Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2015:11656

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
30-12-2015
Datum publicatie
14-03-2016
Zaaknummer
2976464 \ CV EXPL 14-1137
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Reorganisatie. Eenzijdige wijziging functie en salaris. Stoof/Mammoet

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2016/740
AR-Updates.nl 2016-0271
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Afdeling Privaatrecht

Sectie Kanton - locatie Alkmaar

Zaaknr./rolnr.: 2976464 \ CV EXPL 14-1137 BL/WS

Uitspraakdatum: 30 december 2015

Vonnis in de zaak van:

[naam] ,

wonende te [plaats]

eiser

verder te noemen: [de werknemer]

gemachtigde: mr. A.M.C. van Dalen, advocaat bij FNV Bouw te Woerden

tegen

Bogra B.V.,

gevestigd te Enkhuizen

gedaagde

verder te noemen: Bogra

gemachtigde: mr. S. van Ketel, advocaat te Alkmaar

1 Het procesverloop

1.1.

[de werknemer] heeft bij dagvaarding van 8 april 2014 een vordering tegen Bogra ingesteld. Bogra heeft schriftelijk geantwoord.

1.2.

Op 9 oktober 2014 heeft een zitting plaatsgevonden. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat partijen ter toelichting van hun standpunten naar voren hebben gebracht. Voorafgaand aan de zitting heeft [de werknemer] bij brief van 1 oktober 2014 nog stukken toegezonden.

1.3.

[de werknemer] heeft zich na de zitting bij akte uitgelaten en een productie in het geding gebracht. Vervolgens heeft [de werknemer] een conclusie van repliek genomen, waarop Bogra bij conclusie van dupliek heeft gereageerd.

1.4.

Op 5 oktober 2015 heeft nogmaals een zitting plaatsgevonden. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat partijen ter nadere toelichting van hun standpunten naar voren hebben gebracht. Op deze zitting heeft Bogra een nader stuk overgelegd.

1.5.

Op dit stuk heeft [de werknemer] bij akte gereageerd en daarbij zijn eis gewijzigd. Bogra heeft hierop bij antwoordakte gereageerd.

2 De feiten

2.1.

Bogra is producent en leverancier van uitvaartkisten, urnen en aanverwante artikelen.

2.2.

[de werknemer] , geboren op [datum] , is met ingang van 1 november 2000 in dienst getreden bij Bogra voor 38,75 uur per week, in de functie van productiemedewerker (salarisgroep C). Enkele jaren later is [de werknemer] ingeschaald in functiegroep D2. Het in deze functiegroep tot 1 juli 2013 verdiende salaris van [de werknemer] bedraagt € 2.362,45 bruto per maand, exclusief 8% vakantietoeslag en andere emolumenten.

2.3.

Op de arbeidsovereenkomst is van toepassing de Collectieve Arbeidsovereenkomst Meubelindustrie en Meubileringsbedrijven (verder: de CAO). De in de CAO opgenomen lonen zijn minimum lonen.

2.4.

Artikel 18 van de CAO ziet op ‘indeling functies’. Op grond van artikel 18 lid 4 van de CAO kunnen geschillen over de functie-indeling uitsluitend worden voorgelegd aan een door de Vakraad benoemde Indelingscommissie. Verder bepaalt artikel 18 lid 5 van de CAO: “Indien een werknemer binnen een bedrijf een functie aanvaardt waaraan een lager loon is verbonden, kan het loon in vier termijnen van zes maanden met gelijke bedragen worden aangepast, zodat de werknemer na twee jaar het loon ontvangt dat behoort bij de nieuwe functie”.

2.5.

Bogra heeft geen ondernemingsraad of personeelsvertegenwoordiging.

2.6.

Medio 2010 heeft bij Bogra een strategische heroriëntatie plaatsgevonden, met name omdat werd voorzien dat de productiecapaciteit ontoereikend zou zijn om aan de verwachte toenemende vraag naar uitvaartkisten te voldoen en om een kwaliteitsslag te maken. Bogra heeft het voornemen tot reorganisatie in een bijeenkomst op 31 mei 2010 aan het voltallige personeel meegedeeld. Na enige vertraging heeft de reorganisatie eind 2011 vorm gekregen. Een deel van het productieproces is uitbesteed, een aantal machines is verdwenen en in de nieuwe organisatiestructuur zijn een aantal functies komen te vervallen. Dit heeft ertoe geleid dat het personeelsbestand in de periode van begin 2012 tot begin 2013 is ingekrompen met 27 fte op een totaal van 78 fte.

2.7.

Op 24 april 2013 heeft Bogra een memo ‘Loongebouw Bogra’ onder haar resterende werknemers verspreid. Daarin schrijft Bogra dat zij haar strategie heeft moeten bijstellen om een viertal redenen, waarbij – naast bovengenoemde ontoereikende productiecapaciteit en het maken van een kwaliteitsslag – worden genoemd dat Bogra zich wil indekken tegen het risico dat langlopende contracten met grote partijen niet worden verlengd en de omstandigheid dat het productieapparaat sterk verouderd was. Verder legt Bogra in deze memo een salaris-afbouwregeling voor aan medewerkers die door de reorganisatie vanuit een hogere naar een lagere functie zijn gegaan, en daarvoor nog het hogere salaris ontvangen. Deze regeling luidt als volgt: “Uitgangspunt is dat zij beloond worden met het maximale bedrag in de juiste schaal. Hierbij zal het verschil tussen de huidige beloning en de nieuwe beloning volgens een ruime afbouwregeling worden verrekend. Hiervoor trekken wij een periode van 2 jaar uit. Hierbij zal de beloning iedere maand met een vast gedeelte gereduceerd worden. Dit gaat in op 1 juli 2013. Er wordt een marge ingesteld van 200 euro. Dit betekent dat het gedeelte van het salaris dat boven het hoogste bedrag in de betreffende salarisgroep uitkomt wordt bevroren met een maximum van 200 euro. Dit betekent dat het salaris niet meer stijgt totdat het weer in de pas loopt met de salarisschaal.”

2.8.

In een brief d.d. 15 mei 2013 deelt Bogra aan [de werknemer] mee dat haar loongebouw met ingang van 1 juli 2013 zal worden aangepast, en schrijft (onder meer) het volgende:

“Jouw huidige salaris bedraagt € 2.362,45 bruto per maand. Binnen het nieuwe loongebouw krijg jij de functie van Aanvangend productiemedewerker - B (zie bijlage). De maximale beloning voor deze functie bedraagt € 2.202,28.

Dit betekent dat jouw huidige salaris hoger ligt dan jouw nieuwe salaris. Dit bedrag (met een maximum van € 200,00) wordt bevroren. Dit betekent dat jouw basissalaris € 2.202,28 bedraagt en dat jij een persoonlijke toeslag ontvangt van € 160,17.

Het salaris gaat steeds mee met de verhogingen volgens de CAO en jouw persoonlijke toeslag wordt dan afgebouwd met eenzelfde bedrag tot het moment dat de toeslag volledig is afgebouwd.”

2.9.

Bij brief van 12 juni 2013 maakt [de werknemer] aan Bogra kenbaar niet akkoord te gaan met deze eenzijdige wijziging van de overeengekomen arbeidsvoorwaarden, bestaande uit het toekennen van een andere functie en verlaging van het loon. Bogra handhaaft bij brief van 28 juni 2013 haar standpunt en deelt mee dat indien de wijzigingen niet worden geaccepteerd deze eenzijdig doorgevoerd zullen worden.

2.10.

Naar aanleiding van de zitting die in deze zaak plaatsvond op 9 oktober 2014 hebben partijen advies gevraagd aan de Vakraad voor de Meubelindustrie en Meubileringsbedrijven (verder: Vakraad) om op grond van artikel 18 lid 4 van de CAO te beoordelen in welke functiegroep de thans door [de werknemer] vervulde functie volgens de CAO moet worden ingedeeld.

2.11.

Op 3 december 2014 heeft de Vakraad hierover een bindend advies gegeven, en geoordeeld dat de werkzaamheden die [de werknemer] verricht, moeten worden ingeschaald in functiegroep C van de CAO, op grond waarvan werknemers ouder dan 24 jaar bij een volledig dienstverband aanspraak kunnen maken op een bruto maandloon van minimaal € 1.950,99 met ingang van 1 juni 2012, van minimaal van € 1.970,51 met ingang van 1 oktober 2013 en van minimaal € 1.985,30 met ingang van 1 mei 2014.

2.12.

Bij brief van 12 mei 2015 heeft Bogra aan [de werknemer] meegedeeld dat de indeling van zijn functie met terugwerkende kracht vanaf 1 juli 2013 zal worden aangepast naar functiegroep C. Verder schrijft Bogra: “Dit heeft voor jou geen financiële gevolgen omdat het hogere salarisbedrag wordt verrekend met de persoonlijke toeslag. Wel is het zo dat de opbouw van je vakantiegeld iets hoger zal zijn omdat er over je bruto salaris vakantiegeld wordt opgebouwd en over de persoonlijke toeslag niet.”

3 De vordering

3.1.

[de werknemer] vordert (na wijziging van eis) dat de kantonrechter voor recht verklaart dat de splitsing van het salaris van [de werknemer] per 1 juli 2013 in een basisloon, dat verhoogd zal worden met de CAO loonsverhogingen en een persoonlijke toeslag die niet verhoogd zal worden met de CAO loonsverhogingen, maar daarmee zal worden verlaagd, nietig althans niet rechtsgeldig is, dat de feitelijke salarisverlaging vanaf 1 oktober 2013 tot heden eveneens nietig althans niet rechtsgeldig is en dat [de werknemer] onveranderd recht heeft op zijn salaris zoals vastgesteld en uitbetaald tot 1 juli 2013, zijnde € 2.632,45 bruto per maand, vermeerderd met de CAO loonsverhogingen, per 1 oktober 2013 tot een bedrag van € 2.386,07, vanaf 1 mei 2014 tot een bedrag van € 2.403,97 en vanaf 1 oktober 2015 tot een bedrag van € 2.422,00 bruto per maand.

Verder vordert [de werknemer] dat de kantonrechter Bogra veroordeelt te betalen het achterstallig salaris vanaf 1 juli 2013 tot 1 oktober 2015, tot die datum berekend op € 671,02 bruto, te vermeerderen met de wettelijke verhoging van € 335,51 bruto en de vakantietoeslag van € 53,68 bruto, en vanaf 1 oktober 2015 het salaris van € 2.422,00 bruto per maand, telkens als het loon opeisbaar is en verhoogd met de CAO loonsverhogingen, alles te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van dagvaarding tot de dag der algehele voldoening.

3.2.

[de werknemer] legt aan de vordering – kort weergegeven – het volgende ten grondslag. [de werknemer] heeft geen lager beloonde functie aanvaard. De individuele arbeidsovereenkomst en de CAO bevatten geen eenzijdig wijzigingsbeding in de zin van artikel 7:613 BW. De door Bogra doorgevoerde wijziging van functie en verlaging van het loon voldoet niet aan de criteria van artikel 6:248 lid 2 BW, en ook niet aan de volgens vaste jurisprudentie (Stoof/Mammoet, HR 11 juli 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD1847) te stellen vereisten. Bogra heeft geen voorstel gedaan tot wijziging van de arbeidsvoorwaarden, maar deze zonder overleg doorgevoerd. Een noodzaak tot wijziging ontbreekt. De reorganisatie biedt daarvoor onvoldoende grond. Daarbij komt dat geen sprake is van een redelijk wijzigingsvoorstel dat [de werknemer] redelijkerwijs moet aanvaarden. De in deze procedure door Bogra aangevoerde bedrijfseconomische omstandigheden zijn niet onderbouwd en worden door [de werknemer] betwist.

4 Het verweer

4.1.

Bogra betwist de vordering en voert daartoe – samengevat – het volgende aan. Na de reorganisatie diende de beloning van 26 werknemers, onder wie [de werknemer] , in overeenstemming gebracht te worden met de gewijzigde functies. [de werknemer] vervult al enige jaren niet meer de bij zijn salaris behorende functie en heeft de functiewijziging aanvaard, zodat overeenkomstig artikel 18 lid 5 van de CAO het loon mag worden afgebouwd tot het loon behorend bij de nieuwe functie.

4.2.

Bovendien is artikel 18 lid 5 van de CAO te beschouwen als eenzijdig wijzigingsbeding in de zin van artikel 7:613 BW, en heeft Bogra gezien de functiewijziging een zodanig zwaarwichtig belang bij wijziging van het salaris dat het belang van [de werknemer] daarvoor naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid moet wijken, mede gelet op de gehanteerde ruime afbouwregeling. Dit geldt te meer nu na de reorganisatie de financieel-economische en maatschappelijke omstandigheden zijn gewijzigd. De verwachte toenemende vraag naar uitvaartkisten is niet bewaarheid geworden, Bogra is onder bijzonder beheer van haar huisbankier geplaatst en een grote klant kwijtgeraakt. Zonder aanpassing van de salarissen zou het voortbestaan van Bogra onzeker zijn geworden.

4.3.

Indien en voor zover geoordeeld zou worden dat er geen wijzigingsbeding van toepassing is, geldt dat voldaan is aan het volgens vaste jurisprudentie geldende stappenplan, zodat de wijziging van de arbeidsvoorwaarden geoorloofd is. Ten slotte beroept Bogra zich, voor zover nodig, op artikel 6:248 lid 2 BW.

4.4.

Bogra verweert zich tegen de gevorderde wettelijke verhoging, omdat het niet betalen van het volledige loon voortkomt uit een juridisch verschil van inzicht over de vraag of het salaris gewijzigd mag worden.

5 De beoordeling

5.1.

Bogra heeft in verband met een strategische heroriëntatie medio 2010 besloten tot reorganisatie van haar onderneming. Medio 2013 was het reorganisatieproces voltooid. In de gewijzigde organisatie zijn met name de leidinggevende functies gereduceerd. Omdat een deel van het productieproces is uitbesteed houdt Bogra zich nu voornamelijk nog bezig met assemblage. Ten gevolge van de reorganisatie is het personeelsbestand met ruim 1/3e ingekrompen. Daarnaast heeft Bogra met ingang van 1 juli 2013 de functiewaardering van 26 van de resterende werknemers gewijzigd en de salarissen dienovereenkomstig verlaagd, onder toepassing van een afbouwregeling van 2 jaar. [de werknemer] is een van deze werknemers en hij verzet zich tegen de doorgevoerde wijzigingen van zijn arbeidsvoorwaarden.

5.2.

Bij conclusie van antwoord heeft Bogra zich primair op het standpunt gesteld dat [de werknemer] in zijn vordering niet ontvankelijk verklaard moet worden omdat geschillen over de functie-indeling uitsluitend voorgelegd kunnen worden aan de Vakraad. Partijen hebben vervolgens ter zitting afgesproken zich ten aanzien van de functie-indeling tot de Vakraad te wenden. De Vakraad heeft vervolgens bindend geadviseerd dat de werkzaamheden die [de werknemer] verricht moeten worden ingeschaald in functiegroep C van de CAO, waarmee het geschil op dit punt is beslecht.

5.3.

Daarmee resteert ter beoordeling de vraag of Bogra gerechtigd was het salaris van [de werknemer] met ingang van 1 juli 2013 te wijzigen. Anders dan Bogra stelt biedt artikel 18 lid 5 van de CAO daarvoor geen grondslag, omdat niet is komen vast te staan dat [de werknemer] een functie heeft aanvaard met een daaraan verbonden lager loon. Immers niet is gesteld of gebleken dat Bogra voorafgaand aan de onder de feiten geciteerde brief van 15 mei 2013 – waartegen [de werknemer] bij brief van 12 juni 2013 uitdrukkelijk heeft geprotesteerd – concreet met [de werknemer] heeft gecommuniceerd welke functie hij ten gevolge van de reorganisatie is gaan vervullen en welk loon daaraan verbonden zou zijn. Zelfs als zou worden aangenomen dat [de werknemer] feitelijk andere werkzaamheden is gaan verrichten zonder zich daartegen te verzetten – hetgeen Bogra stelt en [de werknemer] betwist – is dit onvoldoende om aan te nemen dat [de werknemer] een andere functie met een daaraan verbonden lager loon heeft aanvaard in de zin van artikel 18 lid 5 van de CAO. Verder stelt Bogra in algemene bewoordingen nog dat zij haar medewerkers ten tijde van de reorganisatie steeds heeft voorgehouden dat het loongebouw zou worden aangepast als de organisatie zou ‘staan’. Echter zolang een voorgenomen aanpassing van het loongebouw niet is uitgewerkt tot een concreet voorstel van Bogra aan de betreffende werknemer kan van een aanvaarding daarvan door de werknemer geen sprake zijn.

5.4.

Artikel 18 lid 5 van de CAO kan voorts niet worden gekwalificeerd als een eenzijdig wijzigingsbeding in de zin van artikel 7:613 BW, alleen al omdat artikel 18 lid 5 van de CAO juist ziet op situaties waarin een werknemer een functie met daaraan verbonden lager loon aanvaardt. Ook de individuele arbeidsovereenkomst omvat geen eenzijdig wijzigingsbeding.

5.5.

Verder beroept Bogra zich erop dat [de werknemer] op grond van goed werknemerschap de wijziging van zijn salaris moet accepteren. De kantonrechter merkt op dat voor het eenzijdig wijzigen van (arbeids-)voorwaarden in een duurovereenkomst slechts in zeer uitzonderlijke situaties plaats is. Zeker indien het een primaire arbeidsvoorwaarde als het loon betreft, is grote terughoudendheid op zijn plaats. Daartoe moet op basis van de door de Hoge Raad geformuleerde criteria in het Stoof/Mammoet arrest in de eerste plaats (stap 1) worden onderzocht of sprake is van een wijziging van de omstandigheden waarin Bogra als goed werkgever aanleiding heeft kunnen vinden tot het doen van een voorstel tot wijziging van de arbeidsvoorwaarden. Indien het antwoord bevestigend luidt, zal beoordeeld moeten worden of het gedane voorstel tot wijziging van de overeenkomst in het licht van alle omstandigheden van het geval redelijk is (stap 2). Ten slotte zal moeten worden bezien of de aanvaarding van het voorstel in redelijkheid van de werknemer kan worden gevergd (stap 3).

5.6.

Bogra stelt in algemene zin dat deze gewijzigde omstandigheid eruit bestaat dat vanwege de wijzigingen die in de productie zijn doorgevoerd en het verwijderen van een groot aantal machines functies zijn komen te vervallen en de resterende taken door de resterende medewerkers worden uitgevoerd, waardoor de contractueel overeengekomen functies niet meer overeenstemmen met de werkelijk uitgevoerde functies, zodat de beloning daarmee in overeenstemming en op één lijn moet worden gebracht. Volgens Bogra geldt ook voor [de werknemer] dat hij de functie die bij het oorspronkelijk salaris behoorde als geruime tijd niet meer uitoefent. [de werknemer] betwist een en ander gemotiveerd.

5.7.

[de werknemer] is in november 2000 in dienst getreden bij Bogra als productiemedewerker in functiegroep C. Uit het door [de werknemer] overgelegde beoordelingsformulier blijkt dat hij in elk geval vanaf januari 2006 is ingeschaald in functiegroep D2. Bogra betwist niet de stelling van [de werknemer] dat deze salarisverhoging het gevolg is geweest van zijn jarenlange inzet en ervaring, en niet vanwege een wijziging van functie. [de werknemer] voert verder aan dat hij nooit aan machines heeft gewerkt die door de reorganisatie zijn verdwenen, hetgeen Bogra evenmin betwist. Partijen zijn het erover eens dat [de werknemer] na de reorganisatie op dezelfde afdeling is blijven werken. Volgens [de werknemer] is zijn takenpakket eerder uitgebreid, volgens Bogra zijn de door [de werknemer] verrichte productiewerkzaamheden minder specifiek en eenvoudiger van aard geworden, reden waarom [de werknemer] per 1 juli 2013 door Bogra is ingedeeld in functiegroep B. De Vakraad heeft geoordeeld dat de thans door [de werknemer] verrichte werkzaamheden op basis van het CAO indelingssysteem ingeschaald moeten worden in functiegroep C. Daarbij overweegt de Vakraad: “dat de lengte van het dienstverband, gedurende welke de betreffende werknemer promotie heeft gemaakt, ervaring heeft opgedaan en zich heeft bewezen niet van invloed is op de functie-indeling. Dat de werkzaamheden hetzelfde zijn gebleven en zelfs zijn toegenomen, waarbij werknemer door zijn inzet gedurende de jaren is bevorderd tot functiegroep D2 is in beginsel niet van invloed op de functie-indeling.”

5.8.

[de werknemer] verricht thans dus werkzaamheden die volgens het CAO indelingssysteem ingeschaald moeten worden in dezelfde functiegroep als bij zijn in dienst treding. Bogra heeft er op enig moment voor gekozen [de werknemer] op grond van waarderingselementen te bevorderen tot een hogere functiegroep en hem te belonen boven het in de CAO vastgestelde minimumsalaris. Naar het oordeel van de kantonrechter is onvoldoende gebleken dat de reorganisatie ten aanzien van [de werknemer] tot een zodanige wijziging van omstandigheden heeft geleid dat Bogra daarin als goed werkgever aanleiding heeft kunnen vinden het contractueel overeengekomen salaris van [de werknemer] te wijzigen, of beter gezegd daartoe een voorstel te doen.

5.9.

In deze procedure beroept Bogra zich nog op de door haar gestelde slechte bedrijfseconomische situatie. Bogra heeft deze omstandigheid echter blijkens haar memo ‘Loongebouw Bogra’ van 24 april 2013 en daarop volgende brief van 15 mei 2013 niet aangevoerd ten tijde van doorvoering van de loonmaatregel. Bovendien wenst Bogra om haar moverende redenen geen stukken over te leggen ter onderbouwing van haar financiële positie en heeft zij niet geconcretiseerd wat de financiële gevolgen zijn bij ongewijzigde voortzetting van de bestaande afspraken. De omstandigheid dat andere werknemers het voorstel van Bogra wel hebben aanvaard maakt het aan [de werknemer] gedane voorstel nog niet redelijk.

5.10.

Al met al oordeelt de kantonrechter dat het voorstel van Bogra niet aan de criteria van het zogenaamde Stoof-Mammoet arrest (stap 1) voldoet. De tweede en derde stap behoeven geen bespreking.

5.11.

De stelling van [de werknemer] dat de (strengere) onaanvaardbaarheidstoets van artikel 6:248 lid 2 BW moet worden toegepast omdat sprake is van een collectieve wijziging van arbeidsvoorwaarden kan buiten verdere bespreking blijven nu de vordering reeds toewijsbaar is op basis van het volgens Bogra toepasselijke artikel 7:611 BW en de daarop gebaseerde jurisprudentie.

5.12.

Gelet op het voorgaande heeft [de werknemer] onveranderd recht op zijn salaris zoals vastgesteld en uitbetaald tot 1 juli 2013, te vermeerderen met de nadien vastgestelde CAO loonsverhogingen. De vordering van [de werknemer] om dit voor recht te verklaren wordt toegewezen.

5.13.

Daarmee heeft [de werknemer] geen belang bij beantwoording van de bij akte van 21 oktober 2015 door hem opgeworpen vraag of de door Bogra gehanteerde afbouwregeling in strijd is met artikel 13 lid 2 van de CAO. De wijziging van (de grondslag van) de eis van [de werknemer] , waartegen Bogra zich met een beroep op de goede procesorde verzet, kan daarmee buiten verdere bespreking blijven. De daarop gebaseerde verklaring voor recht wordt afgewezen.

5.14.

De bij akte wijziging van eis door [de werknemer] gemaakte berekeningen van het achterstallig loon tot 1 oktober 2015 en de vakantietoeslag daarover zijn door Bogra als zodanig niet betwist, zodat deze worden toegewezen zoals gevorderd. Partijen verschillen van mening over de CAO verhoging die geldt vanaf 1 oktober 2015, die volgens [de werknemer] 0,75% bedraagt en volgens Bogra € 25,00 bruto per maand. De kantonrechter zal daarom vanaf 1 oktober 2015 toewijzen het tot 1 oktober 2015 geldende loon te vermeerderen met de CAO loonsverhogingen.

5.15.

De gevorderde wettelijke verhoging wegens te late betaling zal worden beperkt tot 10%. Dit mede in verband met de lange duur van de onderhavige procedure.

5.16.

De wettelijke rente is toewijsbaar vanaf de dag van dagvaarding, althans de verzuimdata van de nadien vervallen (salaris)bedragen.

5.17.

De proceskosten komen voor rekening van Bogra, omdat zij ongelijk krijgt.

6 De beslissing

De kantonrechter:

6.1.

verklaart voor recht dat de salarisverlaging per 1 juli 2013 niet rechtsgeldig is en dat [de werknemer] onveranderd recht heeft op zijn salaris zoals vastgesteld en uitbetaald tot 1 juli 2013, zijnde een bedrag van € 2.362,45 bruto per maand, vermeerderd met de CAO loonsverhogingen, per 1 oktober 2013 tot een bedrag van € 2.386,07 bruto per maand en vanaf 1 mei 2014 tot een bedrag van € 2.403,97 bruto per maand;

6.2.

veroordeelt Bogra om aan [de werknemer] te betalen het achterstallig salaris vanaf 1 juli 2013 tot 1 oktober 2015, tot die datum berekend op € 671,02 bruto;

6.3.

veroordeelt Bogra om vanaf 1 oktober 2015 aan [de werknemer] te betalen het salaris van € 2.403,97 bruto per maand te verhogen met de CAO loonsverhoging(en), telkens als het loon opeisbaar is;

6.4.

veroordeelt Bogra om aan [de werknemer] te betalen de wettelijke verhoging van 10% over het bedrag van € 671,02, zijnde € 67,10 bruto;

6.5.

veroordeelt Bogra om aan [de werknemer] te betalen de vakantietoeslag van 8% over het bedrag van € 671,02, zijnde € 53,68 bruto;

6.6.

veroordeelt Bogra om aan [de werknemer] te betalen de wettelijke rente over de onder 6.2 tot en met 6.5 toegewezen bedragen vanaf 8 april 2014, althans vanaf de verzuimdata van de nadien vervallen (salaris)bedragen tot aan de dag van de gehele betaling;

6.7.

veroordeelt Bogra tot betaling van de proceskosten, die de kantonrechter aan de kant van [de werknemer] tot en met vandaag vaststelt op € 620,80, te weten:

dagvaarding € 93,80

griffierecht € 77,00

salaris gemachtigde € 450,00 ;

6.8.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

6.9.

wijst de vordering voor het overige af.

Dit vonnis is gewezen door mr. W.A. Swildens, kantonrechter en op 30 december 2015 in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.

De griffier De kantonrechter