Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2015:11682

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
23-12-2015
Datum publicatie
14-03-2016
Zaaknummer
4074484 \ CV EXPL 15-3267
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Leidingschade door schadevaring. Vordering van de eigenaar van de leiding tot vergoeding van schade afgewezen, nu er geen sprake is van schuld in de zin van 8:1004 BW.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
S&S 2016/87
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Afdeling Privaatrecht

Sectie Kanton - locatie Alkmaar

Zaaknr/rolnr.: 4074484 \ CV EXPL 15-3267 WD

Uitspraakdatum: 23 december 2015 (bij vervroeging)

Vonnis in de zaak van:

de naamloze vennootschap Liander N.V., te Arnhem

eisende partij

verder ook te noemen: Liander

gemachtigde: mr. dr. F.J. van Velsen

tegen

de besloten vennootschap Baggerbedrijf West-Friesland B.V, te Wervershoof

gedaagde partij

verder ook te noemen: Baggerbedrijf West-Friesland

gemachtigde: mr. V. van der Kuil.

1 Het procesverloop

Liander heeft een vordering ingesteld, zoals omschreven in de dagvaarding d.d. 31 maart 2015.

Baggerbedrijf West-Friesland heeft bij antwoord verweer gevoerd.

Na beraad heeft de kantonrechter een comparitie gelast, die is gehouden op 14 december 2015, in aanwezigheid van partijen en hun gemachtigden.

Voorafgaande aan de comparitie heeft Liander een nader akte ingediend waarbij zij haar grondslag heeft gewijzigd.

Van deze comparitie heeft de griffier aantekeningen gehouden.

De inhoud van de processtukken geldt als hier ingelast.

Ten slotte is heden uitspraak bepaald.

2 De vaststaande feiten

2.1.

Op 24 juni 2013 heeft Baggerbedrijf West-Friesland een gasleiding beschadigd doordat Baggerbedrijf West-Friesland er met een in het water drijvend ponton tegenaan is gekomen.

2.2.

Liander heeft Baggerbedrijf West-Friesland aangemaand de hieruit voortvloeiende schade, door haar begroot op € 21.218,42, te vergoeden.

2.3.

Baggerbedrijf West-Friesland heeft dit geweigerd.

3 Het geschil

3.1.

Liander vordert dat Baggerbedrijf West-Friesland wordt veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 23.360,51, vermeerderd met rente en kosten.

3.2.

Liander voert hiertoe, gelet op de wijziging/ intrekking van de grondslag, het volgende aan.

Baggerbedrijf West-Friesland heeft bij het uitbaggeren schade toegebracht aan een leiding die Liander in economisch eigendom heeft.

Baggerbedrijf West-Friesland heeft het baggerwerk uitgevoerd met behulp van een ponton waarop zij een zware graafmachine had gezet. De diepgang van de ponton met kraan was zodanig dat de scherpe hoek van de ponton in het talud van de oever is gedrukt en daar de gasleiding heeft gebroken.

Baggerbedrijf West-Friesland heeft bij en voorafgaande aan haar grondroerende werkzaamheden onvoldoende maatregelen genomen om te voorkomen dat schade aan de eigendommen van derden zou worden gemaakt.

Aldus heeft Baggerbedrijf West-Friesland gehandeld in strijd met de in het maatschappelijk verkeer betamende zorgvuldigheid. Dit alles aldus Liander.

3.3.

Baggerbedrijf West-Friesland voert verweer.

3.4.

Op de stelling van partijen wordt hierna nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Liander heeft voorafgaande aan de comparitie haar rechtsgrondslag beperkt in die zin dat zij zich exclusief baseert op onrechtmatige daad, bestaande uit een schending van de zorgplicht van Baggerbedrijf West-Friesland voorafgaand aan en bij de uitvoering van het grondroerend werk en niet meer op aanvaring (schadevaring).

Baggerbedrijf West-Friesland heeft ter comparitie op deze wijziging gereageerd.

De kantonrechter overweegt als volgt. Wijziging van grondslag wordt mogelijk geacht nu het aan de rechter is om ambtshalve de rechtsgronden aan te vullen en zo nodig te benoemen, één en ander binnen de grenzen van artikel 24 en 25 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv).

In dat licht bezien en uit hetgeen in het hiernavolgende zal blijken, wordt Baggerbedrijf West-Friesland niet in enig processueel belang geschaad door de door Liander voorgestane wijziging.

4.2.

Kort gezegd kan worden vastgesteld dat de zich in het water bevindende ponton van Baggerbedrijf West-Friesland ter plekke schade heeft veroorzaakt aan de leiding van Liander. Relevant daarbij is dat Baggerbedrijf West-Friesland op die specifieke locatie noch voor noch na het ongeval baggerwerkzaamheden heeft uitgevoerd. Liander heeft aangevoerd dat het project al twee weken voor het incident was begonnen, maar in die stelling ligt niet besloten dat op de litigieuze plek is gebaggerd.

4.3.

Aldus wordt ten aanzien van het debat van partijen over de kwalificatie van het incident vastgesteld dat het hier handelt om schadevaring. Schadevaring kan worden beschouwd als een specialis van de algemene onrechtmatige daad. Dit betekent dat, de juridische grondslagwijziging Liander ten spijt, de betreffende bepalingen van schadevaring in boek 8 van het Burgerlijk Wetboek van toepassing zijn op de zaak, voor zover deze afwijken van de algemene onrechtmatige daadregeling in boek 6 BW.

Daarmee gaat het ingevolge het bepaalde in artikel 1004 van boek 8 BW in deze zaak om de vraag of de schade is veroorzaakt door schuld van Baggerbedrijf West-Friesland.

In casu betreft het een niet vaste of te bekwamer plaats vastgemaakte zaak als bedoeld in voormeld artikel, namelijk een leiding die na het onderhavige incident door Liander op een diepere en andere plek is herplaatst. Daarmee is het wettelijke vermoeden van schuld ( 2e volzin in genoemd artikel) van tafel.

4.4.

Op grond van de hiervoor genoemde feiten kan aansprakelijkheid in deze zaak niet worden aangenomen.

Vaststaat dat niet biw12, zoals afgebeeld op de als productie 9 overgelegde overzichtskaart doch een in de buurt liggende gasleiding is geraakt. Die leiding was in 1975 aangelegd. Die leiding bevond zich, naar voldoende is gebleken, op een geringe diepte, welke ligging door Baggerbedrijf West-Friesland bij de afmering van het ponton niet verwacht hoefde te worden.

Niet in geschil is dat Baggerbedrijf West-Friesland een KLIC-melding heeft gedaan en op die wijze bekend is geworden met de aanwezigheid van de bij Liander in beheer zijnde leidingen. Niet weersproken is dat Baggerbedrijf West-Friesland de ponton heeft gemanoeuvreerd naar een plek op het water waar volgens de klikgegevens in beginsel geen aanvaring met kabels te verwachten was, gelet op de diepte waar de bekende kabels zich normaliter bevinden en de diepteligging van de ponton met graafmachine.

Nu, naar is gebleken Baggerbedrijf West-Friesland aldaar niet heeft gebaggerd of anderszins in de grond heeft geroerd, heeft op haar geen verplichting gerust aldaar de haar bekende leidingen nader te lokaliseren.

4.5.

In tegenstelling tot Liander is de kantonrechter niet van oordeel dat onderhavige zaak in hoge mate overeenkomt met de zaak die is berecht door het hof Amsterdam in het arrest van 18 december 2012 (ECLI: NL:GHAMS:2012:BZ3762).

In die zaak is weliswaar net als in dit geval schade ontstaan op de plaats waar geen sprake was van grondroerende werkzaamheden, maar heeft het gerechtshof bepaald dat het vaststellen van de ligging van de kabel onder de gegeven omstandigheden ter plaatse geboden was. Het hof kwam tot dat oordeel nadat het had vastgesteld dat de grond ter plaatse zeer drassig was, met name waar de schade was ontstaan, op korte afstand van een waterweg en deels afgegraven, alsmede dat de schadeveroorzaker gebruik maakte van een zware machine die voorzien was van stalen rupsbanden die vanwege het risico op beschadiging van het wegdek niet op de openbare weg was toegestaan.

Een verplichting tot het vaststellen van de ligging van de kabel kan in onderhavige zaak uit de omstandigheden ter plaatse niet worden afgeleid. Van specifieke omstandigheden die het bestaan van een dergelijke verplichting rechtvaardigen is, anders dan in de zaak voor het hof Amsterdam, niet gebleken.

4.6.

Daarmee staat voldoende vast dat de voor Baggerbedrijf West-Friesland geen aanleiding was om voorafgaand aan het aanmeren van het ponton nog nader onderzoek te doen. Dit dus ongeacht de discussie over de als productie 11 bij dagvaarding overgelegde tekening waarop bij de betreffende gasleiding het getal 360 staat afgebeeld. Immers partijen verschillen niet van inzicht dat de betreffende leiding niet op die diepte lag, maar veel hoger. Daarbij komt dat uit de door Baggerbedrijf West-Friesland overgelegde foto’s voldoende waarschijnlijk maakt dat de leiding slechts op plusminus 70 cm diepte bevond. Dat laatste vindt ook steun in het feit dat Liander de leiding inmiddels heeft verplaatst waarbij zij uiteraard bij uitstek in de gelegenheid is geweest om de diepte van de leiding precies op te meten, vast te leggen en, voor zover zij daartoe aanleiding bestond, in het geding te brengen. Dat nu heeft Liander gemeend te moeten nalaten.

Hieruit volgt dat ongegrond is het door Liander geuite verwijt dat de diepgang van de ponton met kraan zodanig was dat de scherpe hoek van de ponton in het talud van de oever is gedrukt en daar de gasleiding heeft gebroken.

4.7.

Al met al kan niet worden vastgesteld dat de schade is veroorzaakt door schuld van Baggerbedrijf West-Friesland.

Nu geen aansprakelijkheid kan worden vastgesteld, kan de discussie van partijen over de hoogte daarvan onbesproken blijven.

De vordering ligt voor afwijzing gereed.

Liander dient als de in het ongelijk te stellen partij in de proceskosten te worden veroordeeld.

5. De beslissing

De kantonrechter:

Wijst de vordering af.

Veroordeelt Liander in de proceskosten, die tot heden voor Baggerbedrijf West-Friesland worden vastgesteld op een bedrag van € 800,00 voor salaris van de gemachtigde van Baggerbedrijf West-Friesland, waarover Liander geen btw verschuldigd is.

Dit vonnis is gewezen door mr. P.G. Vroom, kantonrechter, bijgestaan door de griffier en op 23 december 2015 (bij vervroeging) in het openbaar uitgesproken.

De griffier

De kantonrechter