Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2015:11225

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
18-12-2015
Datum publicatie
18-12-2015
Zaaknummer
15/810038-15 (voorheen: 15/810249-14)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Promis; onderzoek Delta.

Beroep op niet-ontvankelijkheid afgewezen (Zwolsman-criterium). Vrijspraak van medeplegen moord.

De verdediging heeft een beroep gedaan op de niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie, omdat er na afloop van een proformazitting vertrouwelijke communicatie tussen de verdachte en haar raadsvrouw is opgenomen toen zij in een café een nabespreking hielden.

De rechtbank verwerpt dit verweer. De rechtbank twijfelt niet aan de uitleg van de officier van justitie dat het niet de bedoeling is geweest om gesprekken met de advocaat af te luisteren. Temeer niet nu blijkt dat op het moment dat het vermoeden ontstond dat mogelijk sprake was van een geheimhoudersgesprek, de betreffende audiofile in de kluis is gelegd. Uit het dossier blijkt ook niet dat het onderzoeksteam informatie uit een dergelijk gesprek heeft gebruikt. Het recht van de verdachte op een eerlijke behandeling van haar zaak is dan ook niet tekort gedaan.

In de onderhavige zaak ontbreekt direct bewijs dat verdachte bij de dood van het slachtoffer betrokken is. Dit brengt met zich dat de rechtbank moet beoordelen of de in de wel aanwezige bewijsmiddelen vervatte feiten en omstandigheden, de betrokkenheid van verdachte bij de dood van het slachtoffer buiten gerede twijfel stellen. Dat houdt in dat de bewijsconstructie die in geval van een bewezenverklaring moet worden gebouwd, in beginsel logisch sluitend moet zijn en geen reële ruimte mag laten voor alternatieve verklaringen of scenario’s, waarin de verdachte niet als dader of medepleger valt aan te merken. Dergelijke scenario’s moeten als uiterst onwaarschijnlijk buiten de deur kunnen worden gezet.

De rechtbank komt tot het oordeel dat er te veel redelijke twijfel over de betrokkenheid van verdachte bij de dood van het slachtoffer bestaat en dat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs is om tot een veroordeling van verdachte te komen. De rechtbank spreekt verdachte dan ook vrij.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Afdeling Publiekrecht, Sectie Straf

Locatie Haarlem

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 15/810038-15 (voorheen: 15/810249-14) (P)

Uitspraakdatum: 18 december 2015

Tegenspraak

Vonnis

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzittingen van 30 november, 1 december, 3 december en 4 december 2015 in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],

ingeschreven in de basisadministratie persoonsgegevens op het adres [adres].

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. M.S. Warnaar en van wat verdachte en haar raadsvrouw, mr. J. Lintjer, advocaat te 's-Gravenhage, naar voren hebben gebracht.

1. Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

zij op of omstreeks 20 maart 2014 te Den Hoorn, gemeente Midden-Delfland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk en met voorbedachten rade een persoon genaamd [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft/hebben verdachte en/of (een of meer van) haar mededader(s) met dat opzet en al dan niet na kalm beraad en rustig overleg, met een vuurwapen één of meer kogel(s) geschoten in het hoofd van die [slachtoffer], tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden.

2. Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is en dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak.

2.1. Niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie

De raadsvrouw van verdachte heeft een beroep op de niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie gedaan, wegens ernstige schending van de beginselen van behoorlijke procesorde. Daartoe heeft de raadsvrouw – samengevat en zakelijk weergegeven – aangevoerd dat in opdracht van de officier van justitie op 8 oktober 2015, volgend op de pro forma zitting van die dag, doelbewust vertrouwelijke communicatie is opgenomen tussen verdachte en haar raadsvrouw. Dit blijkt ook uit de aanvraag van het bevel ex artikel 126l Wetboek van Strafvordering (Sv), waarin staat vermeld dat aan de af te luisteren gesprekken “vertrouwenspersonen” zouden deelnemen. De raadsvrouw ziet het doelbewuste handelen van de officier van justitie ook bevestigd door de onderbouwing van de aanvraag waarin met zoveel woorden staat dat de aanvraag onder meer wordt gedaan omdat: “Met deze stand van zaken (…) het thans onvoldoende zeker (is) dat het huidige bewijs tot een veroordeling kan/zal leiden”, terwijl de aanvraag die uiteindelijk ook door de rechter-commissaris is gehonoreerd, verzoekt toe te staan dat zelfs in de rechtbank, alwaar de pro-forma zitting plaatsvindt, gesprekken mogen worden opgenomen.1 De raadsvrouw heeft verder aangevoerd dat niet te controleren is wat door het onderzoeksteam met de informatie van het gesprek is gedaan en op welk moment de officier van justitie is ingelicht. Voorts zijn de data niet direct vernietigd. Tenslotte wijst de raadsvrouw er op dat de officier van justitie pas na twee inhoudelijke zittingsdagen om aanhouding heeft verzocht terwijl dit eerder had gekund en ook had gemoeten. Dit alles leidt tot de conclusie dat sprake is van een dermate ernstige schending van de beginselen van behoorlijke procesorde waardoor doelbewust het recht op een eerlijk proces van verdachte is geschonden, dat dit moet leiden tot de niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie, aldus de raadsvrouw.

De officier van justitie heeft vorenstaande lezing uitdrukkelijk betwist. Van een doelbewust afluisteren van gesprekken met een geheimhouder is geen sprake geweest. De dwangmiddelen zijn zorgvuldig en met toestemming van de rechter-commissaris ingezet. Daar waar in de aanvraag van genoemd bevel wordt gesproken over gesprekken met “vertrouwenspersonen”, is enkel gedoeld op gesprekken met familieleden of kennissen. Zodra bij de teamleider van het onderzoeksteam het vermoeden ontstond dat sprake zou kunnen zijn van een geheimhoudersgesprek, is besloten het gesprek niet verder uit te werken. De officier van justitie heeft geen kennis genomen van de inhoud van het gesprek. Het gesprek is (nog) niet vernietigd aangezien er dan geen enkele mogelijkheid tot controle meer zou bestaan, aldus de officier van justitie. Het betreft hier immers een andere situatie dan die waarbij ten tijde van het tappen van een telefoon een geheimhoudersgesprek blijkt te zijn getapt. Deze gesprekken worden direct herkend aan het nummer dat belt of gebeld wordt en worden dan ook vernietigd voordat iemand dit gesprek onder ogen heeft gekregen. De formulering van de door de raadsvrouw aangehaalde onderbouwing van de aanvraag is inderdaad ongelukkig en is bij de volgende aanvragen ook gewijzigd. Dat kan echter niet tot de niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie leiden. De officier van justitie heeft hierbij nog gewezen op het proces-verbaal van observatie van donderdag 8 oktober 2015, waaruit blijkt dat de observatie pas buiten de rechtbank is aangevangen en niet al in de rechtbank.2

De rechtbank overweegt als volgt. Voor een niet-ontvankelijk verklaring van het Openbaar Ministerie is, gezien de jurisprudentie van de Hoge Raad met betrekking tot artikel 359a Sv, alleen dan plaats indien de met de opsporing of vervolging belaste ambtenaren ernstig inbreuk hebben gemaakt op de beginselen van een behoorlijke procesorde, waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekort gedaan (het zogenoemde Zwolsman-criterium). Daarvan is in dit geval geen sprake en het beroep van de raadsvrouw slaagt derhalve niet. Daartoe heeft de rechtbank in aanmerking genomen geen aanleiding te zien om aan de hiervoor aangehaalde toelichting van de officier van justitie dat het niet de bedoeling was om ook geheimhouders af te luisteren, te twijfelen. Temeer niet nu uit het proces-verbaal van bevindingen d.d. 1 december 2015 blijkt dat op het moment dat bij het onderzoeksteam het vermoeden ontstond dat mogelijk sprake was van een gesprek met een geheimhouder, de betreffende audiofile op een separate datadrager is geïsoleerd en deze datadrager, in afwachting van een verdere beslissing, ter bewaring in de kluis van de Dienst Regionale Recherche is gelegd.3 Het enkele feit dat de op grond van deze aanvraag verkregen machtiging de mogelijkheid bood om zelfs in de rechtbank gesprekken af te luisteren, doet daaraan – wat er ook zij van de wenselijkheid van die mogelijkheid – niet af. De observatie is overigens daadwerkelijk pas buiten de rechtbank aangevangen volgens het desbetreffende proces-verbaal van observatie.4 Het feit dat het gesprek niet direct is vernietigd, maar in een kluis is bewaard, acht de rechtbank begrijpelijk, nu het in dit geval, anders dan wanneer sprake is van tapgesprekken, nog niet zeker was dat het een gesprek met een geheimhouder betrof. Het dossier biedt voorts geen aanknopingspunten om te veronderstellen dat het onderzoeksteam gebruik heeft gemaakt van de informatie uit dit gesprek. De rechtbank is met de officier van justitie van mening dat de formulering van de in de aanvraag van het bevel onder meer aangevoerde onderbouwing dat het “met deze stand van zaken thans onvoldoende zeker is dat het huidige bewijs tot een veroordeling kan/zal leiden” weliswaar ongelukkig is, maar dat duidelijk is dat deze aanvraag, welke is getoetst door de rechter-commissaris, bedoeld is te gelden in het kader van de waarheidsvinding.

De rechtbank acht het Openbaar Ministerie ook overigens ontvankelijk in zijn vervolging en oordeelt dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3. Inleiding
Op donderdag 20 maart 2014, omstreeks 21.29 uur, kwam er een telefonische melding binnen bij de politie dat een bebloede man op de bank zou liggen op het adres [adres] te Den Hoorn. Politieagenten zagen voor de woning een man en een vrouw staan, welke ook op dat adres zouden wonen. De man wees de agenten in welke woning de bebloede man lag. Ter plaatse troffen twee agenten het slachtoffer [slachtoffer] aan op de bank met vermoedelijk een schotwond in zijn hoofd. Er lag bloed op de bank en op de grond. Een van de agenten controleerde de vitale functies van het slachtoffer en voelde dat het slachtoffer mogelijk nog een zwakke pols had en warm aanvoelde. Vervolgens werd er door de agenten gestart met reanimatie, die werd overgenomen door het ambulancepersoneel toen dat ter plaatse was gekomen. De reanimatie werd gestopt toen duidelijk werd dat het slachtoffer was overleden. Er werd geen vuurwapen in de nabijheid van het lichaam van het slachtoffer aangetroffen, hierdoor werd zelfmoord uitgesloten. De woning en directe omgeving werden als plaats delict aangemerkt.

Op de plaats delict is verdachte samen met medeverdachte [medeverdachte 1] (hierna: [medeverdachte 1]) aangehouden. Verdachte is de partner van het slachtoffer met wie zij samen een vogelwinkel heeft. [medeverdachte 1] is een huisgenoot van verdachte en het slachtoffer die ook vaak in de vogelwinkel helpt. In het daaropvolgende onderzoek is op 20 mei 2014 tevens [medeverdachte 2] (hierna: [medeverdachte 2]) als verdachte aangehouden op verdenking van betrokkenheid bij de dood van het slachtoffer.

Door de patholoog is vastgesteld dat het slachtoffer is overleden als gevolg van een bij leven opgelopen schotverwonding in het hoofd.

4. Bewijs

4.1. Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit. Naar het oordeel van de officier van justitie leiden alle bewijsmiddelen, in onderling verband en in samenhang bezien, tot de conclusie dat er sprake was van een gezamenlijk plan van verdachte en haar medeverdachten om het slachtoffer van het leven te beroven. Ter onderbouwing van haar standpunt heeft de officier van justitie - kort samengevat - het volgende aangevoerd. Volgens de officier van justitie duiden de bevindingen er zeer sterk op dat een bekende van het slachtoffer het slachtoffer heeft doodgeschoten. Tevens heeft verdachte een duidelijk motief en hebben verdachte en haar medeverdachten de gelegenheid gehad het slachtoffer te doden, terwijl verdachte geen sluitend alibi heeft. Uit de bewijsmiddelen blijkt voorts dat verdachte en haar medeverdachten rond het tijdstip van de moord berichten naar elkaar hebben gestuurd die duiden op een gezamenlijk plan. Tot slot is er sprake van onverklaarbare gedragingen van verdachte rondom de dood van het slachtoffer, waaronder het volstrekt onnodig heen en weer rijden tussen de woning en de winkel van het slachtoffer samen met medeverdachte [medeverdachte 1]. Alhoewel de officier van justitie haar bewijsconstructie niet heeft gebaseerd op de resultaten van het schotrestenonderzoek, heeft zij wel opgemerkt dat de schotresten die bij verdachte en [medeverdachte 1] zijn aangetroffen, kunnen passen bij de conclusie dat verdachte en [medeverdachte 1] betrokken zijn geweest bij de dood van het slachtoffer.

Volgens de officier van justitie bieden de bevindingen uit het dossier daarnaast ook geen steun voor een (concreet) alternatief scenario voor de moord op het slachtoffer. Voor een onbekend gebleven andere dader was zeer weinig tijd voorhanden om de moord te plegen en er zijn geen braaksporen aan de woning van het slachtoffer aangetroffen. Ook de wijze waarop het slachtoffer is aangetroffen, de zeer geringe schootsafstand, het risico voor een derde, niet zijnde verdachte en/of haar medeverdachten, dat anderen dan het slachtoffer in de woning aanwezig zouden zijn, het feit dat verdachte en [medeverdachte 1] als enigen buiten het slachtoffer over de sleutel van de woning beschikten en het ontbreken van aanwijzingen dat er sprake was van actuele conflicten tussen het slachtoffer en anderen, passen niet bij een meer algemeen alternatief scenario waarbij iemand anders dan verdachte en/of haar medeverdachten de woning is binnengedrongen en het slachtoffer heeft gedood. Evenmin bieden de bevindingen uit het dossier steun voor enig specifiek onderzocht scenario.

4.2. Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw van verdachte heeft ten aanzien van het tenlastegelegde feit (subsidiair) vrijspraak bepleit wegens het ontbreken van wettig en overtuigend bewijs. Daartoe heeft zij - kort samengevat - aangevoerd dat het dossier geen enkele aanwijzing biedt waaruit blijkt dat verdachte bezig was met voorbereidingshandelingen. Daarnaast blijkt uit het dossier geen enkel verband tussen verdachte en medeverdachte [medeverdachte 2]. Volgens de raadsvrouw heeft verdachte consistent verklaard over hetgeen zij rond het tijdstip van de moord heeft gedaan en wordt haar verklaring ondersteund door diverse andere gegevens in het dossier. Daarbij is het tijdsbestek waarin het slachtoffer om het leven moet zijn gebracht, te weten het tijdsbestek tussen het moment dat het slachtoffer afgaande op zijn telefoongebruik nog in leven moet zijn geweest en het moment dat getuigen [getuige 1] en [getuige 2] bij de woning zijn aangekomen, niet zo kort dat een alternatief scenario moet worden uitgesloten. Het dossier biedt ook sterke aanwijzingen voor alternatieve scenario’s, terwijl het door het Openbaar Ministerie gestelde motief van verdachte gebaseerd is op roddels en dus ontbrak. Gelet op meerdere mogelijkheden van overdracht van A-deeltjes in samenhang met het feit dat er geen enkel A-deeltje in de auto is aangetroffen en dat het wapen niet is gevonden, kan de conclusie niet anders zijn dan dat de bij verdachte aangetroffen schotresten het gevolg zijn van contaminatie, aldus de raadsvrouw. Tot slot heeft de raadsvrouw betoogd dat het bestanddeel “met voorbedachten rade” noch het bestanddeel “medeplegen” wettig en overtuigend bewezen kan worden. Wat de bijdrage van verdachte zou zijn geweest, blijft onduidelijk in het dossier, laat staan dat deze van voldoende gewicht zou zijn geweest om te kunnen spreken van medeplegen, aldus de raadsvrouw.

4.3. Vrijspraak

De rechtbank stelt voorop dat direct bewijs dat verdachte bij de dood van het slachtoffer betrokken is, ontbreekt. Er is geen vuurwapen aangetroffen en er zijn geen getuigen die daadwerkelijk zelf hebben gezien dat het ten laste gelegde feit werd gepleegd. Dit brengt met zich dat de rechtbank moet beoordelen of de in de wel aanwezige bewijsmiddelen vervatte feiten en omstandigheden, de betrokkenheid van verdachte bij de dood van het slachtoffer buiten gerede twijfel stellen. Dat houdt in dat de bewijsconstructie die in geval van een bewezenverklaring moet worden gebouwd, in beginsel logisch sluitend moet zijn en geen reële ruimte mag laten voor alternatieve verklaringen of scenario’s, waarin de verdachte niet als dader of medepleger valt aan te merken. Dergelijke scenario’s moeten als uiterst onwaarschijnlijk buiten de deur kunnen worden gezet.

De rechtbank stelt om te beginnen vast dat het slachtoffer om 20:58:59 uur nog in leven moet zijn geweest. Op dat moment werd immers nog een activiteit met de telefoon van het slachtoffer verricht, namelijk het openen van de Apple Maps applicatie, waarbij de positie werd bekeken.5 Tevens stelt de rechtbank vast dat [medeverdachte 1] om 21:29:44 uur een melding heeft gedaan bij 112.6 In de tussenliggende periode moet het slachtoffer derhalve om het leven zijn gebracht.

In het navolgende gaat de rechtbank in op de bewijsconstructie die de officier van justitie aan haar conclusie - dat het ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen kan worden geacht - ten grondslag heeft gelegd.

De (substantiële) betrokkenheid van verdachte bij de dood van het slachtoffer blijkt volgens de officier van justitie uit het volgende.

A. Verdachte heeft een duidelijk motief en zij heeft de gelegenheid gehad het slachtoffer te doden.

B. Verdachte en [medeverdachte 1] hebben berichten naar elkaar gestuurd rond 20:56 uur die duiden op een gezamenlijk plan en een instructie van [medeverdachte 1] aan verdachte om naar boven te gaan.

C. Er is sprake van onverklaarbare gedragingen van verdachte, waaronder het volstrekt onnodig heen en weer rijden tussen de woning en de winkel van het slachtoffer, samen met [medeverdachte 1].

D. De omstandigheden rondom het aantreffen van de plaats delict en het slachtoffer, te weten:

1. De dader heeft zonder braak de woning kunnen binnenkomen.

2. De dader was op de hoogte van wie aanwezig waren.

3. Voor het slachtoffer was er geen aanleiding om op te schrikken. Hij is gewoon op de bank blijven liggen.

4. De dader heeft het slachtoffer tot zeer dichtbij kunnen benaderen.

Ad A. Motief en gelegenheid

De rechtbank is het met de officier van justitie eens dat in beginsel uit de tijdlijn volgt dat verdachte de gelegenheid heeft gehad het slachtoffer te doden. Vooropgesteld zij echter dat het enkele feit dat verdachte de gelegenheid heeft gehad om het slachtoffer te doden, uiteraard nog niet wil zeggen dat zij dat ook daadwerkelijk heeft gedaan.

Anders dan de officier van justitie heeft aangevoerd, is de rechtbank van oordeel dat verdachte geen duidelijk motief heeft voor de moord op het slachtoffer. De enkele omstandigheid dat verdachte en het slachtoffer relatieproblemen hadden, is daartoe onvoldoende, temeer nu uit het dossier blijkt dat het slachtoffer en verdachte wel vaker relatieproblemen hadden. Zo verklaart getuige [getuige 3], een zeer goede vriendin van het slachtoffer, dat het slachtoffer en verdachte altijd bonje hadden over dingen op de zaak. Verdachte ging weg en kwam dan weer terug. Zo ging het altijd.7 Ook getuige [getuige 4], de moeder van het slachtoffer, verklaart dat het slachtoffer al tien jaar riep dat de relatie met verdachte uit zou gaan. Volgens de getuige riep verdachte heel vaak dat ze bij het slachtoffer wegging maar de getuige weet er niets van dat verdachte en het slachtoffer nu echt uit elkaar zouden gaan.8 Voorts verklaren verschillende getuigen dat verdachte en het slachtoffer regelmatig ruzie hadden maar ook niet zonder elkaar konden.9 Het dossier biedt ook geen aanknopingspunten dat, zoals de officier van justitie heeft gesteld, de spreekwoordelijke emmer van verdachte nu zo vol was, dat ze wellicht is doorgedraaid en om die reden het slachtoffer heeft gedood dan wel heeft laten doden. Het feit dat is gebleken dat verdachte thans zwanger is van [medeverdachte 1], maakt dit niet anders.

Voorts acht de rechtbank de verklaring van verdachte dat zij geen enkel voordeel heeft bij de dood van het slachtoffer nu zij in dat geval niets (meer) heeft, niet onaannemelijk.10 Verdachte woonde immers bij het slachtoffer en was voor haar inkomen volledig afhankelijk van hem. Zij werkte bijna zeven dagen per week in de winkel van het slachtoffer, maar had geen officiële looninkomsten. Zij kreeg gewoon geld van het slachtoffer als zij iets nodig had en verder stortte hij iedere maand geld op haar rekening waar zij haar rekeningen van betaalde.11 Uit het dossier is ook niet gebleken dat verdachte door een uitkering van een levensverzekering dan wel een testament voordeel zou kunnen hebben van de dood van het slachtoffer.

Ad B. Het bericht om 20:56 uur van [medeverdachte 1] aan verdachte

Volgens de officier van justitie duidt het bericht “Ga je douchen” van [medeverdachte 1] aan verdachte om 20:56 uur op een instructie aan verdachte dat zij op dat moment boven moest gaan douchen en dus weg moest gaan uit de huiskamer. Volgens de officier van justitie is er geen enkele andere logische verklaring voor het versturen van dit berichtje tussen twee huisgenoten die op het moment van het versturen/ontvangen van het berichtje vermoedelijk naast elkaar zaten, en is de uitleg van [medeverdachte 1] over de reden waarom hij dit berichtje stuurde in strijd met de waarheid. De officier van justitie ziet een bevestiging van dit standpunt in een gesprek tussen verdachte en [medeverdachte 1] dat blijkens de OVC (Opnemen Vertrouwelijke Communicatie) op de [adres 2] in Den Haag op 25 november 2015 om 14:29:40 uur heeft plaatsgevonden. In dat gesprek zegt verdachte iets onverstaanbaars dat eindigt met “…douchen. Toen was het nog heel aannemelijk.”12

De rechtbank stelt vast dat verdachte op 20 maart 2014 om 20:56:27 uur met haar telefoon een printscreen van een Duitse e-mail met Duits adres naar de telefoon van het slachtoffer heeft verstuurd. Drie seconden later, om 20:56:30 uur, heeft [medeverdachte 1] naar de telefoon van verdachte het bericht: “Ga je douchen” gezonden.13 Verdachte heeft verklaard dat zij op het moment dat zij het slachtoffer de printscreen betreffende het Duitse e-mailadres stuurde, beneden op de bank zat bij het slachtoffer.14 Tegenover de politie heeft [medeverdachte 1] echter verklaard dat hij verdachte het bericht “Ga je douchen” stuurde omdat ze op dat moment boven was en hij beneden. Nadat hij het bericht naar verdachte had verstuurd, stond zij een paar minuten later, tien of zo, beneden en had zij gedoucht.15

Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat niet goed te verklaren is waarom [medeverdachte 1] het bericht “Ga je douchen” naar verdachte heeft verzonden. Tevens is de rechtbank met de officier van justitie van oordeel dat de verklaringen van verdachte en [medeverdachte 1] strijdig met elkaar zijn en dus niet beide kunnen kloppen. Ook de door de officier van justitie aangehaalde opmerking van verdachte van 25 november 2015 is in dit verband opmerkelijk te noemen. Daarbij merkt de rechtbank echter wel op dat niet alles is te verstaan wat verdachte heeft gezegd, zodat niet kan worden uitgesloten dat, als de gehele tekst te verstaan zou zijn, de zin een andere betekenis zou krijgen.

Hoewel uit het bovenstaande volgt dat een en ander op zijn minst opmerkelijk is, is dit echter onvoldoende om de conclusie te rechtvaardigen dat uit dit enkele bericht volgt dat sprake is geweest van een bewuste en nauwe samenwerking tussen verdachte en [medeverdachte 1] waarbij dit bericht een instructie zou zijn geweest van [medeverdachte 1] aan verdachte om naar boven te gaan.

Ad C. De onverklaarbare gedragingen van verdachte

Uit het dossier is gebleken dat de kassa van de winkel om 20.42 uur is afgesloten16 en verdachte heeft verklaard dat [medeverdachte 1] en zij rond 21.10 uur weer de winkel binnenliepen.17 Hieruit volgt dat verdachte en [medeverdachte 1] maximaal slechts een half uurtje thuis kunnen zijn geweest. Enerzijds lijkt het niet logisch om voor zo’n kort tijdsbestek op en neer te rijden. Anderzijds woonden verdachte, [medeverdachte 1] en het slachtoffer op slechts vijf minuten rijden van de winkel vandaan, wat het weer iets aannemelijker maakt dat je even op en neer rijdt.

[medeverdachte 1] heeft met betrekking tot het heen en weer rijden tussen de woning en de winkel van het slachtoffer op de avond van de moord verklaard dat een afspraak tussen hem, verdachte en het slachtoffer bestond die inhield dat op koopavonden verdachte en [medeverdachte 1] na sluitingstijd nog terug moesten naar de winkel om de babyvogels te voeren.18 Ook verdachte verklaart dat zij het voeren van de vogels op koopavond sinds twee of drie maanden anders deed en dat zij voor die tijd op koopavond niet terug hoefde om te voeren.19

Deze verklaringen van verdachte en [medeverdachte 1] vinden steun in het dossier. Uit verschillende getuigenverhoren blijkt immers dat het (in ieder geval sinds enige tijd) gebruikelijk was om op koopavond na sluitingstijd nog terug te gaan naar de winkel om de babyvogels te voeren. Zo verklaart getuige [getuige 7], de ex-schoondochter van het slachtoffer waarmee hij zeer intensief contact had, dat verdachte sinds een week of twee iedere dag om 21:00 uur terug ging naar de zaak om daar de vogels te voeren.20 Ook getuige [getuige 8], een medewerkster van de winkel, verklaart dat de vogels ’s avonds nog rond 21:00 à 21:30 uur gevoerd werden21 evenals getuige [getuige 9], een buurman van de winkel, die verklaart dat ze de laatste tijd rond 21:30 à 21:45 uur terug kwamen naar de winkel, de getuige denkt om de papegaaien te voeren.22

Met betrekking tot de overige, door de officier van justitie op pagina 84 van haar requisitoir genoemde, gedragingen die volgens haar onverklaarbaar zijn, merkt de rechtbank op dat een aantal van die gedragingen weliswaar opmerkelijk te noemen is, maar dat daarvoor mogelijk ook een logische verklaring kan zijn. Daarnaast merkt de rechtbank op dat uit geen van de genoemde omstandigheden zonder meer enige betrokkenheid van verdachte bij de moord op het slachtoffer kan worden opgemaakt.

(Tussen)conclusie

Ten aanzien van de hierboven genoemde punten geldt dat de rechtbank het met de officier van justitie eens is, dat hetgeen daarin wordt weergegeven opmerkelijk is of in ieder geval opmerkelijk zou kunnen zijn. Het enkele feit dat deze punten (mogelijk) opmerkelijk zijn, wil echter nog niet zeggen dat ze bewijs voor het medeplegen van de moord vormen. Wellicht heeft verdachte andere haar moverende redenen om zich te gedragen zoals zij heeft gedaan. Een en ander wordt niet anders wanneer al deze punten in onderling verband en samenhang worden bezien. De rechtbank heeft naast de door de officier van justitie aangevoerde bewijsmiddelen ook geen andere bewijsmiddelen in het dossier aangetroffen die een ander oordeel rechtvaardigen en onomstotelijk in de richting van verdachte als dader wijzen. Daarbij weegt de rechtbank ook het volgende mee.

Ad D. De omstandigheden rondom het aantreffen van (het slachtoffer op) de plaats delict

Met de verdediging is de rechtbank van oordeel dat de door de officier van justitie aangevoerde omstandigheden rondom het aantreffen van (het slachtoffer op) de plaats delict, de mogelijkheid dat een onbekende dader de woning ongezien is binnengedrongen en vervolgens het slachtoffer heeft overdonderd en om het leven heeft gebracht, niet zonder meer uitsluiten. Zelfs indien het standpunt van de officier van justitie - dat een andere dader dan verdachte en/of haar medeverdachten slechts 15 minuten de gelegenheid kan hebben gehad om het slachtoffer te doden - als uitgangspunt wordt genomen, kan die mogelijkheid niet worden uitgesloten. Het is immers mogelijk dat een andere dader, bijvoorbeeld door middel van de “flipper-methode” dan wel op andere wijze, in korte tijd de woning is binnengedrongen, het slachtoffer - al dan niet slapend - vervolgens heeft overvallen dan wel onder dreiging van een vuurwapen heeft gedwongen weer op de bank plaats te nemen, en om het leven heeft gebracht. Dit te meer daar [medeverdachte 1] in zijn eerste verhoor heeft verklaard dat toen hij naar de woning liep, de deur naar zijn mening al op een kier stond omdat zijn pup zo snel doorliep. Hij dacht toen dat het slachtoffer de deur al open had gezet, omdat het slachtoffer dat wel vaker deed.23 Getuige [getuige 1] geeft ook aan dat haar bijgebleven is dat zij de hond naar de voordeur toe zag rennen en dat het leek alsof hij bij de voordeur gewoon door kon rennen.24

Dat niet valt uit te sluiten dat een ander dan verdachte en/of haar medeverdachten het slachtoffer om het leven heeft gebracht, vindt ook steun in de verklaringen van verschillende getuigen die rondom het tijdstip van de moord onbekende verdachte personen in de straat hebben gezien. Zo verklaart getuige [getuige 10], bewoonster van [wooncomplex], dat zij tussen 19:45 uur en 20:30 uur een man op het voetpad zag lopen in de richting van [wooncomplex]. De man was geheel in het donker gekleed, had zijn handen in de zakken van zijn vest en droeg een capuchon over zijn hoofd. Getuige [getuige 10] keek hem aan en hij keek haar aan. Zij kreeg een eng gevoel bij deze man.25 Getuige [getuige 11], eveneens bewoonster van [wooncomplex], verklaart dat zij op 20 maart 2014 rond 20:45 uur twee in het zwart geklede mannen, welke zij niet eerder in de buurt heeft gezien en waar zij een raar gevoel bij kreeg, in de nabijheid van de woning heeft zien lopen.26 Getuige [getuige 12], die op 20 maart 2014 op bezoek was bij een bewoonster van [wooncomplex], heeft verklaard dat hij rond 21:00 uur buiten op de stoep naast de parkeerplaats aan de rechterkant een auto geparkeerd zag staan. In de auto zat iemand op de bestuurdersplek, waarvan de getuige het idee had dat deze persoon aan het wachten was.27

De rechtbank is dan ook van oordeel dat de mogelijkheid dat een ander dan verdachte en/of haar medeverdachten het slachtoffer om het leven heeft gebracht, niet zo onwaarschijnlijk is dat deze moet worden uitgesloten, temeer nu het dossier aanknopingspunten biedt dat mogelijk ook andere personen dan verdachte en/of [medeverdachte 1] een motief voor de moord op het slachtoffer hadden. Anders dan de officier van justitie stelt, maakt de rechtbank uit het dossier op dat het slachtoffer wel degelijk ook (recente) conflicten/problemen met anderen had.

Schotresten

Ten overvloede overweegt de rechtbank nog het volgende. Op verdachte en [medeverdachte 1] zijn schotresten aangetroffen. De exacte oorzaak van de aanwezigheid van deze schotresten op de handen en kleding van verdachte en [medeverdachte 1] valt evenwel niet met zekerheid te herleiden, mede in aanmerking genomen dat er sterke aanwijzingen zijn dat deze schotresten daarop terecht kunnen zijn gekomen door contaminatie. Opmerkelijk in dit verband is dat er aan/in de auto waarmee verdachte en [medeverdachte 1] zich verplaatsten, geen schotresten (categorie A-deeltjes), anders dan politiemunitie, zijn aangetroffen.

Conclusie

De rechtbank komt op grond van al het voorgaande tot de slotsom dat er te veel redelijke twijfel over de betrokkenheid van verdachte bij de dood van het slachtoffer bestaat en dat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs is om tot een veroordeling van verdachte te komen. De rechtbank zal verdachte dan ook vrijspreken van het aan haar ten laste gelegde feit.

De rechtbank realiseert zich bij dit oordeel terdege dat veel vragen onbeantwoord blijven en dat het door de officier van justitie geschetste scenario juist kan zijn. Echter, de enkele mogelijkheid is onvoldoende. Ondanks al het onderzoek dat is verricht, is helaas niet komen vast te staan op welke wijze en door wiens toedoen het slachtoffer van het leven is beroofd, hetgeen met name voor de nabestaanden uiterst betreurenswaardig en verdrietig is.

5. Beslissing

De rechtbank:

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte is ten laste gelegd en spreekt haar daarvan vrij.

Heft op het reeds geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van verdachte.

Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door

mr. M. Daalmeijer, voorzitter,

mr. P.H. Lauryssen en mr. J.A.M. Jansen, rechters,

in tegenwoordigheid van de griffiers mr. V.J.M. Goldschmeding en W. Remijn MSc,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 18 december 2015.

W. Remijn is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

1 Proces-verbaal aanvraag bevel opnemen van vertrouwelijke communicatie met een technisch hulpmiddel d.d. 7 oktober 2015 (Methodiekendossier [verdachte] Deel III, bijlage 049, pagina 793-795).

2 Het proces-verbaal van observatie donderdag 8 oktober 2015 d.d. 15 oktober 2015 (AMB. 249, Vijfde Aanvullend zaaksdossier pagina 2635-2640).

3 Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 1 december 2015 (AMB. 261, Vijfde aanvullend zaaksdossier pagina 2702-2703).

4 Het proces-verbaal van observatie donderdag 8 oktober 2015 d.d. 15 oktober 2015 (AMB. 249, Vijfde aanvullend zaaksdossier pagina 2635-2640).

5 De tijdlijn, opgenomen in bijlage 1 bij een verslag van een deskundige, te weten het rapport Data-analyse van gegevens van een iPhone naar aanleiding van een geweldsmisdrijf te Den Hoorn op 20 maart 2014 van het Nederlands Forensisch Instituut te Den Haag d.d. 26 mei 2015 met zaaknummer 2014.03.21.192 en aanvraagnummer 021, opgemaakt door [deskundige 1] (pagina 2 van 4 van de bijlage, los opgenomen).

6 Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 28 maart 2014 (AMB. 054, Zaakdossier, pagina 240-241).

7 Het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 3] d.d. 25 maart 2014 (G. 021, Zaaksdossier, pagina 1137).

8 Het proces-verbaal van bevindingen tweede verhoor [getuige 4] (G. 010.2, Zaaksdossier, pagina 1022).

9 Het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 5] d.d. 1 april 2014 (G. 043, Zaaksdossier, pagina 1334) en het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 6] d.d. 28 april 2014 (G. 074.1, Zaaksdossier, pagina 1522).

10 Het proces-verbaal van verhoor van verdachte [verdachte] d.d. 23 maart 2014 (V. 02 derde verhoor, Zaaksdossier, pagina 1965).

11 Het proces-verbaal van bevindingen betreffende het financieel onderzoek [verdachte] d.d. 2 juli 2014 (los opgenomen).

12 Het proces-verbaal 5e Aanvullend zaaksdossier (Zaaksdossier, pagina 2587).

13 Een schriftelijke rapportage, te weten het informatierapport Tijdlijn d.d. 20 maart 2014, opgemaakt door [verbalisant 1], werkzaam als Senior Intelligence bij de Dienst Regionale Informatie Organisatie van de eenheid Den Haag d.d. 23 april 2015 (Tweede aanvullend zaaksdosier, pagina 2503).

14 Het proces-verbaal van verhoor verdachte [verdachte] d.d. 21 maart 2014 (V. 02 eerste verhoor, Zaaksdossier, pagina 1921-1922).

15 Het proces-verbaal van verhoor van verdachte [medeverdachte 1] d.d. 23 maart 2014 (V. 01 derde verhoor, Zaaksdossier, pagina 1776).

16 Het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 4] d.d. 26 maart 2014 (G. 010.1, Zaaksdossier, pagina 1016-1017).

17 Het proces-verbaal van verhoor verdachte [verdachte] d.d. 22 maart 2014 (V. 02 tweede verhoor, Zaaksdossier, pagina 1948).

18 Het proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte 1] d.d. 1 april 2014 (V. 01 zesde verhoor, Zaaksdossier, pagina 1838).

19 Het proces-verbaal van verhoor verdachte [verdachte] d.d. 27 maart 2014 (V. 02 zesde verhoor, Zaaksdossier, pagina 2013-2014).

20 Het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 7] d.d. 23 maart 2014 (G. 007.1, Zaaksdossier, pagina 966).

21 Het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 8] d.d. 25 maart 2014 (G. 012.1, Zaaksdossier, pagina 1060).

22 Het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 9] d.d. 24 april 2014 (G. 065, Zaaksdossier, pagina 1467).

23 Het proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte 1] d.d. 21 maart 2014 (V. 01 eerste verhoor, Zaaksdossier pagina 1746).

24 Het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 1] d.d. 24 maart 2014 (G. 015, Zaaksdossier pagina 1084).

25 Het proces-verbaal ‘tip [getuige 10]’ d.d. 13 november 2014 (AMB. 204, Ambtshandelingendossier, pagina 615-616).

26 Het proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 11] d.d. 7 april 2014 (G. 46, Zaaksdossier, pagina 1339-1340).

27 Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 2 april 2014 (AMB. 067, Zaaksdossier, pagina 268).