Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2015:11913

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
30-12-2015
Datum publicatie
12-04-2016
Zaaknummer
C/15/223955 / HA ZA 15-212
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Afwikkeling samenwoning en vergoedingsplichten. Partijen altijd afgeweken van afspraken samenlevingsovereenkomst. Daarom geen vergoeding wegens investeringen door man in woning van de vrouw.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PFR-Updates.nl 2016-0109
Verrijkte uitspraak

Uitspraak


vonnis

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Afdeling privaatrecht

Sectie Handel& Insolventie

Zittingsplaats Alkmaar

JG/DL

zaaknummer / rolnummer: C/15/223955 / HA ZA 15-212

Vonnis van 30 december 2015

in de zaak van

[Voornamen eiser] [Achternaam eiser],

wonende te [Woonplaats eiser] , gemeente [Gemeente] ,

eiser in conventie,

verweerder in reconventie,

advocaat: mr. E.B. Warmerdam-Wolfs te Alkmaar,

tegen

[Voornamen gedaagde] [Achternaam gedaagde],

wonende te [Woonplaats gedaagde] ,

gedaagde in conventie,

eiseres in reconventie,

advocaat: mr. L.W. Castelijns te Velsen-Zuid.

Partijen zullen hierna de man en de vrouw worden genoemd.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 16 maart 2015 met producties 1 t/m 8;

  • -

    de conclusie van antwoord in conventie en van eis in reconventie met producties 1 t/m 17;

  • -

    het tussenvonnis van 20 mei 2015;

  • -

    de akte overlegging producties tevens akte vermindering van eis van de zijde van de man 9 t/m 21;

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 13 november 2015 met de daarin genoemde producties.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Partijen hebben vanaf 2002 een affectieve relatie gehad. Gedurende de relatie woonden partijen samen in een aan de vrouw in eigendom behorende woning te [Woonplaats gedaagde] (hierna: de woning van de vrouw). De man had en heeft in eigendom een woning te [Woonplaats eiser] (hierna: de woning van de man). Bij de woning van de man hoort een vakantiewoning.

2.2.

Op de woning van de vrouw rustte ten tijde van de samenwoning een hypotheek van € 168.999,-, waarvoor de vrouw alleen aansprakelijk is. In 2007 hebben partijen ten behoeve van de woning van de vrouw een tweede hypothecaire lening afgesloten ten bedrage van € 62.000,-. Voor deze lening (ING, hypotheeknummer M 092-276595) zijn zowel de vrouw als de man hoofdelijk aansprakelijk.

2.3.

Op de woning van de man rustte bij aanvang van de samenwoning een hypotheek wegens een geldlening van ruim € 200.000,-. Deze is op 15 juli 2008 overgesloten, waarna de lening € 210.000,- bedroeg. Voor deze leningen was alleen de man aansprakelijk. In augustus 2010 heeft de man deze hypothecaire lening afgelost door bij WestlandUtrecht een nieuwe hypothecaire lening af te sluiten ten bedrage van € 240.000,-. Voor deze lening zijn zowel de man als de vrouw hoofdelijk aansprakelijk.

2.4.

Op 22 september 2008 hebben partijen ten overstaan van een notaris een samenlevingsovereenkomst (de samenlevingsovereenkomst) gesloten. Die samenlevingsovereenkomst bepaalt, voor zover hier van belang:

“De comparanten verklaarden dat zij een affectieve relatie hebben, dat zij sinds één juli tweeduizend vier samenwonen en sedertdien een gemeenschappelijke huishouding voeren.

Zij zijn overeengekomen de gevolgen daarvan als volgt te regelen:

DOEL

Artikel 1

Met deze overeenkomst willen partijen ondermeer regelen:

a. de kosten van de gemeenschappelijke huishouding;

b. …

Partijen beschouwen deze regeling mede als voldoening aan een dringende verplichting van moraal en fatsoen.

Zij komen overeen deze natuurlijke verbintenis hierbij om te zetten in een rechtens afdwingbare.

GEMEENSCHAPPELIJKE HUISHOUDING

Artikel 3

1. …

2. Partijen verplichten zich ieder voor de helft van hun inkomen uit arbeid bij te dragen in de kosten van de gemeenschappelijke huishouding.

Onder inkomsten wordt verstaan het besteedbaar inkomen na betaling van belastingen, premies sociale verzekeringen en de kosten die redelijkerwijs gemaakt moeten worden voor de verwerving van het inkomen. Ingeval een partner inkomen heeft in de vorm van winst uit onderneming of resultaat uit een werkzaamheid, dienen de partners naar normen die in het maatschappelijk verkeer als redelijk worden beschouwd, vast te stellen welk gedeelte van de winst of het resultaat voor onttrekking aan de onderneming of hetgeen als onderneming wordt aangemerkt in aanmerking komt en aldus inkomen is als hiervoor bedoeld.

3. Het hiervoor in lid 2 bedoelde gedeelte van het inkomen of zoveel meer als partijen wensen, wordt gestort op een gemeenschappelijke bank- en/of girorekening en/of in een gemeenschappelijke kas. Deze gemeenschappelijke bank- en/of girorekening en/of deze gemeenschappelijke kas wordt/worden op naam van beide partijen gesteld; zij zijn daarin ieder voor de helft gerechtigd.

4. Indien slechts één van de partijen inkomen heeft, komen de kosten van de gemeenschappelijke huishouding geheel ten laste van die partij.

5. Indien het inkomen niet toereikend is, is iedere partij gehouden naar evenredigheid van haar vermogen het tekort aan te vullen. -

Artikel 4

1. Tot de kosten van de gemeenschappelijke huishouding worden in voorkomende gevallen ondermeer gerekend de huurtermijnen betreffende de door partijen tezamen bewoonde woning, de kosten van gebruikelijke verzekeringen met inbegrip van de premie voor een eventuele ziektekostenverzekering, de kosten van gezamenlijke vakanties en de kosten van medische verzorging.

2. …

3. Indien ter financiering van de door partijen gezamenlijk te bewonen woning en van zaken aangeschaft voor de gemeenschappelijke huishouding een geldlening is aangegaan, zal de rente worden gerekend tot de kosten van de gemeenschappelijke huishouding. Zijn bedoelde zaken gemeenschappelijk eigendom, dan wordt ook de aflossing tot de kosten van de gemeenschappelijke huishouding gerekend. Voorts worden in dat geval tot die kosten gerekend de kosten van alle gewone lasten en herstellingen en buitengewone herstellingen als bedoeld in artikel 3:220 Burgerlijk Wetboek, de zakelijke belasting en de premie voor de opstalverzekering.

…”

2.5.

Partijen zijn op 13 juli 2014 uit elkaar gegaan en hebben de samenwoning toen beëindigd.

3 Het geschil

in conventie

3.1.

Na eiswijziging vordert de man in conventie:

a. de vrouw te veroordelen om aan de man te voldoen een bedrag van € 27.624,97, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 12 oktober 2014 tot aan de dag der algehele voldoening;

b. de vrouw primair te veroordelen om aan de man af te geven de auto [Merk] , kenteken [Nummer] evenals de bijbehorende kentekenbewijzen en reservesleutel(s) op straffe van een dwangsom van € 500,-- voor elke dag of deel van een dag gedurende welke gedaagde in verzuim blijft de auto aan de man af te geven, en uitsluitend voor het geval deze vordering niet wordt toegekend, de vrouw subsidiair te veroordelen aan de man te voldoen een bedrag van € 3.500,--, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 12 oktober 2014 tot aan de dag der algehele voldoening;

c. de vrouw te veroordelen in de kosten van dit geding.

3.2.

De man legt aan zijn vorderingen ten grondslag, kort gezegd, dat hij tijdens het samenwonen met de vrouw investeringen heeft gedaan in de woning van de vrouw. Daarmee is de woning van de vrouw gerenoveerd en verbeterd. In de periode van juni 2007 tot en met december 2008 betrof dit een bedrag van € 22.201,21 In de periode van januari 2009 tot en met juli 2014 heeft de man een bedrag van € 3.423,35 gestoken in de renovatie en verbetering van de woning van de vrouw. Bovendien heeft hij in de periode van januari 2014 tot juni 2014 € 1.800,- betaald aan hypotheeklasten van de door de vrouw geërfde woning aan de [Adres en woonplaats] . Daarnaast heeft hij een bedrag van € 200,41 voldaan voor onderhouds- en reparatiekosten aan die woning. De man is door deze investeringen verarmd en de vrouw is ongerechtvaardigd verrijkt. Over de [Merk] heeft de man aangevoerd dat de vrouw deze in 2013 heeft gekocht en dat deze door de tijds-en geldelijke investering van de man in waarde is gestegen. Redelijkheid en billijkheid brengen mee dat de man de BMW toebedeeld dient te krijgen. Subsidiair vordert de man dat de vrouw aan de man een vergoeding dient te betalen voor de door de man gedane investeringen.

3.3.

De vrouw heeft het gevorderde gemotiveerd betwist en een tegenvordering ingesteld. Zij vordert na vermindering van haar eis in reconventie:

I. de man te veroordelen om aan de vrouw te voldoen een bedrag van € 86.204,75 vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf de dag dat de vordering opeisbaar is geworden tot aan de dag der algehele voldoening;

II. de man te veroordelen om binnen acht dagen na betekening van dit vonnis mee te werken aan het ontslag van de man uit de hoofdelijke aansprakelijkheid van de hypothecaire geldlening afgesloten bij de ING met hypotheeknummer M 092-276595 ten behoeve van de woning van de vrouw, onder oplegging van een dwangsom van € 500,- per dag of dagdeel dat de man daarmee in gebreke is tot een maximum van € 100.000,-;

III. de man te veroordelen om binnen acht dagen na betekening van dit vonnis mee te werken aan het ontslag van de vrouw uit de hoofdelijke aansprakelijkheid van de hypothecaire geldlening afgesloten bij WestlandUtrecht ten behoeve van de woning van de man, onder oplegging van een dwangsom van € 500,- per dag of dagdeel dat de man daarmee in gebreke is tot een maximum van € 100.000,-;

IV. de man te veroordelen in de kosten van de procedure.

3.4.

De vrouw legt aan haar vorderingen ten grondslag dat partijen tijdens de samenwoning een samenlevingsovereenkomst hebben gesloten omdat de vrouw lijdt aan MS en dat zij gezien de diagnose de tussen hen bestaande natuurlijke verbintenissen wensten om te zetten in rechtens afdwingbare verbintenissen. Partijen dienden ieder de helft van hun netto-inkomen bij te dragen ten behoeve van de gemeenschappelijke huishouding. De vrouw heeft meer dan dat gedaan. De man had gedurende de samenwoning een netto-inkomen van € 2.600,- per maand. Dit dient vermeerderd te worden met de inkomsten uit verhuur van zijn woning en de vakantiewoning. Die bedroegen, na aftrek van de hypotheekrente, € 633,- per maand. De man diende daarom maandelijks € 1.616,50 bij te dragen aan de gemeenschappelijke huishouding. Hij droeg daarentegen slechts € 450,- per maand bij. De vrouw heeft daarom, berekend vanaf de datum van de samenlevingsovereenkomst tot het einde van de samenwoning, een vordering van

€ 83.404,75 op de man. Daarnaast heeft de vrouw een bedrag van € 2.800,- van de man te vorderen omdat hij dit bedrag in april 2015 van de ING-rekening heeft opgenomen, terwijl dit geld aan de vrouw toebehoorde. Wegens de hypothecaire geldleningen waarvoor beide partijen hoofdelijk aansprakelijk zijn, heeft de vrouw er, enerzijds, belang bij dat de man meewerkt aan ontslag van zijn hoofdelijkheid aansprakelijkheid ten aanzien van de lening die de woning van de vrouw betreft. Anderzijds, heeft de vrouw er belang bij dat de man meewerkt aan het ontslag van de hoofdelijke aansprakelijkheid van de vrouw ten aanzien van de hypothecaire lening betreffende de woning van de man.

3.5.

De man voert verweer.

3.6.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

in conventie en in reconventie

4.1.

De rechtbank zal eerst ingaan op de wijze waarop partijen feitelijk invulling hebben gegeven aan hun samenwoning. Die is begonnen in 2004 in de woning van de vrouw. Kort gezegd, kwam de financiële invulling van de samenwoning er op neer dat iedere partij de lasten droeg voor de hem/haar in eigendom toebehorende woning. De man droeg maandelijks € 200,- op een gezamenlijke rekening van partijen ten behoeve van de kosten huishouding. De man betaalde daarnaast € 250,- per maand aan de vrouw voor “kosten en inwoning”. Hoewel de man formeel ingeschreven bleef als bewoner van zijn eigen woning, heeft hij zijn woning en de daarbij horende vakantiewoning verhuurd. De kosten van en in verband met de woning van de man en de vakantiewoning werden door de man gedragen. De inkomsten uit verhuur van de woning van de man en de vakantiewoning kwamen de man toe. Omdat de man gedurende de hele samenwoning met de vrouw hypotheekrenteaftrek in verband met zijn woning heeft ontvangen, bedroeg de netto-hypotheeklast voor de woning van de man € 554,18 per maand. Na verhoging van de hypotheek van de man in 2010 tot € 240.000,-, bedroeg zijn hypotheeklast € 767,- per maand. Met de verhuur van zijn woning en van de vakantiewoning ontving de man € 1.400,- per maand, zo heeft de vrouw onbetwist gesteld.

Het inkomen van de vrouw bedroeg gedurende de samenleving circa € 37.000,- bruto per jaar, zo blijkt uit haar belastingaangiften. Dat is een netto besteedbaar inkomen van rond

€ 2.200,- per maand. Het (arbeids)inkomen van de man bedroeg in de jaren 2011-2014 circa € 37.000,- bruto per jaar. Dat is, exclusief de hypotheekrenteaftrek een bedrag van € 2.250,- per maand. Er zijn geen redenen om aan te nemen dat het inkomen van de man in de jaren daarvoor hier significant van afweek.

4.2.

In hun samenlevingsovereenkomst hebben partijen afspraken geformaliseerd. Gebleken is echter, en partijen hebben dat beide ter comparitie expliciet bevestigd, dat zij ook na het sluiten van de samenlevingsovereenkomst de voormelde wijze van kostenverdeling hebben voortgezet. Dit terwijl in de samenlevingsovereenkomst was afgesproken dat iedere partij de helft van zijn “netto besteedbaar inkomen uit arbeid” zou bijdragen voor de gezamenlijke huishouding.

4.3.

Op grond van de samenlevingsovereenkomst en haar netto-inkomen uit arbeid diende de vrouw maandelijks € 1.100,- bij te dragen in de gemeenschappelijke huishouding. De man diende maandelijks circa € 1.125,- bij te dragen. De rechtbank hanteert hier het arbeidsinkomen van de man en laat zijn huurinkomsten buiten beschouwing. De rechtbank neemt er nota van dat de vrouw vindt dat op dit punt de huurinkomsten van de man meetellen. Echter, omdat dit voor de uitkomst van de zaak geen verschil maakt, zal de rechtbank de stellingen van de man op dit punt volgen en bij de verdere beoordeling uitgaan van (slechts) het inkomen uit arbeid.

4.4.

Tot de kosten van de gezamenlijke huishouding behoren in ieder geval de reguliere lasten aan de woning van de vrouw. Deze bedroegen, zo heeft de vrouw onbetwist gesteld,

€ 1.162,60 per maand, waarvan een netto-hypotheeklast van € 779,17 per maand. Daarnaast vallen onder de kosten van de gemeenschappelijke huishouding in ieder geval de kosten van boodschappen e.d. Behoudens het bedrag van € 450,- dat de man maandelijks inbracht, zijn (vrijwel) alle hier bedoelde kosten door de vrouw gedragen. De conclusie is dan ook dat, hoewel hun netto besteedbaar inkomen uit arbeid min of meer gelijk was, de vrouw veel meer dan de man bijdroeg aan de gemeenschappelijke huishouding. De vraag is echter wat dat voor gevolg heeft nu partijen daar pas na het verbreken van de samenwoning een (wezenlijk) punt van maken.

4.5.

Indien, zoals in het onderhavige geval, is overeengekomen dat partijen ieder de helft van hun netto besteedbaar inkomen uit arbeid dienen in te brengen voor de kosten van de gemeenschappelijke huishouding, is uitgangspunt dat er aanleiding is tot vergoeding van de ander, wanneer een partij meer heeft bijgedragen dan waartoe hij moet bijdragen. Volgens vaste rechtspraak ligt het daarbij voor de hand aan te nemen dat de onderlinge afrekening periodiek dient plaats te vinden na het verstrijken van ieder kalenderjaar. De rechtbank ziet geen aanleiding daar in het onderhavige geval anders over te oordelen. De vrouw heeft geen bijzondere omstandigheden gesteld op grond waarvan in de onderhavige zaak van de geldende rechtspraak behoort te worden afgeweken. Dat betekent dat de door de vrouw gespecificeerde berekening van hetgeen de man had moeten voldoen over de periode vanaf 22 september 2008 tot 11 juli 2014 in ieder geval niet voor enige verrekening in aanmerking komt. Partijen hebben immers gedurende de samenleving een andere invulling gegeven aan de gemeenschappelijke huishouding dan overeengekomen in de samenlevingsovereenkomst. Het is in strijd met de redelijkheid en billijkheid die de rechtsverhouding tussen partijen beheerst, dat de vrouw daar thans op terug zou kunnen komen, nog daargelaten dat de vrouw onvoldoende inzicht heeft gegeven in alle, andere kosten van de huishouding en eventuele kosten die de man daarnaast ten behoeve van de gemeenschappelijke huishouding heeft gedaan buiten beschouwing heeft gelaten, zoals het betalen van vakanties en andere kosten van de huishouding. De rechtbank is daarom van oordeel dat hetgeen de vrouw op dit punt vordert afgewezen moet worden.

4.6.

Zijnerzijds heeft de man gevorderd een bedrag van wegens door hem gedane investeringen in de woning van de vrouw. De rechtbank constateert dat de vordering van de man in zoverre afwijkt van die van de vrouw dat het hier gaat om uitgaven waarvan de man stelt dat hij deze heeft gedaan ten behoeve van de woningen van de vrouw en het hier geen kosten van de gemeenschappelijke huishouding betreffen. Uitgangspunt in gevallen als deze waarin de ene samenwonende partner geheel of gedeeltelijk de tegenprestatie voldoet voor een goed dat op naam van de andere partner is geplaatst en die tegenprestatie niet is te beschouwen als bijdrage in de kosten van huishouding, is dat eerstgenoemde partner in beginsel jegens de andere partner een uit de normen van redelijkheid en billijkheid voortvloeiend vergoedingsrecht heeft. Dat vergoedingsrecht strekt tot terugbetaling van een gelijk bedrag als destijds is verschaft, al dan niet onder verrekening van de waardevermeerdering of waardevermindering die het gefinancierde goed bij het einde van de samenwoning blijkt te hebben ondergaan. Doch, dit kan anders zijn wanneer tussen partijen anders is overeengekomen (al dan niet in de vorm van een samenlevingsovereenkomst) of wanneer één en ander tussen hen is geschied om te voldoen aan een natuurlijke verbintenis van de ene tot verzorging van de andere. Ook niet is uitgesloten dat uit de eisen van redelijkheid en billijkheid in verband met de omstandigheden van het geval iets anders voortvloeit.

4.7.

Nu is gesteld noch gebleken dat partijen afspraken hebben gemaakt over eventuele investeringen van de man in de woning van de vrouw, brengt het hiervoor omschreven uitgangspunt met zich dat investeringen van de man ten behoeve van de goederen van de vrouw in beginsel door de vrouw moeten worden terugbetaald. De rechtbank is echter van oordeel dat de maatstaven van redelijkheid en billijkheid in dit geval meebrengen dat de man geen aanspraak kan maken op die terugbetaling van zijn investeringen. Nog daargelaten dat de man op een aantal punten onvoldoende heeft onderbouwd dat de door hem gestelde betalingen daadwerkelijk zijn gedaan en/of betrekking hebben op (investeringen in) de woningen van de vrouw, is doorslaggevend dat de man gedurende de gehele samenwoning aanzienlijk minder dan de vrouw heeft bijgedragen in de kosten van de gemeenschappelijke huishouding. Ook veel minder dan waartoe hij in ieder geval vanaf 22 september 2008 volgens de samenlevingsovereenkomst verplicht was. Zelfs als er rekening mee wordt gehouden dat de man naast het bedrag van € 450,- per maand nog incidenteel bijdroeg aan de kosten van de gemeenschappelijke huishouding en hij daarnaast de helft van de kosten van de vakanties droeg. Daar waar de rechtbank in de normen van redelijkheid en billijkheid aanknopingspunten vindt om de vrouw niet alsnog aanspraak te laten maken op vermeend te weinig gedane bijdragen in de gemeenschappelijke huishouding door de man, brengen diezelfde normen mee dat er dan ook geen ruimte is te oordelen dat de investeringen door de man wel voor verrekening in aanmerking komen. Dat geldt ook voor de bedragen die de man heeft voldaan in verband met de woning van de vrouw te Oost-Graftdijk. Van ongerechtvaardigde verrijking van de vrouw is derhalve geen sprake.

4.8.

Over de BMW Z-3 overweegt de rechtbank dat deze eigendom was van de vrouw en dat deze door de vrouw is gekocht voor een bedrag van € 1.000,-. De auto is door de vrouw ingeruild voor een bedrag van € 350,-. Afgifte van de auto door de vrouw is derhalve niet meer mogelijk. De vordering van de man tot vergoeding van de door hem gedane investering in de auto wordt eveneens afgewezen. Voor zover de kosten die de man al voor de auto gemaakt stelt te hebben, niet zijn te beschouwen als kosten van de gemeenschappelijke huishouding, heeft de man onvoldoende onderbouwd dat hij zodanige investeringen in de auto heeft gedaan en dat deze een zodanige meerwaarde voor de auto hebben opgeleverd dat de vrouw daar nu een vergoeding aan de man voor moet betalen.

4.9.

Behoudens de afwikkeling van de hypothecaire geldleningen waarvoor partijen hoofdelijk aansprakelijk zijn, resteert ter bespreking een vordering van de vrouw van

€ 2.800,-. Volgens de vrouw heeft de man dit bedrag op 8, 9 en 10 april 2015 opgenomen bij de ING-Bank. Dit terwijl de vrouw geheel gerechtigd was tot die rekening. De man heeft erkend het geld opgenomen te hebben. Hij stelt echter dat het geld op een en/of rekening stond en dat hij daarom voor de helft tot het geld gerechtigd was. De rechtbank volgt hem daarin niet. Dat de rekening ten behoeve van de bank gemeenschappelijk was, brengt, anders dan de man aanvoert, op zich niet mee dat hij daardoor ook voor de helft tot het saldo gerechtigd was. Onbetwist heeft de vrouw namelijk aangevoerd dat het geld is opgenomen van de betreffende rekening oorspronkelijk op haar naam stond, dat deze wegens de hypotheekverhoging op beider naam is gesteld maar dat zij degene was die de bankrekening vulde en gebruikte. De man deed dit niet en had ook geen recht op dat geld. De rechtbank is gelet op de onbetwiste stellingen van de vrouw van oordeel dat de man geen recht had op deze € 2.800,-. De man handelde onrechtmatig jegens de vrouw. De man dient derhalve aan de vrouw te vergoeden een bedrag van € 2.800,-. De wettelijke rente is de man verschuldigd vanaf 10 april 2015, de dag dat de vordering van de vrouw opeisbaar werd.

4.10.

Tenslotte de door de vrouw gevorderde medewerking van de man aan het ontslag uit de hoofdelijkheid van, respectievelijk, de man betreffende de lening voor de woning van de vrouw en de vrouw betreffende de lening voor de woning van de man. Deze vorderingen zijn toewijsbaar, nu de man daar onvoldoende verweer tegen heeft gevoerd. Aan deze veroordelingen zal een dwangsom als na te melden worden verbonden. De rechtbank merkt wel op dat het ontslag uit de hoofdelijkheid van de vrouw betreffende de lening van de man, mede afhankelijk is van de goedkeuring van de bank. De veroordeling is aldus gericht op de inspanningen van de man en niet (primair) op het resultaat.

4.11.

Gelet op de relatie tussen partijen zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

5 De beslissing

De rechtbank

in conventie

5.1.

wijst de vorderingen af,

5.2.

compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,

in reconventie

5.3.

veroordeelt de man om aan de vrouw te betalen een bedrag van € 2.800,00 (tweeduizendachthonderd euro), vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over het toegewezen bedrag met ingang van 10 april 2015 tot de dag van volledige betaling,

5.4.

veroordeelt de man om binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis mee te werken aan het ontslag van de man uit de hoofdelijke aansprakelijkheid van de hypothecaire geldlening afgesloten bij de ING met hypotheeknummer M 092-276595 ten behoeve van de woning van de vrouw, zulks op straffe van een dwangsom van € 50,- per dag of dagdeel dat de man daarmee in gebreke is tot een maximum van € 5.000,-,

5.5.

veroordeelt de man om binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis mee te werken aan het ontslag van de vrouw uit de hoofdelijke aansprakelijkheid van de hypothecaire geldlening afgesloten bij WestlandUtrecht ten behoeve van de woning van de man, onder oplegging van een dwangsom van € 50,- per dag of dagdeel dat de man daarmee in gebreke is tot een maximum van € 10.000,-,

5.6.

verklaart dit vonnis in reconventie tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.7.

compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,

5.8.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.H. Gisolf en in het openbaar uitgesproken op 30 december 2015.