Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2015:11309

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
21-12-2015
Datum publicatie
01-03-2016
Zaaknummer
C/15/233254 / FA RK 15-6122
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Beëindiging gezag moeder binnen 6 maanden na geboorte mj; moeder onvoldoende pedagogische vaardigheden en mogelijkheden; geen redelijke termijn waarbinnen de moeder zelf de verzorging/opvoeding van minderjarige op zich kan nemen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Sectie Familie & Jeugd

Zittingsplaats: Alkmaar

zaakgegevens : C/15/233254 / FA RK 15-6122

datum uitspraak: 21 december 2015

beschikking beëindiging van het ouderlijk gezag na schorsing

in de zaak van

Raad voor de Kinderbescherming, hierna te noemen de Raad, gevestigd te Haarlem.

betreffende

[minderjarige], geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] , hierna te noemen [minderjarige] .

De meervoudige kamer van de rechtbank merkt als belanghebbenden aan:

[de moeder] , hierna te noemen de moeder,

wonende te [woonplaats] ,

[de vader] , hierna te noemen de vader,

wonende te [woonplaats] ,

De gecertificeerde instelling de William Schrikker Groep, hierna te te noemen GI,

gevestigd te Amsterdam.

Het procesverloop


Het procesverloop blijkt uit de volgende stukken:

- het verzoekschrift met bijlagen van de Raad van 5 oktober 2015, ingekomen bij de griffie op 6 oktober 2015;

- de beschikking van deze rechtbank van 15 oktober 2015;

- het schrijven van de Raad van 29 oktober 2015;

- het mailbericht van de GI van 30 november 2015;

- een aanvullend verslag van de Raad van 2 december 2015, met daaraan gehecht een observatieverslag van de pleegouders;

- de brief van de moeder ingekomen op 3 december 2015.

Op 4 december 2015 heeft de rechtbank de zaak ter zitting met gesloten deuren behandeld.

Gehoord zijn:

- de moeder en de vader, bijgestaan door mr. J.J.C. Engels,

- [medewerker Raad] , namens de Raad,

- [medewerker GI] , namens de GI.

Tevens aanwezig zijn:

- [mentor] , mentor van de moeder;

- [naam] , verbonden aan Stichting de Waerden.

De feiten

[minderjarige] verblijft bij pleegouders.


De kinderrechter heeft bij beschikking van 6 oktober 2015 de moeder in de uitoefening van haar gezag over [minderjarige] geschorst en op grond van artikel 1:268, tweede lid, BW, de GI belast met de voorlopige voogdij over [minderjarige] . Bij beschikking van 15 oktober 2015 heeft de meervoudige kamer van de rechtbank voornoemde beschikking bekrachtigd en de beslissing ten aanzien van het verzoek tot beëindiging van het ouderlijk gezag van de moeder aangehouden.

Het verzoek


De Raad heeft verzocht het gezag van de moeder te beëindigen en de GI tot voogdes over [minderjarige] te benoemen. In de rapportage van 5 oktober 2015 is aangegeven dat de bedreiging voor [minderjarige] bestaat uit zorgen over haar veiligheid en haar toekomstperspectief. De verwachting is dat de ouders niet in staat zijn om op een voor [minderjarige] aanvaardbare termijn de verantwoordelijkheid voor de verzorging en de opvoeding te kunnen dragen. Dit blijkt uit het feit dat een 24-uurs opname van de moeder en [minderjarige] ontoereikend is gebleken voor het toezicht en de specifieke zorg die [minderjarige] nodig heeft, waardoor een plaatsing in een pleeggezin geïndiceerd is. Gelet op de beperkte leerbaarheid van de ouders verwacht de Raad niet dat de situatie, binnen een voor [minderjarige] aanvaardbare termijn, anders zal worden. De Raad acht een gezagsbeëindigende maatregel derhalve geïndiceerd. Ter zitting heeft [medewerker Raad] mondeling toegevoegd dat er al voor de geboorte ernstige zorgen waren over de mogelijkheden van de ouders om de verzorging en de opvoeding van [minderjarige] op zich te nemen. Na de geboorte is gebleken dat [minderjarige] ernstig ziek is en dat zij zeer intensieve verzorging nodig heeft. De moeder heeft door de opname in [moeder-kindhuis] de kans gehad te laten zien dat zij kon bieden wat [minderjarige] nodig heeft. Door [moeder-kindhuis] is echter geconcludeerd dat het onverantwoord was de opname van de moeder met [minderjarige] voort te zetten. De verzorging van [minderjarige] overstijgt de mogelijkheden van de ouders en duidelijk is dat het in haar belang is dat zij in het pleeggezin blijft. De Raad is van oordeel dat nader onderzoek, een nieuwe opname of het benaderen van andere informanten, niet tot een andere conclusie hierover zal leiden. Een gezagsbeëindigende maatregel is noodzakelijk om vanuit de duidelijkheid over het perspectief van [minderjarige] het gesprek met de ouders aan te kunnen gaan om hun rol in het leven van [minderjarige] , niet zijnde opvoeders en verzorgers, verder te kunnen vaststellen.

Standpunt van belanghebbenden

Mr. Engels heeft ter zitting een pleitnotitie overgelegd waarvan de inhoud hier als ingelast dient te worden beschouwd. Zij heeft ter zitting hier mondeling aan toegevoegd dat de ouders niet op de hoogte waren van het observatieverslag van de pleegouders welke als bijlage bij de email van 30 november 2015 door de GI is overgelegd. De inhoud van dit verslag doet de ouders veel verdriet en zij zijn erg geschrokken. Ouders hebben alleen het belang van [minderjarige] voor ogen. Daarom zijn zij ook niet tegen de, in de ogen van de ouders onrechtmatige plaatsing van [minderjarige] in het pleeggezin, in verzet gegaan. Het beëindigen van het gezag over [minderjarige] zo vroeg in het hulpverleningsproces is echter een overhaaste beslissing. De ouders zijn bang dat zij onvoldoende informatie over de ontwikkeling van [minderjarige] zullen krijgen en niet bij beslissingen over haar verzorging en opvoeding betrokken zullen worden.

De moeder heeft ter zitting aangegeven dat tijdens de zwangerschap niets bekend was over een eventuele ziekte van de baby. Pas na de geboorte is de moeder er van op de hoogte gebracht dat zij dezelfde aandoening heeft als nu bij [minderjarige] is geconstateerd. Nu de moeder gewoon bij haar ouders heeft kunnen opgroeien tot een zelfstandige volwassen vrouw, is zij van mening dat dit ook voor [minderjarige] mogelijk is. Dat de moeder bij de plaatsing bij [moeder-kindhuis] niet heeft kunnen laten zien dat zij de verzorging en opvoeding van [minderjarige] op zich kan nemen, heeft te maken met angst. Binnen [moeder-kindhuis] is de moeder erg bang geweest dat iemand de baby iets aan zou doen. De moeder is dan ook van mening dat haar een nieuwe kans moet worden geboden om binnen een stabiele en veilige plek samen met [minderjarige] te worden geobserveerd. De moeder is van mening dat wanneer [minderjarige] terug bij de moeder geplaatst zal worden zij zich beter zal kunnen ontwikkelen en zal kunnen profiteren van alle liefde die zij als moeder [minderjarige] kan bieden. De moeder ontkent dat [minderjarige] zo ernstig ziek is als in het schrijven van de pleegouders is aangegeven. De moeder ziet dat [minderjarige] sinds zij bij de pleegouders geplaatst is aan kracht heeft ingeleverd en haar hoofdje niet meer rechtop kan houden. Ook vindt de moeder het zorgelijk dat [minderjarige] niet meer lacht naar haar vader.

De vader heeft ter zitting aangegeven dat de ouders zeer geschrokken te zijn van de informatie uit het schrijven van de pleegouders. Toch zijn de ouders ervan overtuigd dat zij met de inzet van veel hulp goed in staat zullen zijn zelfstandig de verzorging en opvoeding van [minderjarige] op zich te nemen. Dat eerder bij de plaatsing in [moeder-kindhuis] het de moeder niet is gelukt te laten zien over voldoende vaardigheden te beschikken, heeft te maken met de zekerheid die moeder ontleende aan haar gezagspositie. Dat heeft er toe geleid dat zij de kantjes er vanaf gelopen heeft. Dat zal nu niet meer gebeuren. De moeder heeft ervaring in de omgang met mensen met een beperking en met de nodige scholing zullen de ouders in staat zijn de verzorging van [minderjarige] op zich te nemen. De ouders begrijpen dat een thuisplaatsing van [minderjarige] nu nog niet aan de orde is en zij verzetten zich dan -vooralsnog- ook niet tegen de voortzetting van de plaatsing van hun dochter bij pleegouders. De beëindiging van het gezag kunnen de ouders echter niet accepteren.

De beoordeling


De rechtbank overweegt, dat zij op grond van artikel 1:266, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) het gezag van een ouder kan beëindigen, indien een minderjarige zodanig opgroeit dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en de ouder niet in staat is de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247, tweede lid, BW te dragen binnen een voor de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn.

In de beschikking van de kinderrechter van 19 mei 2015 heeft de kinderrechter over de dan nog ongeboren baby de voorlopige voogdij uitgesproken. In de beschikking is overwogen dat, gelet op de persoonlijke problematiek van de ouders, van belang is dat vanaf de geboorte van de baby 24-uur per dag toezicht en begeleiding komt. Zodoende kan zorgvuldig bekeken worden of de ouders over voldoende opvoedingsvaardigheden beschikken of dat zij voldoende leerbaar zijn om zich deze vaardigheden eigen te maken. Na het van rechtswege verlopen van voornoemde beschikking is bij beschikking van 6 oktober 2015 door de kinderrechter opnieuw de voorlopige voogdij over de op 10 juni 2015 geboren [minderjarige] uitgesproken. In de beschikking van 15 oktober 2015 heeft de kinderrechter voornoemde beschikking bekrachtigd. De beslissing ten aanzien van het verzoek tot beëindiging van het gezag van de moeder over [minderjarige] is aangehouden in afwachting van de (eind)rapportage(s) van [moeder-kindhuis] .

In voornoemd verslag van [moeder-kindhuis] van 8 september 2015 is aangegeven dat [minderjarige] ernstig in haar ontwikkeling wordt bedreigd. Zij kan zich niet veilig hechten aan haar moeder. [minderjarige] krijgt niet de fysieke zorg die zij nodig heeft, waardoor haar lichamelijke ontwikkeling en conditie verder achteruit gaan. [minderjarige] komt in onveilige situatie terecht. Ten aanzien van de veiligheidsschaal is aangegeven dat op een schaal van 1 tot 10, waar 10 betekent dat iedereen weet dat [minderjarige] veilig genoeg is zodat de organisatie de casus kan sluiten en 0 betekent dat de situatie zo slecht is voor [minderjarige] dat zij niet langer bij haar moeder in het moeder-kindhuis kan wonen, tijdens de Signs of Safety test, viermaal een 3 is gescoord en driemaal een 4. Er is echter ook sprake van driemaal een 0 c.q. een 0,5. In het observatieverslag van de pleegouders is nauwgezet aangegeven welke verzorging voor [minderjarige] noodzakelijk is geweest in de periode van 15 september 2015 tot 17 november 2015. Duidelijk is dat de verzorging van [minderjarige] zeer intensief is en veel vraagt van de capaciteiten van haar opvoeders en verzorgers. Er moeten veel bezoeken aan medisch specialisten worden afgelegd en de adviezen welke gegeven worden moeten nauwkeurig worden opgevolgd. De problematiek van [minderjarige] is complex en er zijn verschillende medische specialismen bij haar ontwikkeling betrokken. Vanuit deze specialisten is aangegeven dat [minderjarige] op verschillende gebieden goed in de gaten gehouden moet worden. Veel is nog onduidelijk en onzeker.

Naar het oordeel van de rechtbank is duidelijk dat de ernst en de aard van de problematiek van [minderjarige] een professionele verzorging en opvoeding vraagt. Bij [minderjarige] is de ziekte van Steinert gediagnosticeerd. Bij deze diagnose hoort een complex beeld van ernstige klachten en symptomen. De beschrijving van de noodzakelijke zorg voor [minderjarige] in het schrijven van de pleegouders is indrukwekkend. De professionaliteit van de pleegmoeder, een verpleegkundige, is van onmiskenbaar belang om de veiligheid en stabiliteit van [minderjarige] te waarborgen. Al voor de geboorte van [minderjarige] was er zorg over de vaardigheden van de moeder en de vader. Op dat moment bestonden er medisch gezien geen zorgen en werd uitgegaan van de ontwikkeling van een gezonde baby. Na de geboorte van [minderjarige] is de situatie anders gebleken. De moeder is de kans geboden haar vaardigheden te laten zien in de veilige situatie van het moeder-kindhuis [moeder-kindhuis] . Dit is niet gelukt. De moeder geeft zelf aan zich bij [moeder-kindhuis] niet veilig gevoeld te hebben, maar gezien is dat het de moeder niet lukt haar eigen gedachten en gevoelens opzij te zetten en de behoeften van [minderjarige] voorop te zetten. Deze observatie is nog meer van belang nu pas recent duidelijk is geworden dat de verzorging en opvoeding van [minderjarige] nog zoveel meer vraagt dan eerder al voor de moeder problematisch is gebleken. Ten aanzien van de vader van [minderjarige] is naar voren gekomen dat bij kinderen uit eerdere relaties reeds zorgen om zijn vaardigheden zijn gerezen. Daarbij heeft de vader een zeer ambivalente houding naar de hulpverlening en is zijn samenwerking wisselend. De vader heeft geen gezag over [minderjarige] .

Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk dat de ouders gezamenlijk noch een van de ouders individueel voldoende in staat zijn de verzorging en opvoeding van [minderjarige] ter hand te nemen. De inzet van zeer intensieve hulpverlening zou wellicht de draagkracht van de ouders kunnen ondersteunen, echter de ernst van de gezondheidstoestand van [minderjarige] en hetgeen zij van haar opvoeders en verzorgers vraagt, maakt dat de draaglast deze draagkracht van de ouders met zekerheid zal overstijgen. Het verslag van de observatie van de moeder in [moeder-kindhuis] en daarbij de informatie over de opvoedingsvaardigheden van vader ten aanzien van eerdere kinderen bevestigen dit. Ook ter zitting blijkt dat de moeder een geheel eigen beleving heeft over de ernst van de situatie van [minderjarige] en een gekleurd beeld heeft over de toekomst en het behandeltraject van [minderjarige] . De vader geeft aan dat het volgen van een cursus en het inzetten van ondersteuning in de thuissituatie voldoende zal zijn om de veiligheid van zijn dochter in de thuissituatie te waarborgen. Ouders lijken de ernst van de zorgen over de gezondheidstoestand van [minderjarige] niet in te zien en de situatie te bagatelliseren. De rechtbank is van oordeel dat deze houding van de ouders de voortgang van het behandeltraject van [minderjarige] ernstig zal belemmeren. De gezondheidstoestand en de verdere veilige ontwikkeling van [minderjarige] is echter dermate kwetsbaar dat elk risico moet worden vermeden. Gelet op de ernst en de aard van de zorgen over [minderjarige] is duidelijk dat er voor haar geen aanvaardbare termijn is waarbinnen gewerkt kan en moet worden naar een thuisplaatsing bij de moeder. Belangrijk is dat vanuit duidelijkheid over het perspectief van [minderjarige] het gesprek met de ouders moet worden aangegaan over de invulling van hun rol in het leven [minderjarige] , als niet zijnde opvoeder en verzorger. Bij het vaststellen van de voor [minderjarige] meest passende omgangsafspraken en de wijze waarop de ouders bij haar opvoeding en verzorging betrokken kunnen worden zal het belang van [minderjarige] leidend zijn.

De rechtbank is van oordeel dat aan het criterium van artikel 1:266, eerste lid, lid a BW is voldaan en zal het verzoek tot beëindiging van het gezag van de moeder toewijzen.

Omdat de beëindiging van het gezag van de moeder ertoe zal leiden dat een gezagsvoorziening over [minderjarige] komt te ontbreken, dient de rechtbank op grond van artikel 1:275, eerste lid BW een voogd over haar te benoemen. Gelet op de bereidverklaring van de GI zal de rechtbank deze met de voogdij over [minderjarige] belasten.

De beslissing


De rechtbank:

beëindigt het ouderlijk gezag van de moeder over de minderjarige:

[minderjarige], geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ,

benoemt tot voogdes over genoemde minderjarige de gecertificeerde instelling de William Schrikker Groep, gevestigd te Amsterdam,

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven door mr. W.C. Oosterbroek, kinderrechter tevens voorzitter, mr. A.S. Friedberg, kinderrechter en mr. F. Kleefmann, kinderrechter, in tegenwoordigheid van A.M. Pieters als griffier en in het openbaar uitgesproken op 21 december 2015.

Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:

- door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,

- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.

Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof
Amsterdam