Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2015:11234

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
18-12-2015
Datum publicatie
18-12-2015
Zaaknummer
15/810250-14 (P)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Promis; onderzoek Delta.

Beroep op niet-ontvankelijkheid afgewezen (Zwolsman-criterium). Vrijspraak van medeplegen moord.

De verdediging heeft een beroep gedaan op de niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie, omdat er na afloop van een proformazitting vertrouwelijke communicatie tussen de verdachte en zijn raadsman is opgenomen toen zij in een café een nabespreking hielden.

De rechtbank verwerpt dit verweer. De rechtbank twijfelt niet aan de uitleg van de officier van justitie dat het niet de bedoeling is geweest om gesprekken met de advocaat af te luisteren. Temeer niet nu blijkt dat op het moment dat het vermoeden ontstond dat mogelijk sprake was van een geheimhoudersgesprek, de betreffende audiofile in de kluis is gelegd. Uit het dossier blijkt ook niet dat het onderzoeksteam informatie uit een dergelijk gesprek heeft gebruikt. Het recht van de verdachte op een eerlijke behandeling van zijn zaak is dan ook niet tekort gedaan.

In de onderhavige zaak ontbreekt direct bewijs dat verdachte bij de dood van het slachtoffer betrokken is. Dit brengt met zich dat de rechtbank moet beoordelen of de in de wel aanwezige bewijsmiddelen vervatte feiten en omstandigheden, de betrokkenheid van verdachte bij de dood van het slachtoffer buiten gerede twijfel stellen. Dat houdt in dat de bewijsconstructie die in geval van een bewezenverklaring moet worden gebouwd, in beginsel logisch sluitend moet zijn en geen reële ruimte mag laten voor alternatieve verklaringen of scenario’s, waarin de verdachte niet als dader of medepleger valt aan te merken. Dergelijke scenario’s moeten als uiterst onwaarschijnlijk buiten de deur kunnen worden gezet.

De rechtbank komt tot het oordeel dat er te veel redelijke twijfel over de betrokkenheid van verdachte bij de dood van het slachtoffer bestaat en dat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs is om tot een veroordeling van verdachte te komen. De rechtbank spreekt verdachte dan ook vrij.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Afdeling Publiekrecht, Sectie Straf

Locatie Haarlem

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 15/810250-14 (P)

Uitspraakdatum: 18 december 2015

Tegenspraak

Vonnis

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzittingen van 30 november, 1 december, 3 december en 4 december 2015 in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] (Iran),

ingeschreven in de basisadministratie persoonsgegevens op het adres [adres].

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. M.S. Warnaar en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. M.G. Cantarella, advocaat te 's-Gravenhage, naar voren hebben gebracht.

1. Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 20 maart 2014 te Den Hoorn, gemeente Midden-Delfland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk en al dan niet met voorbedachte rade een persoon genaamd [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft/hebben verdachte en/of (een of meer van) zijn mededader(s) met dat opzet en al dan niet na kalm beraad en rustig overleg, met een vuurwapen één of meer kogel(s) geschoten in het hoofd van die [slachtoffer], tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden.

2. Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is en dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak.

2.1. Niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie

De raadsman van verdachte heeft een beroep op de niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie gedaan, wegens ernstige schending van de beginselen van behoorlijke procesorde. Daartoe heeft de raadsman – samengevat en zakelijk weergegeven – aangevoerd dat in opdracht van de officier van justitie op 8 oktober 2015, volgend op de pro forma zitting van die dag, doelbewust vertrouwelijke communicatie is opgenomen tussen verdachte en zijn raadsman. Dit blijkt ook uit de aanvraag van het bevel ex artikel 126l Wetboek van Strafvordering (Sv), waarin staat vermeld dat aan de af te luisteren gesprekken “vertrouwenspersonen” zouden deelnemen. De raadsman ziet het doelbewuste handelen van de officier van justitie dienaangaande ook bevestigd door de onderbouwing van de aanvraag waarin met zoveel woorden staat dat de aanvraag onder meer wordt gedaan omdat: “Met deze stand van zaken (…) het thans onvoldoende zeker (is) dat het huidige bewijs tot een veroordeling kan/zal leiden”, terwijl de aanvraag die uiteindelijk ook door de rechter-commissaris is gehonoreerd, verzoekt toe te staan dat zelfs in de rechtbank, alwaar de pro-forma zitting plaatsvindt, gesprekken mogen worden opgenomen.1 De raadsman heeft verder aangevoerd dat niet te controleren is wat door het onderzoeksteam met de informatie van het gesprek is gedaan en op welk moment de officier van justitie is ingelicht. Voorts zijn de data niet direct vernietigd. Dit alles leidt tot de conclusie dat sprake is van een dermate ernstige schending van de beginselen van behoorlijke procesorde waardoor doelbewust het recht op een eerlijk proces van verdachte is geschonden, dat dit moet leiden tot de niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie, aldus de raadsman.

De officier van justitie heeft vorenstaande lezing uitdrukkelijk betwist. Van een doelbewust afluisteren van gesprekken met een geheimhouder is geen sprake geweest. De dwangmiddelen zijn zorgvuldig en met toestemming van de rechter-commissaris ingezet. Daar waar in de aanvraag van genoemd bevel wordt gesproken over gesprekken met “vertrouwenspersonen”, is enkel gedoeld op gesprekken met familieleden of kennissen. Zodra bij de teamleider van het onderzoeksteam het vermoeden ontstond dat sprake zou kunnen zijn van een geheimhoudersgesprek, is besloten het gesprek niet verder uit te werken. De officier van justitie heeft geen kennis genomen van de inhoud van het gesprek. Het gesprek is (nog) niet vernietigd aangezien er dan geen enkele mogelijkheid tot controle meer zou bestaan, aldus de officier van justitie. Het betreft hier immers een andere situatie dan die waarbij ten tijde van het tappen van een telefoon een geheimhoudersgesprek blijkt te zijn getapt. Deze gesprekken worden direct herkend aan het nummer dat belt of gebeld wordt en worden dan ook vernietigd voordat iemand dit gesprek onder ogen heeft gekregen. De formulering van de door de raadsman aangehaalde onderbouwing van de aanvraag is inderdaad ongelukkig en is bij de volgende aanvragen ook gewijzigd. Dat kan echter niet tot de niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie leiden. De officier van justitie heeft hierbij nog gewezen op het proces-verbaal van observatie van donderdag 8 oktober 2015, waaruit blijkt dat de observatie pas buiten de rechtbank is aangevangen en niet al in de rechtbank.2

De rechtbank overweegt als volgt. Voor een niet-ontvankelijk verklaring van het Openbaar Ministerie is, gezien de jurisprudentie van de Hoge Raad met betrekking tot artikel 359a Sv, alleen dan plaats indien de met de opsporing of vervolging belaste ambtenaren ernstig inbreuk hebben gemaakt op de beginselen van een behoorlijke procesorde, waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekort gedaan (het zogenoemde Zwolsman-criterium). Daarvan is in dit geval geen sprake en het beroep daarop van de raadsman slaagt derhalve niet. Daartoe heeft de rechtbank in aanmerking genomen geen aanleiding te zien om aan de hiervoor aangehaalde toelichting van de officier van justitie dat het niet de bedoeling was om ook geheimhouders af te luisteren, te twijfelen. Temeer niet nu uit het proces-verbaal van bevindingen d.d. 1 december 2015 blijkt dat op het moment dat bij het onderzoeksteam het vermoeden ontstond dat mogelijk sprake was van een gesprek met een geheimhouder, de betreffende audiofile op een separate datadrager is geïsoleerd en deze datadrager, in afwachting van een verdere beslissing, ter bewaring in de kluis van de Dienst Regionale Recherche is gelegd.3 Het enkele feit dat de op grond van deze aanvraag verleende machtiging de mogelijkheid bood om zelfs in de rechtbank gesprekken af te luisteren, doet daaraan – wat er ook zij van de wenselijkheid van die mogelijkheid – niet af. De observatie is overigens daadwerkelijk pas buiten de rechtbank aangevangen volgens het desbetreffende proces-verbaal van observatie.4 Het feit dat het gesprek niet direct is vernietigd, maar in een kluis is bewaard, acht de rechtbank begrijpelijk, nu het in dit geval, anders dan wanneer sprake is van tapgesprekken, nog niet zeker was dat het een gesprek met een geheimhouder betrof. Het dossier biedt voorts geen aanknopingspunten om te veronderstellen dat het onderzoeksteam gebruik heeft gemaakt van de informatie uit dit gesprek. De rechtbank is met de officier van justitie van mening dat de formulering van de in de aanvraag van het bevel onder meer aangevoerde onderbouwing dat het “met deze stand van zaken thans onvoldoende zeker is dat het huidige bewijs tot een veroordeling kan/zal leiden” weliswaar ongelukkig is, maar dat duidelijk is dat deze aanvraag, welke is getoetst door de rechter-commissaris, bedoeld is te gelden in het kader van de waarheidsvinding.

De rechtbank acht het Openbaar Ministerie ook overigens ontvankelijk in zijn vervolging en oordeelt dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3. Inleiding
Op donderdag 20 maart 2014, omstreeks 21.29 uur, kwam er een telefonische melding binnen bij de politie dat een bebloede man op de bank zou liggen op het adres [adres] te Den Hoorn. Politieagenten zagen voor de woning een man en een vrouw staan, welke ook op dat adres zouden wonen. De man wees de agenten in welke woning de bebloede man lag. Ter plaatse troffen twee agenten het slachtoffer [slachtoffer] aan op de bank met vermoedelijk een schotwond in zijn hoofd. Er lag bloed op de bank en op de grond. Een van de agenten controleerde de vitale functies van het slachtoffer en voelde dat het slachtoffer mogelijk nog een zwakke pols had en warm aanvoelde. Vervolgens werd er door de agenten gestart met reanimatie, die werd overgenomen door het ambulancepersoneel toen dat ter plaatse was gekomen. De reanimatie werd gestopt toen duidelijk werd dat het slachtoffer was overleden. Er werd geen vuurwapen in de nabijheid van het lichaam van het slachtoffer aangetroffen, hierdoor werd zelfmoord uitgesloten. De woning en directe omgeving werd als plaats delict aangemerkt.

Op de plaats delict is verdachte samen met medeverdachte [medeverdachte 2] (hierna: [medeverdachte 2]) aangehouden. [medeverdachte 2] is de partner van het slachtoffer met wie zij samen een vogelwinkel heeft. Verdachte is een huisgenoot van [medeverdachte 2] en het slachtoffer die ook vaak in de vogelwinkel helpt. In het daaropvolgende onderzoek is op 20 mei 2014 tevens [medeverdachte 1] (hierna: [medeverdachte 1]) als verdachte aangehouden op verdenking van betrokkenheid bij de dood van het slachtoffer.

Door de patholoog is vastgesteld dat het slachtoffer is overleden als gevolg van een bij leven opgelopen schotverwonding in het hoofd.

4. Bewijs

4.1. Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit. Naar het oordeel van de officier van justitie leiden alle bewijsmiddelen, in onderling verband en in samenhang bezien, tot de conclusie dat er sprake was van een gezamenlijk plan van verdachte en zijn medeverdachten om het slachtoffer van het leven te beroven. Ter onderbouwing van haar standpunt heeft de officier van justitie - kort samengevat - het volgende aangevoerd. Volgens de officier van justitie duiden de bevindingen er zeer sterk op dat een bekende van het slachtoffer het slachtoffer heeft doodgeschoten. Tevens heeft verdachte een duidelijk motief en hebben verdachte en zijn medeverdachten de gelegenheid gehad het slachtoffer te doden, terwijl verdachte geen sluitend alibi heeft. Uit de bewijsmiddelen blijkt voorts dat verdachte in de twee weken voor de moord op het slachtoffer op zoek is gegaan naar een vuurwapen en naar een schutter alsmede dat verdachte en zijn medeverdachten rond het tijdstip van de moord berichten naar elkaar hebben gestuurd die duiden op een gezamenlijk plan. Ook heeft de ex-vriendin van medeverdachte [medeverdachte 1] zeer belastende sms-berichten naar [medeverdachte 1] verstuurd waaruit de betrokkenheid van onder meer verdachte bij de dood van het slachtoffer kan worden opgemaakt. De juistheid van die berichten vindt steun in vele onderdelen van het dossier, waaronder de vele belcontacten tussen verdachte en [medeverdachte 1] in de twee weken voor de moord en vlak voor het tijdstip van de moord en het wissen door verdachte van deze onderlinge contacten in zijn telefoon. Tot slot is er sprake van onverklaarbare gedragingen van verdachte rondom de dood van het slachtoffer, waaronder het volstrekt onnodig heen en weer rijden tussen de woning en de winkel van het slachtoffer samen met medeverdachte [medeverdachte 2]. Alhoewel de officier van justitie haar bewijsconstructie niet heeft gebaseerd op de resultaten van het schotrestenonderzoek, heeft zij wel opgemerkt dat de schotresten die bij verdachte en [medeverdachte 2] zijn aangetroffen, kunnen passen bij de conclusie dat verdachte en [medeverdachte 2] betrokken zijn geweest bij de dood van het slachtoffer.

Volgens de officier van justitie bieden de bevindingen uit het dossier daarnaast ook geen steun voor een (concreet) alternatief scenario voor de moord op het slachtoffer. Voor een onbekend gebleven andere dader was zeer weinig tijd voorhanden om de moord te plegen en er zijn geen braaksporen aan de woning van het slachtoffer aangetroffen. Ook de wijze waarop het slachtoffer is aangetroffen, de zeer geringe schootsafstand, het risico voor een derde, niet zijnde verdachte en/of zijn medeverdachten, dat anderen dan het slachtoffer in de woning aanwezig zouden zijn, het feit dat verdachte en [medeverdachte 2] als enigen buiten het slachtoffer over de sleutel van de woning beschikten en het ontbreken van aanwijzingen dat er sprake was van actuele conflicten tussen het slachtoffer en anderen, passen niet bij een meer algemeen alternatief scenario waarbij iemand anders dan verdachte en/of zijn medeverdachten de woning is binnengedrongen en het slachtoffer heeft gedood. Evenmin bieden de bevindingen uit het dossier steun voor enig specifiek onderzocht scenario.

4.2. Het standpunt van de verdediging

De raadsman van verdachte heeft ten aanzien van het tenlastegelegde feit (subsidiair) vrijspraak bepleit wegens het ontbreken van wettig en overtuigend bewijs. Daartoe heeft hij - kort samengevat - aangevoerd dat de discrepanties in de verklaringen van verdachte en de feiten zoals die door de politie zijn vastgesteld noch de verklaringen van de getuigen leiden tot bewijsmiddelen op grond waarvan de betrokkenheid van verdachte bij de moord dan wel doodslag van het slachtoffer kan worden vastgesteld. Los daarvan heeft de raadsman ten aanzien van een aantal, specifiek door hem benoemde bewijsmiddelen aangegeven dat ze niet betrouwbaar zijn en dus ook niet voor het bewijs gebezigd kunnen worden. Ook de conclusies van de schotrestendeskundige geven geen uitsluitsel over de betrokkenheid van verdachte bij de dood van het slachtoffer. Deze conclusies passen net zo goed bij het standpunt van de verdediging dat sprake is van (secundaire of tertiaire) contaminatie. Voorts heeft de raadsman betoogd dat een alternatief scenario waarbij een onbekende dader de woning is binnengedrongen en het slachtoffer om het leven heeft gebracht, gelet op de tijdspanne tussen het moment dat het slachtoffer nog in leven moet zijn geweest en het moment dat getuigen [getuige 1] en [getuige 2] bij de woning zijn aangekomen, mogelijk is. Tot slot heeft de raadsman betoogd dat het bestanddeel “medeplegen” noch het bestanddeel “met voorbedachten rade” wettig en overtuigend bewezen kan worden.

4.3. Vrijspraak

De rechtbank stelt voorop dat direct bewijs dat verdachte bij de dood van het slachtoffer betrokken is, ontbreekt. Er is geen vuurwapen aangetroffen en er zijn geen getuigen die daadwerkelijk zelf hebben gezien dat het ten laste gelegde feit werd gepleegd. Dit brengt met zich dat de rechtbank moet beoordelen of de in de wel aanwezige bewijsmiddelen vervatte feiten en omstandigheden, de betrokkenheid van verdachte bij de dood van het slachtoffer buiten gerede twijfel stellen. Dat houdt in dat de bewijsconstructie die in geval van een bewezenverklaring moet worden gebouwd, in beginsel logisch sluitend moet zijn en geen reële ruimte mag laten voor alternatieve verklaringen of scenario’s, waarin de verdachte niet als dader of medepleger valt aan te merken. Dergelijke scenario’s moeten als uiterst onwaarschijnlijk buiten de deur kunnen worden gezet.

De rechtbank stelt om te beginnen vast dat het slachtoffer om 20:58:59 uur nog in leven moet zijn geweest. Op dat moment werd immers nog een activiteit met de telefoon van het slachtoffer verricht, namelijk het openen van de Apple Maps applicatie, waarbij de positie werd bekeken.5 Tevens stelt de rechtbank vast dat verdachte om 21:29:44 uur een melding heeft gedaan bij 112.6 In de tussenliggende periode moet het slachtoffer derhalve om het leven zijn gebracht.

In het navolgende gaat de rechtbank in op de bewijsconstructie die de officier van justitie aan haar conclusie - dat het ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen kan worden geacht - ten grondslag heeft gelegd.

De (substantiële) betrokkenheid van verdachte bij de dood van het slachtoffer blijkt volgens de officier van justitie uit het volgende.

A. Verdachte heeft een duidelijk motief en hij heeft de gelegenheid gehad het slachtoffer te doden.

B. Verdachte en [medeverdachte 2] hebben berichten naar elkaar gestuurd rond 20:56 uur die duiden op een gezamenlijk plan en een instructie van verdachte aan [medeverdachte 2] om naar boven te gaan.

C. Verdachte is in de weken voorafgaande aan de moord op zoek gegaan naar een vuurwapen en een schutter.

D. De ex-vriendin van medeverdachte [medeverdachte 1] heeft zeer belastende berichtjes naar [medeverdachte 1] gestuurd die rechtstreeks te maken hebben met de dood van het slachtoffer en de betrokkenheid van verdachte en [medeverdachte 1] daarbij.

E. De juistheid van die berichtjes wordt ondersteund door:

1. Het feit dat er vele belcontacten zijn tussen verdachte en [medeverdachte 1] in de twee weken voor de moord.

2. Het telefoontje van verdachte naar [medeverdachte 1], ongeveer een half uur voor de moord.

3. Het feit dat verdachte en [medeverdachte 1] verschillend verklaren over een ontmoeting die zij op 20 maart 2014 rond 12.00 uur zouden hebben gehad.

4. Het wissen door verdachte van de onderlinge contacten tussen hem en [medeverdachte 1].

5. Het feit dat [medeverdachte 1] bij zijn verhoor als getuige zijn contacten met verdachte in de weken voorafgaand aan de moord ontkent.

F. Er is sprake van onverklaarbare gedragingen van verdachte, waaronder het volstrekt onnodig heen en weer rijden tussen de woning en de winkel van het slachtoffer samen met [medeverdachte 2].

G. De omstandigheden rondom het aantreffen van de plaats delict en het slachtoffer, te weten:

1. De dader heeft zonder braak de woning kunnen binnenkomen.

2. De dader was op de hoogte van wie aanwezig waren.

3. Voor het slachtoffer was er geen aanleiding om op te schrikken. Hij is gewoon op de bank blijven liggen.

4. De dader heeft het slachtoffer tot zeer dichtbij kunnen benaderen.

Ad A. Motief en gelegenheid

De rechtbank is het met de officier van justitie eens dat in beginsel uit de tijdlijn volgt dat verdachte de gelegenheid heeft gehad het slachtoffer te doden. Vooropgesteld zij echter dat het enkele feit dat verdachte de gelegenheid heeft gehad om het slachtoffer te doden, uiteraard nog niet wil zeggen dat hij dat ook daadwerkelijk heeft gedaan.

De officier van justitie heeft verder opgemerkt dat alle verdachten een motief hadden, maar heeft niet specifiek aangegeven welk motief ze dan bij verdachte aanwezig acht, anders dan dat hij en [medeverdachte 2] mogelijk ten tijde van het misdrijf een relatie hadden. Dit is des te opmerkelijker nu de officier van justitie sommige specifieke alternatieve scenario’s - waarover hierna meer - uitsluit wegens het ontbreken van een motief.

Ad B. Het bericht om 20:56 uur van verdachte aan [medeverdachte 2]

Volgens de officier van justitie duidt het bericht “Ga je douchen” van verdachte aan [medeverdachte 2] om 20:56 uur op een instructie aan [medeverdachte 2] dat zij op dat moment boven moest gaan douchen en dus weg moest gaan uit de huiskamer. Volgens de officier van justitie is er geen enkele andere logische verklaring voor het versturen van dit berichtje tussen twee huisgenoten die op het moment van het versturen/ontvangen van het berichtje vermoedelijk naast elkaar zaten, en is de uitleg van verdachte over de reden waarom hij dit berichtje stuurde in strijd met de waarheid. De officier van justitie ziet een bevestiging van dit standpunt in een gesprek tussen verdachte en [medeverdachte 2] dat blijkens de OVC (Opnemen Vertrouwelijke Communicatie) op de [adres 2] in Den Haag op 25 november 2015 om 14:29:40 uur heeft plaatsgevonden. In dat gesprek zegt [medeverdachte 2] iets onverstaanbaars dat eindigt met “…douchen. Toen was het nog heel aannemelijk.”7

De rechtbank stelt vast dat [medeverdachte 2] op 20 maart 2014 om 20:56:27 uur met haar telefoon een printscreen van een Duitse e-mail met Duits adres naar de telefoon van het slachtoffer heeft verstuurd. Drie seconden later, om 20:56:30 uur, heeft verdachte naar de telefoon van [medeverdachte 2] het bericht: “Ga je douchen” gezonden.8 [medeverdachte 2] heeft verklaard dat zij op het moment dat zij het slachtoffer de printscreen betreffende het Duitse e-mailadres stuurde, beneden op de bank zat bij het slachtoffer.9 Tegenover de politie heeft verdachte echter verklaard dat hij [medeverdachte 2] het bericht “Ga je douchen” stuurde omdat ze op dat moment boven was en hij beneden. Nadat hij het bericht naar [medeverdachte 2] had verstuurd, stond zij een paar minuten later, tien of zo, beneden en had zij gedoucht.10 Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat [medeverdachte 2], nadat hij het bericht “Ga je douchen” naar haar stuurde, vrijwel direct beneden stond.11

Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat niet goed te verklaren is waarom verdachte het bericht “Ga je douchen” naar [medeverdachte 2] heeft verzonden. Tevens is de rechtbank met de officier van justitie van oordeel dat de verklaringen van verdachte en [medeverdachte 2] strijdig met elkaar zijn en dus niet beide kunnen kloppen. Ook de door de officier van justitie aangehaalde opmerking van [medeverdachte 2] van 25 november 2015 is in dit verband opmerkelijk te noemen. Daarbij merkt de rechtbank echter wel op dat niet alles is te verstaan wat [medeverdachte 2] heeft gezegd, zodat niet kan worden uitgesloten dat, als de gehele tekst te verstaan zou zijn, de zin een andere betekenis zou krijgen.

Hoewel uit het bovenstaande volgt dat een en ander op zijn minst opmerkelijk is, is dit echter onvoldoende om de conclusie te rechtvaardigen dat uit dit enkele bericht volgt dat sprake is geweest van een bewuste en nauwe samenwerking tussen verdachte en [medeverdachte 2] waarbij dit bericht een instructie zou zijn geweest van verdachte aan [medeverdachte 2] om naar boven te gaan.

Ad C. De zoektocht van verdachte naar een wapen

Verdachte heeft verklaard dat het slachtoffer ruzie heeft gehad bij de voetbalclub. Het slachtoffer heeft verdachte naar aanleiding van dit incident gevraagd of hij aan een vuurwapen kon komen. Verdachte heeft vervolgens aan [getuige 15] gevraagd of hij een vuurwapen kon regelen maar volgens verdachte en [getuige 15], die ter zitting is gehoord, is er nooit daadwerkelijk een vuurwapen aan hem geleverd. Omdat hij naar aanleiding van de vraag van het slachtoffer of hij een vuurwapen kon regelen, zijn hart wilde luchten, heeft verdachte contact opgenomen met [getuige 16] en hem gevraagd of hij zou durven te schieten.12

Alhoewel de rechtbank van oordeel is dat vraagtekens geplaatst kunnen worden bij de juistheid van de verklaring van verdachte omtrent de aanleiding en betekenis van zijn Whats-appcontacten met [getuige 15] en [getuige 16] met betrekking tot het regelen van een vuurwapen en zijn vraag of [getuige 16] een vuurwapen durft te gebruiken, blijkt uit de in de telefoon van verdachte aangetroffen Whats-appgesprekken niet dat [getuige 15] daadwerkelijk een vuurwapen aan verdachte heeft geleverd. Ook anderszins is niet aannemelijk geworden dat door [getuige 15] of een ander daadwerkelijk aan verdachte een vuurwapen is geleverd. Daarbij merkt de rechtbank nog op dat, als al zou blijken dat er daadwerkelijk een vuurwapen aan verdachte is geleverd, daarmee nog niet duidelijk is wat er vervolgens met dat vuurwapen is gebeurd. Is dat voor de moord op het slachtoffer gebruikt of voor iets anders? Is het door verdachte gebruikt of door iemand anders? In ieder geval kan ook niet zonder meer worden uitgesloten dat verdachte daadwerkelijk op zoek was naar een vuurwapen omdat het slachtoffer zich door een derde, niet zijnde verdachte en/of de medeverdachten, bedreigd voelde.

Ad D. Belastende berichtjes van [getuige 13] aan [medeverdachte 1]

[getuige 13] (hierna: [getuige 13]), de ex-vriendin van [medeverdachte 1] met wie hij samen een zoontje heeft, heeft op 11 april 2014, 8 mei 2014 en 12 mei 2014 verschillende berichten aan [medeverdachte 1] gestuurd, waarin zij suggereert dat zij weet dat verdachte en [medeverdachte 1] betrokken zijn bij de moord op het slachtoffer.13 De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de beschuldigingen die [getuige 13] in die berichten uit, gelet op de inhoud van de berichten en het moment waarop zij de beschuldigingen uit, slechts gebaseerd kunnen zijn op informatie die zij van [medeverdachte 1] heeft gekregen over de daadwerkelijke betrokkenheid van verdachte en [medeverdachte 1] bij die moord. [medeverdachte 1] is immers pas op 20 mei 2014 - derhalve na het versturen van de bedoelde berichten - als verdachte in het onderzoek aangehouden. Daarvoor is hij op 26 maart 2014 slechts als getuige in het onderzoek gehoord. Tot 20 mei 2014 kon zij dus nog niet bedenken dat hij als verdachte zou worden aangemerkt. Opmerkingen van [getuige 13] die vóór 20 mei 2014 suggereren dat [medeverdachte 1] en verdachte als dader bij de moord betrokken zijn, moeten dus op informatie berusten die zij van [medeverdachte 1] heeft gekregen, zo stelt de officier van justitie.

[getuige 13] is op 20 mei 201414 en 5 juni 201415 door de politie gehoord, op 6 november 2014 door de rechter-commissaris16 en op 30 november 2015 door deze rechtbank. In al deze verhoren verklaart zij consistent dat het hier slechts valse beschuldigingen betreft en dat zij [medeverdachte 1] in hun strijd om hun kind wel van meer slechte dingen heeft beschuldigd, die niet op waarheid berustten, teneinde deze valse beschuldigingen in lopende familierechtelijke procedures te benutten. Daarbij komt dat aan [medeverdachte 1] bij zijn verhoor als getuige op 26 maart 2014 reeds is verteld dat hij werd gehoord in het onderzoek naar de moord op het slachtoffer en dat in dat onderzoek twee personen zijn aangehouden, waaronder verdachte die [medeverdachte 1] als “[bijnaam medeverdachte 1]” zou kennen. [medeverdachte 1] vertelt in dat verhoor dat “zijn vrouw” [bijnaam medeverdachte 1] ook kent.17 De avond van het verhoor heeft hij contact met [getuige 13]. Hij beëindigt het gesprek met haar met de mededeling “Als ik daar kom, dan praten we rustig”.18

Gelet op het vorenstaande kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden uitgesloten dat de informatie waarover [getuige 13] in de berichten van 11 april 2014, 8 mei 2014 en 12 mei 2014 suggereert te beschikken, afkomstig is van hetgeen [medeverdachte 1] haar naar aanleiding van zijn verhoor als getuige heeft verteld. Daar heeft hij immers te horen gekregen dat “[bijnaam medeverdachte 1]”, die zij allebei kennen, is aangehouden voor de moord op het slachtoffer. En hij is als getuige met name ook verhoord over zijn (recente) contacten met “[bijnaam medeverdachte 1]”. De rechtbank is om die reden van oordeel dat niet kan worden uitgesloten dat [getuige 13] de informatie die zij hierdoor heeft verkregen, inderdaad zoals zij consistent heeft verklaard, heeft gebruikt om [medeverdachte 1] onder druk te zetten door hem te beschuldigen van betrokkenheid bij de moord op het slachtoffer, terwijl zij niet weet of hij daar daadwerkelijk bij betrokken is geweest.

Dat [getuige 13] in haar beschuldigingen zaaksspecifieke informatie heeft benoemd die de dan al openbaar geworden dan wel bij [medeverdachte 1] bekend geworden informatie te buiten gaat, is de rechtbank overigens niet gebleken.

Ad E1. De vele belcontacten tussen verdachte en [medeverdachte 1] in de periode voorafgaand aan de moord

Uit onderzoek is gebleken dat in de periode van 13 tot en met 20 maart 2014, derhalve de week voorafgaand aan de moord, verdachte en [medeverdachte 1] in totaal 244 maal per telefoon of sms contact hebben gehad of in ieder geval een poging daartoe hebben gedaan.19

De rechtbank is het met de officier van justitie eens dat dit op zichzelf opvallend veel contacten in één week tijd zijn. Echter, daar waar verdachte blijkens het dossier en zijn eigen verklaring, in de weken voorafgaand aan de moord bij [getuige 15] informeert of hij hem een vuurwapen zou kunnen leveren en bij “[bijnaam getuige 16]” ([getuige 16]) of hij een wapen zou durven gebruiken, is niet gebleken dat de contacten tussen hem en [medeverdachte 1] ook over de levering en/of het gebruik van een vuurwapen gingen. Er zijn geen sms-berichten met een dergelijke inhoud, gericht aan [medeverdachte 1] of verstuurd door [medeverdachte 1] aan verdachte, aangetroffen. Daarbij komt dat zowel verdachte als [medeverdachte 1] (o.a.) op 21 maart 2014 respectievelijk 26 maart 2014 hebben verklaard dat hun contacten gingen over de auto van [medeverdachte 1] die verdachte wilde kopen en die hij in termijnen aan het betalen was. Beiden verklaren zij dat verdachte op dat moment in totaal al 500 of 600 euro aan [medeverdachte 1] had betaald en dat hij steeds wat geld kwam brengen.20 Ten tijde van die betreffende verhoren zat verdachte overigens in de beperkingen. Bij die stand van zaken kan niet zonder meer worden uitgesloten dat deze contacten daadwerkelijk over de aanschaf van de auto van [medeverdachte 1] door verdachte gingen en dus niet over de moord op het slachtoffer.

Ad E2. Verdachte belt ongeveer een half uur voor de moord naar [medeverdachte 1]

Op 20 maart 2014 belt verdachte om 20:37:40 uur met het nummer [telefoonnummer]. Om 20:38:45 uur doet hij dat opnieuw. Dit betreft het telefoonnummer op naam van [bedrijf] te Breda, in gebruik bij [getuige 17].21 Volgens [getuige 17] wordt hij gebeld door een anoniem nummer en wordt er tegen hem gezegd: “Ik zie je zo op de hoek van de straat, zoals afgesproken. Als je niet komt, heb je een probleem.”, waarna de verbinding wordt verbroken.22 Onderzoek aan de telefoon van verdachte wijst uit dat verdachte vermoedelijk heeft geprobeerd om [medeverdachte 1] anoniem te bellen door #31# voor het nummer van [medeverdachte 1] te draaien, waarbij hij bij het handmatig intoetsen van het nummer van [medeverdachte 1] twee getallen heeft omgedraaid. Het nummer van [medeverdachte 1] is namelijk [telefoonnummer] en dat nummer belt verdachte vervolgens om 19:40:24 uur, 19:41:03 uur en 19:41:19 uur, echter zonder dat er een gesprek tot stand komt.23 Dit heeft verdachte later ook bevestigd. Hij belde met [medeverdachte 1] toen hij bij de winkel op [medeverdachte 2] aan het wachten was.24 Mogelijk is dat verdachte [medeverdachte 1] anoniem belde, omdat hij hem al meerdere keren had geprobeerd te bellen en [medeverdachte 1] maar niet opnam, en hoopte dat, als hij anoniem belde en [medeverdachte 1] dus niet kon zien wie hem belde, [medeverdachte 1] wel zou opnemen.25

De rechtbank is het met de officier van justitie eens dat dit een opvallend telefoongesprek is, gelet op de inhoud daarvan, het tijdstip waarop het is gevoerd en het feit dat verdachte [medeverdachte 1] anoniem probeert te bellen. Op zichzelf valt ook niet uit te sluiten dat, ondanks dat er uiteindelijk geen gesprek tussen verdachte en [medeverdachte 1] tot stand komt, verdachte en [medeverdachte 1] elkaar wel op de hoek bij de Plusmarkt - waar ze blijkens hun eigen verklaringen altijd afspraken - ontmoet hebben die avond, aangezien de boodschap volgens [getuige 17] was “zoals afgesproken”. Kennelijk zou [medeverdachte 1] dus van deze afspraak op de hoogte moeten zijn geweest. Echter, als de ontmoeting al heeft plaatsgevonden, dan biedt het dossier geen enkel aanknopingspunt wat er ten tijde van deze eventuele ontmoeting dan precies is gebeurd of besproken. Zoals hierboven reeds is opgemerkt, staat uitsluitend vast dat het slachtoffer ten tijde van deze ontmoeting in ieder geval nog leefde. Daarnaast is gebleken dat verdachte en [medeverdachte 2] kort na dit telefoontje bij het slachtoffer thuis aankwamen, dus de ontmoeting kan niet heel lang geduurd hebben.

Ad E3. De ontmoeting tussen verdachte en [medeverdachte 1] op 20 maart 2014 rond 12.00 uur

In zijn verklaring van 21 maart 2014 zegt verdachte dat hij op 20 maart 2014 rond 12.00 uur met [medeverdachte 1] had afgesproken om weer wat geld voor de auto te betalen. Rond 13.30 uur was hij terug.26 In zijn verhoor op 22 maart 2014 plaatst hij de afspraak iets later in de tijd, maar geeft hij nog steeds aan dat de ontmoeting rond 13.30 uur was afgelopen.27 [medeverdachte 1] zegt op 26 maart 2014 dat de laatste keer dat verdachte hem geld gaf iets langer geleden was. “2 of 3 weken. Ik weet echt niet.”28 In werkelijkheid lijkt de laatste ontmoeting tussen verdachte en [medeverdachte 1], afgaande op de verklaring van verdachte, dus een kleine week eerder dan het verhoor geweest te zijn. De verklaring van [medeverdachte 1] lijkt daarmee niet geloofwaardig. Tegelijk geeft hij echter aan dat hij het niet meer zeker weet wanneer het precies was, maar dat ze al een keer of zes hadden afgesproken om een geldbedrag te betalen en dat hij wel weet dat ze altijd vóór 16.00 uur afspraken en op de hoek van de straat.

In het licht van het feit dat het slachtoffer diezelfde avond wordt vermoord, zou dit verschil in de verklaringen van verdachte en [medeverdachte 1] opvallend genoemd kunnen worden. Tegelijk kan ook niet worden uitgesloten dat zij elkaar inderdaad al een keer of zes hadden ontmoet op die locatie om een geldbedrag af te geven, in welk geval het feit dat verdachte niet meer weet of de laatste keer één week of twee à drie weken geleden is, wellicht een stuk logischer is.

Ad E4-5. Het wissen door verdachte van de onderlinge contacten tussen hem en [medeverdachte 1] en het feit dat [medeverdachte 1] zijn contacten met verdachte in de weken voorafgaand aan de moord ontkent

Ad E4.

Uit onderzoek is gebleken dat [medeverdachte 1] in de periode van 13 tot en met 20 maart 2014 68 sms-berichten aan verdachte heeft gestuurd en 57 sms-berichten van verdachte heeft ontvangen. Hoewel er verschillende sms-berichten in de telefoon van verdachte zijn aangetroffen, is geen één van de hier bedoelde berichten aangetroffen, hetgeen op zichzelf opvallend genoemd zou kunnen worden.29 Verdachte heeft hierover verklaard dat hij regelmatig berichten wist.30 Ook [medeverdachte 1] had al zijn berichten gewist.

Ad E5.

In zijn verklaring die [medeverdachte 1] op 26 maart 2014 als getuige heeft afgelegd, doet hij het voorkomen alsof hij verdachte al een week of twee à drie niet heeft gezien of gesproken en hem ook nauwelijks kent.31 Eenmaal aangemerkt als verdachte, beroept [medeverdachte 1] zich op zijn zwijgrecht. Het is dan ook niet bekend waarom [medeverdachte 1] heeft gesuggereerd dat hij verdachte al een tijd niet had gezien, terwijl uit onderzoek is gebleken dat ze in de week voor de moord zeer regelmatig (telefonisch) contact hebben gehad. De raadsman van [medeverdachte 1] heeft ter zitting aangegeven dat dit er wellicht mee te maken heeft gehad dat [medeverdachte 1] te horen kreeg dat verdachte als een verdachte in de moordzaak werd gezien en dat [medeverdachte 1] liever niet te veel aan iemand gelinkt wilde kunnen worden die mogelijk een moord zou hebben gepleegd.

Voor beide genoemde punten geldt dat de rechtbank het met de officier van justitie eens is, dat hetgeen daarin wordt weergegeven opmerkelijk is of in ieder geval opmerkelijk zou kunnen zijn. Het enkele feit dat deze punten (mogelijk) opmerkelijk zijn, wil echter - ook in onderlinge samenhang bezien - nog niet zeggen dat ze bewijs voor het medeplegen van de moord vormen. Wellicht heeft [medeverdachte 1] andere redenen om zich zo te gedragen en het (wederzijds) wissen van sms-berichten van bepaalde personen zegt nog niet per definitie dat sprake is van het verhullen van een strafbaar feit, laat staan van een moord.

Ad F. De onverklaarbare gedragingen van verdachte

Uit het dossier is gebleken dat de kassa van de winkel om 20.42 uur is afgesloten32 en [medeverdachte 2] heeft verklaard dat verdachte en zij rond 21.10 uur weer de winkel binnenliepen.33 Hieruit volgt dat verdachte en [medeverdachte 2] maximaal slechts een half uurtje thuis kunnen zijn geweest. Enerzijds lijkt het niet logisch om voor zo’n kort tijdsbestek op en neer te rijden. Anderzijds woonden verdachte, [medeverdachte 2] en het slachtoffer op slechts vijf minuten rijden van de winkel vandaan, wat het weer iets aannemelijker maakt dat je even op en neer rijdt.

Verdachte heeft met betrekking tot het heen en weer rijden tussen de woning en de winkel van het slachtoffer op de avond van de moord verklaard dat sinds enkele weken een afspraak tussen hem, [medeverdachte 2] en het slachtoffer bestond die inhield dat op koopavonden verdachte en [medeverdachte 2] na sluitingstijd nog terug moesten naar de winkel om de babyvogels te voeren. Dit zou zijn geweest omdat er eerder veel vogeltjes stierven en het slachtoffer dacht dat dat kwam doordat ze te vroeg in de avond hun laatste voeding kregen.34 Ook [medeverdachte 2] heeft verklaard dat zij het voeren van de vogels op koopavond sinds twee of drie maanden anders deed en dat zij voor die tijd op koopavond niet terug hoefde om te voeren.35

Deze verklaringen van verdachte en [medeverdachte 2] vinden steun in het dossier. Uit verschillende getuigenverhoren blijkt immers dat het (in ieder geval sinds enige tijd) gebruikelijk was om op koopavond na sluitingstijd nog terug te gaan naar de winkel om de babyvogels te voeren. Zo verklaart getuige [getuige 7], de ex-schoondochter van het slachtoffer waarmee hij zeer intensief contact had, dat [medeverdachte 2] sinds een week of twee iedere dag om 21:00 uur terug ging naar de zaak om daar de vogels te voeren.36 Ook getuige [getuige 8], een medewerkster van de winkel, verklaart dat de vogels ’s avonds nog rond 21:00 à 21:30 uur gevoerd werden37 evenals getuige [getuige 9], een buurman van de winkel, die verklaart dat ze de laatste tijd rond 21:30 à 21:45 uur terug kwamen naar de winkel, de getuige denkt om de papegaaien te voeren.38

Met betrekking tot de overige, door de officier van justitie op pagina 84 van haar requisitoir genoemde, gedragingen van verdachte die volgens haar onverklaarbaar zijn, merkt de rechtbank op dat een aantal van die gedragingen weliswaar opmerkelijk te noemen is, maar dat daarvoor mogelijk ook een logische verklaring kan zijn. Zo valt niet uit te sluiten dat de reactie van verdachte die de officier van justitie opmerkelijk noemt, toch een reactie is die past bij iemand die in shock dan wel verstijfd reageert op de aanblik van een vriend die mogelijk stervende is en in een plas bloed ligt. Daarnaast merkt de rechtbank op dat uit geen van de genoemde omstandigheden enige betrokkenheid van verdachte bij de moord op het slachtoffer kan worden opgemaakt.

(Tussen)conclusie

Ten aanzien van de hierboven genoemde punten geldt dat de rechtbank het met de officier van justitie eens is, dat hetgeen daarin wordt weergegeven opmerkelijk is of in ieder geval opmerkelijk zou kunnen zijn. Het enkele feit dat deze punten (mogelijk) opmerkelijk zijn, wil echter nog niet zeggen dat ze bewijs voor het medeplegen van de moord vormen. Wellicht heeft verdachte andere hem moverende redenen om zich te gedragen zoals hij heeft gedaan. Een en ander wordt niet anders wanneer al deze punten in onderling verband en samenhang worden bezien. De rechtbank heeft naast de door de officier van justitie aangevoerde bewijsmiddelen ook geen andere bewijsmiddelen in het dossier aangetroffen die een ander oordeel rechtvaardigen en onomstotelijk in de richting van verdachte als (mede)dader wijzen. Daarbij weegt de rechtbank ook het volgende mee.

Ad G. De omstandigheden rondom het aantreffen van (het slachtoffer op) de plaats delict

Met de verdediging is de rechtbank van oordeel dat de door de officier van justitie aangevoerde omstandigheden rondom het aantreffen van (het slachtoffer op) de plaats delict, de mogelijkheid dat een onbekende dader de woning ongezien is binnengedrongen en vervolgens het slachtoffer heeft overdonderd en om het leven heeft gebracht, niet zonder meer uitsluiten. Zelfs indien het standpunt van de officier van justitie - dat een andere dader dan verdachte en/of zijn medeverdachten slechts 15 minuten de gelegenheid kan hebben gehad om het slachtoffer te doden - als uitgangspunt wordt genomen, kan die mogelijkheid niet worden uitgesloten. Het is immers mogelijk dat een andere dader, bijvoorbeeld door middel van de “flipper-methode” dan wel op andere wijze, in korte tijd de woning is binnengedrongen, het slachtoffer - al dan niet slapend - vervolgens heeft overvallen dan wel onder dreiging van een vuurwapen heeft gedwongen weer op de bank plaats te nemen, en om het leven heeft gebracht. Dit te meer daar verdachte in zijn eerste verhoor heeft verklaard dat toen hij naar de woning liep, de deur naar zijn mening al op een kier stond omdat zijn pup zo snel doorliep. Hij dacht toen dat het slachtoffer de deur al open had gezet, omdat het slachtoffer dat wel vaker deed.39 Getuige [getuige 1] geeft ook aan dat haar bijgebleven is dat zij de hond naar de voordeur toe zag rennen en dat het leek alsof hij bij de voordeur gewoon door kon rennen.40

Dat niet valt uit te sluiten dat een ander dan verdachte en/of zijn medeverdachten het slachtoffer om het leven heeft gebracht, vindt ook steun in de verklaringen van verschillende getuigen die rondom het tijdstip van de moord onbekende verdachte personen in de straat hebben gezien. Zo verklaart getuige [getuige 10], bewoonster van [wooncomplex], dat zij tussen 19:45 uur en 20:30 uur een man op het voetpad zag lopen in de richting van [wooncomplex]. De man was geheel in het donker gekleed, had zijn handen in de zakken van zijn vest en droeg een capuchon over zijn hoofd. Getuige [getuige 10] keek hem aan en hij keek haar aan. Zij kreeg een eng gevoel bij deze man.41 Getuige [getuige 11], eveneens bewoonster van [wooncomplex], verklaart dat zij op 20 maart 2014 rond 20:45 uur twee in het zwart geklede mannen, welke zij niet eerder in de buurt heeft gezien en waar zij een raar gevoel bij kreeg, in de nabijheid van de woning heeft zien lopen.42 Getuige [getuige 12], die op 20 maart 2014 op bezoek was bij een bewoonster van [wooncomplex], heeft verklaard dat hij rond 21:00 uur buiten op de stoep naast de parkeerplaats aan de rechterkant een auto geparkeerd zag staan. In de auto zat iemand op de bestuurdersplek, waarvan de getuige het idee had dat deze persoon aan het wachten was.43

De rechtbank is dan ook van oordeel dat de mogelijkheid dat een ander dan verdachte en/of zijn medeverdachten het slachtoffer om het leven heeft gebracht, niet zo onwaarschijnlijk is dat deze moet worden uitgesloten, temeer nu het dossier aanknopingspunten biedt dat mogelijk ook andere personen dan verdachte en/of medeverdachte [medeverdachte 2] een motief voor de moord op het slachtoffer hadden. Anders dan de officier van justitie stelt, maakt de rechtbank uit het dossier op dat het slachtoffer wel degelijk ook (recente) conflicten/problemen met anderen had.

Schotresten

Ten overvloede overweegt de rechtbank nog het volgende. Op verdachte en [medeverdachte 2] zijn schotresten aangetroffen. De exacte oorzaak van de aanwezigheid van deze schotresten op de handen en kleding van verdachte en [medeverdachte 2] valt evenwel niet met zekerheid te herleiden, mede in aanmerking genomen dat er sterke aanwijzingen zijn dat deze schotresten daarop terecht kunnen zijn gekomen door contaminatie. Opmerkelijk in dit verband is dat er aan/in de auto waarmee verdachte en [medeverdachte 2] zich verplaatsten, geen schotresten (categorie A-deeltjes), anders dan van politiemunitie, zijn aangetroffen.

Conclusie

De rechtbank komt op grond van al het voorgaande tot de slotsom dat er te veel redelijke twijfel over de betrokkenheid van verdachte bij de dood van het slachtoffer bestaat en dat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs is om tot een veroordeling van verdachte te komen. De rechtbank zal verdachte dan ook vrijspreken van het aan hem ten laste gelegde feit.

De rechtbank realiseert zich bij dit oordeel terdege dat veel vragen onbeantwoord blijven en dat het door de officier van justitie geschetste scenario juist kan zijn. Echter, de enkele mogelijkheid is onvoldoende. Ondanks al het onderzoek dat is verricht, is helaas niet komen vast te staan op welke wijze en door wiens toedoen het slachtoffer van het leven is beroofd, hetgeen met name voor de nabestaanden uiterst betreurenswaardig en verdrietig is.

5. Beslissing

De rechtbank:

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij.

Heft op het reeds geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van verdachte.

Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door

mr. M. Daalmeijer, voorzitter,

mr. P.H. Lauryssen en mr. J.A.M. Jansen, rechters,

in tegenwoordigheid van de griffiers mr. V.J.M. Goldschmeding en W. Remijn MSc,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 18 december 2015.

W. Remijn is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

1 Proces-verbaal aanvraag bevel opnemen van vertrouwelijke communicatie met een technisch hulpmiddel d.d. 7 oktober 2015 (Methodiekendossier [verdachte] Deel IV, bijlage 086, pagina 1311-1312).

2 Het proces-verbaal van observatie donderdag 8 oktober 2015 d.d. 15 oktober 2015 (AMB. 249, Vijfde aanvullend zaaksdossier pagina 2635-2640).

3 Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 1 december 2015 (AMB. 261, Vijfde aanvullend zaaksdossier pagina 2702-2703).

4 Het proces-verbaal van observatie donderdag 8 oktober 2015 d.d. 15 oktober 2015 (AMB. 249, Vijfde aanvullend zaaksdossier pagina 2635-2640).

5 De tijdlijn, opgenomen in bijlage 1 bij een verslag van een deskundige, te weten het rapport Data-analyse van gegevens van een iPhone naar aanleiding van een geweldsmisdrijf te Den Hoorn op 20 maart 2014 van het Nederlands Forensisch Instituut te Den Haag d.d. 26 mei 2015 met zaaknummer 2014.03.21.192 en aanvraagnummer 021, opgemaakt door [deskundige 1] (pagina 2 van 4 van de bijlage, los opgenomen).

6 Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 28 maart 2014 (AMB. 054, Zaakdossier, pagina 240-241).

7 Het proces-verbaal van relaas d.d. 1 december 2015 (Vijfde Aanvullend zaaksdossier, pagina 2587).

8 Een schriftelijke rapportage, te weten het informatierapport Tijdlijn 20 maart 2014, opgemaakt door [verbalisant 1], werkzaam als Senior Intelligence bij de Dienst Regionale Informatie Organisatie van de eenheid Den Haag d.d. 23 april 2015 (Tweede aanvullend zaaksdossier, pagina 2503).

9 Het proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte 2] d.d. 21 maart 2014 (V. 02 eerste verhoor, Zaaksdossier, pagina 1921-1922).

10 Het proces-verbaal van verhoor van verdachte [verdachte] d.d. 23 maart 2015 (V. 01 derde verhoor, Zaaksdossier, pagina 1776).

11 De verklaring van verdachte ter terechtzitting d.d. 30 november 2015.

12 De verklaring van verdachte ter terechtzitting d.d. 30 november 2015.

13 Het proces-verbaal pv bevindingen sms berichten d.d. 16 juni 2014 (AMB. 141, Zaaksdossier pagina 453-454).

14 Het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 13] d.d. 20 mei 2014 (G. 085.1, Zaaksdossier pagina 1570-1580).

15 Het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 13] d.d. 5 juni 2014 (G. 085.2, Zaaksdossier pagina 1584-1590).

16 Het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 13] door de rechter-commissaris d.d. 6 november 2014 (los opgenomen).

17 Het proces-verbaal van verhoor getuige [medeverdachte 1] d.d. 26 maart 2014 (G. 025, Zaaksdossier pagina 1157-1162).

18 Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 8 juli 2014 (AMB. 167, Zaaksdossier 522-524, 526 met bijlage).

19 Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 26 maart 2014 (AMB. 060, Zaaksdossier pagina 252-253).

20 Het proces-verbaal van verhoor getuige [medeverdachte 1] d.d. 26 maart 2014 (G. 025, Zaaksdossier pagina 1160) en het proces-verbaal van verhoor verdachte [verdachte] d.d. 21 maart 2014 (V. 01 eerste verhoor, Zaaksdossier pagina 1745).

21 Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 16 april 2014 (AMB. 090, Zaaksdossier pagina 303).

22 Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 10 april 2014 (AMB. 098, Zaaksdossier pagina 317).

23 Een schriftelijk stuk, te weten het Informatierapport bevindingen anoniem bellen d.d. 2 juni 2014 (AMB. 133, Zaaksdossier pagina 431-432).

24 Het proces-verbaal van verhoor verdachte [verdachte] d.d. 23 maart 2014 (V. 01 derde verhoor, Zaaksdossier, pagina 1774) en de verklaring van verdachte ter terechtzitting van 30 november 2015.

25 Het proces-verbaal van relaas d.d. 18 januari 2014 (Zaaksdossier pagina 41).

26 Het proces-verbaal van verhoor verdachte [verdachte] d.d. 21 maart 2014 (V. 01 eerste verhoor, Zaaksdossier pagina 1745).

27 Het proces-verbaal van verhoor verdachte [verdachte] d.d. 22 maart 2014 (V. 01 tweede verhoor, Zaaksdossier pagina 1754).

28 Het proces-verbaal van verhoor getuige [medeverdachte 1] d.d. 26 maart 2014 (G. 025, Zaaksdossier pagina 1160).

29 Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 26 maart 2014 (AMB. 060, Zaaksdossier pagina 252-253).

30 Het proces-verbaal van verhoor verdachte [verdachte] d.d. 19 mei 2014 (V. 01 zevende verhoor, Zaaksdossier pagina 1859).

31 Het proces-verbaal van verhoor getuige [medeverdachte 1] d.d. 26 maart 2014 (G. 025, Zaaksdossier pagina 1160).

32 Het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 4] d.d. 26 maart 2014 (G.010.1, Zaaksdossier, pagina 1016-1017).

33 Het proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte 2] d.d. 22 maart 2014 (V.02 tweede verhoor, Zaaksdossier, pagina 1948).

34 De verklaring van verdachte ter terechtzitting van 30 november 2015.

35 Het proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte 2] d.d. 27 maart 2014 (V. 02 zesde verhoor, Zaaksdossier, pagina 2013-2014).

36 Het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 7] d.d. 23 maart 2014 (G. 071, Zaaksdossier, pagina 966).

37 Het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 8] d.d. 25 maart 2014 (G. 012.1, Zaaksdossier, pagina 1060).

38 Het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 9] d.d. 24 april 2014 (G. 065, Zaaksdossier, pagina 1467).

39 Het proces-verbaal van verhoor verdachte [verdachte] d.d. 21 maart 2014 (V.01 eerste verhoor, Zaaksdossier pagina 1746).

40 Het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 1] d.d. 24 maart 2014 (G. 015, Zaaksdossier pagina 1084).

41 Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 13 november 2014 (AMB. 204, Ambtshandelingendossier, pagina 615-616).

42 Het proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 11] d.d. 7 april 2014 (G. 046, Zaaksdossier, pagina 1339-1340).

43 Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 2 april 2014 (AMB. 067, Zaaksdossier, pagina 268).