Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2015:11528

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
29-09-2015
Datum publicatie
24-12-2015
Zaaknummer
C/15/232512/HA RK 15/154
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Wraking
Inhoudsindicatie

Wrakingsverzoek afgewezen. De onderbreking door de kantonrechter van het betoog van de advocaat levert geen grond op voor het oordeel dat de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden en derhalve geen grond vormen voor wraking

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

beslissing

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

[jw.sys.1.zaaknr] / [jw.sys.1.rolnummer_rekestnr][datum_beslissing]

Wrakingskamer

zaaknummer: C/15/232512/HARK 15/154

Beslissing van 29 september 2015

Op het verzoek tot wraking ingediend door:

[verzoekster] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoekster,

advocaat mr. T.A.M. Drubbel te Almere,

Het verzoek is gericht tegen:

mr. E.P. Stolp,

hierna te noemen: de kantonrechter.

1 Procesverloop

1.1

Verzoekster heeft op 22 september 2015 ter zitting de wraking verzocht van de kantonrechter in de bij deze rechtbank, afdeling privaatrecht, sectie kanton, locatie Haarlem aanhangige zaken met zaaknummers/rolnummers: 3994524/CV EXPL 15-2702 en 4100354/AO VERZ 15-131, hierna te noemen: de hoofdzaken.

1.2

De kantonrechter heeft niet in de wraking berust en heeft schriftelijk op het verzoek gereageerd.

1.3

Het verzoek is vervolgens behandeld ter openbare zitting van de wrakingskamer van 28 september 2015. Verzoekster en de kantonrechter zijn in de gelegenheid gesteld te worden gehoord. Mr. Drubbel, verzoekster, –zijnde de cliënte van mr. Drubbel in de hoofdzaken – en de kantonrechter zijn verschenen.

2 Het standpunt van verzoekster

2.1

Mr. Drubbel heeft namens verzoekster ter terechtzitting van 22 september 2015 tijdens de behandeling van de hoofdzaak met het zaaknummer: 3994524 ter onderbouwing van het verzoek – samengevat – het volgende aangevoerd: “Uit de omstandigheid dat u mij ten aanzien van de aantekeningen van de tegenpartij niet liet uitspreken, en u dat ook nu doet, en u vervolgens aangaf ambtshalve op de hoogte te zijn van de strenge regels die Schiphol jegens haar concessiehouders hanteert, waarbij ik aangaf dat het niet geloofwaardig is dat Schiphol regels stelt ten aanzien van werknemers van concessiehouders, en de kantonrechter daarover vervolgens met mij in discussie ging, heb ik de conclusie getrokken dat de kantonrechter haar oordeel al klaar had en vooringenomen was. Deze wraking geldt ook voor de ontbindingsprocedure (zaaknummer: 4100354)”.

2.2

Tijdens de behandeling van het verzoek ter terechtzitting van 28 september 2015 heeft verzoekster de gronden van het verzoek aangevuld. Voordat hij de kantonrechter heeft gewraakt, had zij al eerder opmerkingen gemaakt die hem aanleiding gaven om te twijfelen aan haar onpartijdigheid. Zo heeft de kantonrechter volgens mr. Drubbel tegen verzoekster gezegd dat zij met betrekking tot haar te laat komen op haar werk risicovol gedrag vertoonde. Het feit dat de kantonrechter mr. Drubbel al tijdens het eerste punt dat hij in reactie op het betoog van de wederpartij wilde bespreken interrumpeerde, was de druppel die de emmer deed overlopen.

3 De beoordeling

3.1

Een rechter kan worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Uitgangspunt daarbij is dat de rechter uit hoofde van zijn aanstelling wordt vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die een zwaarwegende aanwijzing vormen dat een rechter jegens een partij een vooringenomenheid koestert. Daarnaast kan de vrees voor partijdigheid objectief gerechtvaardigd zijn indien sprake is van feiten of omstandigheden die, geheel afgezien van de persoonlijke instelling van de rechter in de hoofdzaak, grond geven om te vrezen dat een rechter niet onpartijdig is, waarbij ook de (te vermijden) schijn van partijdigheid van belang is. Die feiten of omstandigheden moeten zwaarwegende redenen opleveren voor objectiveerbare twijfel aan de onpartijdigheid. Het subjectieve oordeel van verzoekster is voor de beoordeling van beide toetsen wel belangrijk maar niet doorslaggevend.

3.2

De wrakingskamer gaat op grond van het dossier en het verhandelde ter zitting uit van de volgende feiten.

  1. Nadat de behandeling van de hoofdzaak ongeveer een uur bezig was, is mr. Drubbel door de kantonrechter in de gelegenheid gesteld om te reageren op de pleitnota van de wederpartij.

  2. In zijn reactie is mr. Drubbel ingegaan op de stelling van de wederpartij dat Schiphol strikte regels zou hebben.

  3. De kantonrechter heeft mr. Drubbel onderbroken en medegedeeld dat zij ambtshalve bekend is met de strenge regels die Schiphol jegens concessiehouders hanteert over openingstijden en winkelinrichting.

  4. Mr. Drubbel heeft gereageerd door op te merken dat Schiphol niets te zeggen heeft over de werknemers van de wederpartij. De kantonrechter heeft daarop gezegd dat zij alleen doelt op de relatie tussen Schiphol en haar concessiehouders.

  5. Mr. Drubbel heeft in reactie hierop de kantonrechter gewraakt.

  6. Na een korte schorsing zijn partijen weer de rechtszaal ingeroepen om de wrakingsgrond in het proces-verbaal vast te leggen, waarbij de kantonrechter mr. Drubbel de wrakings-grond aan de griffier heeft laten dicteren. Tijdens het dicteren heeft de kantonrechter mr. Drubbel opnieuw onderbroken door een opmerking te maken.

3.3

De door verzoekster tijdens de behandeling van het verzoek gegeven aanvulling van de gronden van het verzoek zal bij de beoordeling van dit verzoek buiten beschouwing worden gelaten, nu de wet bepaalt dat verzoekster alle feiten en omstandigheden, die naar zijn mening het wrakingsverzoek rechtvaardigen, tegelijk moet voordragen. De rechtbank gaat uit van de gronden die in het proces-verbaal van wraking ter terechtzitting op 22 september 2015 zijn opgenomen.

3.4

Niet gebleken is dat de kantonrechter jegens verzoekster een vooringenomenheid koestert, zodat de subjectieve toets geen grond voor wraking oplevert.

3.5

Gesteld noch gebleken zijn omstandigheden die grond geven voor het oordeel dat vrees voor onpartijdigheid objectief gerechtvaardigd is, zodat de objectieve toets ook geen grond voor wraking oplevert. Daarbij neemt de rechtbank het volgende in aanmerking.

3.6

Tijdens de mondelinge behandeling van het verzoek heeft mr. Drubbel desgevraagd aangegeven dat de onderbreking door de kantonrechter hem een vervelend gevoel heeft gegeven. Hij had uitgebreide (pleit)aantekeningen gemaakt en hij was pas bij zijn eerste punt toen de kantonrechter hem onderbrak en hij het gevoel kreeg in een discussie met de kantonrechter te belanden. Hoewel de rechtbank zich kan voorstellen dat mr. Drubbel, dan wel verzoekster, een vervelend gevoel kan krijgen van een onderbreking door de kantonrechter, maakt die beleving niet dat objectief aan de onpartijdigheid van de rechter getwijfeld kan worden. Een comparitie van partijen heeft juist tot doel de kantonrechter in de gelegenheid te stellen de door haar benodigde informatie te vergaren. Dit doel blijkt ook uit de oproep voor de comparitie die de rechtbank op 12 augustus 2015 aan partijen heeft gestuurd en waarin onder meer staat: “De kantonrechter gelast partijen (...) te verschijnen op voormelde terechtzitting, voor het verstrekken van inlichtingen (...). De kantonrechter kan het betoog van partijen dus onderbreken voor het stellen van een vraag of het maken van een opmerking, zoals zij dat bij mr. Drubbel heeft gedaan. Van belang is daarbij dat de kantonrechter het betoog slechts heeft onderbroken en mr. Drubbel niet het woord heeft ontnomen. Er is geen reden voor twijfel aan de stelling van de kantonrechter dat zij mr. Drubbel na haar interruptie in de gelegenheid zou hebben gesteld om zijn betoog te vervolgen en ook de overige punten van zijn (pleit)aantekeningen aan de orde te stellen.

3.7

Daar komt bij dat verzoekster naar het oordeel van de rechtbank de interruptie van de kantonrechter ten onrechte heeft ervaren als een discussie. Zowel uit de schriftelijke reactie van de kantonrechter als uit hetgeen partijen tijdens de behandeling van het verzoek naar voren hebben gebracht, blijkt dat partijen beiden van mening zijn dat de regels die Schiphol in concessieovereenkomsten hanteert met betrekking tot de wijze waarop de winkels op Schiphol moeten worden geëxploiteerd in beginsel niet zien op de arbeidsrechtelijke aspecten in de (hoofd)zaken van verzoekster en haar werkgever, maar enkel op de relatie tussen Schiphol en de werkgever.

3.8

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de feiten en omstandigheden die verzoekster ter onderbouwing van haar verzoek naar voren heeft gebracht geen grond opleveren voor het oordeel dat de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden en derhalve geen grond vormen voor wraking. De rechtbank zal het verzoek daarom afwijzen.

4 Beslissing

De rechtbank

4.1

wijst het verzoek tot wraking van de kantonrechter af,

4.2

beveelt de griffier onverwijld aan verzoekster, de kantonrechter en de wederpartij in de hoofdzaken een voor eensluidende gewaarmerkt afschrift van deze beslissing toe te zenden,

4.3

beveelt dat het proces in de hoofdzaak wordt voortgezet in de stand waarin het zich bevond ten tijde van het indienen van het verzoek en beveelt dat die zaak daartoe in handen wordt gesteld van de teamvoorzitter van de sectie kanton, locatie Haarlem.

Deze beslissing is gegeven door mr. W.J. van Andel, voorzitter, mr. J.I. de Vreese-Rood en mr. D. Gruijters, leden van de wrakingskamer, in tegenwoordigheid van mr. W.G. van Gastelen, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 29 september 2015.[concipiënt_initialen]

griffier voorzitter

Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.