Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2015:11892

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
29-06-2015
Datum publicatie
04-02-2016
Zaaknummer
4082581 OA VERZ 15-86
Rechtsgebieden
Civiel recht
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Rekestprocedure
Beschikking
Inhoudsindicatie

Ontbinding arbeidsovereenkomst zonder vergoeding omdat de vastgestelde verstoring in de verhoudingen geheel is toe te rekenen aan de werknemer.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2016/329
AR-Updates.nl 2016-0102
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Afdeling Privaatrecht

Sectie Kanton - locatie Alkmaar

Zaaknr/repnr.: 4082581 \ OA VERZ 15-86 WD

Uitspraakdatum: 29 juni 2015

Beschikking in de zaak van:

de stichting Stichting Scholen aan Zee, gevestigd te Den Helder

verzoekende partij,

verder ook te noemen: de stichting,

gemachtigde: mr. J.J. Blanken,

tegen

[naam] , wonende te [woonplaats],

verwerende partij,

verder ook te noemen: [de werknemer],

procederend in persoon.

1 Het procesverloop

De stichting heeft op 28 april 2015 een verzoekschrift ingediend.

Daar heeft [de werknemer] schriftelijk op gereageerd.

Voorafgaande aan de zitting heeft de stichting nog aanvullende stukken overgelegd.

De mondelinge behandeling heeft in deze plaatsgevonden op 15 juni 2015, alwaar zijn verschenen: partijen, bijgestaan door hun gemachtigden.

Van de mondelinge behandeling heeft de griffier aantekeningen gemaakt.

[de werknemer] heeft ter zitting nog een stuk overgelegd.

De inhoud van deze processtukken geldt als hier ingelast.

Vervolgens is bepaald dat vandaag uitspraak wordt gedaan.

2 De uitgangspunten

2.1.

De stichting is een stichting die het beheer voert over verschillende onderwijsinstellingen voor voortgezet onderwijs.

2.2.

[de werknemer] is vanaf 1 september 2011 krachtens schriftelijke arbeidsovereenkomst bij de stichting werkzaam op de door de stichting beheerde locatie, bij partijen bekend onder de naam: [X]. Met ingang van 1 augustus 2013 is sprake van een vast dienstverband en de functie die [de werknemer] thans bekleedt is docent LB in de vakgroep Economie tegen een actueel salaris van € 2.194,22 bruto per maand, exclusief vakantietoeslag.

2.3.

Op de arbeidsovereenkomst is van toepassing de Collectieve Arbeidsovereenkomst Voortgezet Onderwijs [de CAO].

2.4.

De CAO bevat een regeling over de bevordering/ promotie van docenten. De regeling wordt aangeduid als entreerecht.

2.5.

Tussen partijen is vanaf voorjaar 2014 een verschil van mening ontstaan over de eventuele bevordering c.q. promotie van [de werknemer].

[de werknemer] heeft met een beroep op de in de CAO voorkomende regeling aangaande het entreerecht verschillende malen bij de stichting aangegeven in aanmerking te willen komen voor bevordering c.q. promotie.

De stichting heeft bij [de werknemer] herhaaldelijk gemotiveerd aangegeven van mening te zijn dat [de werknemer] hiervoor niet in aanmerking komt.

2.6.

Op 11 juli 2014 heeft [de werknemer] beroep aangetekend bij de Commissie van Beroep VO tegen het in dit kader op 2 juni 2014 door de stichting genomen besluit.

2.7.

Bij uitspraak van 6 januari 2015 van de Commissie van Beroep VO is het beroep van [de werknemer] tegen de afwijzing van het door [de werknemer] gedane verzoek ongegrond verklaard.

2.8.

Hangende de procedure bij de Commissie van Beroep VO heeft de stichting aan [de werknemer] aangeboden met terugwerkende kracht [de werknemer] toe te laten tot het entreerecht. De stichting heeft aan dit voorstel voorwaarden verbonden. [de werknemer] heeft dit aanbod niet aanvaard.

2.9.

Op 15 februari 2015 heeft [de werknemer] bij de Commissie van Beroep voor het Voortgezet Onderwijs verzocht om herziening van de uitspraak van 6 januari 2015. Het herzieningsverzoek bevat de volgende passage:

“Echter, ik doe nu pas een verzoek tot herziening, omdat ik door mijn werkgever in de tussenliggende periode dusdanig onder druk ben en nog steeds wordt gezet, middels (grove) beledigingen, verscheidene dreigementen, een verplicht coachingstraject en door het tonen van een slecht werkgeverschap door het doelbewust in stand houden van een vervelende sfeer op de werkvloer.”

2.10.

Bij e-mail van 23 februari 2015 heeft [de werknemer] zijn herzieningsverzoek aangevuld. De e-mail bevat de volgende passage:

“De beledigingen aan mijn adres gebeuren omdat je als bevoegd docent vraagt naar een precaire kwestie als het mogelijk ontbreken van de bevoegdheden in je eigen sectie, omdat hier twijfels over zijn ontstaan. Deze twijfels zijn mede tot stand gekomen door het ontslaan van een directrice vanwege vermeende leugens over haar diploma’s.

(…)
De verplichte coach die enkel bedoeld is om een dossier op te bouwen en niet onafhankelijk is”

2.11.

Op 24 maart 2015 stuurt [de werknemer] aan de stichting een e-mail met de volgende passage:

“Ik constateer dat u uw dreigement d.d. 22 januari 2015 om een advocaat op mij te zetten, nu uitvoert”, 2 “Ik constateer dat uw organisatie, na hier al meerdere jaren werkzaam te zijn, niet weet wanneer ik echt jarig ben” en 3 “Ik constateer dat uw Organisatie op woensdag 4 maart 2015 9:59 uur, mij in de jaaragenda jarig verklaard heeft op 24 maart 2015. Ik begrijp nu wel waarom; zeker nadat ik op 17 maart 2015 al aan mevrouw (…) had medegedeeld dat ik wellicht nog niet jarig zou zijn, maar het in elk geval niet mijn geboortedatum is.”

2.12.

Vanwege de weigering van [de werknemer] om deel te nemen aan een beoordelingsgesprek stuurt de stichting aan [de werknemer] op 27 maart 2015 de volgende e-mail:

“Hierbij geef ik u een dienstopdracht om deel te nemen aan een door uw teamleider en directeur te plannen beoordelingsgesprek. (…)Er worden geen video noch audio-opnamen van dit gesprek gemaakt. Dit is u ook niet toegestaan. Het betreft hier een regulier beoordelingsgesprek. Het gesprek heeft geen relatie met het door u aangespannen geschil bij de commissie onderwijsgeschillen.

Ik draag u op om aan deze dienstopdracht gehoor te geven. Het niet gehoor geven aan deze opdracht zal worden opgevat als werkweigering.”

2.13.

Op 15 april 2015 was het beoordelingsgesprek gepland tussen [de werknemer] en onder meer de directeur van de locatie [X]. [de werknemer] heeft desgevraagd aangegeven het functioneringsgesprek te zullen opnemen. De directeur van de locatie [X] is hiermee niet akkoord gegaan, het gesprek is gestaakt en de beoordeling van het functioneren heeft vervolgens schriftelijk plaatsgevonden.

2.14.

Vanwege het voorval van 15 april 2015 heeft de stichting [de werknemer] bij brief van 17 april 2015 met ingang van 20 april 2015 geschorst. [de werknemer] heeft tegen deze schorsing beroep aangetekend bij de Commissie van Beroep VO. Het beroep is nog steeds aanhangig.

2.15.

Op 20 april 2015 heeft [de werknemer] aan verschillende collega’s een e-mail gestuurd met als onderwerp: (…) Schrikbewind, pesterijen en onbevoegde docenten voor de klas. De e-mail bevat de volgende passages:

“Zoals jullie al begrepen hebben, ben ik, citerend uit de vandaag ontvangen schorsingsbrief: “met onmiddellijke ingang geschorst voor de duur van de procedure tot ontbinding van het dienstverband die binnenkort zal worden gestart. Voor de goede orde wijzen wij erop dat u tijdens de schorsingsperiode slechts toegang hebt tot de school na verkregen toestemming onzerzijds.” (einde citaat)

Echter, voordat er vanuit Stichting Scholen aan Zee nog meer onwaarheden worden verkondigd, stuur ik jullie de echte achtergrond van dit onterecht genomen besluit (zie hiervoor ook de bijlagen):

(…)

Onder andere na intimidatie, psychisch geweld en andere wegpesttrucs van (mogelijk on)bevoegde vakgroepleden; het schrikbewind van mijn teamleidster; het niet uitnodigen voor een sollicitatiegesprek door het hoofd personeelszaken na het vertrek van een doelbewust aangenomen onbevoegde “collega” (voor een maand); een door school verplicht gestelde bevooroordeelde coach (welke mij na slechts één kort gesprek het etiket “Syndroom van Asperger” opplakte en vervolgens durft te beweren dat ik het verplicht gestelde coachingstraject zou weigeren); het niet nakomen van gemaakte afspraken door de algemeen directeur en na meerdere dreigementen door de voorzitter van het College van Bestuur en diens nevenactiviteiten (door onder andere het vergelijken met “Charlie Hebdo” twee weken na de verschrikkelijke aanslagen in Parijs en het tot tien keer toe dreigen met werkweigering en/of ontslag op staande voet), waren en zijn er dus meerdere gegronde redenen om gebruik te maken van het in de wet vastgelegde recht tot het maken van geluidsopnamen. Dit heeft er mede toe geleid dat ik nu onterecht met onmiddellijke ingang ben geschorst en dat mij de toegang tot school wordt onthouden, waardoor ik helaas niet langer meer in staat ben om mijn werkzaamheden als eerstegraads bevoegd docent uit te kunnen oefenen.”

2.16.

Op vrijdag 22 mei 2015 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden van het door [de werknemer] gedane verzoek om herziening van de uitspraak van de Commissie van Beroep VO 6 januari 2015. De voorzitter van het College van Bestuur van de stichting heeft vanwege het verloop van de mondelinge behandeling aanleiding gezien om aangifte van bedreiging te doen tegen [de werknemer]. Het proces-verbaal van aangifte bevat, voor zover van belang, de volgende passages:

“Ik hoorde [Werknemer] met enige stemverheffing tegen mij zeggen: Als we in de middeleeuwen hadden geleefd was je nu dood geweest.

(…)

Op het moment dat ik de zaal verliet hoorde ik [Werknemer] tegen mij schreeuwen: “Ik maak je af”. “

3 Het geschil

3.1.

De stichting verzoekt de arbeidsovereenkomst met [de werknemer] te ontbinden tegen de vroegst mogelijke datum wegens gewichtige redenen, bestaande uit veranderingen in de omstandigheden, zonder toekenning van een ontslagvergoeding, één en ander onder veroordeling van [de werknemer] in de kosten van dit geding.

3.2.

Aan dit verzoek legt de stichting -zakelijk samengevat- ten grondslag dat vanwege al hetgeen blijkens het voorgaande tussen partijen is voorgevallen het vertrouwen van de stichting in [de werknemer] als docent/ werknemer onherstelbaar is beschadigd. De arbeidsovereenkomst tussen partijen kan om deze reden niet langer voortduren en dient te worden beëindigd. Nu deze verandering van omstandigheden aan [de werknemer] is te wijten, dient een ontbindingsvergoeding achterwege te blijven, aldus de stichting.

3.3.

[de werknemer] heeft als reactie op het verzoekschrift zowel schriftelijk als mondeling ter zitting, kort gezegd, het volgende aangevoerd.

Primair valt niet in te zien waarom de kantonrechter zich thans over deze zaak kan buigen, nu het door [de werknemer] ingediende bezwaar tegen de schorsing nog steeds aanhangig is. De kantonrechter is niet bevoegd om van de zaak kennis te nemen.

Subsidiair heeft het [de werknemer] onder de gegeven omstandigheden vrijgestaan om geen blad voor de mond te nemen in de gesprekken, correspondentie tussen [de werknemer] enerzijds en de stichting en/of collega’s anderzijds. De stichting heeft namelijk vele beledigingen en bedreigingen geuit jegens [de werknemer]. Daarnaast heeft de stichting de cao-bepalingen over het entreerecht onjuist toegepast en [de werknemer] daarmee onterecht een promotie onthouden. Vervolgens heeft de stichting, na het door [de werknemer] intern en bij de Commissie van Beroep VO daartegen gemaakte bezwaar, een “crash scenario” geregisseerd met als doel [de werknemer] eruit te werken, aldus [de werknemer].

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Dat [de werknemer] zich in deze procedure niet laat vertegenwoordigen door een rechtshulpverlener staat niet in de weg aan de behandeling van het verzoek. Gelet op de periode tussen de datum van de indiening van het verzoekschrift en de mondelinge behandeling heeft [de werknemer] voldoende tijd en gelegenheid gehad om zich van rechtsbijstand te voorzien en zich tegen het verzoek deugdelijk te kunnen verweren. Te meer nu is gebleken dat [de werknemer] zich in de eerste procedure bij de Commissie van Beroep VO wel heeft laten bijstaan door een professionele gemachtigde. Een nadere gelegenheid voor [de werknemer] om zich van rechtsbijstand te voorzien en/of zich te verweren tegen het verzoek behoeft niet te worden geboden.

4.2.

Het primaire verweer, dat ziet op de (on)bevoegdheid van de kantonrechter wordt verworpen. Ingevolge lid 1 van artikel 7:685 van het Burgerlijk Wetboek [BW] is ieder der partijen te allen tijde bevoegd zich tot de kantonrechter te wenden met het verzoek de arbeidsovereenkomst wegens gewichtige reden te ontbinden. Dit duidt op een onbelemmerde toegang voor een werkgever of werknemer om zich met een dergelijk verzoek tot de kantonrechter te wenden. Dit brengt mee dat de kantonrechter bevoegd is van de zaak kennis te nemen. Hieraan doet niet af dat tussen partijen nog procedures aanhangig zijn bij de Commissie van Beroep VO. Derhalve kan worden overgegaan tot de inhoudelijke beoordeling van het verzoek.

4.3.

De kantonrechter overweegt voorts dat gebleken is dat het onderhavige ontbindingsverzoek geen verband houdt met het bestaan van een opzegverbod als bedoeld in de artikelen 7:647, 7:648, 7:670 en 7:670a BW of enig ander verbod tot opzegging van de arbeidsovereenkomst.

In dat kader heeft [de werknemer] ter zitting desgevraagd verklaard dat er medisch niets met hem aan de hand is. Voorts bestaat er onvoldoende objectieve aanleiding om van het tegendeel uit te gaan.

4.4.

Hoewel [de werknemer] zich primair (nog steeds) op het standpunt stelt, dat het ontbindingsverzoek behoort te worden afgewezen, komt de kantonrechter op grond van de inhoud van de schriftelijke bescheiden en op grond van hetgeen ter gelegenheid van de mondelinge behandeling naar voren is gekomen evenwel tot de slotsom dat de vertrouwensbreuk tussen partijen dermate groot is, dat elk perspectief op normalisatie van de arbeidsverhouding tussen partijen definitief is komen te ontbreken. De kantonrechter is dan ook van oordeel, dat in casu sprake is van gewichtige redenen, meer in het bijzonder van veranderingen in de omstandigheden, die van dien aard zijn dat de arbeidsovereenkomst per 1 juli 2015 zal worden ontbonden.

4.5.

Vervolgens is aan de orde de beantwoording van de vraag of en zo ja welke vergoeding aan [de werknemer] valt toe te kennen. Op grond van de schriftelijke en mondeling toegelichte standpunten over en weer is de kantonrechter van oordeel dat de vastgestelde verstoring in de verhoudingen geheel is toe te rekenen aan [de werknemer].

[de werknemer] valt aan te rekenen dat een verschil van mening over een regeling in de CAO zodanig is geëscaleerd dat voor hem binnen de stichting een totaal onwerkbare situatie is ontstaan die terugkeer naar de werkvloer onmogelijk maakt.

De uitlatingen van [de werknemer] over / jegens de stichting, de aan de stichting verbonden docenten van de vakgroep Economie van het [X] en over de voorzitter van het College van Bestuur van de stichting, zijn van dien toon en aard dat deze de mogelijkheid op een voor partijen werkbare oplossing te niet doet. Ter zitting is gebleken dat [de werknemer] geen afstand van zijn beschuldigingen aan het adres van de diverse betrokkenen wenst te doen.

Anders dan [de werknemer] meent, is geen rechtvaardiging voorhanden voor de wijze waarop hij zich jegens/ over voornoemde betrokkenen heeft geuit.

De vergaande beschuldigingen aan het adres van de stichting over beledigingen, bedreigingen en het regisseren van een crash-scenario met als doel [de werknemer] eruit te werken, moeten als ongegrond van de hand worden gewezen. Op geen enkele wijze is gebleken dat er bij de stichting een ander motief heeft bestaan om tot beëindiging van de arbeidsrelatie te komen.

Gelet op het voorgaande dient het toekennen van een ontbindingsvergoeding achterwege te blijven.

4.6.

Er zijn termen aanwezig de proceskosten tussen partijen te compenseren.

5 De beslissing

De kantonrechter:

Ontbindt de arbeidsovereenkomst tussen partijen met ingang van 1 juli 2015.

Compenseert de kosten van deze procedure in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mr. W.A. Swildens, kantonrechter, bijgestaan door de griffier en op 29 juni 2015 in het openbaar uitgesproken.

De griffier

De kantonrechter