Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2015:11983

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
26-11-2015
Datum publicatie
22-02-2016
Zaaknummer
3860761 CV EXPL 15-904
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

De overeenkomst tussen partijen wordt wegens onvoorziene omstandigheden met toepassing van artikel 6:258 BW gewijzigd, maar wel onder het stellen van een nadere voorwaarde als bedoeld in artikel 6:260 BW

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2016/489
Prg. 2016/105

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Afdeling Privaatrecht

Sectie Kanton - locatie Zaanstad

Zaaknr./rolnr.: 3860761 \ CV EXPL 15-904

Uitspraakdatum: 12 november 2015 (bij vervroeging)

Vonnis in de zaak van:

[naam eiser] ,

wonende te [plaats]

eiseres

verder te noemen: [de vrouw]

gemachtigde: mr. M.A. Kanning

tegen

Marcel Marcus Josef [de man],

wonende te [plaats]

gedaagde

verder te noemen: [de man]

gemachtigde: mr. L.F.M. Meles

1 Het procesverloop

1.1.

[de vrouw] heeft bij dagvaarding van 9 februari 2015 een vordering tegen [de man] ingesteld. [de man] heeft schriftelijk geantwoord en een (voorwaardelijke) tegenvordering ingesteld.

1.2.

Op 30 september 2015 heeft een zitting plaatsgevonden. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat partijen ter toelichting van hun standpunten naar voren hebben gebracht. Voorafgaand aan de zitting heeft [de vrouw] bij akte de grondslag van haar vordering aangevuld en heeft [de man] bij akte zijn tegeneis vermeerderd.

2 De feiten

2.1.

Partijen hebben een meerderjarige zoon en een minderjarige dochter (16 jaar), die beiden hoofdverblijfplaats hebben bij [de man] .

2.2.

Het huwelijk van partijen is op 17 juli 2008 ontbonden en in het kader van de scheiding zijn zij op 16 juni 2008 een echtscheidingsconvenant overeengekomen. Artikel 5.2 van die overeenkomst – voor zover hier van belang - luidt:

“Een levensverzekering, bij wijze van studieverzekering ten behoeve van de kinderen afgesloten (...). [de man] is zowel verzekeringnemer, verzekerd lijf, als eerste begunstigde. De maandelijks verschuldigde premie bedraagt € 45,38. Deze verzekering zal op naam van [de vrouw] worden voortgezet, zodat zij na de echtscheiding zowel verzekeringnemer, verzekerd lijf, als eerste begunstigde zal zijn, terwijl vanaf de datum van overdracht van de echtelijke woning tevens het maandelijks verschuldigde premiebedrag zal voldoen.

2.3.

Op 7 maart 2012 heeft Aegon met betrekking tot de hiervoor genoemde levensverzekering (hierna: studieverzekering) aan [de man] bericht dat de (contante) waarde daarvan op 1 juli 2008 een bedrag was van € 6.426,30.

2.4.

Partijen hebben in 2012 contact gehad over de beëindiging van de studieverzekering. In een e-mail van 13 maart 2012 heeft [de man] aan [de vrouw] meegedeeld: “Daar wij dit samen hebben gespaard heb jij recht op de helft van dit bedrag (€ 3213,15)”. In reactie daarop heeft [de vrouw] in een e-mail van 14 maart 2012 laten weten dat het genoemde bedrag op haar rekening kon worden overgemaakt.

2.5.

[de man] is niet overgegaan tot uitbetaling aan [de vrouw] van het bedrag € 3.213,15.

3 De vordering en het verweer

in de zaak van de vordering

3.1.

[de vrouw] vordert dat de kantonrechter [de man] veroordeelt tot betaling van € 3.213,15, zijnde de helft van het saldo van de studieverzekering, vermeerderd met rente en kosten. Daarnaast vordert [de vrouw] dat [de man] haar de administratie van de studieverzekering overhandigt op straffe van een dwangsom van € 500,00. Zij legt aan de vordering ten grondslag dat [de man] is tekort geschoten in de nakoming van de verplichting uit de tussen partijen gesloten overeenkomst. [de vrouw] heeft daarnaast aan haar vordering ten grondslag gelegd dat sprake is van slecht bewind, hetgeen tevens wanprestatie en een onrechtmatige daad oplevert.

3.2.

[de man] heeft de vordering bestreden. Volgens [de man] is het saldo van de studieverzekering bedoeld voor de kinderen van partijen en heeft [de man] voor die kinderen al kosten gemaakt die genoemd saldo ruimschoots overtreffen. Voor zover [de vrouw] al een vorderings-recht zou hebben, moet dit worden verrekend met hetgeen [de man] nog van [de vrouw] tegoed heeft.

in de zaak van de tegenvordering

3.3.

De tegeneis van [de man] is voorwaardelijk. Hij vordert in geval van toewijzing van de vordering van [de vrouw] dat zij verplicht wordt gesteld om het saldo van de studieverzekering van € 3.213,15 uitsluitend aan te wenden voor de studiekosten van hun minderjarige dochter. Daarnaast vordert [de man] betaling van een bedrag van € 880,98 en € 717,02.

4 De beoordeling

in de zaak van de vordering

4.1.

Het gaat in deze zaak om de vraag of [de man] moet worden veroordeeld tot betaling aan [de vrouw] van het saldo van de studieverzekering van € 3.213,15.

4.2.

Vast staat dat partijen in 2008 in het echtscheidingsconvenant onder punt 5.2 zijn overeengekomen dat de studieverzekering op naam van [de vrouw] wordt gesteld, dat [de vrouw] de eerste begunstigde wordt en dat zij de premies zal betalen. Ook staat vast dat partijen aan die overeenkomst geen uitvoering hebben gegeven, in die zin dat de verzekering niet op naam van [de vrouw] is gesteld en dat [de man] de premies daarvoor is blijven betalen.

4.3.

Blijkens eerdergenoemde e-mail van [de man] van 13 maart 2012 en de reactie daarop van [de vrouw] hebben partijen een nadere overeenkomst gesloten over de studieverzekering. Immers, in de e-mail van 13 maart 2012 stelt [de man] voor om de helft van het totale saldo van de studieverzekering aan [de vrouw] uit te keren, en [de vrouw] heeft daarmee blijkens een e-mail van 14 maart 2012 ingestemd, zoals zij op de zitting ook heeft bevestigd.

4.4.

Uit het voorgaande volgt dat [de man] in beginsel op grond van de overeenkomst tussen partijen van maart 2012 gehouden was om aan [de vrouw] het bedrag te betalen van € 3.213,15.

4.5.

[de man] beroept zich erop dat sprake is van een wijziging van omstandigheden na maart 2012, waardoor hij niet meer gehouden is om het bedrag aan [de vrouw] te betalen. Volgens [de man] is de minderjarige dochter van partijen na maart 2012 bij hem gaan wonen, in plaats van bij [de vrouw] , waarna hij alle kosten is gaan dragen van het onderhoud van de dochter, waaronder de studiekosten. Omdat de studieverzekering in kwestie is afgesloten ten behoeve van de studiekosten van de kinderen, is het onredelijk dat het saldo van die verzekering thans nog aan [de vrouw] uitgekeerd zou moeten worden, aldus [de man] .

4.6.

De kantonrechter volgt het standpunt van [de man] . Op grond van artikel 6:258 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) kan de rechter op verlangen van een der partijen de gevolgen van een overeenkomst wijzigen of deze geheel of gedeeltelijk ontbinden op grond van onvoorziene omstandigheden welke van dien aard zijn dat de wederpartij naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid ongewijzigde instandhouding van de overeenkomst niet mag verwachten. Van een dergelijke situatie is in dit geval sprake. [de vrouw] heeft op de zitting erkend dat de studieverzekering bedoeld is voor de studiekosten van de minderjarige dochter van partijen en dat het vrijgekomen saldo van die verzekering ook daarvoor bedoeld is. Ook heeft [de vrouw] erkend dat de minderjarige dochter kort na maart 2012 bij [de man] is gaan wonen, dat [de man] sindsdien alle onderhoudskosten en studiekosten van de minderjarige dochter betaalt, en dat [de vrouw] door haar financiële omstandigheden geen bijdrage levert aan die studiekosten en onderhoudskosten, afgezien van een incidentele betaling van kleding en vakanties. Gelet daarop is sprake van onvoorziene omstandigheden, bestaande uit het feit dat de minderjarige dochter van partijen kort na maart 2012 bij [de man] is gaan wonen en [de man] daarna alle kosten van de minderjarige dochter is gaan dragen. Onder die omstandigheden mag [de vrouw] het in stand houden van de overeenkomst van maart 2012 niet meer verwachten. en kan zij dus ook geen aanspraak meer maken op betaling van het saldo van de studieverzekering. Daarbij neemt de kantonrechter mede in aanmerking dat [de vrouw] op de zitting heeft verklaard dat zij ermee zou kunnen leven als het saldo op een aparte rekening komt te staan en alleen gebruikt wordt voor de studiekosten van de minderjarige dochter van partijen, waartoe blijkens het navolgende ook voorzieningen zullen worden getroffen.

4.7.

De kantonrechter zal de overeenkomst van maart 2012 dus wijzigen, in die zin dat [de vrouw] geen aanspraak meer kan maken op betaling van het saldo van de studieverzekering.

4.8.

Op grond van artikel 6:260 lid 1 BW kan de rechter voorwaarden stellen aan de wijziging van de overeenkomst. De kantonrechter ziet aanleiding om als voorwaarde te stellen dat het bedrag van € 3.213,15 dat zich thans kennelijk bevindt op een rekening van de huidige partner van [de man] , op een aparte (spaar-)rekening van [de man] wordt overgeschreven, gescheiden van zijn andere, eigen rekening(en), en dat [de man] dit bedrag uitsluitend mag gebruiken voor studiekosten van de minderjarige dochter van partijen.

4.9.

De conclusie is dat de kantonrechter de vordering van [de vrouw] zal afwijzen, onder wijziging van de overeenkomst tussen partijen van maart 2012 en onder het stellen van de hiervoor genoemde voorwaarde.

4.10.

Omdat partijen gehuwd zijn geweest zal worden bepaald dat iedere partij de eigen proceskosten draagt.

in de zaak van de tegenvordering

4.11.

Nu de vordering van [de vrouw] wordt afgewezen, komt de voorwaardelijk ingestelde tegenvordering niet meer aan bod.

5 De beslissing

De kantonrechter:

in de zaak van de vordering

5.1.

wijst de vordering af;

5.2.

wijzigt de overeenkomst tussen partijen van maart 2012 in die zin, dat [de vrouw] geen aanspraak meer kan maken op betaling van de helft van het saldo van de studieverzekering, onder de voorwaarde dat het bedrag van € 3.213,15 op een aparte (spaar-)rekening van [de man] wordt overgeschreven, gescheiden van zijn andere, eigen rekening(en), en dat [de man] dit bedrag uitsluitend mag gebruiken voor studiekosten van de minderjarige dochter van partijen.

5.3.

bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt.

Dit vonnis is gewezen door mr. P.J. Jansen, kantonrechter en op 12 november 2015 (bij vervroeging) in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.

De griffier De kantonrechter