Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2015:11644

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
23-12-2015
Datum publicatie
31-12-2015
Zaaknummer
C/15/231491/FA RK 15-5264
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Beschikking
Inhoudsindicatie

“nietigverklaring geregistreerd partnerschap artikelen 1:32, 1:80a, 1:69, 1:77 BW en 798 RV.

Nietigverklaring op verzoek van dochter van één van de twee geregistreerde partners. De omstandigheden, in onderling verband en samenhang bezien, leiden tot het oordeel dat de geestesvermogens van de man bij het aangaan van het geregistreerd partnerschap dusdanig gestoord waren dat hij -nog daargelaten of hij in staat was om zijn wil te bepalen- niet in staat was de betekenis van zijn verklaring te begrijpen.”

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Afdeling Privaatrecht

Sectie Familie & Jeugd

nietigverklaring geregistreerd partnerschap

zaak-/rekestnr.: C/15/231491 / FA RK 15-5264

beschikking van de meervoudige kamer voor familiezaken van 23 december 2015

in de zaak van:

[naam verzoekster],

wonende te Alkmaar,

hierna mede te noemen: verzoekster,

advocaat mr. L.S. Zomers, kantoorhoudende te Alkmaar.

1 Procedure

1.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het verzoekschrift, met bijlagen, van verzoekster, ingekomen op 28 augustus 2015;

- de berichten, met bijlagen, van verzoekster, ingekomen op 14 oktober 2015 en 22 oktober 2015.

1.2

De behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op de zitting van 19 november 2015 in aanwezigheid van verzoekster, bijgestaan door mr. L.S. Zomers.

2 Feiten en omstandigheden

2.1

Verzoekster is de dochter van de heer [naam 1] (hierna te noemen: [naam 1]). [naam 1] is geboren op [geboortedatum] te Alkmaar en overleden op [datum overlijden] te Alkmaar.

[naam 1] had twee dochters: verzoekster, geboren op [geboortedatum] en [naam zus], geboren op [geboortedatum].

2.2 [

naam 1] is op [datum registratie] een geregistreerd partnerschap aangegaan met de heer [naam 2] (hierna te noemen: [naam 2]). [naam 2] is geboren op [geboortedatum] in Spanje en overleden op [datum overlijden] te Tenerife.

2.3 [

naam 1] heeft op 30 oktober 1995 een testament opgesteld. Hierbij heeft hij zijn dochters en [naam 2] tot erfgenamen benoemd.

[naam 2] heeft op 23 september 2009 een testament opgesteld waarin hij zijn zuster en voor haar in de plaats zijn nicht heeft benoemd tot erfgenamen. [naam 2] heeft geen afstammelingen.

3 Verzoek

Verzoekster verzoekt de rechtbank, uitvoerbaar bij voorraad, het geregistreerd partnerschap d.d. [datum registratie] tussen [naam 1] en [naam 2] nietig te verklaren, omdat de geestesvermogens van [naam 1] op het moment van het aangaan van het geregistreerd partnerschap zodanig gestoord waren, dat hij niet in staat was zijn wil te bepalen of de betekenis van zijn verklaring te begrijpen.

Ter onderbouwing heeft verzoekster onder meer het volgende aangevoerd.

[naam 1] en [naam 2] hebben elkaar meer dan vijfendertig jaar geleden op Tenerife ontmoet. [naam 2] komt daar vandaan en had aanvankelijk ook de Spaanse nationaliteit. Vanaf 1978 hebben zij samengewoond, eerst op Tenerife, en vanaf 1984 in Nederland. In 2014 is bij [naam 2] kanker vastgesteld en is hij ongeneeslijk ziek verklaard. [naam 2] was op dat moment 70 jaar oud en [naam 1] 85. Hun wereld stond daarna op de kop en zij raakten beiden in de war. Zij konden de dagelijkse beslissingen in hun leven niet meer overzien. [naam 2] wilde in zijn land van herkomst bij zijn familie sterven. Hoewel [naam 1] hier grote moeite mee had, wilde hij niet mee, omdat hij een hekel had aan de familie van [naam 2]. [naam 2] is op 19 november 2014 onder begeleiding van medisch personeel naar Tenerife gereisd en daar op [datum overlijden] overleden. [naam 1] heeft onder deze gebeurtenissen ernstig geleden. Verzoekster en haar zuster hebben [naam 1] gesteund. [naam 1] heeft eveneens een lang ziekenhuisverleden gehad. Hij is onder behandeling geweest vanwege twee TIA’s en slikte daarom medicijnen. Op [datum overlijden] is [naam 1] als gevolg van een derde herseninfarct overleden.

[naam 1] en [naam 2] zijn de dag vóór het vertrek van laatstgenoemde een geregistreerd partnerschap aangegaan. Verzoekster noch haar zuster wisten hier van. Zij ontdekten dit eerst na het overlijden van [naam 1]. Verzoekster is van mening dat zij deze stap in alle emoties van dat moment hebben gezet. Noch [naam 1] noch [naam 2] hebben echter de gevolgen van deze rechtshandeling kunnen begrijpen en evenmin waren zij in staat om hun wil te bepalen. [naam 1] zou nooit hebben gewild dat zijn geld naar de familie van [naam 2] zou gaan. Deze familie heeft hun relatie nooit goedgekeurd. [naam 1] is ook nooit meegegaan als [naam 2] zijn familie bezocht op Tenerife.

Verzoekster heeft [naam 1] in het verleden meerdere keren gevraagd of hij wilde trouwen met [naam 2]. [naam 1] vond dat echter overbodig, mede omdat hij reeds in zijn testament een voorziening had getroffen voor het geval hij eerder zou overlijden dan [naam 2]. [naam 2] stond wel open voor een huwelijk, maar respecteerde de wens van [naam 1].

Het aangaan van een geregistreerd partnerschap kan volgens verzoekster daarom niet in lijn worden geacht met de wil van [naam 1]. Het geregistreerd partnerschap is een complexe beslissing en het vergt veel van iemands beoordelingsvermogen om de gevolgen daarvan te overzien. [naam 1] was destijds niet in staat die te overzien. [naam 1] had reeds moeite met alledaagse beslissingen. Hij was bijvoorbeeld niet meer in staat om brieven van de belastingdienst te begrijpen. [naam 1] was vroeger zelfstandig ondernemer en destijds volledig op de hoogte van alle bank- en geldzaken. De huisarts van [naam 1], de heer [naam arts], heeft een verklaring opgesteld waaruit blijkt dat [naam 1] langer en vaker wisselend in de war en vergeetachtig was. [naam 1] bleek zich hier ook zorgen over te maken. Uit journaalregels en correspondentie van de afdeling neurologie van het Medisch Centrum Alkmaar, waar [naam 1] in december 2014 was opgenomen in verband met een TIA, blijkt dat hij toenemend vergeetachtig was, slecht sliep en geheugenproblemen had. Daarnaast hebben diverse personen een verklaring afgelegd over de geestestoestand van [naam 1] in zijn laatste levensjaar. Hieruit blijkt ook dat hij niet in staat was om complexe beslissingen te overzien.

[naam 1] was vermogend, in tegenstelling tot [naam 2] en zijn familie. [naam 1] had nimmer gewild dat als gevolg van het geregistreerd partnerschap en het overlijden van beide mannen, een deel van zijn nalatenschap zou toekomen aan de erfgenamen van zijn partner.

Verzoekster sluit niet uit dat [naam 1] dementerend was ten tijde van het aangaan van het geregistreerd partnerschap. Het is in ieder geval onwaarschijnlijk dat hij op [datum registratie] nog wilsbekwaam was, op grond waarvan verzoekster verzoekt het geregistreerd partnerschap tussen [naam 1] en [naam 2] d.d. [datum registratie] nietig te verklaren.

5 Beoordeling

5.1

Ingevolge artikel 1:32 van het Burgerlijk Wetboek (BW), in samenhang met artikel 1:80a BW, mag een geregistreerd partnerschap niet worden aangegaan, wanneer de geestesvermogens van een partij zodanig zijn gestoord, dat deze niet in staat is haar wil te bepalen of de betekenis van haar verklaring te begrijpen.

Op grond van het bepaalde in artikel 1:69 lid 1 onder a BW in samenhang met artikel 1:80a BW kan op grond dat de geregistreerde partners niet de vereisten in zich verenigden om tezamen een geregistreerd partnerschap aan te gaan, de nietigverklaring worden verzocht door de bloedverwanten in de rechte lijn van één der geregistreerde partners.

Ingevolge artikel 1:77 lid 1 en lid 2 onder a BW in samenhang met artikel 1:80a BW werkt de nietigverklaring terug tot het tijdstip van het aangaan van het geregistreerd partnerschap.

5.2

De rechtbank gaat allereerst in op de bij de zaak betrokken belanghebbenden, en daartoe overweegt zij als volgt. Op grond van het bepaalde in artikel 798 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) alsmede het bepaalde in artikel 1:69, lid 1 onder a, BW zijn verzoekster en haar zuster [naam zus] als belanghebbende aan te merken. Van de zuster bevindt zich een verklaring bij de stukken.

Ter zitting is gebleken dat de familie van [naam 2] niet op de hoogte is van deze procedure, althans voor zover verzoekster en haar advocaat dat weten. Uit het overlegde testament van [naam 2] blijkt dat hij geen afstammelingen heeft die op grond van artikel 1:69 BW als belanghebbenden zijn aan te merken. De rechtbank is voorts van oordeel dat op grond van het bepaalde in artikel 798 Rv, het procesreglement Overig Boek 1-zaken alsmede de uitspraak van de Hoge Raad van 17 mei 2013 (ECLI:NL:HR:2013BZ8782) de erfgename(n) van [naam 2] niet is/zijn aan te merken als belanghebbende(n) op wiens rechten en plichten de zaak rechtstreeks betrekking heeft.

5.3

De rechtbank overweegt dat om op grond van artikel 1:32 BW te komen tot het vaststellen van een beletsel op grond waarvan een geregistreerd partnerschap nietig dient te worden verklaard, een zware toets geldt. Het opwerpen van een hoge drempel is nodig in verband met de rechtszekerheid die voortvloeit uit een geregistreerd partnerschap, maar ook met de vergaande rechtsgevolgen bij de nietigverklaring van dat partnerschap.

In deze zaak is de vraag die aan de rechtbank voorligt of de geestesvermogens van [naam 1] op het moment dat hij de rechtshandeling van het aangaan van het geregistreerd partnerschap met [naam 2] verrichtte zodanig waren gestoord, dat hij niet in staat was zijn wil te bepalen of de betekenis van zijn verklaring te begrijpen.

Deze vraag dient naar het oordeel van de rechtbank bevestigend te worden beantwoord.

De betekenis van de verklaring van [naam 1] tot het aangaan van een geregistreerd partnerschap als bedoeld in art. 1:32 BW ziet op de rechtsgevolgen daarvan . Een geregistreerd partnerschap heeft verstrekkende gevolgen op het gebied van het familierecht en op fiscaal en erfrechtelijk gebied.

Blijkens het overgelegde testament is de wil van [naam 1] op enig moment in zijn leven duidelijk geweest: hij heeft zijn dochters als zijn erfgenamen aangemerkt, evenals [naam 2]. Voor [naam 2] gold daarbij de voorwaarde dat indien [naam 1] eerder zou overlijden, er ten tijde van het overlijden van [naam 1] nog sprake diende te zijn van een gemeenschappelijke gevoerde huishouding en dat [naam 2] [naam 1] tenminste dertig dagen overleeft.

Ten tijde van het sluiten van het geregistreerd partnerschap was [naam 1] 85 jaar. Naast zijn eigen -ernstige- gezondheidsproblemen had hij te maken met een ernstig en terminaal zieke partner, die na een relatie van 36 jaar besloot om in zijn vaderland te sterven bij zijn familie. [naam 1] kon en wilde om fysieke en emotionele redenen niet mee. Blijkens de verklaring van de huisarts was sprake van een zeer gespannen en emotionele situatie, waarbij [naam 1] nauwelijks in staat was afscheid te nemen van zijn partner. De huisarts acht voorstelbaar dat [naam 1], nu hij gescheiden zou worden van [naam 2], de behoefte had hun langdurige relatie formeel vast te laten leggen. De huisarts onderschrijft dat [naam 1] al langer toenemend emotioneel, vergeetachtig en in de war was.

De rechtbank acht het daarom aannemelijk dat [naam 1] het geregistreerd partnerschap uitsluitend is aangegaan om de emotionele band met [naam 2], die immers reeds meer dan vijfendertig jaar bestond, te bestendigen, in het licht van het aanstaande vertrek en overlijden van [naam 2]. Evenzeer is aannemelijk dat onder de door de huisarts beschreven omstandigheden [naam 1] daarbij, mede niet heeft (kunnen) overzien dat het aangaan van het geregistreerd partnerschap tevens heeft betekend dat er een gemeenschap van goederen is ontstaan en dat daarmee een deel van zijn vermogen bij vooroverlijden van [naam 2] bij diens erfgenamen terecht zou kunnen komen als [naam 1] vervolgens zou komen te overlijden. Daarbij betrekt de rechtbank ook dat [naam 1] middels zijn testament zijn wil voor wat betreft zijn nalatenschap reeds eerder kenbaar heeft gemaakt.

Al deze omstandigheden, in onderling verband en samenhang bezien, leiden tot het oordeel dat de geestesvermogens van [naam 1] bij het aangaan van het geregistreerd partnerschap dusdanig gestoord waren dat hij -nog daargelaten of hij in staat was om zijn wil te bepalen- niet in staat was de betekenis van zijn verklaring te begrijpen.

De rechtbank zal het verzoek van verzoekster tot nietigverklaring van het geregistreerd partnerschap dan ook toewijzen.

6 Beslissing

De rechtbank:

6.1

verklaart het op [datum registratie] aangegane geregistreerd partnerschap tussen de heer [NAAM 1] en [naam 2] nietig, in dier voege dat de nietigverklaring terugwerkt tot het tijdstip van het aangaan van het geregistreerd partnerschap.

Deze beschikking is gegeven door mr. A.S. Friedberg, voorzitter, mr. J.A.C.R.W. VerLoren van Themaat- van der Hoeven, mr. R. van der Heijden, rechters, in tegenwoordigheid van
H.M. Zonneveld, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 23 december 2015.

Tegen deze beschikking kan – voor zover er definitief is beslist – door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te Amsterdam. De verzoekende partij en de verschenen belanghebbenden dienen het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen. Andere belanghebbenden dienen het beroep in te stellen binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden.