Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2015:11461

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
18-12-2015
Datum publicatie
23-12-2015
Zaaknummer
4576949 OA VERZ 15-189
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Rekestprocedure
Beschikking
Inhoudsindicatie

Wwz. Ontbinding arbeidsovereenkomst. Toekenning billijke vergoeding van € 15.000,- bruto.

Artikel 22 Rv.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2015-1303
AR 2015/2670
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Afdeling Privaatrecht

Sectie Kanton - locatie Alkmaar

Zaaknr./rolnr.: 4576949 / OA Verz 15-189

Uitspraakdatum: 18 december 2015

Beschikking in de zaak van:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Allegion B.V.

gevestigd te Vianen

verzoekende partij in de zaak van het verzoek, verwerende partij in de zaak van het tegenverzoek

verder te noemen: Allegion

gemachtigde: mr. A. Boutens, advocaat te Amsterdam

tegen

de heer Bert [de werknemer],

wonende te [woonplaats]

verwerende partij in de zaak van het verzoek, verzoekende partij in de zaak van het tegenverzoek

verder te noemen: [de werknemer]

gemachtigde: mr. P. Keuchenius, advocaat te Hoorn

1 Het procesverloop

in de zaak van het verzoek en het tegenverzoek

1.1.

Allegion heeft een verzoek gedaan om de arbeidsovereenkomst tussen partijen te ontbinden. [de werknemer] heeft een verweerschrift en een tegenverzoek ingediend.

1.2.

De zaak is behandeld op de zitting van 23 november 2015. [de werknemer] is verschenen met zijn gemachtigde. Namens Allegion is verschenen [x] , salesmanager en haar gemachtigde. Partijen hebben hun standpunten toegelicht aan de hand van pleitnotities. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat partijen ter toelichting van hun standpunten naar voren hebben gebracht. Voorafgaand aan de zitting hebben beide partijen nog stukken toegezonden.

2 De feiten

in de zaak van het verzoek en het tegenverzoek

2.1.

[de werknemer] , geboren op [datum] , is op 1 september 2013 op basis van een 40-urige werkweek bij Allegion in dienst getreden. Het salaris bedraagt € 4.273,50 bruto per maand, exclusief vakantietoeslag en een 13e maand.

2.2.

Artikel 4 van de arbeidsovereenkomst tussen partijen luidt als volgt:

1. Het totale jaarlijkse bedrag van de te bereiken bonus is voor u in beginsel bepaald op een percentage van 40% van het bruto jaarsalaris, inclusief vakantietoeslag. De bonus zal worden betaald, indien de geplande bedrijfsresultaten zijn behaald en de doelstellingen door de werknemer zijn gerealiseerd. De bedrijfsobjectieven en de individuele objectieven van de werknemer zullen worden vastgesteld tijdens de eerste maand van de tewerkstelling voor het lopende kalenderjaar en in de loop van de eerste maand voor de daaropvolgende kalenderjaren. Het bereikte bedrag zal worden berekend pro-rata van de diensttijd en pro-rata naar de mate van behalen van de individuele doelstellingen en is uiteindelijk ter beoordeling van de werkgever. Aan het één of meerder malen ontvangen van een bonus kan de werknemer geen enkel recht ontlenen met betrekking tot toekomstige bonusuitkeringen.

2. In de eerste 6 maanden van de arbeidsovereenkomst zal er een gegarandeerde bonus worden uitbetaald van € 2000,- per maand. Deze maandelijkse gegarandeerde bonus zal worden uitbetaald in de maanden september 2013 tot en met februari 2014.”

2.3.

[de werknemer] is werkzaam op de afdeling Sales en vervult de functie van accountmanager.

2.4.

Op 3 december 2013 heeft [de werknemer] zich bij Allegion ziek gemeld, waarna hij op 10 december 2013 werd bezocht door een verzuimmedewerker, die op 11 november 2013 heeft gerapporteerd dat [de werknemer] de volgende dag weer zou kunnen werken.

2.5.

In de avond van 10 december 2013 verslechterde de gezondheidstoestand van [de werknemer] en werd hij in de avond opgenomen in het ziekenhuis. Op 11 december 2013 verscheen hij aldus niet op het werk.

2.6.

Op 11 december 2013 om 9:56 heeft [de werknemer] een sms verzonden aan [X] van Allegion met de tekst:

Hoi [naam] , ik lig in het ziekenhuis. Ik hoop me snel weer te melden.”

2.7.

Op 11 december 2013 heeft Allegion [de werknemer] een brief gezonden met de mededeling dat hij op staande voet was ontslagen, omdat hij voor de tweede maal zonder opgaaf van reden niet op het werk was verschenen.

2.8.

Bij brief van 16 december 2013 heeft de gemachtigde van [de werknemer] de nietigheid van het ontslag ingeroepen omdat de afwezigheid van [de werknemer] het gevolg was van arbeidsongeschiktheid, waarna Allegion het ontslag op staande voet op 17 december 2013 heeft ingetrokken.

2.9.

Op 23 december 2013 heeft [de werknemer] de arboarts geconsulteerd, die oordeelde dat [de werknemer] herstellend was en dat hij per 6 januari 2014 voor 50% hersteld zou zijn.

2.10.

Op 6 januari 2014 is [de werknemer] niet op het werk verschenen, waarna Allegion de loonbetaling van [de werknemer] heeft stopgezet.

2.11.

Op 9 januari 2014 heeft de gemachtigde van [de werknemer] een e-mail gestuurd aan Allegion met de mededeling dat van ziekte sprake is zodat het loon niet kan worden ingehouden.

2.12.

Bij brief van 17 januari 2014 heeft Allegion aan [de werknemer] meegedeeld dat hij weer loon zou ontvangen naar aanleiding van de terugkoppeling van de bedrijfsarts.

2.13.

Op 24 januari 2014 heeft [de werknemer] andermaal de arboarts bezocht, die tot het oordeel kwam dat er geen structurele arbeidsmogelijkheden voor [de werknemer] waren en dat hij zijn werk vooralsnog niet kan hervatten.

2.14.

Op 10 maart 2014 is de loonbetaling wederom stopgezet omdat [de werknemer] niet op het werk was verschenen.

2.15.

Van 22 maart tot 25 maart 2014 is [de werknemer] opgenomen geweest in het ziekenhuis.

2.16.

Op 27 maart 2014 heeft de gemachtigde van [de werknemer] onder meer aan Allegion geschreven:
“Cliënt is opnieuw enige tijd opgenomen geweest in het ziekenhuis (naar ik begrijp heeft hij dit ook al eerder telefonisch gemeld aan de heer [X] ). (…) Namens cliënt verzoek ik u om dadelijke hervatting van de salarisbetaling, aangezien voor opschorting van de loondoorbetaling geen grond bestaat en cliënt door het niet uitbetalen van zijn salaris in serieuze problemen raakt.”

2.17.

Op 28 maart 2014 is de bedrijfsarts bij [de werknemer] geweest en het leek deze aannemelijk dat een aantal beperkingen was toegenomen en dat het aannemelijk was dat die beperkingen al voorafgaand aan de opname aanwezig waren. Tevens meldt de arts het volgende:

“Het moge duidelijk zijn dat er sprake is van een verstoring in de arbeidsrelatie. Tot werkhervatting over te kunnen gaan dient deze storing opgelost te worden. In de komende twee weken zal de begeleiding van uw medewerker verder vorm krijgen. Aansluitend hieraan adviseer ik een gesprek tussen werkgever en medewerker ten behoeve van het oplossen van voornoemde verstoring in de arbeidsrelatie.”

2.18.

Op 8 april 2014 liet Allegion weten met terugwerkende kracht vanaf 22 maart 2014 de salarisbetaling te hervatten. Vóór 22 maart 2014 achtte Allegion [de werknemer] niet ziek en dus ongeoorloofd afwezig.

2.19.

Vanaf 18 augustus 2014 is [de werknemer] weer volledig aan het werk gegaan.

2.20.

Op 6 november 2014 ontving [de werknemer] een brief van Allegion waarin hem werd meegedeeld dat hij niet functioneerde en Allegion bood [de werknemer] een vaststellingsovereenkomst aan ter beëindiging van het dienstverband.

2.21.

Bij brief van 14 november 2014 heeft (de gemachtigde van) [de werknemer] laten weten daarmee niet akkoord te gaan.

2.22.

Op 21 november 2014 schreef de gemachtigde van [de werknemer] onder meer het volgende aan Allegion:

“Op 19 november 2014 had cliënt een afspraak bij de klant Gielissen Interieur. Bij aankomst bleek de klant verrast door de komst van cliënt, aangezien de afspraak buiten medeweten van cliënt door Allegion was afgezegd om reden dat cliënt niet meer werkzaam zou zijn bij de onderneming. (…)
Cliënt heeft hierover opheldering verzocht. De volgende dag is cliënt naar huis gestuurd met de mededeling dat de zaak uit handen zou worden gegeven aan een advocaat.
In een daaropvolgende e-mail is vermeld dat aan cliënt betaald verlof zou worden verleend en hij maandag 24 november weer wordt terugverwacht om zijn werkzaamheden te hervatten, tenzij de advocaten een regeling zouden treffen. (…)
Ik laat u hierdoor opnieuw weten dat cliënt zich niet neerlegt bij het door de werkgever forceren van een breuk in de arbeidsverhouding.”

2.23.

Op 5 december 2014 heeft Allegion aan [de werknemer] de instructie gegeven om vanaf maandag 8 december 2014 alle dagen van de week op het kantoor in Vianen te komen, dit in afwijking van hetgeen voor die tijd gold, namelijk dat [de werknemer] vier dagen per week thuis, dan wel vanaf huis, kon werken.

2.24.

Op 20 januari 2015 werd aan [de werknemer] een verbeterplan voorgelegd met als startdatum 20 januari 2015 en als einddatum 26 mei 2015. Het ging om een tiental specifieke verbeterpunten.

2.25.

Tussen 20 januari 2015 en 26 mei 2015 hebben gesprekken plaatsgevonden tussen [de werknemer] en diens leidinggevende(n).

2.26.

Op 26 mei 2015 heeft Allegion te kennen gegeven dat er wel verbetering had plaatsgevonden, maar dat haar eindoordeel negatief was.

2.27.

Op 14 juli 2015 heeft Allegion [de werknemer] een vaststellingsovereenkomst aangeboden ter beëindiging van het dienstverband.

2.28.

Nadat Allegion [de werknemer] op 19 augustus 2015 een gewijzigd voorstel had aangeboden, heeft [de werknemer] op 21 en 27 augustus 2015 laten weten niet akkoord te gaan met beëindiging van het dienstverband.

2.29.

Allegion heeft op 27 augustus 2015 een e-mail met onder meer de volgende inhoud aan [de werknemer] gestuurd:
“ [Naam] ,

Bedankt voor je bericht dat ik betreur.

We hebben dan geen onderlinge overeenkomst kunnen bekomen hetgeen wil zeggen dat de samenwerking gewoon stopt op 31 augustus.
Deze week vrijdag heb ik een overdracht gepland van klanten. [A] zal aanwezig zijn op kantoor waarop je de dossiers kan overdragen.

Maandag 31 augustus verwacht ik de overhandiging van al het Allegion materiaal in je bezit.”

2.30.

Op 28 augustus 2015 heeft [de werknemer] zich ziek gemeld en op 1 september 2015 heeft hij het spreekuur van de arboarts bezocht.

Deze arts oordeelde onder meer het volgende:

“(De klachten) moeten worden gezien als een gevolg van een (dreigend) arbeidsconflict(-) Aan werkgever en werknemer wordt geadviseerd het (dreigende) arbeidsconflict conform de vigerende richtlijnen op te lossen (-) Werkgever en werknemer worden geadviseerd in deze verder te handelen conform de vigerende (SteCR) richtlijnen. Prognose: duurzame en volledige geschiktheid voor het eigen werk op voorwaarde dat de rust rond het werk terugkeert.”

2.31.

Op vrijdag 2 oktober 2015 werd [de werknemer] door Allegion gesommeerd om maandag 5 oktober 2015 het werk in Vianen te hervatten. Toen [de werknemer] daar op 5 oktober 2015 verscheen, kon hij het kantoorpand niet in omdat zijn sleutel was gedeactiveerd. Toen hij door een ander werd binnengelaten bleek dat hij zijn computer niet meer kon opstarten. Onverrichterzake is [de werknemer] toen naar huis gegaan. Kort daarna heeft Allegion het onderhavige verzoekschrift ingediend.

3 Het verzoek

3.1.

Allegion verzoekt de arbeidsovereenkomst met [de werknemer] te ontbinden uiterlijk per 1 januari 2016 primair op grond van ongeschiktheid van [de werknemer] tot het verrichten van de bedongen arbeid (artikel 7:669 lid 3 onder d BW), subsidiair op grond van het feit dat volgens Allegion de arbeidsrelatie tussen partijen is verstoord (artikel 7:669 lid 3 sub g BW), een en ander onder toekenning aan Bruggraaf van een transitievergoeding van € 3.314,34 bruto.

3.2.

Aan dit verzoek legt Allegion ten grondslag dat sprake is van – kort gezegd – een zodanige ongeschiktheid voor de functie dan wel een verstoorde arbeidsverhouding waardoor van Allegion redelijkerwijs niet gevergd kan worden de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. Ter onderbouwing daarvan heeft Allegion, samengevat, gesteld dat, nadat haar gebleken was dat [de werknemer] onvoldoende functioneerde, aan hem de kans is gegeven om verandering in zijn houding en gedrag aan te brengen en hem de mogelijkheid is geboden om via een verbetertraject de beoogde bedrijfsresultaten te halen, welke kansen [de werknemer] niet heeft opgepakt. Verder wijst Allegion er op dat [de werknemer] afspraken niet nakomt en hij, ook bij ziekte, vaak onbereikbaar is en onvoldoende contact houdt met Allegion als werkgever.

4 Het verweer en het tegenverzoek

4.1.

[de werknemer] verweert zich tegen het verzoek en stelt primair dat de verzochte ontbinding moet worden afgewezen. Hij voert daartoe – samengevat – aan dat er onvoldoende zwaarwegende belangen zijn om de arbeidsovereenkomst te ontbinden. [de werknemer] betoogt dat er geen sprake is van een verstoorde arbeidsverhouding en dat er geen sprake is van enige omstandigheid die zodanig is dat van Allegion in redelijkheid niet gevergd kan worden de arbeidsovereenkomst voort te zetten.

4.2.

Voor zover de arbeidsovereenkomst toch wordt ontbonden, verzoekt [de werknemer] bij wijze van tegenverzoek om toekenning van een billijke vergoeding van zes maandsalarissen, een transitievergoeding van € 3.314,34 bruto, vakantiegeld ad € 4.102,56 bruto, een dertiende maand ad € 4.273,50 bruto, vergoeding van niet opgenomen vakantiedagen ad € 7.314,64, alles te vermeerderen met de wettelijke rente en, tot slot, [de werknemer] te ontheffen uit een eventueel concurrentiebeding.

4.3.

In de zaak van het tegenverzoek wordt door [de werknemer] ook verzocht om toekenning van de variabele (bonus) vergoeding over 2014 ad € 9.835,- bruto en over 2015 ad € 29.538,80 bruto, alsmede vergoeding van de buitengerechtelijke kosten ad € 2.491,19 inclusief btw ter zake van de eerder gevoerde kort gedingprocedure wat betreft de achterstand in betaling van loon. Allegion heeft daartegen verweer gevoerd.

5 De beoordeling

in de zaak van het verzoek

5.1.

Het gaat in deze zaak om de vraag of de arbeidsovereenkomst tussen partijen moet worden ontbonden. In geval van ontbinding moet ook worden beoordeeld of aan [de werknemer] een billijke vergoeding dient te worden toegekend.

5.2.

De kantonrechter neemt tot uitgangspunt dat in zaken die voortvloeien uit de Wet werk en zekerheid (Wwz), zoals deze zaak, het bewijsrecht in beginsel van toepassing is, tenzij de aard van de zaak zich hiertegen verzet. In dit geval verzet de aard van de zaak zich niet tegen toepassing van het bewijsrecht.

5.3.

De kantonrechter stelt voorop dat uit artikel 7:669 lid 1 BW volgt dat de arbeidsovereenkomst alleen kan worden ontbonden indien daar een redelijke grond voor is en herplaatsing van de werknemer binnen een redelijke termijn niet mogelijk is of niet in de rede ligt. In artikel 7:669 lid 3 BW is nader omschreven wat onder een redelijke grond moet worden verstaan. Bij regeling van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 23 april 2015 (Stcrt. 2015/12685) zijn daarvoor nadere regels gesteld (Ontslagregeling).

5.4.

De kantonrechter is op basis van de stukken en het verhandelde ter zitting van oordeel dat sprake is van een verstoorde arbeidsverhouding tussen partijen. [de werknemer] heeft dit betwist, doch voldoende is gebleken dat de arbeidsverhouding verstoord is geraakt door de voortdurende discussie over de ziekte van [de werknemer] en zijn verplichting om al dan niet op het werk te verschijnen, meer in het bijzonder de wijze waarop partijen hun tegengestelde standpunten jegens elkaar hebben geformuleerd. Daarbij is gebleken dat Allegion (herhaaldelijk) over is gegaan tot een loonstop en een ontslag op staande voet zonder [de werknemer] omtrent dat voornemen tevoren te horen en/of uitleg te laten geven van de gang van zaken omtrent zijn ziekte en de reden van het verzuim. Deze verstoring is versterkt door de mededeling van Allegion dat zij de arbeidsovereenkomst wenste te beëindigen en daarbij meermalen [de werknemer] een vaststellingovereenkomst ter beëindiging van de arbeidsrelatie aanbood. Ook het feit dat Allegion kennelijk niet is ingegaan op hetgeen de bedrijfsarts uitdrukkelijk heeft voorgesteld, namelijk dat partijen met elkaar in gesprek dienden te gaan om een reguliere voortzetting van de arbeidsrelatie te bewerkstelligen, moet worden aangemerkt als een omstandigheid die mede tot verstoring van de relatie heeft geleid. Het had immers op de weg van Allegion als werkgever gelegen dat advies van haar eigen bedrijfsarts op te volgen, hetgeen zij heeft nagelaten. Tot slot is van belang dat onvoldoende is gebleken dat de doelstelling van het verbetertraject, namelijk het behalen van een omzet van € 225.000,- tot € 250.00,-, gelet op de korte tijdspanne en de herhaalde ziekte van [de werknemer] wel reëel was.

5.5.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, is de kantonrechter van oordeel dat voorzetting van de arbeidsovereenkomst in redelijkheid niet van Allegion kan worden gevergd. Herplaatsing ligt niet in de rede, mede gelet op de geringe omvang van het bedrijf van Allegion. De arbeidsovereenkomst zal daarom, met inachtneming van het bepaalde in artikel 7:671b lid 8 aanhef en onder a BW worden ontbonden met ingang van 1 februari 2016.

5.6.

[de werknemer] heeft aanspraak gemaakt op een transitievergoeding voor het geval de ontbinding wordt uitgesproken. Allegion heeft die aanspraak, zijnde een bedrag van
€ 3.314,34 bruto, erkend, zodat dienovereenkomstig zal worden beslist.

5.7.

De kantonrechter ziet aanleiding om aan [de werknemer] een billijke vergoeding toe te kennen. Gelet op artikel 7:671b lid 8, aanhef en onder c, BW is voor toekenning van een billijke vergoeding alleen plaats indien de ontbinding van de arbeidsovereenkomst het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever. Uit de wetsgeschiedenis volgt dat ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van een werkgever zich slechts zal voordoen in uitzonderlijke gevallen, bijvoorbeeld als een werkgever grovelijk de verplichtingen niet nakomt die voortvloeien uit de arbeidsovereenkomst en er als gevolg daarvan een verstoorde arbeidsverhouding ontstaat of als een werkgever een valse grond voor ontslag aanvoert met als enig oogmerk een onwerkbare situatie te creëren (zie: Kamerstukken II, 2013-2014, 33 818, nr. 3, pag. 34). Een dergelijke situatie doet zich hier voor. Immers, zoals hiervoor is overwogen heeft Allegion haar verplichtingen als goed werkgever in ernstige mate geschonden. Er doet zich het geval voor dat Allegion aan [de werknemer] niet een reële kans heeft geboden om het functioneren te verbeteren, en die ook niet meer kan worden geboden omdat de arbeidsverhouding dusdanig is beschadigd dat voortzetting daarvan onmogelijk is geworden. Daarbij komt dat Allegion [de werknemer] , in afwijking van wat was overeengekomen, sommeerde vier dagen per week vanuit Vianen te werken met een reistijd van tweeëneenhalf uur per dag. Allegion heeft nagelaten de noodzaak hiervan, tegenover de gemotiveerde betwisting daarvan door [de werknemer] nader te onderbouwen. De vermelde reden, te weten meer contact en communicatie met collega’s, acht de kantonrechter niet aannemelijk, nu onweersproken is gebleven de stelling van [de werknemer] dat voormelde collega’s niet aanwezig waren in Vianen maar uit hoofde van hun salesfunctie buiten de deur werkten. Evenmin heeft Allegion andere concrete stappen ondernomen om [de werknemer] tot een beter contact met andere collega’s te laten komen. Ook door telkenmale zonder [de werknemer] te hebben gehoord een loonstop door te voeren en niet in te gaan op de voorstellen van de bedrijfsarts, doch slechts aan te sturen op een beëindiging van de arbeidsrelatie, heeft Allegion ernstig verwijtbaar gehandeld.

5.8.

Over de hoogte van de toe te kennen billijke vergoeding overweegt de kantonrechter het volgende. Uit de wetsgeschiedenis volgt dat de hoogte van de billijke vergoeding – naar haar aard – in relatie moet staan tot het ernstig verwijtbare handelen of nalaten van de werkgever, en niet tot de gevolgen van het ontslag voor de werknemer (zie: Kamerstukken II, 2013–2014, 33 818, nr. 3, pag. 32-34 en Kamerstukken II, 2013-2014, 33 818, nr. 7, pag. 91). Als ontslag het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever, dan dient de werknemer hiervoor volgens die wetsgeschiedenis te worden gecompenseerd, ook om dergelijk handelen of nalaten van de werkgever te voorkomen. In de billijke vergoeding kan niet tot uitdrukking komen of het ontslag redelijk is mede in het licht van de gevolgen van het ontslag voor de werknemer, omdat dit al is verdisconteerd in de transitievergoeding. De hoogte van de billijke vergoeding moet daarom worden bepaald op een wijze die en op het niveau dat aansluit bij de uitzonderlijke omstandigheden van het geval, waarbij criteria als loon en lengte van het dienstverband geen rol hoeven te spelen. Er kan wel rekening worden gehouden met de financiële situatie van de werkgever. Uitgaande van het voorgaande zal de kantonrechter de billijke vergoeding vaststellen op een bedrag van € 15.000,- bruto.

5.9.

Nu aan de ontbinding een vergoeding wordt verbonden, zal Allegion gelet op artikel 7:686a lid 6 BW in de gelegenheid worden gesteld om het verzoek in te trekken binnen de hierna genoemde termijn.

5.10.

De proceskosten komen voor rekening van de werkgever omdat zij ongelijk krijgt.

in de zaak van het tegenverzoek

5.11.

[de werknemer] heeft nabetaling gevorderd van het verschuldigde vakantiegeld (€ 4.102,56 bruto), een dertiende maand (€ 4.273,50 bruto), een vergoeding van 36,8 niet opgenomen vakantiedagen (€ 7.314,64) en ontheffing uit een eventueel concurrentiebeding. Allegion heeft hiertegen geen afzonderlijk verweer gevoerd. De kantonrechter zal deze afzonderlijke vergoedingen en de ontheffing dan ook toewijzen. De kantonrechter merkt daarbij op dat voornoemde bedragen zijn gevorderd, uitgaande van een ontbindingsdatum per 1 januari 2016. De arbeidsovereenkomst zal echter per 1 februari 2016 worden ontbonden. Zoals ter zitting is besproken, is bedoeld te vorderen de verschuldigde bedragen tot het einde van de arbeidsovereenkomst. De betreffende bedragen zullen dus dienovereenkomstig moeten worden aangepast.

5.12.

[de werknemer] heeft toewijzing verzocht van betaling door Allegion aan [de werknemer] van de bonus over 2014 van € 9.835,- bruto en over 2015 van € 29.538,80 bruto.

5.13.

Allegion heeft zich verzet tegen toewijzing van de door [de werknemer] bedoelde bonus. Volgens Allegion betreft toewijzing van een jaarlijkse bonus een discretionaire bevoegdheid van de werkgever en dient de werknemer om voor de bonus in aanmerking te komen in ieder geval een bepaalde target te halen, wat bij [de werknemer] niet het geval is.

bonus 2015

5.14.

Voor het jaar 2015 is een Bonus Target Agreement opgesteld (productie 13 [de werknemer] ). De persoonlijke doelstelling is voor [de werknemer] op € 900.000 gesteld. Om voor een bonus in aanmerking te komen dient 50 % van dit bedrag te zijn omgezet. Op basis van de van toepassing zijnde marge (Gross Margin %) en het behaalde percentage van de doelstelling wordt het variabel salaris bepaald.

5.15.

Door Allegion is niet, althans onvoldoende gemotiveerd weersproken dat [de werknemer] vanaf 1 januari 2015 tot 26 augustus 2015 een bedrag van € 383.905,66 aan gefactureerde omzet met een marge van 59% heeft behaald zodat de kantonrechter van dat bedrag en die marge zal uitgaan.

5.16.

Partijen verschillen van mening over het bedrag dat na 26 augustus 2015 aan omzet is behaald. [de werknemer] stelt onder overlegging van productie 15 dat dit € 403.797,85 is. Nu hem de toegang tot de computersystemen is ontzegd, is hem onbekend welke offertes zijn gescoord zodat alle offertes waarvan verwacht wordt dat deze tot facturatie in 2015 zullen leiden bij de omzet moeten worden opgeteld. Allegion brengt daartegen productie 34 in het geding. Dit is hetzelfde overzicht met als verschil dat waar in de kolom ‘datum scoring’ in het overzicht van [de werknemer] niets staat vermeld deze kolom in het overzicht van Allegion is ingevuld. Volgens Allegion volgt uit dit overzicht dat na 26 augustus 2015 voor een bedrag van € 54.594,25 aan omzet is gescoord. Allegion heeft evenwel nagelaten te vermelden op welke datum het overzicht is uitgeprint en of nadien meer offertes tot facturatie hebben geleid. Allegion is evenmin inhoudelijk ingegaan op de stelling van [de werknemer] dat de klant Heerema (die op het overzicht van Allegion staat vermeld met twee niet gescoorde offertes van respectievelijk € 76.248,- en € 84,262,-) hem heeft benaderd omdat hij de inkooporder van een offerte niet kon mailen, mogelijk omdat de mail van [de werknemer] is afgesloten.

5.17.

De kantonrechter overweegt als volgt. Teneinde te kunnen vaststellen welke omzet [de werknemer] vanaf 26 augustus 2015 heeft gerealiseerd, is nadere informatie nodig. Allegion beschikt over deze informatie. De kantonrechter maakt gebruik van de haar in artikel 22 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) gegeven bevoegdheid Allegion te bevelen alle relevante bescheiden (waaronder de e-mailcorrespondentie van de betreffende klanten) in het geding te brengen waaruit blijkt of de in het overzicht (productie 34 Allegion) opgenomen offertes waarachter in de kolom ‘datum scoring’ de letter N van nee staat vermeld, hebben gescoord. Ook dient het Gross Margin percentage inzichtelijk te worden gemaakt. Allegion wordt daarbij in de gelegenheid gesteld een korte toelichting te geven op de berekening van de bonus die volgens haar uit de overgelegde gegevens voortvloeit. [de werknemer] krijgt vervolgens de gelegenheid hierop – eveneens kort – te reageren.

bonus 2014

5.18.

Niet in geschil tussen partijen is dat er over 2014 geen jaardoelstelling is vastgesteld. Dit had ingevolge artikel 4 van de arbeidsovereenkomst wel op de weg van werkgever gelegen. Allegion heeft zich niet verweerd tegen de stelling dat indien de bonusregeling voor 2014 geldt, aansluiting gezocht moet worden bij het de in 2015 opgestelde Bonus Target Agreement. Aldus heeft deze tussen partijen ook voor het jaar 2014 te gelden.

5.19.

Wat betreft de hoogte van de bonus verschillen partijen van mening over de door [de werknemer] behaalde omzet. [de werknemer] heeft als productie 20 een overzicht overgelegd. De daarop vermelde gegenereerde omzet van € 182.222,45 tot 18 augustus 2014 is niet betwist, zodat deze is komen vast te staan.

5.20.

[de werknemer] geeft een gedetailleerd overzicht gegeven van de door hem behaalde omzet in de maanden augustus en september 2014 van in totaal (€ 895,- + € 4.638,30 + € 16.762,70 + € 660,- + € 9.860,- + € 927,- + € 445,- =) € 34.188,-. Hiertegen heeft Allegion slechts ingebracht dat [de werknemer] in de maanden augustus en september 2014 geen omzet kan hebben gehad omdat overdracht van projecten in een eindfase niet mogelijk is. Aan dit verweer zal de kantonrechter als onvoldoende gemotiveerd voorbijgaan. Immers, Allegion heeft de stelling dat klanten tijdens de ziekte van [de werknemer] op zijn naam bleven staan, niet weersproken. Ook de door Allegion als productie 35 overgelegde verklaring van een collega (‘Tijdens zijn diverse langere ziekte periodes hebben collega’s zaken waargenomen, de orderintake is op zijn naam blijven staan.’) onderschrijft deze stelling van [de werknemer] . Voorts is gesteld noch gebleken dat deze orders aan een collega van [de werknemer] zijn toegeschreven. Aldus is de omzet over de maanden januari tot en met september 2014 ten bedrage van

(€ 182.222,45 + € 34.188,- =) € 216.410,45 komen vast te staan.

5.21.

Voor de maanden oktober tot en met december 2015 geldt hetzelfde als hiervoor onder 5.17 is overwogen. Allegion dient de relevante informatie te verschaffen over de in de productie 20 van [de werknemer] onder deze maanden opgenomen klanten. [de werknemer] mag hierop reageren.

buitengerechtelijke kosten

5.22.

[de werknemer] heeft tevens verzocht Allegion te veroordelen tot betaling van de door zijn advocaat in rekening gebrachte kosten over de periode van 16 december 2013 tot en met 31 augustus 2015 ten bedrage van € 2.491,19 inclusief btw. [de werknemer] voert in dit verband aan dat hij kosten heeft moeten maken ter verdediging tegen de hem gerichte maatregelen van ontslag op staande voet, overdracht van zijn klantenbestand en mededeling aan relaties van zijn vertrek en eenzijdige wijziging van arbeidsvoorwaarden. Deze vordering ziet niet op de kosten die verband houden met het verweer tegen het onderhavige verzoek, aldus [de werknemer] .

5.23.

Allegion heeft zich op het standpunt gesteld dat deze vordering niet in deze procedure kan worden behandeld omdat artikel 7:686a lid 3 BW bepaalt dat alleen met het ingestelde verzoek verband houdende andere vorderingen kunnen worden ingediend. Subsidiair acht Allegion de vordering onvoldoende onderbouwd.

5.24.

Ter beoordeling ligt aldus voor of deze vordering verband houdt met het ingestelde verzoek. In de wetsgeschiedenis is bij laatstgenoemd artikellid de volgende toelichting gegeven. ‘Het gaat hierbij in beginsel om alle mogelijke vorderingen die bij de beëindiging van een arbeidsovereenkomst of het herstel daarvan kunnen worden ingediend. Daardoor wordt een dubbele rechtsgang voorkomen, wat tijd en geld scheelt en er ook voor zorgt dat het gerechtelijke apparaat minder zwaar wordt belast.’ (Kamerstukken II, 2013-2014, 33818, 3, p. 37-38). Als voorbeelden worden genoemd het vorderen van achterstallig loon of een geschil over het inroepen van een concurrentiebeding.

5.25.

De onderhavige vordering ziet op gemaakte kosten in verband met geschillen die gedurende het bestaan van de arbeidsovereenkomst zijn gerezen en niet op kosten die zijn gemaakt in verband met het geschil over het beëindigen van de arbeidsovereenkomst. Desondanks is de kantonrechter van oordeel dat de onderhavige vordering verband houdt met het verzoek. Zij overweegt daartoe als volgt. Zoals onder de feiten is weergegeven, heeft de gemachtigde van [de werknemer] verschillende malen Allegion aangeschreven. Op 16 december 2013 om de nietigheid van het gegeven ontslag op staande voet in te roepen; op 9 januari 2014 met de mededeling dat het loon niet kan worden ingehouden omdat sprake is van ziekte; op 27 maart 2014 met het verzoek de stopgezette salarisbetaling te hervatten; op 14 november 2014 om te laten weten niet akkoord te gaan met het voorstel tot beëindiging van de arbeidsovereenkomst en op 21 november 2014 met de mededeling dat [de werknemer] zich niet neerlegt bij het door de werkgever forceren van een breuk in de arbeidsverhouding. Zoals in de beoordeling van het verzoek is overwogen, heeft Allegion zich als slecht werkgever gedragen door het meermalen stopzetten van de loonbetaling, het gegeven ontslag op staande voet en het aansturen op het beëindigen van de arbeidsovereenkomst in plaats van [de werknemer] een serieuze kans te bieden om tot verbetering van zijn werkzaamheden te komen. Dit slecht werkgeverschap heeft in belangrijke mate bijgedragen aan de verstoorde arbeidsverhouding op grond waarvan de arbeidsovereenkomst wordt ontbonden. De kantonrechter neemt daarbij tevens in aanmerking de in de wetsgeschiedenis genoemde ratio van deze bepaling, te weten het voorkomen van dubbele rechtsgangen en het minder zwaar belasten van het gerechtelijk apparaat. De conclusie luidt dat de aan de orde zijnde vordering in deze procedure kan worden ingediend.

5.26.

[de werknemer] heeft ter onderbouwing van zijn vordering facturen overgelegd met bijbehorende urenverantwoording waaruit blijkt dat de gemachtigde van [de werknemer] tot de laatste ziekmelding op 28 augustus 2015 werkzaamheden heeft verricht in de vorm van (telefonisch) overleg, advies en het doen uitgaan van schriftelijke stukken. Allegion heeft hier slechts tegenin gebracht dat de vordering niet is onderbouwd. Dit verweer zal als onvoldoende gemotiveerd gepasseerd worden. Aldus ligt deze vordering voor toewijzing gereed.

5.27.

Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.

6 De beslissing

De kantonrechter:

in de zaak van het verzoek

6.1.

bepaalt dat de termijn, waarbinnen Allegion het verzoek kan intrekken (door middel van een schriftelijke mededeling aan de griffier, met toezending van een kopie daarvan aan de (gemachtigde van de) wederpartij), zal lopen tot en met 8 januari 2016.

Voor het geval de werkgever het verzoek niet binnen die termijn intrekt:

6.2.

ontbindt de arbeidsovereenkomst tussen partijen met ingang van 1 februari 2016;

6.3.

veroordeelt Allegion om aan [de werknemer] een transitievergoeding te betalen van
€ 3.314,34 bruto;

6.4.

veroordeelt Allegion om aan [de werknemer] een billijke vergoeding te betalen van
€ 15.000,- bruto;

6.5.

veroordeelt Allegion om aan [de werknemer] te betalen het verschuldigde vakantiegeld, het verschuldigde bedrag inzake de overeengekomen dertiende maand en het verschuldigde bedrag inzake niet genoten vakantiedagen met inachtneming van wat hierover onder 5.10 is overwogen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de respectieve verzuimdata tot aan de dag der algehele voldoening;

6.6.

ontheft [de werknemer] uit een eventueel tussen partijen bestaand concurrentiebeding;

6.7.

veroordeelt de werkgever tot betaling van de proceskosten, die de kantonrechter aan de kant van de werknemer tot en met vandaag vaststelt op € 400,- aan salaris van de gemachtigde van [de werknemer] ;

6.8.

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

in de zaak van het tegenverzoek

6.9.

beveelt op de voet van artikel 22 Rv tot overlegging door Allegion van de onder 5.17 vermelde bescheiden, voorzien van een toelichting, uiterlijk op 15 januari 2016;

6.10.

bepaalt dat [de werknemer] hier uiterlijk 12 februari 2016 op mag reageren;

6.11.

veroordeelt Allegion om aan [de werknemer] te betalen een bedrag van € 2.491,19 inclusief btw aan buitengerechtelijke kosten;

6.12.

houdt iedere verdere beslissing aan.

Deze beschikking is gewezen door mr. M. C. van Rijn, kantonrechter en op 18 december 2015 in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.

De griffier De kantonrechter