Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2015:11505

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
29-12-2015
Datum publicatie
31-12-2015
Zaaknummer
AWB - 14 _ 4895
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Het standpunt van eiseres dat bij de bepaling van de hoogte van de op de voet van artikel 122ca, tweede lid, van de Wfsv te verlenen teruggaaf rekening moet worden gehouden met correctieberichten die eerst na 30 september 2013 zijn ingediend, vindt geen steun in de tekst van de wet noch in de totstandkomingsgeschiedenis. De wetgever heeft er in redelijkheid voor kunnen kiezen om ter bepaling van de hoogte van de eenmalige teruggaaf alleen correctieberichten tot en met 30 september 2013 in aanmerking te nemen.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2016/16
V-N 2016/28.17.36
FutD 2016-0075
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank noord-holland

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummer: HAA 14/4895

uitspraak van de meervoudige kamer van 29 december 2015 in de zaak tussen

[X] , gevestigd te [Z] , eiseres,

(gemachtigde: W.J. Rijnardus),

en

de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Arnhem, verweerder.

Procesverloop

Verweerder heeft aan eiseres bij beschikking als bedoeld in artikel 122ca, eerste lid, van de Wet financiering sociale verzekeringen (hierna: de Wfsv, tekst per 24 december 2013) een gedeeltelijke teruggaaf verleend van de ten behoeve van het Arbeidsongeschiktheidsfonds verschuldigde basispremie als bedoeld in artikel 34, eerste lid, van de Wfsv ten belope van € 101.256. Deze beschikking is, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van verweerder gehandhaafd.

Eiseres heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 december 2015 te Haarlem. Namens eiseres zijn verschenen haar gemachtigde, [A] , mr. [B] (advocaat) en [C] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door M.F. van Doesum en H.J.E.M. Bos.

Overwegingen

Feiten

1. Medio november 2013 heeft de gemachtigde van eiseres in haar geautomatiseerde systemen een fout ontdekt. Ten gevolge van die fout is door eiseres over de periode van 1 januari 2013 tot en met 30 juni 2013 een te laag bedrag aan basispremie als bedoeld in artikel 34, eerste lid, van de Wfsv afgedragen. Afgedragen is een bedrag aan basispremie van € 351.336, terwijl een bedrag van € 373.977 had moeten worden afgedragen.

2. Met dagtekening 31 december 2013 heeft verweerder de onderhavige beschikking vastgesteld. De beschikking ziet op de periode van 1 januari 2013 tot en met 30 juni 2013. De teruggaaf is op de voet van artikel 122ca, tweede lid, van de Wfsv vastgesteld op 28,82% van € 351.336, derhalve € 101.256.

3. Op 14 januari 2014 heeft eiseres over de zojuist bedoelde periode correctieberichten ingediend en de te weinig afgedragen basispremie ten belope van (€ 373.977 minus € 351.336, derhalve) € 22.641 alsnog afgedragen.

Geschil
4. Tussen partijen is in geschil of bij de berekening van de teruggaaf rekening moet worden gehouden met de correctieberichten die eiseres in januari 2014 heeft ingediend over de periode 1 januari 2013 tot en met 30 juni 2013. Eiseres beantwoordt deze vraag in bevestigende zin en stelt zich op het standpunt dat de teruggaaf moet worden gesteld op een bedrag van 28,82% van € 373.977, derhalve € 107.780. Verweerder daarentegen stelt zich op het standpunt dat bij de berekening van de teruggaaf terecht geen rekening is gehouden met de correctieberichten.

Beoordeling van het geschil

5. Artikel 122ca van de Wfsv is ingevoerd bij wet van 18 december 2013 tot wijziging van enkele belastingwetten en enige andere wetten (Belastingplan 2014), Stb. 2013, 565, en op 24 december 2013 in werking getreden. Het eerste en tweede lid van dit artikel luiden als volgt:

“1. In afwijking in zoverre van de hoofdstukken 3 en 4 verleent de inspecteur, al dan niet op verzoek, bij voor bezwaar vatbare beschikking aan een werkgever een gedeeltelijke teruggaaf van de ten behoeve van het Arbeidsongeschiktheidsfonds verschuldigde basispremie, bedoeld in artikel 34, eerste lid. Voor de toepassing van artikel 20 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen wordt de teruggaaf, bedoeld in de eerste volzin, aangemerkt als een naar aanleiding van een verzoek gedane teruggaaf.

2. De teruggaaf, bedoeld in het eerste lid, bedraagt 28,82% van de door de werkgever ten behoeve van het Arbeidsongeschiktheidsfonds over de periode van 1 januari 2013 tot en met 30 juni 2013 aangegeven basispremie. De voor de toepassing van de eerste volzin in aanmerking te nemen premie wordt vastgesteld op grond van de aangiften die uiterlijk op 30 september 2013 zijn ingediend alsmede de aanvullingen daarop die uiterlijk op die datum hebben plaatsgevonden.”

6. In de totstandkomingsgeschiedenis van artikel 122ca van de Wfsv is het volgende opgemerkt (Kamerstukken II, vergaderjaar 2013-2014, 33 752, nr. 9, p. 5):

“In verband met een voorgenomen lastenverlichting voor werkgevers nog over het jaar 2013 wordt voorgesteld aan de werkgevers een gedeeltelijke teruggaaf te verstrekken van de basispremie Aof ter compensatie voor de inhaalpremie bij de sectorfondsen. Dit leidt tot een eenmalige teruggaaf van 28,82% van het premiebedrag dat is aangegeven over de periode van 1 januari 2013 tot en met 30 juni 2013. (…) In beginsel gelden voor deze teruggaaf dezelfde regels als voor de reguliere heffing en invordering van deze premie. Uit oogpunt van een efficiënte uitvoering is echter voorzien in een aantal uitzonderingen op die regels. Allereerst hoeven werkgevers geen actie te ondernemen en dus ook niets in hun loonaangifte te verwerken. De teruggaaf heeft de vorm van een separate eenmalige teruggaaf, die door de inspecteur bij beschikking wordt vastgesteld en door de ontvanger wordt uitbetaald. Voor het vaststellen van de teruggaaf maakt de inspecteur gebruik van de gegevens die uit de loonaangiften beschikbaar zijn, waarbij rekening gehouden wordt met aanvullingen met als peildatum 30 september 2013. (…) De Belastingdienst zal, nadat dit artikel in werking is getreden, de beschikkingen eigener beweging vaststellen, verzenden en tot uitbetaling overgaan.”

7. Voorts is het volgende opgemerkt (Kamerstukken II, vergaderjaar 2013-2014, 33 752, nr. 9, p. 7):

“In artikel 122ca, eerste lid, van de Wet financiering sociale verzekeringen (Wfsv) wordt geregeld dat de inspecteur aan een werkgever bij voor bezwaar vatbare beschikking een gedeeltelijke teruggaaf verleent van de ten behoeve van het Arbeidsongeschiktheidsfonds verschuldigde basispremie, bedoeld in artikel 34, eerste lid, van de Wfsv. (…)

Zoals in het algemeen deel is toegelicht is uit oogpunt van uitvoeringsefficiency gekozen voor een teruggaaf buiten de loonaangifte om. Door de inspecteur de teruggaaf te laten verlenen bij beschikking wordt bewerkstelligd dat de werkgever geen aanpassingen in zijn loonaangifte hoeft te doen – en ook niet mag doen – om het recht op een teruggaaf te verzilveren. Na vaststelling door de inspecteur volgt uitbetaling door de ontvanger, voor zover van toepassing onder verrekening met openstaande schulden. Door het gebruik van de term «in afwijking in zoverre» wordt onderstreept dat de heffing en invordering geschiedt door de Belastingdienst en de regels van de heffing en invordering van loonbelasting in beginsel van toepassing zijn, maar dat een afwijkende heffingssystematiek geldt op het punt van vaststelling en uitbetaling van deze teruggaaf.

(…)

In artikel 122ca, tweede lid, van de Wfsv wordt de hoogte van de gedeeltelijke teruggaaf, bedoeld in het eerste lid, vastgesteld op 28,82% van de ten behoeve van het Arbeidsongeschiktheidsfonds over de periode van 1 januari tot en met 30 juni 2013 aangegeven basispremie. Daarbij wordt rekening gehouden met aangiften die uiterlijk op 30 september 2013 zijn ingediend alsmede de aanvullingen daarop die uiterlijk op die datum hebben plaatsgevonden. Concreet betekent dit dat loonaangiften of correctieberichten die na 30 september 2013 binnenkomen niet meer zullen worden meegenomen in de grondslag voor de teruggaaf. Zo wordt onder meer voorkomen dat latere aanvullingen of aangiftes in een later stadium handmatig verwerkt moeten worden. De keuze van de peildatum van 30 september 2013 is voorts bedoeld om anticipatiegedrag te voorkomen.”

8. Op grond van artikel 122ca, tweede lid, van de Wfsv bedraagt de in dit artikel bedoelde teruggaaf 28,82% van de door de werkgever ten behoeve van het Arbeidsongeschiktheidsfonds over de periode van 1 januari 2013 tot en met 30 juni 2013 aangegeven basispremie. De daarbij in aanmerking te nemen premie wordt vastgesteld op grond van de aangiften die uiterlijk op 30 september 2013 zijn ingediend alsmede de aanvullingen daarop die uiterlijk op die datum hebben plaatsgevonden.

9. De correctieberichten van eiseres zijn eerst na 30 september 2013 ingediend. Derhalve wordt op grond van de tekst van artikel 122ca, tweede lid, van de Wfsv met die berichten geen rekening gehouden bij de bepaling van de hoogte van de op de voet van dit artikel te verlenen teruggaaf. Het andersluidende standpunt van eiseres vindt dan ook geen steun in de tekst van de wet.

10. Ook de totstandkomingsgeschiedenis van artikel 122ca van de Wfsv biedt naar het oordeel van de rechtbank geen steun aan het standpunt van eiseres. Uit die geschiedenis blijkt dat de wetgever met het oog op een efficiënte uitvoering van de teruggaafregeling welbewust ervoor heeft gekozen geen rekening te houden met aangiften die na 30 september 2013 zijn ingediend alsmede met aanvullingen op aangiften die na die datum hebben plaatsgevonden. Met die keuze heeft de wetgever de mogelijkheid aanvaard dat basispremiebetalingen die eerst na 30 september 2013 hebben plaatsgevonden maar zien op de periode van 1 januari 2013 tot en met 30 juni 2013, niet worden begrepen in de grondslag waarover de teruggaaf wordt berekend. Er is geen reden om aan te nemen dat de wetgever daarbij voor een geval als het onderhavige een uitzondering heeft willen maken. Weliswaar wordt in de totstandkomingsgeschiedenis opgemerkt dat met de keuze voor de peildatum 30 september 2013 mede wordt beoogd zogenoemd anticipatiegedrag te voorkomen, maar uit die opmerking kan geenszins worden afgeleid dat die peildatum kan worden veronachtzaamd in gevallen waarin van anticipatiegedrag geen sprake is. Voor zover het standpunt van eiseres op een andere opvatting berust, moet het derhalve worden verworpen.

11. Ter zitting heeft eiseres zich op het standpunt gesteld dat artikel 122ca van de Wfsv in strijd is met het in de artikelen 26 van het IVBPR en 14 van het EVRM vervatte gelijkheidsbeginsel. Ter toelichting op dit standpunt heeft eiseres een vergelijking gemaakt met de situatie waarin zij van meet af aan de juiste basispremie over de periode van 1 januari 2013 tot en met 30 juni 2013 zou hebben afgedragen. In dat geval zou de teruggaaf op de voet artikel 122ca van de Wfsv over de gehele over die periode betaalde premie zijn berekend. Nu in dit geval geen rekening wordt gehouden met de premiebetalingen die hebben plaatsgevonden na 30 september 2013 maar niettemin betrekking hebben op de zojuist genoemde periode, is sprake van een ongelijke behandeling van gelijke gevallen, aldus eiseres.

12. Ook heeft eiseres zich vergeleken met werkgevers waarvoor herleiding van de betaalde basispremie plaatsvindt omdat zij jaaraangiften doen. Ten aanzien van deze werkgevers wordt, aldus eiseres, ter berekening van de teruggaaf rekening gehouden met correcties indien deze op uiterlijk 31 maart 2014 hebben plaatsgevonden (artikel VIII, tweede lid, van de Regeling van de Staatssecretaris van Financiën van 30 december 2013, nr. DB 2013/599M tot wijziging van enige fiscale uitvoeringsregelingen en van enige overige uitvoeringsregelingen alsmede van de Wet belastingen op milieugrondslag). Doordat in dit geval met correcties na 30 september 2013 geen rekening wordt gehouden, is, aldus nog steeds eiseres, sprake van een ongelijke behandeling van gelijke gevallen waarvoor een objectieve en redelijke rechtvaardiging ontbreekt.

13. Bij de beoordeling van het beroep van eiseres op het gelijkheidsbeginsel neemt de rechtbank tot uitgangspunt dat op fiscaal gebied aan de wetgever in het algemeen een ruime beoordelingsvrijheid toekomt bij het beantwoorden van de vraag of gevallen voor de toepassing van de bedoelde verdragsbepalingen als gelijk moeten worden beschouwd en of, in het bevestigende geval, een objectieve en redelijke rechtvaardiging bestaat om die gevallen niettemin in verschillende zin te regelen (vgl. onder meer EHRM 22 juni 1999, Della Ciaja en anderen tegen Italië, no. 46757/99, BNB 2002/398, en EHRM 29 april 2008, Burden tegen het Verenigd Koninkrijk, no. 13378/05, EHRC 2008/80, paragraaf 60). Indien het niet gaat om onderscheid op basis van aangeboren kenmerken van een persoon, zoals geslacht, ras en etnische afkomst, dient het oordeel van de wetgever daarbij te worden geëerbiedigd, tenzij het van redelijke grond ontbloot is (vgl. onder meer EHRM 12 april 2006, Stec en anderen tegen het Verenigd Koninkrijk, no. 65731/01, RSV 2007/44, paragraaf 52, en EHRM 4 november 2008, Carson en anderen tegen het Verenigd Koninkrijk, no. 42184/05, paragrafen 73 en 80). Dit laatste kan niet snel worden aangenomen. Het onderscheid moet van dien aard zijn dat de keuze van de wetgever evident van redelijke grond ontbloot is (“manifestly without reasonable foundation”, zie EHRM 7 juli 2011, Stummer tegen Oostenrijk, no. 37452/02, paragraaf 89, met verdere verwijzingen).

14. Uit de hiervoor aangehaalde passages uit de totstandkomingsgeschiedenis van artikel 122ca van de Wfsv komt naar voren dat de wetgever met de invoering van deze bepaling heeft beoogd werkgevers een lastenverlichting te bieden in de vorm van een gedeeltelijke teruggaaf van het premiebedrag dat is aangegeven over de periode van 1 januari 2013 tot en met 30 juni 2013. Bij de vormgeving van deze teruggaafregeling heeft, zoals hiervoor in onderdeel 10 reeds is opgemerkt, een efficiënte uitvoering van die regeling voorop gestaan. Dit blijkt onder meer uit het feit dat loonaangiften of correctieberichten die na 30 september 2013 zijn binnenkomen, niet worden begrepen in de grondslag voor de teruggaaf.

15. In het licht hiervan kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden gezegd dat het onderhavige geval en het hiervoor onder 11 bedoelde geval waarmee eiseres zich vergelijkt voor de toepassing van artikel 26 van het IVBPR en artikel 14 van het EVRM, als gelijke gevallen moeten worden aangemerkt. De wetgever heeft, zoals gezegd, met de invoering van artikel 122ca van de Wfsv in een eenmalige teruggaaf van basispremie willen voorzien en heeft vanuit een oogpunt van een efficiënte uitvoering van de teruggaafregeling uitdrukkelijk ervoor gekozen bij de berekening van de hoogte van de teruggaaf slechts in aanmerking te nemen aangiften die uiterlijk op 30 september 2013 zijn ingediend alsmede de aanvullingen daarop die uiterlijk op die datum hebben plaatsgevonden. Die keuze is niet van redelijke grond ontbloot.

16. Ook het onder 12 bedoelde geval waarmee eiseres zich vergelijkt, kan naar het oordeel van de rechtbank niet als een gelijk geval worden aangemerkt. Dit geval betreft immers werkgevers die voor toepassing van de Wfsv in een andere positie dan eiseres verkeren nu de desbetreffende werkgevers op jaarbasis aangifte doen. Op dit punt is de teruggaafregeling dan ook niet in strijd met de zojuist genoemde verdragsbepalingen.

17. Eiseres heeft ter zitting voorts gesteld dat artikel 122ca van de Wfsv in strijd is met artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM (hierna: EP) voor zover bij de bepaling van de hoogte van de teruggaaf geen rekening wordt gehouden met de door haar in 2014 over de periode 1 januari 2013 tot en met 30 juni 2013 alsnog afgedragen basispremie. Ter toelichting op deze stelling heeft eiseres aangevoerd dat die periode is geëindigd voor de inwerkingtreding van artikel 122ca van de Wfsv op 24 december 2013. Aldus is volgens eiseres sprake van een door artikel 1 van het EP verboden materiële terugwerkende kracht van de teruggaafregeling.

18. De rechtbank verwerpt deze stelling van eiseres. Nog daargelaten het antwoord op de vraag of het in deze zaak aan de orde zijnde recht op teruggaaf kan worden geschaard onder het door artikel 1 van het EP beschermde eigendomsrecht, is de rechtbank van oordeel dat geen sprake is van een door dit artikel verboden materiële terugwerkende kracht. Gelet op de hiervoor aangehaalde totstandkomingsgeschiedenis van artikel 122ca van de Wfsv alsmede hetgeen overigens hiervoor is overwogen, kan niet worden gezegd dat de wetgever met de invoering van de peildatum 30 september 2013 geen legitiem doel heeft nagestreefd. Ook is geen sprake van door artikel 1 van het EP verboden willekeur, en evenmin kan worden gezegd dat artikel 122ca van de Wfsv voor zover het de daarin opgenomen peildatum betreft in strijd komt met het vereiste van ‘lawfulness’ in de zin van de rechtspraak van het EHRM (vgl. onder meer EHRM 24 november 2005, no. 49429/99, Capital Bank AD tegen Bulgarije, paragraaf 134, en EHRM 14 mei 2013, no. 66529/11, N.K.M. tegen Hongarije, FED 2013/79, paragraaf 47). De wetgever heeft er in redelijkheid voor kunnen kiezen om ter bepaling van de hoogte van de eenmalige teruggaaf alleen correctieberichten tot en met 30 september 2013 in aanmerking te nemen. De wetgever heeft de hem in dit verband toekomende ruime beoordelingsvrijheid dan ook niet overschreden.

19. Verweerder heeft, zoals volgt uit het voorgaande, in overeenstemming met het bepaalde in artikel 122ca van de Wfsv geen rekening gehouden met de correctieberichten die eiseres in januari 2014 heeft ingediend. Zonder bijkomende omstandigheden, die gesteld noch gebleken zijn, kan dan ook niet worden gezegd dat verweerder heeft gehandeld in strijd met enig algemeen beginsel van behoorlijk bestuur.

20. De rechtbank verwerpt voorts de stelling van eiseres dat haar niet kan worden verweten dat zij aanvankelijk te weinig basispremie heeft afgedragen. Gedragingen van personen die eiseres betrekt bij de uitvoering van haar verplichtingen uit hoofde van de Wfsv dienen immers aan haar te worden toegerekend.

21. Gelet op hiervoor overwogene is het beroep ongegrond.

Proceskosten

22. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R. van Scharrenburg, voorzitter, en mr. S.K.A. Efstratiades en mr. H. de Jong, leden, in aanwezigheid van mr. M.R. Marinus, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 29 december 2015.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na verzending hoger beroep instellen bij het gerechtshof Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312,

1000 BH Amsterdam.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.