Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2015:11752

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
24-11-2015
Datum publicatie
01-03-2016
Zaaknummer
15/860083-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank Noord-Holland heeft een 17-jarige jongen veroordeeld tot plaatsing in een Inrichting voor Jeugdigen (de zogeheten PIJ-maatregel) voor de poging tot doodslag op een wijkagent in Den Helder en mishandeling van een conducteur in Den Haag. De straf is gelijk aan de eis van de officier van justitie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Sectie Familie & Jeugd

Locatie Alkmaar

Meervoudige kamer jeugdstrafzaken

Parketnummer: 15/860083-15 (P)

Uitspraakdatum: 24 november 2015

Tegenspraak

Vonnis

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting met gesloten deuren van 10 november 2015 in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ,

thans gedetineerd in JJI [JJI] .

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie [officier van justitie] en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. G. Lieffijn, advocaat te Den Helder, naar voren hebben gebracht.

1 Tenlastelegging

Aan verdachte is - na een op de voet van de artt.313 en 314a Wetboek van Strafvordering ter terechtzitting door de rechtbank toegelaten wijziging – ten laste gelegd dat:

Feit 1 (15/750117-14)

hij op of omstreeks 18 mei 2015 in de gemeente Den Helder ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [politieambtenaar] , politieambtenaar, opzettelijk van het leven te beroven, een of meermalen (met kracht) met een (klauw-) hamer op tegen het hoofd van die [politieambtenaar] heeft geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair:

hij op of omstreeks 18 mei 2015 in de gemeente Den Helder aan een persoon genaamd [politieambtenaar] , politieambtenaar, opzettelijk zwaar lichamelijk letsel (botbreuk van de schedel met indeuking van de schedel met meerdere botfragmenten), heeft toegebracht, door deze opzettelijk een of meermalen (met kracht) met een (klauw-)hamer op tegen het hoofd te slaan;

meer subsidiair:

hij op of omstreeks 18 mei 2015 in de gemeente Den Helder ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd [politieambtenaar] , politieambtenaar, opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet een of meermalen (met kracht) met een (klauw-)hamer heeft geslagen op/tegen het hoofd van die [politieambtenaar] , terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

feit 2 (15/760045-15)

hij op of omstreeks 08 april 2015 in een (rijdende) trein te Leiden en/of te ‘s-Gravenhage, in elk geval op een plaats gelegen in het baanvak Leiden — Den Haag Centraal, in elk geval in Nederland, een ambtenaar, [ambtenaar] , buitengewoon opsporingsambtenaar bij de Nederlandse Spoorwegen, gedurende en/of terzake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening heeft mishandeld door die [ambtenaar] een of meermalen (met kracht) in het gezicht en/of tegen het (achter-)hoofd en/of de nek te stompen en/of te slaan;

feit 3 (15/760045-15)

hij op of omstreeks 8 april 2015 te ‘s-Gravenhage opzettelijk een ambtenaar, [ambtenaar] , hoofdagent van politie eenheid Den Haag, gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, in zijn tegenwoordigheid, mondeling, heeft beledigd, door hem de woorden toe te voegen: “Bitch, nigger, je hoort hier met, ga het land uit”, althans woorden van gelijke beledigende aard en/of strekking.

2 Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3 Inleiding

Op 18 mei 2015 omstreeks 11.34 uur horen verbalisanten [verbalisant] en [verbalisant] een noodoproep van een collega uit Den Helder. Zij horen de collega zeggen dat hij met een hamer tegen zijn hoofd is geslagen en dat hij de verdachte reeds geboeid heeft. Wanneer de verbalisanten ter plaatse komen bij de woning waar het voorval heeft plaatsgevonden, treffen zij daar collega [politieambtenaar] aan met een bebloed gezicht. De verdachte, [verdachte] , bevindt zich in de woning en [politieambtenaar] geeft aan dat [verdachte] de persoon is die hem met de hamer geslagen heeft. Op de grond in de woonkamer wordt een klauwhamer aangetroffen. Na medisch onderzoek blijkt dat [politieambtenaar] onder meer een schedelbreuk heeft opgelopen waardoor er een open verbinding is ontstaan met de hersenen.

De rechtbank dient thans te beoordelen of wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan poging tot doodslag danwel aan (poging tot) zware mishandeling en zo ja, in welke mate dit handelen aan hem kan worden toegerekend.

De rechtbank dient daarnaast de vraag te beantwoorden of wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan -kort gezegd- mishandeling van een treinconducteur op 8 april 2015 en belediging van een politieambtenaar eveneens op 8 april 2015, en zo ja, of hij hiervoor strafbaar is.

4
4. Bewijs

4.1.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de onder 1 primair, 2 en 3 ten laste gelegde feiten.

Ten aanzien van feit 1 primair heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat uit de gedragingen van verdachte, het tenminste twee keer met een ijzeren hamer hard tegen het hoofd slaan, blijkt dat hij (voorwaardelijk) opzet had op de dood.

Er was volgens de officier van justitie, ondanks de geestelijke gesteldheid van verdachte op dat moment, geen sprake van een situatie dat het hem aan elk inzicht ontbrak en daarom kan opzet in de zin van voorwaardelijk opzet worden bewezen.

4.2.

Standpunt van de verdediging

Feit 1 primair:

De raadsman heeft vrijspraak bepleit van de poging tot doodslag omdat de opzet van verdachte niet was gericht op de dood, maar op het tijdelijk uitschakelen van de agent zodat verdachte het wapen van hem kon afpakken. Dat verdachte deze intentie had volgt volgens de raadsman ook uit de omstandigheid dat verdachte slechts twee keer heeft geslagen met de minst gevaarlijke kant van de hamer en uit de bewoordingen die hij heeft gebruikt, namelijk: “geef me je wapen” of woorden van gelijke strekking.

Ook opzet in voorwaardelijke zin is volgens de raadsman niet aan de orde gelet op de geestestoestand waarin verdachte verkeerde ten tijde van het begaan van het delict.

Blijkens het Pro Justitia rapport dat over verdachte is uitgebracht, verkeerde hij ten tijde van het delict in een psychose op grond waarvan de deskundigen die over verdachte hebben gerapporteerd hebben geadviseerd verdachte ten aanzien van dit feit volledig ontoerekeningsvatbaar te verklaren. De raadsman is van mening dat verdachte vanwege zijn psychotische staat te ver heen was om zich bewust te zijn van het dodelijke gevolg dat zijn handelen zou kunnen hebben en de kans op dat gevolg bewust te aanvaarden. Dat verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat de agent zou kunnen overlijden door zijn handelen en die kans op de koop heeft toegenomen, kan dan ook niet worden bewezen, aldus de raadsman.

Feit 1 subsidiair:

De raadsman heeft zich gerefereerd ten aanzien van de bewezenverklaring van het onder 1 subsidiair ten laste gelegde feit.

Feit 2:

De raadsman heeft vrijspraak bepleit stellende dat niet bewezen kan worden dat verdachte als eerste heeft geslagen en het meeste geweld heeft toegepast. De handelingen van verdachte waren hoofdzakelijk een reactie op het agressieve optreden van de conducteur.

Feit 3:

Voor dit feit kan, aldus de raadsman, een bewezenverklaring volgen met uitzondering van de woorden “ga het land uit”. Verdachte ontkent deze woorden te hebben geuit jegens de verbalisant.

4.3.

Redengevende feiten en omstandigheden1

Met betrekking tot feit 1 primair:

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van het onder 1 primair ten laste gelegde feit op grond van het volgende.

Op 18 mei 2015 te 11.34 uur horen verbalisanten [verbalisant] en [verbalisant] een noodoproep. Ze horen collega [politieambtenaar] zeggen dat hij zojuist met een hamer tegen het hoofd is geslagen en dat hij de verdachte daarvan al geboeid heeft. Wanneer verbalisanten ter plaatse komen op het adres [adres] te Den Helder, treffen zij collega [politieambtenaar] met zijn handen en gezicht onder het bloed. In de woning treffen zij vier personen aan waaronder [verdachte] , waarvan [politieambtenaar] aangeeft dat dat de persoon is die hem geslagen heeft.2 [politieambtenaar] verklaart3 dat hij op 18 mei 2015 naar de woning aan de [adres] is gegaan om een in die woning aanwezige jongen te zeggen dat hij contact moest opnemen met zijn begeleider. In de woonkamer treft [politieambtenaar] de jongen (de rechtbank begrijpt: verdachte), de oom van de jongen (de rechtbank begrijpt: [oom] ) en [naam] aan. [politieambtenaar] vraagt de jongen contact op te nemen met zijn begeleider. De jongen zegt het telefoonnummer niet bij de hand te hebben en gaat even weg. Terwijl [politieambtenaar] staat te praten met [naam] ziet hij ineens een fel licht en valt hij op de grond. Dan voelt [politieambtenaar] dat hij nog een keer wordt geslagen in zijn gezicht. Vervolgens ziet [politieambtenaar] een hamer liggen en realiseert zich dat hij daarmee op zijn hoofd is geslagen. [politieambtenaar] staat op en de jongen laat zich rustig boeien. In het ziekenhuis blijkt dat er een stukje bot van de schedel is losgeslagen, dat er lucht in de hersenen is gekomen en een losse splinter. Uit medische informatie van het Geminiziekenhuis4 blijkt dat op 18 mei 2015 sprake is van een bloedende wond rechts op het hoofd van [politieambtenaar] , welke is gehecht. Uit CT-scans van de schedel blijkt voorts dat er sprake is van een fractuur rechts frontaal met lichte impressie met luchtbel intracraniaal. Blijkens het NFI rapport, gedateerd 7 augustus 2015, is het letsel van [politieambtenaar] aan de rechtervoorzijde van het hoofd passend bij hevig botsend geweld op de schedel, door een of meerdere stompe voorwerpen, waarbij een hamer in aanmerking komt voor een mogelijk veroorzakend voorwerp. Er waren rechts op het hoofd twee huidbeschadigingen zichtbaar, passend bij tenminste twee uitwendige botsende mechanische geweldinwerkingen op de schedel. Er waren huidbeschadigingen zichtbaar met een schedelbreuk en de aanwezigheid van lucht in de schedel duidend op een open verbinding, kennelijk door de huidbeschadiging in combinatie met de schedelbreuk. Dergelijk letsel kan leiden tot ernstige, eventueel dodelijk verlopende infecties aan de hersenen en/of de hersenvliezen. Overige mogelijke gevolgen van hevig botsend geweld op de schedel bestaan uit al dan niet levensbedreigende kneuzingen en/of bloedingen aan de hersenen.5

Verbalisant [verbalisant] treft in de woning op aanwijzing van [oom] de steel van de hamer aan alsmede de kop van de hamer en neemt deze in beslag6.

[oom] verklaart op 18 mei 20157dat [politieambtenaar] aan de deur kwam om tegen [verdachte] te zeggen dat hij naar school moest. Vervolgens begint [politieambtenaar] een gesprek met [naam] en ziet [oom] dat [verdachte] naar de schuur loopt, de schuur in gaat en vervolgens weer terug loopt naar de woning. Dan ziet [oom] dat [verdachte] ineens, heel snel en met kracht, op [politieambtenaar] inslaat met een hamer en dat [politieambtenaar] omvalt waarna [verdachte] zegt dat hij hem zijn pistool moet geven. Het ging heel snel. [verdachte] sloeg vanuit het niets.

[politieambtenaar] had hem niet aan kunnen zien komen. Op 19 mei 2015 verklaart [oom]8 dat de sfeer in de woning gemoedelijk was en dat [politieambtenaar] gewoon met zijn armen langs zijn lichaam stond te praten met [naam] . [politieambtenaar] deed niets waardoor [verdachte] voor zijn leven moest vrezen.

De hamer waar [verdachte] mee heeft geslagen is een klauwhamer afkomstig uit de schuur. Toen [verdachte] met de hamer sloeg, brak de steel van de hamer.

[naam] verklaart op 20 mei 20159 dat [politieambtenaar] aan de deur kwam en tegen [verdachte] zei dat hij zijn begeleider moest bellen. [naam] ziet [verdachte] met de telefoon naar de achterkamer lopen en verliest hem vervolgens uit het oog. Ondertussen heeft [naam] een leuk en gezellig gesprek met [politieambtenaar] . [politieambtenaar] staat ontspannen met zijn armen naar beneden of in zijn broekzak. Opeens hoort [naam] een klap. Dat is de klap van [politieambtenaar] die op de grond valt en er valt een stuk hout over [naam] heen. [politieambtenaar] valt achterover op zijn rug. [verdachte] gaat bovenop [politieambtenaar] zitten en zegt dat hij hem zijn pistool moet geven.

Verdachte verklaart op 18 mei 2015 tegenover de politie10 dat hij heeft gevochten met de wijkagent die hem kwam vragen zijn voogd te bellen. Verdachte is vervolgens rustig via de keuken, door de tuin naar de schuur gelopen en heeft daar de hamer gepakt. Toen verdachte weer in de woning kwam stond de agent met iemand anders te praten. De agent stond nog steeds met zijn rug naar hem toe en toen heeft hij de agent van achter met de hamer twee klappen op zijn hoofd gegeven. De agent viel toen op de grond. Verdachte sloeg daarbij naar eigen zeggen niet heel hard maar ook niet heel zacht. Verdachte heeft hem op zijn hoofd geraakt en niet op zijn lichaam omdat hij niet wist of de agent een kogelvrij vest aan had. Het was een houten hamer met een ijzeren kop; een klauwhamer.

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard11 dat hij [politieambtenaar] knockout wilde slaan en hem daarom op het hoofd heeft geslagen met de hamer. Hij denkt dat hij één keer heeft geslagen maar dat weet hij niet precies meer omdat hij ook geblowd had. Hij zei tegen [politieambtenaar] dat hij het telefoonnummer ging pakken maar hij is bewust naar de schuur gelopen en heeft daar de hamer gepakt om [politieambtenaar] daarmee uit te kunnen schakelen. Hij sloeg [politieambtenaar] van achter met de hamer tegen de zijkant van diens hoofd.

Met betrekking tot feit 2:

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van het onder 2 ten laste gelegde feit op grond van het volgende.

Op 8 april 2015 doet [ambtenaar] aangifte12 van mishandeling. Hij verklaart dat hij als buitengewoon opsporingsambtenaar, conducteur, in dienst van de NS op 8 april 2015 aan het werk was in de trein die reed van Leiden naar Den Haag Centraal. Nadat de trein vertrokken is vanaf station Leiden treft hij in een eerste klas coupé twee jongens aan die een telefoon bij zich hebben waar luide muziek uit komt. [ambtenaar] spreekt de jongen met de telefoon in zijn hand aan (de rechtbank begrijpt: de verdachte) en zegt dat hij de muziek uit moet zetten. De jongen reageert hier niet op. [ambtenaar] vraagt de jongen meerdere keren de muziek uit te zetten maar de jongen zet de muziek niet uit. Teneinde de rust in de trein te herstellen wil [ambtenaar] de telefoon uit de handen van de jongen pakken om zelf de muziek uit te zetten. Dit lukt niet waarna de jongen opstaat en [ambtenaar] vraagt wat hij aan het doen is.

De jongen heeft bloed aan zijn hand en smeert dat op de hand van [ambtenaar] die de jongen vervolgens wegduwt in de richting van het raam. De jongen slaat [ambtenaar] daarop met zijn vuist in het gezicht en uit reactie geeft [ambtenaar] de jongen een klap terug. [ambtenaar] draait zich vervolgens om en loopt naar de klapdeur. Ter hoogte van de klapdeur voelt hij dat iets met kracht zijn achterhoofd raakt. Als hij zich omdraait ziet hij de jongen achter zich. [ambtenaar] geeft de jongen een duw en loopt door de klapdeuren richting de tweede klas. Hij voelt dat hij weer op zijn achterhoofd wordt geslagen en hij duwt de jongen weer terug. Er ontstaat vervolgens een gevecht waarbij de conducteur de jongen duwt en schopt in de richting van de bank waar hij eerst op zat. [ambtenaar] geeft de jongen ook een knietje. [ambtenaar] is bang en wil weg uit de situatie. Hij ziet dat de jongen op het station Den Haag Centraal wordt aangehouden door de politie. Uit de geneeskundige verklaring13 blijkt dat er een lichte zwelling van de bovenlip zichtbaar is, dat er sprake is van drukpijn aan de bovenkant van de rug en dat er op de linkerhand twee oppervlakkige schaafwondjes zitten. Voorts is er een vermoeden van een posttraumatische stressstoornis en zijn er slaapproblemen. [naam] verklaart14 dat hij op 8 april 2015 in de trein van Leiden richting Den Haag zit en dat hij uit de naastgelegen eerste klas coupé luide muziek hoort komen. [naam] ziet twee personen zitten en hij hoort de conducteur tegen hen zeggen dat de muziek uit moet en dat ze hun vervoersbewijzen moeten laten zien. Vervolgens ziet [naam] dat één van de jongens opstaat en de conducteur een duw geeft waarop de conducteur de jongen duwt. Hierop ziet [naam] dat er een handgemeen ontstaat tussen de jongen en de conducteur waarbij er over en weer harde klappen worden uitgedeeld. Niet veel later ziet [naam] dat de conducteur van achteren wordt aangevallen door de jongen waarop er weer een vechtpartij ontstaat waarbij er over en weer flinke klappen werden uitgedeeld. [naam] verklaart15 dat hij op 8 april 2015 in de trein zit en dat er vlak voor Leiden twee jongens de coupé binnen komen waarvan er één harde muziek aan heeft op zijn telefoon. Direct na vertrek uit Leiden zegt de conducteur tegen de jongens dat de muziek uit moet en dat hij de kaartjes wil zien. De jongens reageren hier niet op. [naam] hoort dat de conducteur 6 tot 8 keer tevergeefs vraagt of de jongen de muziek uit wil zetten. Dan hoort [naam] de jongen zeggen: “waarom raak jij mij aan”. Vervolgens ontstaat er een vechtpartij tussen de jongen en de conducteur waarbij over en weer flink wordt geslagen. [naam] ziet dat de conducteur de jongen op de bank duwt waarop het vechten ophoudt. Hij hoort de conducteur zeggen dat hij moet blijven zitten omdat hij de politie gaat bellen, waarop de jongen weer gaat staan en de conducteur weer duwt waarop er wederom een vechtpartij ontstaat waarbij de verdachte en de conducteur voluit aan het vechten zijn. Wanneer de vechtpartij stopt gaat de vriend van de jongen een doekje halen. De conducteur loopt achter de vriend aan. [naam] ziet dat de jongen achter de conducteur aan loopt, hem in de coupé van de tweede klas op zijn rug springt en weer met de conducteur begint te vechten. [naam] verklaart16 dat zij ziet dat twee jongens in de eerste klas gaan zitten met harde muziek aan en dat de conducteur de jongens aanspreekt op de harde muziek. De jongens zetten de muziek niet zachter en doen erg bijdehand tegen de conducteur. Op een gegeven moment ziet ze dat de jongen met de telefoon een briefje uit de hand van de conducteur slaat waarop de conducteur de jongen in het gezicht slaat. Vervolgens ziet [naam] dat de jongen de conducteur slaat, waarop de conducteur weer terugslaat en de jongen ook een knietje geeft. Telkens als de conducteur een stap terug doet ziet ze dat de jongen de conducteur weer uitdaagt door hem te slaan.

Op een gegeven moment stopt het vechten en ziet ze dat de conducteur de glazen deur open doet. De conducteur staat op dat moment met zijn rug naar de jongen die hem vervolgens op de rug slaat. Hierop ontstaat er weer een gevecht dat zich verplaatst naar de tweede klasruimte.

Ter zitting verklaart verdachte17 dat hij met zijn vriend in de trein zat naar Den Haag. Ze reden zonder kaartje en hadden harde muziek aan. Toen de conducteur vroeg of hij de muziek uit of zachter wilde zetten heeft verdachte dat niet gedaan. Toen de conducteur vervolgens zijn telefoon wilde afpakken, zijn ze gaan vechten. De conducteur heeft hem wel tien keer geslagen en verdachte heeft teruggeslagen. Op een gegeven moment liep de conducteur weg en keek hij om. Verdachte heeft hem toen op zijn rug geslagen als reactie omdat de conducteur hem behoorlijk had toegetakeld.

Met betrekking tot feit 3:

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van het onder 3 ten laste gelegde feit op grond van het volgende.

Op 8 april 2015 doet [ambtenaar] , hoofdagent van politie, aangifte18 tegen de aangehouden verdachte [verdachte] van belediging van een ambtenaar in functie. Hij verklaart 19 dat hij op 8 april 2015 aan het werk is op het politiebureau Hoefkade te Den Haag en dat er twee collega’s binnenkomen met een aangehouden verdachte. [ambtenaar] vraagt de verdachte zijn handen op de voorgeleidingsbalie te zetten. Wanneer verdachte zijn handen op de voorgeleidingsbalie zet, hoort [ambtenaar] de verdachte zeggen: “Bitch nigger, je hoort hier niet, ga het land uit”. Terwijl de verdachte dit zegt kijkt hij in de richting van verbalisant. Verbalisant denkt dat hij het verkeerd heeft gehoord en vraagt verdachte wat hij precies zei. Verdachte zegt vervolgens: “Bitch nigger, je hoort hier niet, ga het land uit”. Verbalisant voelt zich door deze woorden in zijn goede naam en eer aangetast maar het heeft hem ook persoonlijk geraakt en gekwetst omdat hij van Antilliaanse afkomst is en een donkere huidskleur heeft. Doordat verdachte hem uitschold voor “nigger” voelde hij zich ernstig beledigd.

Verbalisant [verbalisant] verklaart 20 dat hij op 8 april 2015 een verdachte van mishandeling naar het politiebureau brengt aan de Hoefkade in Den Haag. Nadat hij met de verdachte naar de voorgeleidingsbalie is gelopen staat de verdachte voor een collega met een donkere huidskleur. De collega zegt dat de verdachte zijn handen op de balie moet houden waarop de verdachte tegen de collega zegt: “Bitch nigger ga het land uit, je hoort hier niet”.

Ter zitting verklaart verdachte21 dat hij wel tegen de agent heeft gezegd: Bitch nigger, je hoort hier niet”. Hij ontkent gezegd te hebben dat hij het land uit moet.

4.4.

Nadere bewijsoverwegingen

Met betrekking tot feit 1 primair:

Met betrekking tot het standpunt van de verdediging dat het (voorwaardelijk) opzet op de dood van het slachtoffer niet kan worden bewezen, merkt de rechtbank het volgende op.

Blijkens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad kan het verweer dat verdachte het tenlastegelegde niet opzettelijk kan hebben begaan, gelet op een bij hem vastgestelde ernstige geestelijke stoornis, slechts slagen wanneer ten tijde van het handelen bij verdachte ieder inzicht in de draagwijdte van zijn gedragingen en de mogelijke gevolgen daarvan zou hebben ontbroken. Van een dergelijke situatie zal slechts bij hoge uitzondering sprake zijn.

Uit de verklaring van verdachte blijkt dat hij voornemens was om de agent tijdelijk uit te schakelen, knock out te slaan, en daartoe het plan had opgevat om uit de schuur een hamer te halen waarmee hij de agent op het hoofd kon slaan. Verdachte heeft zijn plan ook daadwerkelijk ten uitvoer gelegd; hij is naar de schuur gelopen, heeft een hamer gepakt, is daarmee terug gelopen naar de woning en heeft de agent, die met zijn rug naar hem toe stond, vervolgens onverhoeds en met kracht tegen de zijkant van het hoofd geslagen. Verdachte heeft daarbij bovendien verklaard dat hij op het hoofd van de agent heeft geslagen en niet tegen het lichaam omdat hij niet wist of de agent een kogelvrij vest aan had. Hieruit blijkt dat verdachte er bewust voor heeft gekozen om op het hoofd te slaan omdat hij dan de grootste kans had dat hij de agent zou uitschakelen.

De rechtbank is van oordeel dat uit het voorgaande kan worden afgeleid dat verdachte besef had van de draagwijdte van zijn handelen en de mogelijke gevolgen daarvan. Dat er sprake was van de uitzonderlijke situatie dat het verdachte aan elk besef hieromtrent heeft ontbroken kan dan ook niet worden aangenomen Verdachte heeft welbewust nagedacht over hoe hij de agent kon uitschakelen en vervolgens levensgevaarlijk geweld toegepast.

Naar het oordeel van de rechtbank dient het (meermalen) slaan met een metalen hamer op het hoofd zoals hier heeft plaatsgevonden dan ook te worden gekwalificeerd als poging tot doodslag. Door iemand met een hamer op of tegen een kwetsbaar en vitaal lichaamsdeel als het hoofd te slaan wordt immers de aanmerkelijke kans in het leven geroepen dat een zodanige verwonding optreedt dat de dood het gevolg is. Door, wetende welk risico daaraan verbonden is, dit te doen, heeft verdachte, blijkens zijn gedragingen, bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat het slachtoffer als gevolg daarvan zou komen te overlijden.

Het verweer zoals gevoerd door de verdediging dat (voorwaardelijk) opzet niet kan worden bewezen en dat verdachte daarom van dit feit dient te worden vrijgesproken, wordt derhalve verworpen.

Met betrekking tot feit 2:

De raadsman heeft vrijspraak bepleit stellende dat niet bewezen kan worden dat verdachte als eerste heeft geslagen en het meeste geweld heeft toegepast. De handelingen van verdachte waren hoofdzakelijk een reactie op het agressieve optreden van de conducteur.

Naar het oordeel van de rechtbank is de stelling van de raadsman, dat de beantwoording van de vraag wie als eerste sloeg of het meeste geweld heeft toegepast, relevant zou zijn voor de bewezenverklaring en in onderhavig geval tot vrijspraak zou moeten leiden, onjuist. Voor zover deze aspecten van belang zijn voor de vraag naar de al dan niet aanwezigheid van een strafuitsluitingsgrond, zal de rechtbank daar hieronder nader op ingaan.

4.5.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 primair, 2 en 3 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

Feit 1 primair:

hij op 18 mei 2015 in de gemeente Den Helder ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [politieambtenaar] , politieambtenaar, opzettelijk van het leven te beroven, meermalen met kracht met een klauwhamer tegen het hoofd van die [politieambtenaar] heeft geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

feit 2:

hij op 8 april 2015 in een rijdende trein, in het baanvak Leiden - Den Haag Centraal, ambtenaar, [ambtenaar] , buitengewoon opsporingsambtenaar bij de Nederlandse Spoorwegen, gedurende de rechtmatige uitoefening van zijn bediening heeft mishandeld door die [ambtenaar] met kracht in het gezicht en tegen het achterhoofd te stompen en/of te slaan;

feit 3:

hij op 8 april 2015 te ‘s-Gravenhage opzettelijk een ambtenaar, [ambtenaar] , hoofdagent van politie eenheid Den Haag, gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, in zijn tegenwoordigheid, mondeling, heeft beledigd, door hem de woorden toe te voegen: “Bitch, nigger, je hoort hier niet, ga het land uit”, althans woorden van gelijke beledigende aard en/of strekking.

5 Kwalificatie en strafbaarheid van de feiten

5.1.

Standpunt van de verdediging

Ten aanzien van feit 2:

Namens de verdachte is een beroep gedaan op noodweer, nu de handelingen van verdachte een reactie zijn geweest op het agressieve gedrag van de conducteur en verdachte niet degene is geweest die als eerste heeft geslagen.

5.2.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat een beroep op noodweer niet kan slagen. Weliswaar is, gelet op de verschillende verklaringen van getuigen, onduidelijk wie als eerste met vechten is begonnen, maar het vechten is wel door verdachte zelf uitgelokt en daarbij is hij blijven vechten, ook nadat de conducteur van hem was weggelopen. Voor die laatste fase kan in ieder geval niet worden gesteld dat verdachte daarbij heeft gehandeld uit noodweer.

5.3.

Beoordeling door de rechtbank

Het bewezenverklaarde levert op:

Feit 1 primair:

poging tot doodslag

Feit 2:

mishandeling, terwijl het misdrijf wordt gepleegd tegen een ambtenaar gedurende de rechtmatige uitoefening van zijn bediening

Feit 3:

eenvoudige belediging, terwijl de belediging wordt aangedaan aan een ambtenaar gedurende de rechtmatige uitoefening van zijn bediening.

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is derhalve strafbaar.

De rechtbank overweegt met betrekking tot feit 2 en het namens verdachte gevoerde noodweer-verweer het volgende:

Voor een geslaagd beroep op noodweer is in de eerste plaats vereist dat aannemelijk is geworden dat sprake is geweest van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding jegens verdachte waartegen hij zich noodzakelijkerwijs moest verdedigen.

Uit de hiervoor aangehaalde bewijsmiddelen volgt allereerst dat het recalcitrante gedrag van verdachte zelf aanleiding is geweest voor de vechtpartij die is ontstaan tussen verdachte en de conducteur. Niet eenduidig is komen vast te staan wie vervolgens als eerste een klap heeft uitgedeeld. Wel blijkt uit de verklaringen van de getuigen dat er over en weer harde klappen zijn gevallen. Voorts volgt uit de verklaringen van de getuigen dat wanneer de vechtpartij even stopt, verdachte telkens degene is die de conducteur weer uitdaagt, waarop de vechtpartij wordt voortgezet. De getuigen [naam] , [naam] en [naam] zien dat wanneer de conducteur op een gegeven moment wegloopt naar de tweede klascoupe, verdachte hem van achteren aanvalt. De getuige [naam] ziet dat wanneer de conducteur verdachte op de bank duwt en zegt dat hij moet blijven zitten, verdachte opstaat en de conducteur begint te duwen en de getuige [naam] verklaart in dat verband dat ze ziet dat telkens als de conducteur een stap terug doet, verdachte de conducteur weer uitdaagt door hem te slaan.

De rechtbank is gelet op deze omstandigheden van oordeel dat niet gesproken kan worden dat verdachte (voortdurend) verkeerde in een situatie dat sprake was van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van verdachtes lijf waartegen een noodzakelijke verdediging geboden was.

6 Strafbaarheid van verdachte

6.1.

Standpunt van de verdediging; verweren met betrekking tot (putatief) noodweer(exes)

Ten aanzien van feit 1 primair:

De verdediging heeft aangevoerd dat verdachte een beroep op putatief noodweer(exces) toekomt en heeft daartoe -kort gezegd- aangevoerd dat verdachte, gegeven zijn psychotische toestand niet kan worden verweten dat hij de situatie in de woning met de agent, beschouwde als een noodweersituatie. Verdachte verkeerde immers door zijn psychose in de veronderstelling dat de agent hem iets zou aandoen toen hij zag dat de agent zijn hand bij zijn vuurwapen had. Subsidiair zou volgens de raadsman putatief noodweerexces aan de orde kunnen zijn, omdat verdachte vanuit een hevige psychotische gemoedsbeweging in de veronderstelling verkeerde dat hij zich ook na terugkeer uit de schuur nog mocht verdedigen.

Ten aanzien van feit 2:

Namens de verdachte is een beroep gedaan op noodweerexces. De raadsman heeft bepleit dat verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging omdat hij door een hevige gemoedsbeweging te ver is gegaan in de verdediging van zichzelf tegen de conducteur.

6.2.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich met betrekking tot feit 1 op het standpunt gesteld dat een beroep op putatief noodweer(exces) niet kan slagen omdat niet is gebleken van een situatie waarin verdachte mocht menen dat hij zich moest verdedigen.

Van noodweerexces bij feit 2 is naar het oordeel van de officier van justitie geen sprake geweest.

6.3.

Beoordeling door de rechtbank van het beroep op (putatief) noodweer(exces)

Ten aanzien van feit 1 primair:

Voor een beroep op putatief noodweer(exces) moet aannemelijk zijn geworden dat verdachte abusievelijk in de veronderstelling leefde dat hij zich moest danwel mocht verdedigen en dat hem daarvan geen verwijt kan worden gemaakt.

Naar het oordeel van de rechtbank zal men bij de beoordeling van deze vermeende noodweersituatie moeten uitgaan van de voorstelling die verdachte redelijkerwijs mocht maken van de situatie waarin hij verkeerde.

Verdachte heeft aangevoerd dat hij dacht dat de agent zijn hand op diens vuurwapen had, toen de hamer is gaan halen en hem daarmee vervolgens heeft geslagen.

Deze omstandigheid is evenwel door geen van de in de woonkamer aanwezige getuigen in enigerlei vorm bevestigd. Ook de sfeer die in de woonkamer heerste kon naar het oordeel van de rechtbank voor verdachte redelijkerwijs geen aanleiding zijn te menen dat hij voor zijn leven moest vrezen, aangezien zowel het slachtoffer als de overige getuigen verklaren dat de sfeer in de woonkamer heel prettig en gemoedelijk was en voor verdachte geen aanleiding gaf dat hij gevaar liep. Verdachte zelf heeft bovendien wisselend verklaard over de reden die hij heeft gehad om de hamer te gaan halen en daarmee te slaan.

Naar het oordeel van de rechtbank mocht en kon verdachte zich op grond van het bovenstaande redelijkerwijs niet de voorstelling maken van de noodzaak tot verdediging tegen een vermeende vuurwapendreiging vanuit de agent. Dit geldt zowel voor het moment waarop hij besloot naar de schuur te lopen als het moment dat hij terugkeerde met de hamer en daarmee heeft geslagen. Het beroep op putatief noodweer(exces) wordt dan ook verworpen.

Voor zover de psychotische toestand van verdachte hierin van doorslaggevende aard is geweest, zal de rechtbank dit hieronder bespreken bij de vraag naar de toerekeningsvatbaarheid.

Ten aanzien van feit 2:

Namens de verdachte is een beroep gedaan op noodweerexces.

Zoals onder 5.3 reeds overwogen, is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake geweest van een (voortdurende) ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding waartegen verdachte zich mocht verdedigen. Verdachte is daarbij door blijven gaan met vechten, ook op momenten dat aangever zich van hem verwijderd had.

Dat deze overschrijding van de grenzen van de noodzakelijke verdediging het onmiddellijk gevolg zou zijn geweest van een hevige gemoedsbeweging bij verdachte, is voorts onvoldoende komen vast te staan. De rechtbank verwerpt het verweer.

6.4

Toerekeningsvatbaarheid van verdachte

Zowel door de officier van justitie als door de raadsman is aangevoerd dat verdachte op grond van de conclusies in de rapporten van de deskundigen van Forensisch Centrum [naam] , niet toerekeningsvatbaar dient te worden verklaard terzake van het onder 1 primair bewezenverklaarde feit, hetgeen moet leiden tot een ontslag van alle rechtsvervolging voor feit 1. Met betrekking tot de feiten 2 en 3 concluderen de officier van justitie en de raadsman tot een (deels verminderde) toerekeningsvatbaarheid van verdachte.

Met betrekking tot de toerekeningsvatbaarheid van verdachte overweegt de rechtbank als volgt:

Uit het rapport van 1 oktober 2015, dat is uitgebracht naar aanleiding van het klinisch multidisciplinair onderzoek van verdachte door drs. [psycholoog] , GZ-psycholoog en drs. [psychiater] , kinder- en jeugdpsychiater, blijkt onder meer dat bij verdachte sprake is van een ziekelijke stoornis in de zin van een psychotische stoornis en een ernstige hechtingsstoornis. De hechtingsstoornis betreft reeds vanuit de zeer vroege ontwikkeling aanwezige problematiek en was ten tijde van alle drie de ten laste gelegde feiten aanwezig. De psychotische stoornis was alleen duidelijk aanwezig ten tijde van het ten laste gelegde feit op 18 mei 2015.

Samengevat wordt ten aanzien van het ten laste gelegde feit op 18 mei 2015 geadviseerd verdachte als volledig ontoerekeningsvatbaar te achten. Ten aanzien van het ten laste gelegde feit op 8 april 2015, de mishandeling van de conducteur, is er geen sprake van doorwerking vanuit een ziekelijke stoornis of gestoorde ontwikkeling van de geestvermogens en wordt geadviseerd verdachte toerekeningsvatbaar te achten.

Ten aanzien van het ten laste gelegde feit op 8 april 2015, het opzettelijk beledigen van een hoofdagent, wordt geadviseerd verdachte als verminderd toerekeningsvatbaar te achten.

De rechtbank volgt de conclusies uit genoemd persoonlijkheidsonderzoek en verklaart verdachte terzake van feit 1 volledig ontoerekeningsvatbaar en zal verdachte dientengevolge ontslaan van alle rechtsvervolging.

Ten aanzien van de feiten 2 en 3 is er ook overigens geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Met betrekking tot het derde feit acht de rechtbank verdachte verminderd toerekeningsvatbaar. Verdachte is derhalve strafbaar voor de feiten 2 en 3.

7 Motivering van de sancties

7.1.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat aan verdachte de maatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen (hierna te noemen: PIJ-maatregel) wordt opgelegd terzake van de feiten 1 primair en 2. Voorts heeft zij gevorderd verdachte terzake van feit 3 schuldig te verklaren zonder oplegging van straf.

7.2.

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft aangevoerd zich te kunnen vinden in de adviezen van de deskundigen van [naam] en de Raad voor de Kinderbescherming teneinde verdachte te plaatsen in een inrichting voor jeugdigen. Verdachte wil graag behandeld worden; hij wil een beter persoon worden.

7.3.

De beoordeling van de rechtbank

Bij de beslissing over de sancties die aan verdachte moeten worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. In het bijzonder heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft, in een psychose, een zeer ernstig feit gepleegd. Hij heeft geprobeerd de politieagent, die hem kwam vragen om contact op te nemen met zijn voogd, van het leven te beroven door hem met een ijzeren hamer tegen het hoofd te slaan. Tengevolge van verdachtes handelen heeft de agent een schedelbreuk opgelopen waarbij een open verbinding is ontstaan naar de hersenen wat fatale gevolgen had kunnen hebben. Door aldus te handelen heeft de verdachte inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer. Het gebeuren heeft grote impact gehad op het gezin van het slachtoffer en de rechtsorde in Den Helder ernstig geschokt.

Verdachte wordt het feit niet toegerekend omdat hij verkeerde onder invloed van een ernstige psychiatrische stoornis. Er kan hem geen straf worden opgelegd; wel kan de rechtbank bepalen dat er een maatregel zal worden toegepast.

Verdachte heeft zich voorts enkele weken voorafgaand aan de poging tot doodslag, schuldig gemaakt aan mishandeling van een conducteur van de NS en belediging van een politieambtenaar. Dit zijn nare feiten gepleegd tegen overheidsfunctionarissen tijdens hun gewone werkzaamheden, die daardoor worden belemmerd in de uitoefening van hun taken en die daarvan ook psychisch nadeel kunnen ondervinden. Voor deze feiten wordt verdachte wel strafbaar geacht.

7.4.

maatregel

Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank in het bijzonder gelet op:

- het op naam van de verdachte staand Uittreksel Justitiële Documentatie, gedateerd 21 mei 2015, waaruit blijkt dat de verdachte reeds een keer eerder is veroordeeld in verband met overtreding van de Leerplichtwet.

- Het rapport van de Raad voor de Kinderbescherming, gedateerd 1 juni 2015, opgesteld door [raadsonderzoeker] , raadsonderzoeker.

- Het rapport uitgebracht naar aanleiding van het klinisch multidisciplinair onderzoek van verdachte, uitgebracht op 1 oktober 2015 door drs. [psycholoog] , GZ-psycholoog en drs. [psychiater] , kinder- en jeugdpsychiater, beiden verbonden aan Forensisch centrum [naam] .

- Het advies van de Raad voor de Kinderbescherming, gedateerd 4 november 2015, opgesteld door mw. [psychiater] , raadsonderzoeker.

Uit het multidisciplinair onderzoek is onder meer het volgende naar voren gekomen:

Bij verdachte is sprake van een psychotische stoornis NAO. Er is onder andere sprake van hallucinaties, onsamenhangende spraak, formele denkstoornissen en sterk chaotisch gedrag. . Over zijn persoonlijkheid ontwikkeling kan vanwege de nadrukkelijke aanwezigheid van een psychotische stoornis onvoldoende gezegd worden. Wel kan er gesteld worden dat er sprake is van een ernstige hechtingsstoornis. Verdachte is onveilig gehecht. Gedragsmatig zien we mede vanuit deze hechtingsstoornis naast agressief gedrag, ook zelfbepalend gedrag en gebrekkige vaardigheden aangaande gevoelens, empathie, emoties en stressvolle situaties.

Op basis van de risicotaxatie wordt het risico op gewelddadige recidive als hoog ingeschat. Er is bij verdachte geen sprake van ziekte-inzicht en ziektebesef.

Verdachte heeft zich in het verleden niet aan behandelafspraken gehouden. Ook vlak voor de huidige ten laste gelegde feiten heeft hij zich aan het toezicht van de behandeling onttrokken. Zelfs tijdens zijn huidige opname op een speciale afdeling voor forensisch psychiatrische zorg voor jongeren is hij een aantal malen gewelddadig geworden tegen personeel en heeft hij zichzelf enkele malen beschadigd. Er is sprake van een nog steeds floride psychotisch beeld dat verder behandeld dient te worden, maar dat gecompliceerd wordt door het afwezige ziektebesef en de weigering om medicatie trouw in te nemen. Deze psychose dient allereerst voortgaand behandeld te worden, waarbij/waarna gewerkt kan worden aan vergroten van ziektebesef en -inzicht, aan bevorderen van medicatietrouw en aan omgaan hiermee. Daarna kan procesdiagnostiek plaatsvinden naar eventuele aanwijzingen voor traumatisering, zodat eventueel hierop gerichte behandeling kan plaatsvinden.

Verder dient in bredere context gewerkt te worden aan doelen die voortvloeien uit de risicofactoren vanuit de persoonlijkheid van verdachte en van zijn sociale/contextuele factoren.

Ter preventie van de kans op recidive en ter bevordering van de ontwikkeling van verdachte is het belangrijk dat, naast wat hierboven al genoemd is, in ieder geval aan de volgende doelen wordt gewerkt:

- verbeteren van de emotie- en agressieregulatie en copingvaardigheden en

- het stoppen met middelengebruik.

Vanwege het ontbreken van innerlijke structuur en onvoldoende pedagogische structuur vanuit de omgeving, is een stevige uitwendige structuur nodig voor een langere periode.

Hiermee wordt gedoeld op een stevige residentiële setting die verdachte een dagritme, een

orthopsychiatrische aanpak en een op de toekomst gericht dagprogramma kan bieden,

zodanig dat hij de veiligheid en houvast kan ervaren om zich als persoon verder te

ontwikkelen.

Ingeschat wordt dat hiervoor een langdurige behandeling nodig is van zeker twee jaar. Gezien de grote mate van benodigde behandelintensiteit en met het oog op de veiligheid wordt geadviseerd om deze behandeling (en verdere procesdiagnostiek) te starten binnen een gesloten kader met forensisch psychiatrische expertise. Plaatsing in een reguliere justitiële jeugdinrichting (JJI) wordt gecontra-indiceerd geacht. Geadviseerd wordt deze te laten plaatsvinden in het kader van een onvoorwaardelijke PIJ-maatregel.

Een voorwaardelijk kader is met verdachte niet bespreekbaar vanwege zijn afwezige ziektebesef en –inzicht en daarnaast heeft hij zich in het verleden vaak aan toezicht en interventies onttrokken. Het opleggen van een voorwaardelijke PIJ-maatregel biedt onvoldoende garantie voor plaatsing binnen een psychiatrische setting,

Er is op 31 augustus 2015 overleg gevoerd met de forensisch psychiatrische jeugdinstelling

De [naam kliniek] die in Nederland de geadviseerde setting/diagnostiek en behandeling kan

bieden.

Uit het advies van de Raad voor de Kinderbescherming d.d. 4 november 2015 blijkt dat de Raad zich volledig kan vinden in het advies van de deskundigen om verdachte, zo spoedig mogelijk, te plaatsen op [naam kliniek] ”, omdat deze kliniek bij uitstek de instelling is binnen Nederland met de benodigde expertise om verdachte de behandeling te geven die hij nodig heeft.

Met de conclusies/adviezen van bovenstaande rapportages kan de rechtbank zich verenigen.

[voogd] , voogd van verdachte, heeft ter zitting onder meer verklaard dat het wel beter gaat met verdachte maar dat hij zich zorgen maakt omdat verdachte zich heel schuldig voelt en zichzelf erg veroordeelt. Wel is positief dat verdachte nadenkt over wat er gebeurd is. De voogd denkt dat [naam kliniek] een geschikte plek is voor verdachte. Er heeft inmiddels een intake plaatsgevonden en verdachte kan terecht op de [naam kliniek] . Op dit moment is er een wachtlijst van enige weken. De voogd heeft toegezegd verdachte te zullen aanmelden.

Onvoorwaardelijke PIJ

De rechtbank stelt vast dat de onder 1 en 2 het gepleegde feiten misdrijven zijn waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaar of meer is gesteld. Op grond van hetgeen de psycholoog, de psychiater en de Raad in hun rapporten vermelden is de rechtbank tot het oordeel gekomen dat bij verdachte ten tijde van het begaan van genoemde misdrijven een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens bestond en daarnaast de veiligheid van anderen en de algemene veiligheid van personen en goederen het opleggen van een PIJ-maatregel eisen. Bovendien is deze maatregel in het belang van een zo gunstig mogelijke verdere ontwikkeling van verdachte.

De rechtbank overweegt dat de PIJ-maatregel zal worden opgelegd ter zake van misdrijven die gericht zijn tegen of gevaar veroorzaken voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. Dit betekent dat verlenging van deze maatregel mogelijk is voor zover de maatregel daardoor de duur van zeven jaar niet te boven gaat.

De rechtbank geeft het Ministerie van Veiligheid en Justitie in overweging om de verdachte in het kader van de te bevelen maatregel te plaatsen in de Forensische Jeugdpsychiatrische Kliniek [naam kliniek] te [plaats] van de GGZ.

Gelet op het daarbij wettelijk gestelde strafmaximum, kan bovengenoemde maatregel voor feit 3 niet worden opgelegd. De rechtbank ziet gelet op de aan verdachte op te leggen maatregel aanleiding om verdachte, zoals gevorderd door de officier van justitie, ten aanzien van de bewezen verklaarde belediging schuldig te verklaren zonder straf of maatregel.

8 Vorderingen benadeelde partijen en schadevergoedingsmaatregel

A.

[gemachtigde] heeft als gemachtigde van de benadeelde partij [politieambtenaar] een vordering tot schadevergoeding van € 2.553,76 ingediend tegen verdachte wegens materiële- en immateriële schade die de benadeelde partij als gevolg van het onder 1 ten laste gelegde feit stelt te hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag.

Standpunt van de officier van justitie:
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het door de benadeelde partij gevorderde bedrag in zijn geheel kan worden toegewezen met de wettelijke rente en met toepassing van de schadevergoedingsmaatregel.

Standpunt van de verdediging:

De raadsman heeft de rechtbank verzocht om het immateriële deel voor de helft te matigen. De raadsman heeft de rechtbank voorts verzocht af te zien van oplegging van de schadevergoedingsmaatregel omdat verdachte de komende jaren niet in de gelegenheid zal zijn aan de vordering te voldoen. Ook heeft de raadsman betoogd dat bij een ontslag van alle rechtsvervolging geen schadevergoedingsmaatregel zou kunnen worden opgelegd.

Oordeel van de rechtbank:

De rechtbank is van oordeel dat deze schade tot een bedrag van € 1307,16 (€ 57,16 aan materiële schade en € 1250,- aan immateriële schade) rechtstreeks voortvloeit uit het onder 1 primair bewezen verklaarde feit. De rechtbank acht de gevorderde immateriële schade alleszins billijk. Wat betreft de materiële schade is de rechtbank van oordeel dat de gevorderde schade met betrekking tot de reiskosten van en naar het ziekenhuis in Alkmaar, de kosten eigen risico alsmede de kosten voor huishoudelijke hulp wegens onvoldoende onderbouwing te veel vragen oproepen en daardoor een onevenredige belasting van het strafgeding opleveren.

De vordering zal daarom worden toegewezen tot het bedrag van € 1307,16, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 18 mei 2015 tot aan de dag der algehele voldoening.

Daarnaast dient verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken. De tot op heden door de benadeelde partij gemaakte kosten worden vastgesteld op nihil.

De rechtbank zal de benadeelde partij in het resterende deel van de vordering niet-ontvankelijk verklaren.

De benadeelde partij kan het gedeelte van de vordering, die tot niet-ontvankelijkheid zal leiden, desgewenst bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

De rechtbank ziet als gevolg van verdachtes onder 1 primair bewezen verklaarde handelen, kort gezegd: poging doodslag, aanleiding ter zake van de vordering van de benadeelde partij de schadevergoedingsmaatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht op te leggen. Gelet op de aan verdachte op te leggen maatregel tot plaatsing in een inrichting voor jeugdigen zal de rechtbank bij de schadevergoedingsmaatregel afzien van het bepalen van vervangende jeugddetentie. Daarbij merkt de rechtbank op dat –anders dan door de raadsman betoogd- ook bij het gegeven ontslag van alle rechtsvervolging het opleggen van een schadevergoedingsmaatregel is toegelaten.

B.

[gemachtigde] heeft als gemachtigde van de benadeelde partij [ambtenaar] een vordering tot schadevergoeding van € 590,-- ingediend tegen verdachte wegens immateriële schade die de benadeelde partij als gevolg van het onder 2 ten laste gelegde feit stelt te hebben geleden.

Standpunt van de officier van justitie:
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het door de benadeelde partij gevorderde bedrag kan worden toegewezen zoals verzocht met toepassing van de schadevergoedingsmaatregel.

Standpunt van de verdediging:

De raadsman heeft primair aangevoerd dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vordering gelet op de door de verdediging bepleite vrijspraak. Subsidiair heeft de raadsman verzocht de vordering af te wijzen gelet op het eigen aandeel van de benadeelde partij bij dit feit.

Meer subsidiair heeft de raadsman matiging van de vordering verzocht in verband met medeschuld van de benadeelde partij.

Oordeel van de rechtbank:

De rechtbank is van oordeel dat zij over onvoldoende informatie beschikt om de omvang van de geleden schade te kunnen beoordelen en dat bovendien moeilijk is vast te stellen of het feit dat de benadeelde partij ontslag heeft genomen uitsluitend het gevolg is geweest van dit incident. Daarbij betrekt de rechtbank dat mogelijk sprake is van medeschuld aan de zijde van de benadeelde partij.

De rechtbank zal niet overgaan tot schorsing van het onderzoek om de omvang van de schade alsnog te doen aantonen. Dit zal namelijk leiden tot een onevenredige belasting van het strafgeding. De benadeelde partij zal daarom niet-ontvankelijk worden verklaard in de vordering. De vordering kan bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

9 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

Artikelen: 9a, 36f, 45, 77a, 77g, 77s, 77v, 77gg, 266, 267, 287, 300 en 304 van het Wetboek van Strafrecht.

10 Beslissing

De rechtbank:

Verklaart bewezen dat verdachte de onder 1 primair, 2 en 3 ten laste gelegde feiten heeft begaan zoals hiervoor onder 4.5 weergegeven.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij.

Bepaalt dat de onder 4.5. bewezen verklaarde feiten de hierboven onder 5. vermelde strafbare feiten opleveren.

Verklaart verdachte niet strafbaar voor het onder 1 primair vermelde strafbare feit en ontslaat verdachte ten aanzien van dit feit van alle rechtsvervolging.

Verklaart verdachte strafbaar voor de onder 2 en 3 vermelde strafbare feiten.

Met betrekking tot de feiten 1 primair en 2:

Legt op de maatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen voor de duur van 3 (drie) jaren.

Met betrekking tot feit 3:

Schuldigverklaring zonder oplegging van straf of maatregel.

Wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij [politieambtenaar] geleden schade tot een bedrag van € 1.307,16 (duizend driehonderdzeven euro en zestien cent) bestaande uit materiële- en immateriële schade, en veroordeelt verdachte tot betaling van dit bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 18 mei 2015 tot aan de dag der algehele voldoening, aan [politieambtenaar] , voornoemd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting.

Veroordeelt verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering.

Legt verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van slachtoffer [politieambtenaar] de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 1.307,16 (duizend driehonderdzeven euro en zestien cent) vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 18 mei 2015 tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de Staat en dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij.

Verklaart de benadeelde partij [ambtenaar] niet-ontvankelijk in de vordering.

Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door

mr. W.C. Oosterbroek, voorzitter,

mr. F.A. Egter van Wissekerke en mr. A.M. Ayal, allen tevens kinderrechter,

in tegenwoordigheid van de griffier, M. Woudman, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 24 november 2015.

De oudste rechter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

1 De door de rechtbank in de voetnoten als proces-verbaal aangeduide bewijsmiddelen zijn in de wettelijke vorm opgemaakt door personen die daartoe bevoegd zijn en voldoen ook overigens aan de daaraan bij wet gestelde eisen.

2 Proces-verbaal van bevindingen van verbalisanten [verbalisant] en [verbalisant] van 18 mei 2015 met nummer PL1100-2015122064-4, inhoudende de bevindingen van verbalisanten op 18 mei 2015, dossier pagina E6 ev.

3 Proces-verbaal van aangifte met nummer PL1100-2015122064-1, gedateerd 20 mei 2015, inhoudende de verklaring van [politieambtenaar] , afgelegd op 19 mei 2015, dossierpagina C1 ev.

4 Een geschrift, te weten medische informatie over [politieambtenaar] , verstrekt door het Geminiziekenhuis te Den Helder d.d. 28 juni 2015, als bijlage gevoegd bij het proces-verbaal van aangifte van [politieambtenaar] , dossier pagina C28

5 Een deskundigenrapport van het Nederlands Forensisch Instituut d.d. 7 augustus 2015, opgesteld door [forensisch arts] , forensisch arts [naam] , afzonderlijk aan het dossier toegevoegd

6 Proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant] van 18 mei 2015 met nummer PL1100-2015122064-4, inhoudende de bevindingen van verbalisant op 18 mei 2015, dossier pagina E2 ev.

7 Proces-verbaal van verhoor met nummer PL1100-2015122064-10, gedateerd 18 mei 2015, inhoudende de verklaring van [oom] , afgelegd op 18 mei 2015, dossierpagina G16 ev.

8 Proces-verbaal van verhoor met nummer PL1100-2015122064-25, gedateerd 19 mei 2015, inhoudende de verklaring van [oom] , afgelegd op 19 mei 2015, dossierpagina G20 ev.

9 Proces-verbaal van verhoor met nummer PL1100-2015122064-29, gedateerd 20 mei 2015, inhoudende de verklaring van [naam] , afgelegd op 20 mei 2015, dossierpagina G9 ev.

10 Proces-verbaal van verhoor met nummer PL1100- 2015122064-18, gedateerd 18 mei 2015, inhoudende de verklaring van verdachte afgelegd op 18 mei 2015, dossierpagina B10 ev.

11 het proces-verbaal ter terechtzitting van de meervoudige kamer voor jeugdstrafzaken op 10 november 2015.

12 Proces-verbaal van aangifte met nummer PL1500-2015106608-1, gedateerd 8 april 2015, inhoudende de verklaring van [ambtenaar] op 8 april 2015, pagina 23 ev.

13 Een geschrift, te weten een geneeskundige verklaring mbt [ambtenaar] d.d. 10 april 2015, opgemaakt door drs. [huisarts] , huisarts, als bijlage gevoegd bij het proces-verbaal van aangifte van [ambtenaar] , pag. 30

14 Proces-verbaal van verhoor met nummer PL1500-2015106608-6, gedateerd 8 april 2015, inhoudende de verklaring van [naam] , afgelegd op 8 april 2015, pagina 32 ev.

15 Proces-verbaal van verhoor met nummer PL1500-2015106608-9, gedateerd 8 april 2015, inhoudende de verklaring van [naam] , afgelegd op 8 april 2015, pagina 34 ev.

16 Proces-verbaal van verhoor met nummer PL1500-2015106608-10, gedateerd 8 april 2015, inhoudende de verklaring van [naam] , afgelegd op 8 april 2015, pagina 32 ev.

17 het proces-verbaal ter terechtzitting van de meervoudige kamer voor jeugdstrafzaken op 10 november 2015.

18 Proces-verbaal van aangifte met nummer PL1500-2015106608-5, gedateerd 8 april 2015, inhoudende de verklaring van [ambtenaar] op 8 april 2015, pagina 43 ev.

19 Proces-verbaal van bevindingen nummer PL1500-2015106608-8, gedateerd 8 april 2015, inhoudende de bevindingen van verbalisant [ambtenaar] op 8 april 2015, pagina 45.

20 Proces-verbaal van bevindingen met nummer PL1500-2015106608-4, gedateerd 8 april 2015, inhoudende de bevindingen van verbalisant [verbalisant] op 8 april 2015, pagina 49.

21 het proces-verbaal ter terechtzitting van de meervoudige kamer voor jeugdstrafzaken op 10 november 2015.