Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2015:11765

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
21-10-2015
Datum publicatie
18-01-2016
Zaaknummer
C/14/156444 HA ZA 14-284
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Enisul heeft aan haar vorderingen jegens gedaagden 2 en 3 ten grondslag gelegd dat gedaagde 3 met het sluiten van de overeenkomst tot levering van de bevroren vis namens gedaagde 1 een verplichting is aangegaan waarvan hij wist of behoorde te begrijpen dat gedaagde 1 niet aan de uit die overeenkomst voortvloeiende verplichtingen zou kunnen voldoen en evenmin verhaal zou bieden voor de als gevolg van die niet-nakoming door Enisul te lijden schade. Deze stellingen treffen doel.

Gedaagde 3 heeft ter gelegenheid van de op 20 augustus 2015 gehouden zitting verklaard dat hij van de door Enisul gedane aanbetaling van USD 259.975,-- niets heeft betaald aan de leverancier. Gedaagde 3 heeft voorts verklaard dat het geld niet op de rekening van gedaagde 1 stond, maar dat het naar de algemene middelen, naar een andere rekening, is gegaan. Hij weet niet precies naar welke rekening, maar dat is in ieder geval geen andere rekening van gedaagde 1. Bij verder doorvragen heeft gedaagde 3 verklaard dat het geld naar een bankrekening van zijn vrouw is gegaan, met wie hij overigens op huwelijkse voorwaarden is gehuwd. Volgens gedaagde 3 gaat het hier om company geld dat door hem als zodanig wordt verantwoord in de boekhouding, maar dit neemt naar het oordeel van de rechtbank niet weg dat de aanbetaling het vermogen van de gedaagde 1 heeft verlaten en terecht is gekomen in het vermogen van zijn echtgenote. Daarmee heeft gedaagde 3 de onderneming gedaagde 1 in de onmogelijkheid gebracht – indien er een bestelling bij zijn leverancier is geplaatst – zijn leverancier te voldoen waardoor hij niet kan leveren en heeft hij Enisul de mogelijkheid ontnomen verhaal te nemen op het vermogen van gedaagde 1 voor de door haar geleden schade (als gevolg van het niet nakomen van leverantieverplichting). Uit het vorenstaande volgt dat gedaagde 2 als gedaagde 3 als directe en indirecte bestuurder van gedaagde 1 aansprakelijk zijn – naast gedaagde 1 voor de door Enisul geleden schade.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
OR-Updates.nl 2016-0025
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Afdeling Privaatrecht

Sectie Handel & Insolventie

HP/TR

zaak- en rolnummer: C14/156444/HA ZA 14-284

datum: 21 oktober 2015

Vonnis van de enkelvoudige kamer voor de behandeling van burgerlijke zaken

in de zaak van:

de rechtspersoon naar Liberiaans recht

ENISUL GROEP OF COMPANIES (ENISUL FISHERY),

gevestigd te Monrovia, Liberia,

EISERES bij dagvaarding van 6 augustus 2014;

advocaat mr. J. Breeveld te Amsterdam,

tegen:

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[gedaagde 1] ,

statutair gevestigd en kantoor houdende te [plaats] ,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[gedaagde 2] ,

statutair gevestigd en kantoor houdende te [plaats] ,

3. [gedaagde 3] ,

wonende te [plaats] ,

GEDAAGDEN

advocaat voorheen mr. M.H. Godthelp te Alkmaar

thans mr. J.H. Prins te Den Helder

Partijen zullen verder ook worden genoemd: Enisul respectievelijk [gedaagden] (gedaagden sub 1 tot en met 3 tezamen), [gedaagde 1] , [gedaagde 2] en [gedaagde 3] .

1 HET VERLOOP VAN HET GEDING

1.1

Voor het verloop van de procedure tot 21 januari 2015 verwijst de rechtbank

naar en neemt zij over hetgeen in het tussen partijen op die datum uitgesproken vonnis is overwogen en beslist.

Bij voormeld vonnis werd de door Enisul op grond van artikel 843a Rv. ingestelde vordering afgewezen en heeft de rechtbank een comparitie na antwoord gelast.

1.2

Zoals is opgenomen in het proces-verbaal van de op 20 augustus 2015

gehouden comparitie, heeft Enisul een brief van 14 augustus 2015 met bijlage in het geding gebracht. [gedaagden] hebben een tweetal brieven van respectievelijk 18 augustus 2015 en 19 augustus 2015, beide met bijlagen, overgelegd.

1.3

Op 20 augustus 2015 heeft een comparitie na antwoord plaatsgevonden. Van

de comparitie is proces-verbaal opgemaakt. Partijen hebben verklaard overeenkomstig hetgeen in het proces-verbaal is opgenomen. Ter gelegenheid van deze zitting heeft Enisul haar standpunt doen bepleiten overeenkomstig door haar overgelegde pleitnotities.

Vervolgens werd de zaak naar de rol verwezen voor akte uitlaten procedure als bedoeld in artikel 2.11 van het Landelijk Procesreglement.

Enisul heeft daarop verzocht vonnis te wijzen; van [gedaagden] heeft rechtbank niets vernomen.

1.4

Tenslotte is vonnis bepaald. De inhoud van al deze stukken geldt als hier ingelast.

2 DE FEITEN

Als tussen partijen vaststaand wordt van het volgende uitgegaan:

a. a) [gedaagde 3] is enig aandeelhouder en enig bestuurder van [gedaagde 2] . [gedaagde 2] is enig aandeelhouder en enig bestuurder van [gedaagde 1] .

b) Tussen Enisul en [gedaagde 1] is een overeenkomst tot stand gekomen. Naar aanleiding van deze afspraak heeft [gedaagde 1] op 26 mei 2014 aan Enisul een “proforma invoice” toegezonden. Op basis van de “proforma invoice” van 26 mei 2014 was [gedaagde 1] gehouden om – uit hoofde van een opdracht en voor rekening van Enisul – ongeveer 400 ton bevroren vis met een waarde van USD 520.000,-- (€ 367.242,00) naar Monrovia in Liberia te verschepen. Op de “proforma invoice” staat onder meer het volgende vermeld:

“payment terms: By telegraphic transfer of 50 % of the value ie usd 260.000,00

on day of signing this proforma invoice. (………)

(………..)

shipping date: within 7 days after receipt of payment – subject rotation of vessel

arrival Monrovia within 14 days after shipment

(…………………)”

Artikel 4.4 van de algemene voorwaarden van [gedaagde 1] luidt:

“Delivery periods will be extended by the amount of time that the implementation of the agreement is delayed by force majeure. They will also be extended by the time that the costumer is delayed in the fulfillment of any obligation than is agreed or could reasonably be expected by [gedaagde 1] ”

c) Op 5 juni 2014 bevestigt [gedaagde 1] aan Enisul dat de hiervoor genoemde aanbetaling van USD 259.975,-- is ontvangen op de bankrekening van [gedaagde 1] .

d) De daarop volgende dagen heeft Enisul tevergeefs geprobeerd om bij [gedaagde 1] informatie te verkrijgen over de levering.

e) Enisul heeft op 12 juni 2014 aangifte gedaan tegen [gedaagde 3] wegens oplichting.

De aangifte is gedaan door [naam] namens de benadeelde [naam] directeur van Enisul. In het proces-verbaal is onder meer het volgende opgenomen:

“Op dit moment is de situatie dus nu dat meneer [gedaagde 3] geen goederen levert en dat hij waarschijnlijk een valse hoedanigheid – in ieder geval een vals bedrijf – opgeeft en zo het bedrijf waar ik voor werk heeft bewogen om geld op zijn rekening te storten, terwijl hij al wist dat hij geen goederen hiervoor zou afleveren. Als wij dit als bedrijf hadden geweten, hadden we nooit het geld op zijn rekening gestort.”

f) Bij email van 15 juni 2014 heeft Enisul aan [gedaagde 3] bericht dat hij sinds de overboeking van de aanbetaling slecht bereikbaar is en dat er inmiddels meer dan twee weken zijn verstreken sinds de overboeking, terwijl afgesproken was dat de lading binnen 7 dagen na overboeking zou worden verscheept.

g) Op 17 juni 2014 heeft Enisul per email aan [gedaagde 3] bericht dat hij de indruk wekt niet aan zijn verplichtingen te kunnen voldoen en – ondanks dat daarom regelmatig is verzocht – geen informatie verschaft, ook niet nadat de lading geruime tijd daarvoor al verscheept had moeten worden.

h) [gedaagde 1] heeft de 400 ton bevroren vis niet geleverd en evenmin het bedrag van de aanbetaling aan Enisul terugbetaald.

3 DE BEHANDELING VAN DE ZAAK

3.1

Enisul doet haar vorderingen steunen op vorenstaande feiten en op de hierna volgende stellingen.

3.2

Enisul vordert zoals bij voormeld vonnis van 21 januari 2015 omschreven.

Kort gezegd komt dit erop neer dat Enisul primair vordert dat de rechtbank de in rechtsoverweging 1 sub b) genoemde overeenkomst zal ontbinden, althans subsidiair voor recht zal verklaren dat de tussen partijen gesloten overeenkomst op 17 juni 2014 buitengerechtelijk is ontbonden, althans meer subsidiair, de tussen partijen gesloten overeenkomst zal vernietigen wegens dwaling dan wel bedrog.

Enisul vordert voorts dat de rechtbank voor recht zal verklaren dat [gedaagden] aansprakelijk zullen zijn voor alle geleden en nog te lijden schade, de zaak naar de schadestaat zal verwijzen en [gedaagden] hoofdelijk zal veroordelen tot terugbetaling van de aanbetaling vermeerderd met 30 % rente en beslagkosten (in totaal een bedrag van

€ 248.724,81).

Enisul legt het volgende aan haar vorderingen ten grondslag.

[gedaagde 1] is jegens Enisul toerekenbaar tekortgeschoten, omdat [gedaagde 1] de overeenkomst tot levering van 400 ton bevroren vis niet is nagekomen ondanks herhaald verzoek van Enisul daartoe. Enisul is gerechtigd de overeenkomst te doen ontbinden, althans zij heeft de overeenkomst reeds ontbonden en [gedaagde 1] dient de aanbetaling aan haar terug te betalen.

Voorts is sprake van externe bestuurdersaansprakelijkheid: [gedaagde 3] is persoonlijk aansprakelijk uit hoofde van onrechtmatige daad, omdat hij door middel van [gedaagde 1] opzettelijk heeft voorgewend tot tijdige levering van de bevroren vis in staat te zijn terwijl dat niet zo was. [gedaagde 1] biedt bovendien geen verhaal.

Enisul doet haar vorderingen jegens [gedaagde 3] er tenslotte op steunen dat laatstgenoemde Enisul heeft doen dwalen casu quo heeft bedrogen. Als bestuurder heeft [gedaagde 3] bewust onjuiste mededelingen gedaan op grond waarvan Enisul een overeenkomst met [gedaagde 1] is aangegaan. Op grond van dwaling casu quo bedrog is de overeenkomst met [gedaagde 1] vernietigbaar en dient [gedaagde 3] de geleden schade te vergoeden.

3.3

[gedaagden] hebben de vorderingen betwist en – kort samengevat en zakelijk weergegeven – het volgende doen aanvoeren:

[gedaagde 1] heeft met Enisul een overeenkomst gesloten waarbij [gedaagde 1] aan Enisul een partij bevroren vis zou leveren. De gesloten overeenkomst bevat een aanbiedingsbrief, die door beide partijen is getekend, een proforma invoice en de algemene voorwaarden. De algemene voorwaarden zijn, anders dan Enisul stelt, wel degelijk van toepassing.

Op 5 juni 2014 heeft Enisul de overeengekomen aanbetaling aan [gedaagde 1] voldaan, maar daags daarna werd Enisul opdringerig en wilde zij weten hoe het zat met de levering van de vis. Op 12 juni 2014 heeft Enisul zelfs aangifte gedaan van oplichting.

Er is geen sprake van een toerekenbare tekortkoming van [gedaagde 1] . [gedaagde 1] beroept zich op overmacht overeenkomstig het bepaalde in de toepasselijke algemene voorwaarden. De emails van 15 en 17 juni 2014 van Enisul houden bovendien geen ingebrekestelling in en de leveringsdatum schuift op door de overmacht aan de zijde van [gedaagde 1] . Voordat de leveringstermijn is verlopen, heeft Enisul aangegeven niet meer te zullen nakomen en dat betekent dat aan de zijde van Enisul sprake is van schuldeisersverzuim. [gedaagde 1] behoefde haar verplichtingen niet meer na te komen, tenzij Enisul zou toezeggen de overeenkomst te zullen nakomen. Dat heeft Enisul niet gedaan. [gedaagde 1] wordt geconfronteerd met hoge schadeclaims bij haar leverancier(s), omdat de vis niet meer afgenomen werd door [gedaagde 1] .

Enisul is niet duidelijk op het punt wie zij naast [gedaagde 1] aansprakelijk houdt.

[gedaagden] begrijpen dat [gedaagde 3] naast [gedaagde 1] in de eerste plaats aansprakelijk wordt gehouden voor de door Enisul geleden en te lijden schade, omdat sprake zou zijn van vereenzelviging: directe aansprakelijkheid van [gedaagde 3] op de grond dat het identiteitsverschil tussen rechtspersonen terzijde wordt gesteld. Dit kan slechts onder bijzondere omstandigheden en dergelijke omstandigheden zijn onvoldoende gesteld of gebleken.

In de tweede plaats wordt [gedaagde 3] kennelijk aansprakelijk gehouden op grond van bestuurdersaansprakelijkheid: als bestuurder heeft hij onrechtmatig gehandeld doordat hij [gedaagde 1] een verplichting heeft laten aangaan waarvan hij wist of behoorde te begrijpen dat [gedaagde 1] niet aan haar uit de overeenkomst voortvloeiende verplichtingen zou kunnen voldoen. En tevens geen verhaal zou bieden voor de als gevolg van die niet-nakoming door Enisul te lijden schade. Van bestuurdersaansprakelijkheid is geen sprake, omdat daarvoor onvoldoende feiten en omstandigheden zijn gesteld en [gedaagde 3] bovendien geen ernstig verwijt treft.

[gedaagde 3] heeft evenmin onrechtmatig gehandeld. Ook van dwaling of bedrog is geen sprake. De vorderingen van Enisul dienen te worden afgewezen.

3.4

De rechtbank overweegt hieromtrent als volgt:

Zoals uit het vorenstaande volgt, heeft Enisul voor haar vorderingen tegen [gedaagde 1] andere grondslagen aangevoerd dan voor haar vorderingen tegen [gedaagde 2] en [gedaagde 3] . In navolging daarvan, zal de rechtbank allereerst de vorderingen tegen [gedaagde 1] behandelen en vervolgens de vorderingen tegen [gedaagde 2] en [gedaagde 3] .

De vorderingen van Enisul tegen [gedaagde 1]

Enisul heeft, zoals hiervoor is overwogen, aan haar vorderingen jegens [gedaagde 1] ten grondslag gelegd dat laatstgenoemde toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van de op haar rustende verplichtingen uit hoofde van de overeenkomst tot levering van 400 ton bevroren vis (rechtsoverweging 2 sub b).

[gedaagden] hebben deze stelling gemotiveerd bestreden door erop te wijzen dat een ingebrekestelling aan de zijde van Enisul ontbreekt. [gedaagden] doen voorts een beroep op overmacht.

De rechtbank is van oordeel dat, zoals [gedaagden] hebben aangevoerd, de emails van Enisul van 15 en 17 juni 2014 niet aangemerkt kunnen worden als een ingebrekestelling, omdat in geen van beide emails sprake is van een schriftelijke aanmaning die een termijn bevat waarbinnen de schuldenaar alsnog dient na te komen.

Naar het oordeel van de rechtbank is een ingebrekestelling overigens niet nodig, omdat tussen partijen een fatale termijn is overeengekomen voor de levering van de bevroren vis. Uit de in rechtsoverweging 2 sub b) weergegeven “proforma invoice” blijkt namelijk dat partijen overeengekomen waren dat de bevroren vis verscheept zou worden binnen 7 dagen na ontvangst van de betaling. Nu vaststaat dat [gedaagde 1] op 5 juni 2014 aan Enisul heeft bevestigd de aanbetaling te hebben ontvangen, had [gedaagde 1] uiterlijk op 12 juni 2014 de partij bevroren vis moeten verschepen. Daar dit niet is gebeurd, gaat de rechtbank ervan uit dat een voor de voldoening van de verbintenis bepaalde termijn is verstreken en dat daarmee het verzuim aan de zijde van [gedaagde 1] op 12 juni 2014 is ingetreden, zonder ingebrekestelling.

Uit het vorenstaande volgt voorts dat van schuldeisersverzuim aan de zijde van Enisul geen sprake is, omdat Enisul op 12 juni 2014 nog steeds wilde afnemen maar [gedaagde 1] degene was die niet binnen de overeengekomen termijn heeft verscheept/geleverd.

3.5

Voor zover de algemene voorwaarden waar [gedaagden] naar verwijzen al van toepassing zijn, dient het beroep op overmacht aan de zijde van [gedaagde 1] te worden afgewezen. Daartoe is het volgende van belang.

Ter gelegenheid van de op 20 augustus 2015 gehouden comparitie van partijen heeft [gedaagde 3] verklaard dat er niets van de gedane aanbetaling is betaald aan de leverancier. Nu [gedaagde 1] voorts onvoldoende feiten en of omstandigheden aanvoert om ervan uit te gaan dat zij ten tijde van de levering in een overmachtssituatie als bedoeld in artikel 4.4 (“force majeure”) heeft verkeerd, kan niet gezegd worden dat sprake was van overmacht aan de zijde van [gedaagde 1] .

3.6

Uit het vorenstaande volgt dat [gedaagde 1] toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van de op haar rustende verplichtingen uit hoofde van de overeenkomst tot levering van 400 ton bevroren vis.

Uit de email van 17 juni 2014 volgt naar het oordeel van de rechtbank niet dat de overeenkomst door Enisul buitengerechtelijk ontbonden is. Weliswaar deelt Enisul in deze mail mee dat zij als gevolg van het verzuim heeft aangegeven van de transactie met [gedaagde 1] af te zien, doch een buitengerechtelijke ontbindingsverklaring is in de email van 15 juni 2014 van Enisul niet terug te vinden.

Nu de overeenkomst tussen Enisul en [gedaagde 1] nog bestaat, zal de rechtbank op grond van het bepaalde in artikel 265 Boek 6 BW de vordering van Enisul tot ontbinding van de overeenkomst (vordering I) toewijzen. Ook de vorderingen van Enisul sub III en IV zijn jegens [gedaagde 1] toewijsbaar. Voor toewijzing van een vordering tot vergoeding van schade op te maken bij staat is, wat het element schade betreft, vaste rechtspraak dat voldoende is dat de mogelijkheid van schade aannemelijk is. Dat is hier het geval. Enisul heeft daartoe gesteld zij als gevolg van het handelen van [gedaagde 1] onder meer reputatieschade lijdt, hetgeen inderdaad aannemelijk is.

Vordering sub V van Enisul is jegens [gedaagde 1] toewijsbaar voor zover het de terugbetaling van de aanbetaling betreft. Dit is een bedrag van USD 259.975,-- (in Euro:

€ 191.326,78)

Enisul vordert 30 % rente en beslagkosten over dit bedrag. De rechtbank zal [gedaagde 1] veroordelen om de hoofdsom van USD 259.975,-- (in Euro: € 191.326,78) terug te betalen vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 12 juni 2014, de datum van het verzuim.

Wat betreft de beslagkosten zal [gedaagde 1] worden veroordeeld tot betaling van de door Enisul uitgebrachte beslagexploten (in totaal € 865,86 op basis van productie 14 bij de dagvaarding) alsmede tot betaling van een punt salaris advocaat (€ 2.000,--), in totaal derhalve tot een bedrag van € 2.865,86. Ook vordering sub V van Enisul jegens [gedaagde 1] is toewijsbaar. [gedaagde 1] dient als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten van het geding te worden verwezen.

De vorderingen van Enisul tegen [gedaagde 2] en [gedaagde 3]

3.7

Enisul heeft, zoals hiervoor is overwogen, aan haar vorderingen jegens [gedaagde 2] en [gedaagde 3] ten grondslag gelegd dat [gedaagde 3] als bestuurder aansprakelijk is, omdat de door hem bestuurde vennootschap [gedaagde 1] (indirect via [gedaagde 2] bestuurd) Enisul heeft voorgespiegeld tot tijdige levering van de partij bevroren vis in staat te zijn, terwijl dat niet zo was. [gedaagde 3] is op deze grond voorts aansprakelijk uit hoofde van een jegens Enisul gepleegde onrechtmatige daad. Enisul doet haar vorderingen ook nog steunen op dwaling en bedrog.

[gedaagden] hebben de vorderingen gemotiveerd betwist.

3.8

Naar het oordeel van de rechtbank hebben [gedaagden] terecht aangevoerd dat [gedaagde 2] en [gedaagde 3] niet jegens Enisul aansprakelijk zijn op grond van het leerstuk van de vereenzelviging. Hoewel Enisul dit niet aan haar vorderingen ten grondslag heeft gelegd, zal de rechtbank hierop toch kort ingaan.

Vereenzelviging doet zich voor in het geval degene die volledige of overheersende zeggenschap over twee rechtspersonen heeft, misbruik maakt van het identiteitsverschil tussen deze rechtspersonen. Hetgeen met zodanig misbruik werd beoogd, behoeft in rechte niet te worden gehonoreerd, aldus het arrest van de Hoge Raad van 13 oktober 2000/NJ 2000, 698. Van een dergelijk misbruik van het identiteitsverschil tussen bijvoorbeeld [gedaagde 1] en [gedaagde 2] is geen sprake. Enisul verwijt [gedaagde 3] dat hij als bestuurder van [gedaagde 2] en indirect als bestuurder van [gedaagde 1] onjuist heeft gehandeld.

3.9

Vaststaat dat [gedaagde 2] bestuurder is van [gedaagde 1] en dat [gedaagde 3] bestuurder is van [gedaagde 2] . [gedaagde 3] is derhalve indirect bestuurder van [gedaagde 1] .

Zoals hiervoor is overwogen, heeft Enisul aan haar vorderingen jegens [gedaagde 2] en [gedaagde 3] ten grondslag gelegd dat [gedaagde 3] met het sluiten van de overeenkomst tot levering van de bevroren vis namens [gedaagde 1] een verplichting is aangegaan waarvan hij wist of behoorde te begrijpen dat [gedaagde 1] niet aan de uit die overeenkomst voortvloeiende verplichtingen zou kunnen voldoen en evenmin verhaal zou bieden voor de als gevolg van die niet-nakoming door Enisul te lijden schade.

Deze stellingen treffen doel.

[gedaagde 3] heeft ter gelegenheid van de op 20 augustus 2015 gehouden zitting verklaard dat hij van de door Enisul gedane aanbetaling van USD 259.975,-- niets heeft betaald aan de leverancier, (volgens [gedaagde 3] :) [naam] .

[gedaagde 3] heeft voorts verklaard dat het geld niet op de rekening van [gedaagde 1] stond, maar dat het naar de algemene middelen, naar een andere rekening, is gegaan. Hij weet niet precies naar welke rekening, maar dat is in ieder geval geen andere rekening van [gedaagde 1] . Bij verder doorvragen heeft [gedaagde 3] verklaard dat het geld naar een bankrekening van zijn vrouw is gegaan, met wie hij overigens op huwelijkse voorwaarden is gehuwd. Volgens [gedaagde 3] gaat het hier om company geld dat door hem als zodanig wordt verantwoord in de boekhouding, maar dit neemt naar het oordeel van de rechtbank niet weg dat de aanbetaling het vermogen van de [gedaagde 1] heeft verlaten en terecht is gekomen in het vermogen van zijn echtgenote. Daarmee heeft [gedaagde 3] de onderneming [gedaagde 1] in de onmogelijkheid gebracht – indien er een bestelling bij zijn leverancier is geplaatst – zijn leverancier te voldoen waardoor hij niet kan leveren en heeft hij Enisul de mogelijkheid ontnomen verhaal te nemen op het vermogen van [gedaagde 1] voor de door haar geleden schade (als gevolg van het niet nakomen van leverantieverplichting).

3.10

Uit het vorenstaande volgt dat [gedaagde 2] en [gedaagde 3] als directe en indirecte bestuurder van [gedaagde 1] aansprakelijk zijn – naast [gedaagde 1] (zie hiervoor in rechtsoverweging 3.6) voor de door Enisul geleden schade. Nu deze grondslag slaagt, behoeven de overige grondslagen geen behandeling meer.

Vordering sub III van Enisul is derhalve ook jegens [gedaagde 2] en [gedaagde 3] toewijsbaar. Datzelfde geldt voor vordering sub IV van Enisul: [gedaagde 2] en [gedaagde 3] worden naast [gedaagde 1] hoofdelijk veroordeeld tot vergoeding van de door Enisul schade, op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet.

Ook vordering sub V van Enisul is jegens [gedaagde 2] en [gedaagde 3] toewijsbaar op

dezelfde wijze als tegen [gedaagde 1] (zie rechtsoverweging 3.6). [gedaagde 2] en [gedaagde 3] worden naast [gedaagde 1] hoofdelijk veroordeeld om de aanbetaling van USD 259.975,-- (in Euro € 191.326,78) terug te betalen vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 12 juni 2014 alsmede een bedrag van € 2.865,86 aan beslagkosten.

Vordering sub II van Enisul en de proceskosten

3.11

Op vordering sub II van Enisul is reeds beslist bij voormeld vonnis van 21 januari 2015, zodat deze vordering geen behandeling meer behoeft.

[gedaagden] worden als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten van het geding verwezen.

4 DE BESLISSING

De rechtbank:

4.1

Ontbindt de tussen Enisul en [gedaagde 1] gesloten overeenkomst tot levering van 400 ton bevroren vis zoals omschreven in de in rechtsoverweging 2 sub b genoemde “pro forma invoice” van 26 mei 2014;

4.2

Verklaart voor recht dat [gedaagde 1] , [gedaagde 2] en [gedaagde 3] op de in dit vonnis genoemde gronden aansprakelijk zijn voor alle geleden en nog te lijden schade van Enisul;

4.3

Veroordeelt [gedaagde 1] , [gedaagde 2] en [gedaagde 3] hoofdelijk, des dat de een betalend de ander zal zijn bevrijd, tot vergoeding van de door Enisul geleden en te lijden schade, op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet.

4.4

Veroordeelt [gedaagde 1] , [gedaagde 2] en [gedaagde 3] hoofdelijk, des dat de een betalend de ander zal zijn bevrijd, om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan Enisul te betalen een bedrag van € 191.326,78 (HONDERDEENENNEGENTIG DUIZEND DRIEHONDERDZESENTWINTIG EURO EN ACHTENZEVENTIG CENT) vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 12 juni 2014;

4.5

Veroordeelt [gedaagde 1] , [gedaagde 2] en [gedaagde 3] hoofdelijk, des dat de een betalend de ander zal zijn bevrijd, om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan Enisul te betalen een bedrag van € 2.865,86 aan beslagkosten;

4.6

Verwijst [gedaagde 1] , [gedaagde 2] en [gedaagde 3] hoofdelijk, des dat de een betalend de ander zal zijn bevrijd, in de kosten van het geding tot aan deze uitspraak aan de zijde van Enisul begroot op:

€ 3.918,15 (€ 3.829,-- vast recht inclusief beslag en € 89,15 kosten dagvaarding, GBA en KvK);

€ 4.000,-- aan salaris van de advocaat;

4.7

Verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

4.8

Wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door de rechter mr. Th.S. Röell en uitgesproken ter openbare terechtzitting van woensdag 21 oktober 2015 in tegenwoordigheid van de griffier.