sprake is van willekeur, omdat verweerder de aanvraag van een andere partij direct heeft afgewezen en de aanvraag van de vergunninghouder, waaraan gebreken kleefden, wel in behandeling heeft genomen, overweegt de rechtbank dat in de onderhavige procedure uitsluitend de aan de vergunninghouder verleende exploitatievergunning en gedoogverklaring ter discussie staan. Dit beperkt de omvang van het geding. De rechtbank kan zich daarom in deze zaak niet uitlaten over de vraag of de aanvraag van de andere partij al dan niet terecht is afgewezen.

15. Gelet op het voorgaande ziet de rechtbank ook geen aanleiding voor het toevoegen van een extra voorwaarde aan de exploitatievergunning in die zin dat de coffeeshop pas kan worden geëxploiteerd wanneer de exploitatievergunning onherroepelijk is geworden.

16. De beroepen zijn ongegrond.

17. Bij deze beslissing is er geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.P. de Valk, voorzitter, mr. A.C. Terwiel-Kuneman en mr. L. Beijen, leden, in aanwezigheid van mr. T. Stratmann, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 24 december 2015.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.