Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2015:11871

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
03-06-2015
Datum publicatie
27-01-2016
Zaaknummer
C/14/149215 HA ZA 13-284
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Geschil tussen twee broers die in maatschapsverband het boerenbedrijf (melkveehouderij en mestvergisterij) uitoefenen. Tussenvonnis over vraag of en per wanneer maatschap is ontbonden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
OR-Updates.nl 2016-0033
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Afdeling privaatrecht, sectie handel en insolventie

Zittingsplaats Alkmaar

MWK/HvE

zaaknummer / rolnummer: C/14/149215 / HA ZA 13-284

Vonnis van 3 juni 2015

in de zaak van

[eiser] ,

wonende te [plaats] , gemeente [naam] ,

eiser in conventie,

verweerder in reconventie,

advocaat mr. M.J.P. Schipper te Heerhugowaard,

tegen

1 [gedaagde 1] ,

wonende te [plaats] , gemeente [naam] ,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[gedaagde 2] ,

gevestigd te [plaats] ,

gedaagden in conventie,

eisers in reconventie,

advocaat mr. K.A. Cerutti te Hoorn.

Eiser zal hierna [eiser] genoemd worden. Gedaagden zullen hierna afzonderlijk [gedaagde 1] en [gedaagde 2] en gezamenlijk [gedaagden] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 22 januari 2014

  • -

    het proces-verbaal van de comparitie gehouden op 20 mei 2014 en voortgezet op 11 juni 2014 en de daarin vermelde stukken

  • -

    de brief met bijlagen van [eiser] van 19 september 2014, ingediend ter rolle van 1 oktober 2014

  • -

    de akte houdende wijziging van eis met bijlage van [eiser] van 29 oktober 2014

  • -

    de antwoordakte met bijlagen van [gedaagden] van 26 november 2014

  • -

    de akte uitlating producties van [eiser] van 24 december 2014.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[eiser] en [gedaagde 1] zijn broers. Zij hebben sinds 15 januari 2004 in maatschapsverband onder de naam Maatschap M.C en [gedaagde 1] een boerenbedrijf geëxploiteerd, bestaande uit een veehouderij en een mestvergisterij. De samenwerking is mondeling aangegaan. [eiser] heeft zich op de veehouderij en [gedaagde 1] heeft zich op de vergisterij gericht.

2.2.

In 2011 zijn tussen partijen problemen gerezen over de wijze waarop de financiën van de maatschap werden beheerd. In december 2011 zijn partijen overeengekomen om een registeraccountant onderzoek te laten doen. Voorts zijn partijen onder andere overeengekomen dat zij ieder voor zich tot nihil en gezamenlijk onbeperkt bevoegd zijn voor betalingen via de bank.

2.3.

Op 15 oktober 2012 hebben partijen schriftelijk een Overeenkomst bindende taxatie gesloten, waarin onder meer het volgende is vastgelegd:

“in aanmerking nemende

[…]

- dat de onderneming ten doel heeft de exploitatie van een veehouderij annex vergisterij;

[…]

- dat de vennoten[…]hebben besloten per 1 januari 2013 de onderneming te splitsen in een veehouderij en een vergisterij;

- dat de vennoot sub 1 de rechtbank begrijpt: [eiser] ] de veehouderij zal voortzetten

- dat de vennoot sub 2 de rechtbank begrijpt: [gedaagde 1] ] de vergisterij zal voortzetten

- dat het[…]wenselijk is voorgekomen de waarde van het bedrijf vast te stellen;

- dat partijen hiertoe ieder een taxateur hebben aangewezen;

- dat de taxateurs in samenspraak de onderneming waarderen en de bedrijfskavel verdelen en intekenen;

- dat het taxatierapport bindend is tussen partijen;

[…]

Artikel 4

Het rapport dat door de in artikel 1 genoemde taxateurs wordt uitgebracht is een bindend rapport en partijen kunnen hiervan derhalve niet afwijken.[…]

Ter uitvoering van deze afspraken heeft [eiser] [naam makelaar 1] van [naam] Makelaardij te [plaats] , en heeft [gedaagde 1] [naam makelaar 2] van [naam] Makelaardij te [plaats] aangewezen.

2.4.

[medewerker accountanskantoor] van [naam] accountants en belastingadviseurs, de accountant van [gedaagde 1] , heeft de advocaat van [eiser] per e-mail van 8 maart 2013 als volgt bericht:

“3. De intentie van beide partijen is nog steeds om het bedrijf te splitsen, waarbij de vergister naar [gedaagde 1] gaat en de veehouderij naar [eiser] .”

2.5.

Partijen hebben op 28 maart 2013 een schriftelijke overeenkomst gesloten, waarin nadere afspraken zijn gemaakt met betrekking tot hun zakelijke betalingsverplichtingen jegens derden. Deze overeenkomst bepaalt, voor zover hier van belang:

[…]1. Partijen drijven vooralsnog in maatschapsvorm samen een veehouderij annex vergisterij. Zij zijn thans doende om tot een splitsing te komen.

2. De achtergrond van het een en ander wordt gevormd door problemen tussen partijen. Partijen zien evenwel beiden in dat, ondanks geschillen daarover tussen hen, aan zakelijke betalingsverplichtingen jegens derden dient te worden voldaan om verdere problemen te voorkomen. In verband hiermee zijn zij het volgende overeengekomen.

3. Beide partijen fiatteren de betalingen waarover de laatste weken en maanden over en weer is gemaild.[…]Beide partijen behouden zich alle rechten en weren voor om op een later tijdstip te discussiëren over de vraag of de betreffende betalingen moeten worden toegerekend aan de veehouderij, de vergisterij, dan wel een van hen of beiden van hen in privé.[…]Op het moment dat helderheid is over de splitsing kan de balans hiervan worden opgemaakt. Alsdan kan geprobeerd worden tot een oplossing te komen, dan wel in rechte om een beslissing te vragen.

4. […]

5. Over nieuwe investeringen zal overleg tussen partijen moeten plaatsvinden. Mocht blijken dat het zonder overleg niet kunnen doen van investeringen leidt tot problemen, dan dient nader overleg plaats te vinden.[…]

2.6.

Per e-mail van 10 december 2013 heeft [naam] van [naam] Accountants en Adviseurs [eiser] als volgt bericht:

“[…]In het najaar 2012 heeft [accountantskantoor] een concept uittredingsrapport gemaakt met fictieve bedragen, de intentie was dat er per 1-1-2013 de onderneming zou worden gesplitst in 2 ondernemingen.

We hebben gesprekken gevoerd met [medewerker accountanskantoor] van [naam] en Co en toen een overeenkomst laten opstellen voor bindende taxatie.

De voorwaarde was dat er op korte termijn een bindende taxatierapport zou komen en dat beiden firmanten een overzicht van de waarde van de machines en inventaris zou opstellen (is nog niet gebeurd) en dat men aan zou geven wat ieder graag mee wil nemen.

[…]

Als beiden firmanten dan akkoord zouden zijn met het definitieve uittredingsrapport dan zou eerst het uitredingsrapport nog naar de Rabobank gestuurd moeten worden, omdat zij vooraf willen toetsen of de hypotheken naar de afzonderlijke bedrijven kunnen worden toegewezen conform het uittredingsrapport en/ of er voldoende zekerheden in de nieuwe onderneming zouden zijn en of beiden ondernemingen wel levensvatbaar zouden zijn na bedrijf splitsing.

Helaas hebben we dit op alle punten niet kunnen realiseren voor 1-1-2013 en dat houdt in dat de onderneming ook niet gesplitst is per 1-1-2013. De taxatie van het onroerend goed is een van de onderdelen om het bedrijf te splitsen maar zo lang het uittredingsrapport niet ondertekent is op alle punten en we nog geen goedkeuring van de bank hebben schuift de datum van bedrijfssplitsing op tot het moment van gehele overeenstemming.[…]”

2.7.

Op 20 mei 2014 heeft een comparitie van partijen plaatsgevonden. Partijen hebben daar aangegeven de Overeenkomst bindende taxatie te willen nakomen. De comparitie van partijen is op 11 juni 2014 in aanwezigheid van onder meer [naam makelaar 1] en [naam makelaar 2] voortgezet. Blijkens het proces-verbaal van comparitie hebben partijen afgesproken de zaak als volgt te willen voortzetten:

“[…]- de twee deskundigen [naam makelaar 1] en [naam makelaar 2] zullen uiterlijk 26 juni 2014 een conceptrapport aan partijen toezenden waarin zij hun advies geven over verdeling en waarderingsmethode en waardering van alle uit de maatschap te verdelen vermogensbestanddelen, voor zover mogelijk eenstemmig;

- indien de deskundigen gezamenlijk tot een algeheel eenstemmig advies kunnen komen, zullen partijen het rapport verder afhandelen zoals door hen beoogd toen zij de deskundigen hun opdracht hebben gegeven (reactie partijen op conceptrapportage, deskundigen verwerken dit in hun conceptrapportage en maken definitief rapport op, dat zal hebben te gelden als bindend advies).

- indien de deskundigen niet gezamenlijk tot een algeheel eenstemmig advies kunnen komen, zullen zij in het rapport een eenstemmig advies uitbrengen over de punten waarop zij wel overeenstemming hebben bereikt en ieder hun respectieve oordeel geven op de punten waarop zij geen overeenstemming hebben kunnen bereiken;

- partijen zullen aan de hand hiervan onderzoeken of zij de resterende geschilpunten kunnen overbruggen door middel van een schikking;

- is dat niet het geval, dan kunnen partijen desgewenst de resterende geschilpunten voorleggen aan 1) een door hen aan te zoeken derde deskundige die als enige een bindende beslissing neemt op deze geschilpunten dan wel 2) de rechtbank, in welk geval zij, indien zij dat in deze procedure wensen te doen, hun stellingen, vorderingen en verweren hierop dienen aan te passen.[…]”

2.8.

Het taxatierapport van [naam makelaar 1] en [naam makelaar 2] is op 1 september 2014 vastgesteld. Partijen hebben vervolgens voortgeprocedeerd.

3 Het geschil

in conventie

3.1.

[eiser] vordert na wijziging van eis bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

I. [gedaagden] te veroordelen aan eiser, althans de maatschap, te voldoen, op een bankrekening van de maatschap, de door [gedaagde 1] en [gedaagde 2] , dan wel elk van hen beiden afzonderlijk aan de maatschap onttrokken bedragen in goede justitie vast te stellen door de rechtbank, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf de dag van

de beslaglegging tot aan de dag der algehele voldoening;

II. te ontbinden de tussen partijen bestaande maatschap per 1 januari 2015, althans een door de rechtbank in goede justitie te bepalen datum;

III. als wijze van verdeling van het maatschapsvermogen te gelasten toedeling van het aandeel hierin van [gedaagde 1] aan [eiser] onder uitkering van een alsdan nader vast te stellen overbedelingsvergoeding aan [gedaagde 1] , althans verdeling van de netto opbrengst van het betreffende vermogen;

IV. [gedaagden] te veroordelen zijn medewerking te verlenen aan de uitvoering van de verdeling en verrekening door het verrichten van die (rechts)handelingen die daarvoor nodig

zijn op straffe van een dwangsom van € 1.000,-- voor iedere dag dat gedaagde hiermee geheel of gedeeltelijk in gebreke is;

V. [gedaagden] te veroordelen in de kosten van dit geding, inclusief die van het beslag een en ander te voldoen binnen 14 dagen na dagtekening van het vonnis, en - voor het geval voldoening van de (na)kosten niet binnen de gestelde termijn plaatsvindt - te vermeerderen

met de wettelijke rente over de (na)kosten te rekenen vanaf bedoelde termijn

voor voldoening.

3.2.

[gedaagden] voert verweer.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

in reconventie

3.4.

[gedaagden] vordert na wijziging van eis bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

Primair

I. te verklaren voor recht dat:

a. de Maatschap M.C. en [gedaagde 1] per 1 januari 2013 is beëindigd en dat de bedrijfsvoering van de veehouderij en de vergisterij met ingang van 1 januari 2013

worden gedreven voor rekening en risico van degene aan wie de bedrijfseenheid is

toegewezen;

b. aan [eiser] de activa verband houdende met de veehouderij en aan [gedaagde 1]

de activa verband houdende met de vergisterij toekomen;

II. [eiser] en [gedaagde 1] op te dragen over te gaan tot verdeling en vereffening van de aan de

Maatschap M.C. en [gedaagde 1] toebehorende overige vermogensbestanddelen met inachtneming van hetgeen hieromtrent door [gedaagden] naar voren is gebracht;

III. te bepalen dat bij de berekening van een vergoeding van overbedeling/onderbedeling het

taxatierapport van de deskundigen wordt gehanteerd;

IV. Partijen te veroordelen om de bedrijfsvoering, daar waar dat in redelijkheid van de ander

verwacht kan worden, te ondersteunen.

Subsidiair

V. de Maatschap M.C. en [gedaagde 1] per 1 januari 2013 te ontbinden wegens gewichtige

redenen;

VI. te bepalen dat [gedaagde 1] gerechtigd is om de bedrijfsvoering voort te zetten vanaf

1 januari 2013 onder gehoudenheid om aan [eiser] een vergoeding wegens overbedeling uit

te keren conform het voorstel bij de antwoordakte;

VII. [eiser] te veroordelen in de kosten van deze procedure.

3.5.

[eiser] voert verweer.

3.6.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling in conventie en in reconventie

4.1.

De vorderingen in conventie en in reconventie strekken beide tot beëindiging van de gezamenlijke exploitatie van het boerenbedrijf en zullen daarom gezamenlijk worden beoordeeld.

Procedureafspraken

4.2.

[eiser] heeft na de ontvangst van het deskundigenrapport een akte houdende wijziging van eis genomen. [gedaagden] heeft daarop bij antwoordakte gereageerd. Geen van partijen stelt zich op het standpunt dat de deskundigen niet tot een eenstemmend advies hebben kunnen komen, en dit is de rechtbank uit de inhoud van het deskundigenrapport ook niet gebleken. Gelet op de in 2.7 weergegeven procedureafspraken dienen partijen het rapport nu af te handelen zoals door hen is beoogd toen zij de deskundigen hun respectieve opdrachten gaven. De rechtbank leidt uit de standpunten van partijen echter af dat dit niet is gelukt omdat zij hier verschillende gedachten over hebben. Partijen hebben er daarom kennelijk voor gekozen hun resterende geschilpunten voor te leggen aan de rechtbank, en hun vorderingen en verweren daarop aangepast. Partijen twisten thans over de vraag of de maatschapsovereenkomst reeds is ontbonden, over de vraag of [gedaagden] gehouden is een bedrag te storten op een bankrekening van de maatschap en over de vraag op welke wijze de verdeling van de maatschap dient plaats te vinden. De rechtbank begrijpt dat partijen hun respectieve vorderingen strekkende tot verdeling van het maatschapsvermogen baseren op het bepaalde in artikel 3:185 Burgerlijk Wetboek (BW).

Ontvankelijkheid eis in reconventie

4.3.

Aangezien [eiser] zich er in zijn akte houdende wijziging eis niet nader over heeft uitgelaten of hij het verweer dat [gedaagden] niet ontvankelijk is in zijn eis in reconventie opgeeft, gaat de rechtbank ervan uit dat hij dit handhaaft. Dit verweer faalt. [gedaagden] is voordat het eindvonnis is gewezen in het geding verschenen en heeft aldus het tegen hem verleende verstek gezuiverd. De gevolgen van het verstek zijn daardoor vervallen (artikel 142 Wetboek van burgerlijke rechtsvordering (Rv)). Dat betekent dat [gedaagden] bij conclusie mocht antwoorden op de inmiddels door [eiser] gewijzigde vorderingen en daarbij tevens een reconventionele vordering kon instellen.

Bezwaar wijziging eis in reconventie

4.4.

Het bezwaar van [eiser] tegen de wijziging van eis in reconventie ziet kennelijk op de omstandigheid dat deze is vervat in de antwoordakte, terwijl de koptekst daarvan geen melding maakt. De rechtbank heeft met het oog op de eisen van een goede procesorde te waken voor onnodige vertraging van de procedure, en beslist daarom met voorbijgaan aan het bepaalde in artikel 130 lid 1, voorlaatste volzin, Rv als volgt op het bezwaar zonder [gedaagden] te horen. In redelijkheid valt niet in te zien op welke wijze [eiser] in zijn belangen kan zijn geschaad, nu [eiser] bij akte uitlating producties op de wijziging van eis in reconventie heeft gereageerd. De rechtbank staat de wijziging van eis in reconventie derhalve toe.

Ontbinding van de maatschapsovereenkomst

4.5.

[eiser] stelt zich op het standpunt dat de maatschapsovereenkomst nog bestaat, en dat de verdeling en verrekening dient plaats te vinden tegen de waarde op een door de rechtbank te bepalen datum. [eiser] voert ter onderbouwing van zijn standpunt het volgende aan. De splitsing per 1 januari 2013 zoals vermeld in de Overeenkomst bindende taxatie is bedoeld als uitgangspunt voor de bindende taxatie. Daaruit kan niet worden afgeleid dat de maatschapsovereenkomst per deze datum is ontbonden. Feitelijk is de bedrijfsvoering nadien voortgezet. Uit het e-mailbericht van 8 maart 2013 van [medewerker accountanskantoor] (2.4), uit hetgeen in de overeenkomst van 28 maart 2013 onder 1. is opgenomen (2.5) en uit het e-mailbericht van 10 december 2013 van Lub (2.6) blijkt dat er slechts sprake was van een intentie tot splitsing.

4.6.

[gedaagden] stelt zich op het standpunt dat de maatschapsovereenkomst reeds per 1 januari 2013 is ontbonden en dat de verdeling en verrekening dient plaats te vinden tegen de waarde op deze datum. [gedaagden] wijst ter onderbouwing op de tekst van de Overeenkomst bindende taxatie, waarin naar hij stelt de ontbinding per 1 januari 2013 en de wijze van vereffening en verdeling is vastgelegd, en op de uitlatingen die partijen ter comparitie hebben gedaan.

4.7.

Het is de rechtbank ambtshalve bekend dat het Gerechtshof te Amsterdam op 7 april 2015 arrest heeft gewezen in het hoger beroep tegen het vonnis van de

voorzieningenrechter van deze rechtbank van 28 juli 2014. Het Gerechtshof is voorshands van oordeel dat de maatschap na 1 januari 2013 “vooralsnog” is voortgezet. De rechtbank hecht eraan op te merken dat deze beslissing naar haar aard een voorlopig karakter heeft, en dat zij daar als bodemrechter bij de beoordeling van het geschil niet aan gebonden is.

4.8.

Artikel 7A:1683 BW bevat een niet limitatieve opsomming van omstandigheden als gevolg waarvan de maatschap wordt ontbonden. De maatschap kan ook worden ontbonden op grond van een daartoe strekkende wilsovereenstemming van de vennoten (HR 16 mei 1986, NJ 1987, 206 m.nt. Maeijer). Voor de beantwoording van de vraag of de maatschapsovereenkomst thans nog bestaat, of reeds per 1 januari 2013 is ontbonden, dient daarom de Overeenkomst bindende taxatie te worden uitgelegd.

4.9.

De vraag hoe in een schriftelijke overeenkomst de verhouding van partijen is geregeld en of deze een leemte laat die moet worden aangevuld, kan niet worden beantwoord op grond van alleen maar een zuiver taalkundige uitleg van de bepalingen van de overeenkomst. Voor de beantwoording van die vraag komt het immers aan op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan deze bepalingen mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Daarbij kan mede van belang zijn tot welke maatschappelijke kringen partijen behoren en welke rechtskennis van zodanige partijen kan worden verwacht (vergelijk HR 13 maart 1981 NJ 1981/635 (Haviltex)). Voorts kan van belang zijn hoe partijen zich bij de uitvoering van de overeenkomst feitelijk hebben gedragen (HR 20 mei 1994, NJ 1994/574).

4.10.

De rechtbank leidt uit de bewoordingen van de Overeenkomst bindende taxatie en het feitelijk handelen van partijen ter uitvoering daarvan af dat [eiser] en [gedaagde 1] de ontbinding van de maatschapsovereenkomst per 1 januari 2013 zijn overeengekomen. Zij overweegt daartoe als volgt.

4.11.

De Overeenkomst bindende taxatie (2.3) vermeldt letterlijk dat de vennoten hebben besloten de onderneming per 1 januari 2013 te splitsen in een veehouderij en een vergisterij. Voorts is in deze overeenkomst vastgelegd dat [eiser] de veehouderij, en dat [gedaagde 1] de vergisterij zal voortzetten. Dit kan bezwaarlijk anders worden uitgelegd dan dat partijen overeenstemming hebben bereikt over de beëindiging van hun feitelijke samenwerking per 1 januari 2013. Aangezien de maatschap naar haar aard een samenwerkingsovereenkomst is, impliceert dit dat partijen zijn overeengekomen deze overeenkomst per genoemde datum te ontbinden. De rechtbank volgt [eiser] niet in zijn stelling dat niet méér is overeengekomen dan een uitgangspunt voor een bindende taxatie, omdat de tekst van de overeenkomst daarvoor geen aanknopingspunten biedt. Gezien de strekking van de overeenkomst is de bindende taxatie juist met het oog op de beëindiging van de samenwerking per 1 januari 2013 en de verdeling van de activa overeengekomen. In dit verband springt in het bijzonder in het oog dat is overeengekomen dat de taxateurs niet alleen de waardering zullen verzorgen, maar ook de bedrijfskavel zullen verdelen en intekenen.

4.12.

Ter beantwoording van de vraag of het feitelijk handelen van partijen erop duidt dat de maatschapsovereenkomst ondanks de Overeenkomst bindende taxatie is voortgezet neemt de rechtbank het wettelijk kader voor de gevolgen van de beëindiging van een maatschap tot uitgangspunt. De ontbinding van de maatschap brengt mee dat de vereffening aanvangt. Na ontbinding blijft de vennootschappelijke goederengemeenschap als zodanig voortbestaan, voor zover dit nodig is voor de vereffening. Op de ontbonden maatschap zijn de bepalingen van afdeling 3.7.2 BW van toepassing, alsmede van 3.7.1 BW voor zover daarvan in afdeling 3.7.2 BW niet wordt afgeweken (artikel 3:189 lid 2 BW). Na ontbinding blijven beide maten bevoegd tot het beheer (artikel 3:170 lid 1 BW). Onder beheer zijn begrepen alle handelingen die voor de normale exploitatie van het goed dienstig kunnen zijn, alsook het aannemen van aan de gemeenschap verschuldigde prestaties (artikel 3:170 lid 2 BW). Na ontbinding van de maatschap is het beheer erop gericht de vennootschappelijke goederengemeenschap tot verdeling te brengen. Uit de wetsgeschiedenis kan worden afgeleid dat dit het voorlopig voortzetten van de onderneming niet uitsluit.

4.13.

Indien de onderneming na ontbinding van de maatschapsovereenkomst voorlopig wordt voortgezet, sluit de vorm waarin die voortzetting plaatsvindt aan bij die van de maatschap, zij het in ontbonden toestand. Dat artikel 1 van de overeenkomst van 28 maart 2013 (2.5) vermeldt dat partijen vooralsnog in maatschapsvorm samen een veehouderij annex vergisterij drijven en dat zij thans doende zijn om tot een splitsing te komen, verdraagt zich goed met (de vereffening en verdeling van) een ontbonden maatschap. Deze bepaling duidt er daarom niet noodzakelijkerwijs op dat de maatschapsovereenkomst niet ontbonden is. Hetzelfde geldt voor het bestaan van de intentie om het bedrijf te splitsen waarvan het e-mailbericht van 8 maart 2013 (2.4) melding maakt. De toelichting van Lub (2.6) dat het de bedoeling was de onderneming per 1 januari 2013 te splitsen in twee ondernemingen, maar dat dit niet is gelukt, ziet op de beoogde verdeling van de vennootschappelijke goederengemeenschap. Hieruit kan evenmin worden afgeleid dat de maatschapsovereenkomst niet reeds was ontbonden. Partijen hebben bovendien daadwerkelijk opdracht gegeven voor een waardering van de activa per 1 januari 2013, wat in het licht van de Overeenkomst bindende taxatie als een daad van vereffening moet worden aangemerkt. De rechtbank concludeert daarom dat niet is komen vast te staan dat de maatschapsovereenkomst in weerwil van de Overeenkomst bindende taxatie na 1 januari 2013 is voortgezet.

Verdeling van de maatschap

4.14.

Nu vast staat dat de maatschap per 1 januari 2013 is ontbonden, komen de vorderingen die strekken tot verdeling van de gemeenschap aan de orde.

4.15.

[eiser] stelt zich op het standpunt dat verdeling dient plaats te vinden conform de Overeenkomst bindende taxatie, maar indien en voor zover splitsing van de bedrijfsvoering vergunningtechnisch niet mogelijk blijkt te zijn en het evenmin mogelijk is naar buiten toe als één organisatie op te treden, dient verdeling plaats te vinden door toedeling van het aandeel van [gedaagde 1] aan hem. De te hanteren waarde is de waarde ten tijde van de verdeling.

4.16.

[gedaagden] stelt zich op het standpunt dat verdeling dient plaats te vinden conform de Overeenkomst bindende taxatie, en dat de door [eiser] geschetste problemen overkomelijk zijn indien beide partijen de bedrijfsvoering van de ander waar nodig ondersteunen. Indien [eiser] volhardt in zijn standpunt dat splitsing van de bedrijfsvoering niet mogelijk is, dient verdeling plaats te vinden door toescheiding van de activa aan [gedaagde 1] naar de waarde per 1 januari 2013 conform het door de taxateurs opgestelde rapport.

4.17.

De Overeenkomst bindende taxatie is naar aanleiding van de overeenstemming tot ontbinding van de maatschapsovereenkomst opgemaakt en bevat afspraken met betrekking tot de wijze waarop vereffening en verdeling zal plaatsvinden. Tot deze afspraken behoort een waardering van het bedrijf door taxateurs. In de overeenkomst is vastgelegd dat deze taxatie bindend is tussen partijen. Partijen hebben vervolgens opdracht gegeven voor een taxatie naar de waardepeildatum 1 januari 2013. Partijen hebben ter comparitie - toen de taxatie nog niet was afgerond - te kennen gegeven dat zij de Overeenkomst bindende taxatie wensen na te komen. Partijen hebben geen nadere afspraken over de waardepeildatum gemaakt. De taxatie heeft vervolgens plaatsgevonden naar de waarde per 1 januari 2013. [eiser] heeft - afgezien van het verworpen beroep op het voortbestaan van de maatschapsovereenkomst - niet onderbouwd waarom ondanks de Overeenkomst bindende taxatie de waarde per datum van verdeling als peildatum moet worden genomen. [eiser] heeft geen beroep gedaan op onverbindendheid van de Overeenkomst bindende taxatie. Indien [eiser] aanleiding zag voor een waardering naar een andere peildatum dan is overeengekomen voor de taxatie, had het op zijn weg gelegen dit tijdig aan de orde te stellen, vóórdat de taxateurs de taxatie hadden afgerond. Dit heeft hij echter nagelaten. Conform het taxatierapport zal
1 januari 2013 daarom als peildatum voor de waardering van de daarin beschreven activa hebben te gelden. De Overeenkomst bindende taxatie bevat echter geen aanwijzingen dat partijen hebben beoogd deze peildatum ook te gebruiken voor de activa van de ontbonden maatschap die niet in het taxatierapport worden beschreven. Voor zover dergelijke activa tot de ontbonden gemeenschap behoren, zal bij het bepalen van de waarde worden uitgegaan van de datum van verdeling.

4.18.

De rechtbank begrijpt dat beide partijen in beginsel een verdeling wensen conform de Overeenkomst bindende taxatie. De rechtbank heeft bij de verdeling zowel rekening te houden met de belangen van partijen, als met het algemeen belang (3:185 lid 1 BW), waaronder begrepen (de continuïteit van) het bedrijf dat in de gemeenschap valt.

4.19.

De rechtbank heeft geconstateerd dat de waarde in het taxatierapport is bepaald onder het voorbehoud dat de milieuvergunning splitsing toelaat. [eiser] heeft de mogelijkheid van vergunningtechnische splitsing in twijfel getrokken, en [gedaagden] heeft deze twijfel niet weggenomen. Indien de rechtbank thans een verdeling zou gelasten conform de Overeenkomst bindende taxatie die strekt tot splitsing van de bedrijfsvoering die vergunningtechnisch niet uitvoerbaar blijk, komt de continuïteit van het bedrijf in gevaar. Daarmee zouden het algemeen belang noch de belangen van partijen zijn gediend. Omdat thans echter ook niet zeker is dat splitsing van de bedrijfsvoering niet uitvoerbaar is, ziet de rechtbank onvoldoende aanleiding reeds nu een verdeling in afwijking van de Overeenkomst bindende taxatie te gelasten waarbij alle activa aan één partij worden toegedeeld. De rechtbank behoeft meer informatie over de vergunningtechnische aspecten van een splitsing. [eiser] verwijst in dit verband in zijn akte houdende wijziging van eis naar adviezen van mr. J. van Groningen van Den Hollander Advocaten en Ing. [naam] van Drieweg Advies B.V. Uit het feit dat [gedaagden] niet heeft weersproken dat deze adviezen aan hem zijn uitgebracht, leidt de rechtbank af dat deze voorhanden zijn. De rechtbank zal [gedaagden] daarom opdragen deze adviezen bij akte in het geding te brengen. [gedaagden] dient in deze akte een eenduidig standpunt in te nemen over de vraag of splitsing van de bedrijfsvoering vergunningtechnisch mogelijk is of niet. [eiser] zal vervolgens in de gelegenheid worden gesteld bij antwoordakte te reageren.

4.20.

Partijen zijn overeengekomen dat de taxateurs niet alleen de onderneming zullen waarderen, maar dat zij ook de bedrijfskavel zullen verdelen en intekenen. De rechtbank heeft geconstateerd dat in het taxatierapport voor het erf met opstallen een waardematrix is opgenomen met een toedeling van de verschillende complexonderdelen aan respectievelijk [eiser] en [gedaagde 1] , alsmede een overzichtskaart toekomstig gesplitst agrarisch erf. Ten aanzien van de percelen cultuurgrond, de toeslagrechten en het melkquotum, die kennelijk ook tot het bedrijfscomplex behoren, bevat het taxatierapport echter geen verdelingen of toedelingen. De rechtbank zal partijen opdragen zich bij akte uit te laten over de verdeling van alle complexonderdelen conform het taxatierapport. Voor de volledigheid verzoekt de rechtbank partijen zich daarbij tevens uit te laten over de vraag of de windmolen in de verdeling moet worden betrokken. Voorts dienen partijen zich uit te laten over de verdeling van tot de ontbonden maatschap behorende activa die niet in het taxatierapport worden beschreven.. Ten slotte dienen partijen zich uit te laten over de omvang van eventueel te ontvangen of te betalen overbedelingsvorderingen. Met het oog op de inzichtelijkheid dienen verrekeningen in verband met eventuele onttrekkingen hierbij buiten beschouwing te blijven. Of er van zodanige onttrekkingen sprake is zal hierna in r.o. 4.22 en verder aan de orde komen.

4.21.

Met het oog op de mogelijkheid dat splitsing vergunningtechnisch niet uitvoerbaar blijkt te zijn, dienen beide partijen tevens behoorlijk onderbouwd uiteen te zetten of zij financieel in staat zijn de ander in voorkomend geval uit te kopen. Indien geen van beiden over voldoende financiële middelen blijkt te beschikken om de ander uit te kopen, zal de onderneming verkocht moeten worden aan derden, waarna de opbrengst tussen partijen moet worden verdeeld.

Betalingen van debiteuren

4.22.

[eiser] stelt zich in zijn akte van 13 november 2013 op het standpunt dat [gedaagden] althans [gedaagde 1] in 2013 via [gedaagde 2] betalingen heeft verricht met gelden die toekomen aan de maatschap, en dat de maatschap daarom een vordering van € 72.373,54 op hem heeft.

4.23.

Het primaire verweer van [gedaagden] dat het partijen na de ontbinding van de maatschapsovereenkomst vrij staat hun bedrijfseenheden te verzelfstandigen en dat daaronder ook het debiteurenbeheer moet worden begrepen faalt. Zoals in r.o. 4.12 is uiteengezet blijft het maatschapsvermogen na de ontbinding voortbestaan. Het doen van betalingen ten behoeve van een (onderdeel van) de tot het maatschapsvermogen behorende onderneming moet worden aangemerkt als beheer dat is gericht op de vereffening van de ontbonden maatschap. Het staat [gedaagden] daarom niet vrij dergelijke beheershandelingen te verrichten alsof de verdeling van het maatschapsvermogen reeds haar beslag reeds heeft gekregen.

4.24.

Aan het subsidiaire verweer van [gedaagden] dat de betalingen onder andere zien op de aanschaf van een bedrijfsauto, ligt kennelijk ten grondslag dat deze uitgaven niet als onttrekking kunnen worden gekwalificeerd, omdat de bedrijfsauto tot het maatschapsvermogen is gaan behoren. Uit het hiervoor in 4.23 weergegeven primaire verweer volgt evenwel dat de bedrijfsauto niet ten behoeve van de maatschap is verworven. De rechtbank leidt hieruit af, dat deze dan ook niet tot het maatschapsvermogen is gaan behoren.

4.25.

Ook overigens heeft [gedaagden] zijn verweer dat de betalingen zien op bedrijfskosten onvoldoende onderbouwd. [gedaagden] heeft erkend dat voor zover betalingen niet zijn aangewend voor bedrijfskosten, deze als onttrekkingen moeten worden aangemerkt, die leiden tot een vordering op [gedaagde 1] . Tussen partijen staat daarmee vast dat alle betalingen als zodanig moeten worden aangemerkt.

4.26.

Het verweer van [gedaagden] dat [eiser] niet bevoegd is een vordering in verband met een onttrekking in te stellen slaagt gedeeltelijk. Zoals in r.o. 4.12 is uiteengezet blijven de maten na ontbinding van de maatschapsovereenkomst bevoegd tot het beheer. Daaronder valt ook het instellen van een vordering ten behoeve van de maatschap. In zoverre is [eiser] bevoegd de onderhavige vordering in te stellen. Voor zover Matthé de vordering tot betaling van het bedrag van de onttrekking echter namens zichzelf instelt, dient deze op grond van HR 17 december 1993 ECLI:NL:HR:1993:ZC1182 te worden afgewezen.

4.27.

Het beroep van [gedaagden] op verrekening faalt, omdat hij niet afdoende heeft onderbouwd dat aan de toepassingsvoorwaarden van de artikelen 6:127 en 6:140 BW is voldaan. Dit betekent dat de vordering tot betaling van een bedrag van € 72.373,54 aan de maatschap kan worden toegewezen. In verband met de samenhang met de verdeling en daaruit eventueel voortvloeiende overbedelingsvorderingen zal de rechtbank de beslissing thans aanhouden.

4.28.

Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.

5 De beslissing

De rechtbank

in conventie en in reconventie

5.1.

bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 1 juli 2015 voor het nemen van een akte door [gedaagden] over hetgeen is vermeld onder 4.19-4.21, waarna de wederpartij op de rol van vier weken daarna een antwoordakte kan nemen,

5.2.

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. H.E. van Erp-van Harten en in het openbaar uitgesproken op 3 juni 2015.