Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2015:11636

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
16-10-2015
Datum publicatie
30-12-2015
Zaaknummer
4026282 WM VERZ 15-595
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

De gemachtigde stelt dat periode waarover de officier van justitie een dwangsom verschuldigd is onjuist is vastgesteld. Niet in geschil is de juiste periode waarover daadwerkelijk een dwangsom verschuldigd is. Wel wil de gemachtigde wettelijke rente ontvangen over het verschil tussen de door de officier van justitie vastgestelde dwangsom en de door de kantonrechter vastgestelde dwangsom.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Afdeling Privaatrecht

Sectie Kanton – locatie Alkmaar

Zaaknr.: 4026282 \ WM VERZ 15-595 DG

CJIB-nummer: 178735823

Uitspraakdatum: 16 oktober 2015

Beslissing op een beroep als bedoeld in artikel 9 van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (WAHV)

in de zaak van:

naam [betrokkene]

adres [adres]

woonplaats [woonplaats]

gemachtigde R. Brasser

hierna te noemen betrokkene.

Het verloop van de procedure

Aan betrokkene is een administratieve sanctie opgelegd. Betrokkene heeft daartegen beroep ingesteld bij de officier van justitie. De officier van justitie heeft het beroep niet-ontvankelijk verklaard. Tegen die beslissing is door betrokkene beroep ingesteld bij de kantonrechter.

De zaak is behandeld ter zitting van 9 oktober 2015. Ter zitting is verschenen: de vertegenwoordiger van het Openbaar Ministerie. De gemachtigde van betrokkene is verschenen en heeft zijn zienswijze toegelicht.

Overwegingen

De gedraging waarvoor de sanctie is opgelegd luidt – kort omschreven – als volgt: voor een motorrijtuig niet de vereiste verzekering afsluiten en in stand houden.

Betrokkene is het niet eens met de beslissing van de officier van justitie en heeft in het beroepschrift – dat zich bij de stukken bevindt – de gronden daarvoor aangevoerd. De vertegenwoordiger van het Openbaar Ministerie heeft het standpunt van de officier van justitie verwoord.

Betrokkene heeft tijdig administratief beroep op nader aan te voeren gronden ingesteld. De officier van justitie heeft de gronden van dat beroep ontvangen op 11 maart 2014, dus nog voordat de officier van justitie een verzuim brief heeft gezonden op 24 juni 2014 en tevens binnen de initiële beroepstermijn. Om die reden heeft de officier van justitie het administratieve beroepschrift onterecht niet-ontvankelijk verklaard. In zoverre verklaart de kantonrechter het beroep gegrond en zal de beslissing van de officier van justitie vernietigen. Gelet op de gegrondverklaring bepaalt de kantonrechter dat de overige beroepsgronden, gericht tegen de beslissing van de officier van justitie, geen bespreking meer behoeven. Vervolgens dient de kantonrechter te beoordelen of de inleidende beschikking in stand kan blijven.

De gemachtigde doet een beroep op de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden op 20 februari 2014 (ECLI:NL:GHARL:2014:1236). In deze uitspraak bepaalde het Gerechtshof dat uit de verbalisantcode 404040 niet kon worden herleid welke opsporingsambtenaar in een concreet geval daadwerkelijk de gedraging had vastgesteld op basis van controle van het geautomatiseerde proces en vervolgens ter zake hiervan een administratieve sanctie had opgelegd. Het Openbaar Ministerie heeft vervolgens informatie verschaft over de werkwijze bij het vaststellen van het onverzekerd zijn van voertuigen en het hiervoor opleggen van sancties aan de kentekenhouders. Op grond van deze nadere informatie heeft het Gerechtshof bij uitspraak van 5 juni 2014 (ECLI:NL:GHARL:2014: 4324) vastgesteld dat het verwerkingsproces bij de op geautomatiseerde wijze vastgestelde gedraging “niet de vereiste verzekering afsluiten en in stand houden” zodanig is ingericht dat het opleggen van de boetes aan een bevoegde ambtenaar kan worden toegerekend. Op basis van deze informatie heeft het Gerechtshof thans geoordeeld dat de opgelegde sanctie door een bevoegde ambtenaar in de zin van artikel 3, tweede lid, WAHV is opgelegd. Het beroep gericht tegen de initiële beschikking slaagt daarom niet.

Het beroep heeft op grond van artikel 4:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht mede betrekking op de beschikking van de officier van justitie van 29 augustus 2014 tot vaststelling van de hoogte van de dwangsom, aangezien betrokkene deze beschikking betwist.

Naar aanleiding van hetgeen ter zitting is besproken stelt de kantonrechter vast dat tussen partijen niet (langer) in geschil is dat de officier van justitie een dwangsom is verschuldigd over de periode vanaf 18 juli 2014 tot en met 20 augustus 2014. De kantonrechter volgt partijen in hun standpunt en bepaalt daarom dat de dwangsom verschuldigd is over voornoemde periode van 34 dagen. De dwangsom bedraagt de eerste veertien dagen € 20,00 per dag, de veertien daarop volgende dagen € 30,00 per dag en de overige veertien dagen € 40,00 per dag. De hoogte van de verschuldigde dwangsom bedraagt in totaal € 940,00.

De gemachtigde heeft verder verzocht om de officier van justitie te veroordelen tot het betalen van de wettelijke rente over het verschil tussen de door de officier van justitie vastgestelde dwangsom en de door de kantonrechter vastgestelde dwangsom. Ingevolge artikel 4:18 van de Awb dient de officier van justitie de verschuldigdheid en de hoogte van de dwangsom binnen twee weken na de laatste dag waarover de dwangsom verschuldigd was, vast te stellen.

De officier van justitie is een dwangsom verschuldigd over de periode van 18 juli 2014 tot en met 20 augustus 2014. Hij had dus de verschuldigdheid en de hoogte van de dwangsom uiterlijk op 3 september 2014 moeten vaststellen. De verschuldigdheid van de dwangsom is tot een bedrag van € 610,00 op 29 augustus 2014 vastgesteld en voor dit deel dus tijdig. Het restant van € 330.00 is niet tijdig vastgesteld.

Artikel 4:100 van de Awb bepaalt dat, indien het bestuursorgaan de beschikking tot betaling van een door hem verschuldigde geldsom niet tijdig geeft, de wettelijke rente verschuldigd is vanaf het tijdstip waarop het bestuursorgaan in verzuim zou zijn geweest, indien de beschikking op de laatste dag van de daarvoor geldende termijn zou zijn gegeven. Uit artikel 4:87, eerste lid, van de Awb volgt dat de betalingstermijn van de onderhavige dwangsom zes weken na de bekendmaking van de beschikking bedraagt. Gelet op het voorgaande diende de officier van justitie uiterlijk op 15 oktober 2014 de (restant) dwangsom van € 330,00 te voldoen. Nu de officier van justitie heeft nagelaten de (restant) dwangsom te voldoen, is hij vanaf 16 oktober 2014 in verzuim. Gelet hierop zal de kantonrechter bepalen dat de officier van justitie betrokkene de wettelijke rente over de (restant) dwangsom van € 330,00 verschuldigd is met ingang van 16 oktober 2014 tot aan de dag der algehele voldoening.

De gemachtigde heeft in het kader van beide beroepen – het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie over de sanctie en het beroep over de vaststelling van de dwangsom - een kostenveroordeling gevraagd wegens een door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Met betrekking tot het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie over de sanctie overweegt de kantonrechter als volgt. Het beroep bij de kantonrechter wordt gegrond verklaard, zodat de proceskosten in de rechterlijke fase voor vergoeding in aanmerking komen. Hiervoor worden 2 punten toegekend (een punt voor het beroepschrift en een punt voor het verschijnen ter zitting). Omdat de kantonrechter de inleidende beschikking in stand laat, wijst de kantonrechter het verzoek tot vergoeding van de proceskosten in de officiersfase af.

Met betrekking tot het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie bestaat in beginsel aanleiding voor een proceskostenveroordeling omdat het beroep gegrond wordt verklaard. Er zijn door de gemachtigde echter geen extra proceshandelingen verricht die voor vergoeding in aanmerking komen. De beide beroepen zijn immers gezamenlijk op zitting behandeld.

De slotsom is dat op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht twee punten worden toegekend. De waarde per punt bedraag € 490,00. Ter zitting heeft de vertegenwoordiger van het openbaar ministerie aangegeven in deze zaak te kunnen instemmen met een wegingsfactor 1,0. Gelet op die uitlating ter zitting past de kantonrechter in deze zaak de wegingsfactor 1,0 (gewicht van de zaak = gemiddeld) toe. Aldus zal de kantonrechter de officier van justitie veroordelen in de kosten tot een bedrag van € 980,00 (2 x € 490,00 x 1,0).

De beslissing

De kantonrechter:

  • -

    verklaart het beroep tegen de inleidende beschikking ongegrond;

  • -

    verklaart het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond en vernietigt deze beslissing;

  • -

    verklaart het beroep tegen het dwangsombesluit van de officier van justitie gegrond en vernietigt deze beslissing;

  • -

    stelt de hoogte van de dwangsom vast op € 940,00 en bepaalt dat de officier van justitie dit bedrag aan betrokkene dient te voldoen (voor zover nog niet voldaan);

  • -

    veroordeelt de officier van justitie tot betaling van wettelijke rente over € 330,00 met ingang van 16 oktober 2014 tot aan de dag der algehele voldoening;

  • -

    veroordeelt de officier van justitie tot het vergoeden van proceskosten van de betrokkene tot een bedrag van € 980,00.

Deze beslissing is gegeven door mr. B. Liefting-Voogd, kantonrechter, bijgestaan door de griffier en in het openbaar uitgesproken.

De griffier

De kantonrechter

Tegen deze beslissing staat ingevolge artikel 14 WAHV hoger beroep open binnen 6 weken na de hieronder vermelde dag van toezending bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Het beroepschrift moet worden verzonden aan de Sectie Kanton van de rechtbank Noord-Holland, locatie Alkmaar, Postbus 251, 1800 BG Alkmaar. De wet gaat uit van een geheel schriftelijke procedure, tenzij door u bij het beroepschrift uitdrukkelijk om een mondelinge behandeling van de zaak is verzocht.

Datum toezending: