Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2015:11200

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
18-12-2015
Datum publicatie
23-12-2015
Zaaknummer
AWB - 14 _ 842
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

“Hoewel voor wat betreft de leningsovereenkomst en het renteswap contract sprake is van twee op zichzelf staande overeenkomsten, is sprake van een zodanige samenhang dat zij in onderlinge samenhang moeten worden gewaardeerd.

Het is in strijd met de regels van goed koopmansgebruik om de negatieve waarde van de renteswap afzonderlijk in aanmerking te nemen bij het bepalen van het resultaat uit overige werkzaamheden.

De door de bank opgegeven waardes weerspiegelen de contante waarde per de waardepeildatum van de door eiser te verrichten betalingen gedurende de resterende looptijd van het renteswap contract. Er is geen sprake van een voorwaardelijke verplichting, zodat de negatieve waarde van het renteswap contract in aanmerking genomen kan worden bij de vaststelling van de rendementsgrondslag voor box 3.”

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2016-0009
V-N Vandaag 2015/2734
Vp-bulletin 2016/11
Dr. W. Bruins Slot annotatie in NTFR 2016/594
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank noord-holland

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummer: HAA 14/842

uitspraak van de meervoudige kamer van 18 december 2015 in de zaak tussen

[X] , wonende te [Z] , eiser

(gemachtigde: mr. H. Beeren),

en

de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Amsterdam, verweerder.

1 Procesverloop

1.1.

Verweerder heeft aan eiser voor het jaar 2009 een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 302.612, een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van € 800.000 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 293.160. Voorts is een bedrag van € 20.773 aan heffingsrente in rekening gebracht.

1.2.

Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar de aanslag verminderd tot een aanslag berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 424.469, een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van -/- € 25.000 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 272.014. Voorts heeft verweerder de in rekening gebrachte heffingsrente verminderd tot een bedrag van € 13.555.

1.3.

Eiser heeft daartegen beroep ingesteld.

1.4.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

1.5.

Partijen hebben vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn telkens in afschrift verstrekt aan de wederpartij.

1.6.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 september 2015 te Haarlem.

1.7.

Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde voornoemd en [A] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. S. Mosheuvel en mr. V.M.J. Ygosse.

2 Tussen partijen vaststaande feiten

2.1.

Op 9 mei 2007 is door eiser en [B 1] Bank N.V. een Raamovereenkomst voor financiële derivaten gesloten met als ingangsdatum 2 juli 2007 en einddatum 1 juli 2017. De Transactiebevestiging van de afgesloten Interest Rate Swap luidt, voor zover hier van belang, als volgt:

“(…)

Transactiedatum : 9 mei 2007

Contractnummer : [# 1]

Product : Interest Rate Swap

Ingangsdatum : 2 juli 2007

Einddatum : 1 juli 2017

Hoofdsom : EUR 7.000.000,-

(…)

Betaler Variabele Rente : [B 1] Bank N.V.

Variabele Rente % : 1mnd EURIBOR

(…)

Betaler Vaste Rente : [X]

Vaste Rente % : 4,460 %”

Op grond van deze Interest Rate Swap (hierna ook te noemen het renteswap contract) dient gedurende de overeengekomen looptijd [B 1] Bank N.V. de variabele rente ad 1 mnd EURIBOR te betalen aan eiser, en eiser de vaste rente ad 4,460% te betalen aan [B 1] Bank N.V.

2.2.

Eiser heeft met [B 2] B.V. op 11 september 2007 een overeenkomst van geldlening gesloten ten bedrage van € 7.000.000. De overeenkomst luidt, voor zover hier van belang, als volgt:

“ (…)

* (Roll over) Euribor-faciliteit:

Uiterlijk tot 1 oktober 2008 geldt een rente gelijk aan het op de eerste werkdag van elke

kalendermaand vastgestelde éénmaands Euribor-tarief, vermeerderd met 0,90%. Dit

tarief met genoemde opslag is geldig gedurende de gehele kalendermaand. Zolang het

verloop van de lening goed is en de marktsituatie en het algemene oordeel van

[B 2] B.V. dit toestaan, zal de Euribor-faciliteit voor een periode van 12

maanden worden gecontinueerd tegen gelijke condities als het in de offerte gestelde.

Echter, indien dit naar oordeel van [B 2] B.V. niet het geval is, zal de

lening door en op initiatief van [B 2] B.V. voor een rentevaste periode

van 120 maanden worden gecontinueerd, tegen de alsdan bij [B 2]

B.V. geldende tarieven en voorwaarden.

(…)

* Splitsing financiering:

Onderhavige financiering (leningdeel I) is onlosmakelijk verbonden met de financiering

(leningdeel II) bekend onder offertenummer 270415. Indien schuldenaar in gebreke is bij

een van de leningdelen, zal de gehele financiering opeisbaar zijn. Extra aflossingen

zullen eerst plaatsvinden op leningdeel 2 en zodra dit deel is afgelost, vervolgens op

leningdeel 1.

(…)

* Afdekking renterisico

De huidige door ons gehanteerde variabele rentestructuur geldt gedurende de periode

dat een ons conveniërend rentederivaat is overeengekomen bij [B 1] Bank N.V, waarbij

de eenmaands Euribor door middel van een rentederivaat is gedraaid naar een vaste

rente.

Het rentederivaat mag slechts worden verhandeld met uitdrukkelijke toestemming van

[B 2] BV. Alsdan zal door [B 2] B.V. gedurende de

looptijd van de financiering een constructie worden gehanteerd waarbij op basis van de

bestaande variabele rente een nader te bepalen maximum aan toekomstige rentelasten

zal worden vastgesteld. Uitgangspunt hiervoor zal zijn dat de leninglasten van de op dat

moment geldende hoofdsom op basis van het alsdan vast te stellen maximale

rentetarief altijd gedekt worden door 85% van de bruto jaarhuur.

Gedurende de looptijd van de financiering op basis van een variabele rente zal derhalve

te allen tijde een (ons conveniërend) rentederivaat dan wel een hierboven omschreven

maximale rentevaststellingsconstructie van toepassing zijn.”

2.3.

Eiser heeft op 5 oktober 2009 aan [B 2] B.V. geschreven:

“(…) mijn uitdrukkelijke wens om ruim 2/3 deel van de totale geldlening tegen een vaste rente af te sluiten en het restant op basis van een variabele rente. Ik denk dat dit uitgangspunt ook duidelijk blijkt uit de gesprekken en de gevoerde correspondentie. Wij zijn erop uit gekomen dat een bedrag van € 7.000.000,- zou worden geleend tegen een vaste rente en een bedrag van € 2.000.000 (later verhoogd met € 800.000) tegen een variabele rente (Euribor +1%). De vaste rente voor het grootste deel van de lening, met vaste rente, zou uitkomen op ± 5,2%.

(….)

Ik moet langzamerhand vaststellen dat er, in strijd met mijn intenties bij het aangaan van de geldleningsovereenkomst met vaste rente en in strijd met de door ons gemaakte afspraak, geen sprake is van een vaste rente van 5,36%, gedurende 10 jaar, maar van een rente die kennelijk toch varieert en – begrijp ik alle ingewikkelde correspondentie goed – inmiddels zo’n 1,7% is opgelopen. Het moge duidelijk zijn dat die gang van zaken voor mij pertinent niet aanvaardbaar is en in strijd is met de door ons gemaakte afspraken.”

2.4.

Op 27 april 2012 hebben eiser en [B 2] B.V. een vaststellingsovereenkomst gesloten welke, voor zover hier van belang, als volgt luidt:

“Ten beëindiging van het geschil betreffende de door [B 2] gehanteerde renteopslagen voor uw lening met kenmerk [# 2] , in samenhang met de door u met [B 2] gesloten derivatenovereenkomst, ontvangt u hierbij een vaststellingsovereenkomst waarin wij tegemoet

komen aan uw voorstel per email van mr. [C] van 21 november 2011.

Vaststellingsovereenkomst

Ondergetekenden:

1 de heer [X] , geboren op [.. 1] te [Z]

hierna te noemen: ‘Ondernemer’ en

2. de besloten vennootschap [B 2] B.V., statutair gevestigd te [D] , en kantoorhoudende te [.. 2] [D] , [E] (correspondentieadres: [F] ), ingeschreven bij het handelsregister van de Kamer van Koophandel en Fabrieken voor [G] onder dossiernummer [# 3] ;

hierna nader te noemen: ‘[B 2]

Ondernemer en [B 2] hierna gezamenlijk te noemen: ‘Partijen

Overwegende dat:

 Partijen een geschil hebben met betrekking tot

1. de overeenkomst van geldlening d.d. 26 september 2007 met oorspronkelijk kenmerk 270135 en huidig kenmerk [# 2] , in hoofdsom groot € 7,000.000-, hierna te noemen: ‘Lening’ en

2. de raamovereenkomst financiële derivaten, gesloten met [B 1] Bank N.V., d.d. 9 mei 2007 en de daarbij behorende Transactiebevestiging d.d. 9 mei 2007 met contractnummer [# 1] in hoofdsom groot € 7.000.000,- en met ingangsdatum 2 juli 2007, hierna te noemen: ‘Swap’;

  • -

    Partijen dit geschil in der minne wensen te regelen.

  • -

    (…..)

Verklaren te zijn overeengekomen als volgt:

1. Op de Lening zijn met terugwerkende kracht vanaf 1 oktober 2008 de volgende bepalingen

van toepassing:

geldgever: [B 2] B.V.

geldnemer: Ondernemer

rentepercentage: Euribor per maand + opslag 1,15%. Deze rente + opslag

is geldig tot 1 oktober 2017, zijnde de datum dat de

looptijd van de Swap eindigt. Per 1 oktober 2017 zal

[B 2] Ondernemer een nieuwe rente + nieuwe opslag

aanbieden.

rentebetaling: per maand achteraf

looptijd van de lening: 25 jaar, dat wil zeggen van 1 oktober 2007 tot 1 oktober

2032

verplichte aflossing: € 5.833,33 per maand

algemene voorwaarden [B 2] 2006

Voor het overige zijn de bepalingen van de overeenkomst van 26 september 2007 met

oorspronkelijk kenmerk 270135 en huidig kenmerk [# 2] van toepassing, met uitzondering

van de bepaling: (Roll over) Euribor-faciliteit’.

2. Uit de administratie van [B 2] (zie bijlage) blijkt dat aan Ondernemer van 1 oktober 2008 tot 1 april 2012 een bedrag van € 766.577,97 in rekening is gebracht (exclusief boeterentes ad € 44.953,50) Indien de onder 1. overeengekomen bepalingen van toepassing waren geweest, dan had Ondernemer een bedrag van € 523.033,44 (exclusief boeterentes) moeten voldoen. Per saldo is aan Ondernemer een bedrag van € 766.577,97 minus € 523.033,44 ofwel een bedrag van € 243.544,52 teveel in rekening gebracht. Ondernemer dient nog een bedrag van € 302.025,67 aan openstaande termijnen te voldoen. (Dit bedrag is eveneens exclusief boeterentes). Ondernemer is dus nog een bedrag van € 302.025,67 minus € 243.544,52 ofwel een bedrag van € 58.481,15 verschuldigd. (Alle boeterentes worden doorgehaald.) Het bedrag van € 58.481,15 zal door Ondernemer binnen 14 dagen na ondertekening van deze overeenkomst op de bankrekening van [B 2] worden gestort o.v.v. ‘ [# 2] ’.

3. Ondernemer zal [B 1] Bank N.V. verzoeken om de Swap met terugwerkende kracht tot 1 oktober 2007 te wijzigen in een Swap waarvan de hoofdsom afloopt met een bedrag van € 5.833,33 per maand. De kosten die hieraan zijn verbonden zal [B 2] aan [B 1] Bank N.V. voldoen na overlegging door Ondernemer van een factuur met bewijsstukken waaruit die kosten blijken.”

2.6.

Volgens de opgaves van [B 1] Bank N.V. bedraagt de marktwaarde van het renteswap contract per:

31 december 2007 € 81.119,94 negatief voor eiser

31 december 2008 € 574.675,76 negatief voor eiser

31 december 1009 € 766.531,21 negatief voor eiser.

3 Het geschil

3.1.

In geschil is of:

  • -

    indien het renteswap contract als een zelfstandig vermogensbestanddeel moet worden gekwalificeerd, 55,03% van de in 2009 verschuldigde premie van het renteswap contract, zijnde € 121.857, als kosten in de winstsfeer ten laste van het belastbaar inkomen uit werk en woning gebracht kan worden;

  • -

    de mutatie van de waarde van het renteswap contract – voor zover betrekking hebbend op het werkzaamheidsvermogen – zijnde € 107.572 in 2009 ten laste van het belastbaar inkomen uit werk en woning dient te komen;

  • -

    het renteswap contract – voor zover betrekking hebbend op het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen – al of niet terecht bij uitspraak op bezwaar naar een negatieve waarde in aanmerking is genomen bij het berekenen van de rendementsgrondslag voor box III, hetgeen volgens verweerder abusievelijk is gebeurd.

3.2.

Tussen partijen is niet in geschil dat het renteswap contract voor 44,97% betrekking heeft op het deel van de schuld ad € 7.000.000 dat behoort tot de rendementsgrondslag van het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van eiser, en voor 55,03% op het deel van de schuld dat in aanmerking wordt genomen in het kader van het belastbaar inkomen uit werk en woning.

3.3.

Indien het renteswap contract en de lening samenhangend gewaardeerd moeten worden zodanig dat de negatieve waarde van het renteswap contract per 31 december 2009 niet tot uitdrukking komt op de balans van het resultaat uit overige werkzaamheden, is tussen partijen niet in geschil dat de in 2009 verschuldigde premie ter zake van het renteswap contract, zijnde € 121.857, als kosten in de resultaatsfeer ten laste van het belastbaar inkomen uit werk en woning gebracht kan worden.

3.4.

Eiser concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en vermindering van de belastingaanslag tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 195.040 en waarbij de belastbare inkomens uit aanmerkelijk belang en uit sparen en beleggen worden gehandhaafd overeenkomstig de uitspraak op bezwaar.

3.5.

Verweerder concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.

4 Beoordeling van het geschil

4.1.

De rechtbank is op basis van de vaststaande feiten en hetgeen partijen over en weer naar voren hebben gebracht, van oordeel dat hoewel voor wat betreft de leningsovereenkomst en het renteswap contract sprake is van twee op zichzelf staande overeenkomsten, deze zodanig met elkaar samenhangen dat zij in onderlinge samenhang moeten worden gewaardeerd. Daarbij is van belang dat de overeenkomsten vrijwel te zelfder tijd zijn afgesloten, dat de hoofdsom van het renteswap contract gelijk is aan de hoofdsom van de leningsovereenkomst en door contractspartijen ook uitdrukkelijk beoogd is om met de renteswap het aan de door eiser aangetrokken lening ad € 7.000.000 verbonden risico van een rentestijging te beperken. Dat deze bedoeling naar de mening van eiser aanvankelijk onvoldoende tot zijn recht kwam in de met [B 1] gesloten overeenkomst, hetgeen hersteld is door de vaststellingsovereenkomst van 27 april 2012, doet hier niet aan af. De renteswap heeft immers van meet af aan het renterisico op de lening gedempt en de bedoeling van partijen was dat de renteswap ertoe zou leiden dat in feite sprake zou zijn van een lening met een (nagenoeg) vaste rente.

4.2.

Indien een schuldenaar een rentedragende schuld aangaat tegen een tussen contractspartijen overeengekomen rente, zal de jaarlijkse rentelast – bij een voorgenomen voortzetting van de schuld – moeten worden toegerekend aan de jaren waarop deze betrekking heeft. Goed koopmansgebruik staat bij een dergelijke verplichting niet toe dat bij daling van de marktrente de op toekomstige jaren betrekking hebbende rentelast, voor zover uitgaande boven de marktrente, door een verhoging van de waardering van de schuld in een eerder jaar in aanmerking wordt genomen (zie HR 23 januari 2004, nr. 38029, ECLI:NL:HR:2004:AI0416, BNB 2004/163 en HR 9 april 2010, nr. 08/03645, ECLI:HR:2010:BJ5176).

4.3.

Nu de negatieve waarde van het renteswap contract op 31 december 2009 bepaald wordt door de contante waarde op die datum van de toekomstige verwachte rentebetalingen, zou het in strijd zijn met de regels van goed koopmansgebruik indien de negatieve waarde van de renteswap afzonderlijk in aanmerking wordt genomen bij het bepalen van het resultaat uit overige werkzaamheden van eiser. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat niet aannemelijk is geworden dat ultimo 2009 het voornemen bestond het renteswap contract eerder te beëindigen dan overeengekomen, aangezien eiser, tegenover de betwisting door verweerder, niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij ultimo 2009 niet de verwachting had er met de bank uit te kunnen komen dan wel dat de bank ultimo 2009 eiser ertoe zou hebben bewogen tot afkoop over te gaan.

4.4.

De negatieve waarde van de renteswap per 31 december 2009 kan derhalve niet ten laste van het belastbaar inkomen uit werk en woning worden gebracht. Tussen partijen is dan niet in geschil dat de in 2009 verschuldigde renteswap premie ad € 121.857 ten laste van het belastbaar inkomen uit werk en woning kan worden gebracht.

4.5.

Het bij uitspraak op bezwaar vastgestelde belastbaar inkomen uit werk en woning dient op grond van het vorenstaande te worden verminderd met € 121.857.

4.6.

Bij uitspraak op bezwaar heeft verweerder de rendementsgrondslag verminderd met € 302.572 vanwege de negatieve waarde van het renteswap contract, voor zover toerekenbaar aan het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen. Nu eiser wat betreft de aftrek van de renteswap premie ad € 121.857 bij het belastbaar inkomen uit werk en woning in het gelijk gesteld wordt, verzoekt verweerder het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen te verhogen met een bedrag van € 12.102 met een beroep op interne compensatie. Dit omdat de negatieve waarde van het renteswap contract niet in aanmerking had dienen te worden genomen bij het bepalen van de rendementsgrondslag en dit volgens verweerder bij uitspraak op bezwaar per abuis wel is geschied. Verweerder stelt zich op het standpunt dat het swap contract op zich wel thuis hoort bij het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen, maar hij stelt dat de waarde in het economische verkeer in dit geval op nihil dient te worden gesteld, zowel per begin als einde boekjaar.

4.7.

Artikel 5.19 van de Wet IB 2001 bepaalt:

“1. Bezittingen en schulden worden in aanmerking genomen voor de waarde in het economisch verkeer.

2. Bezittingen en schulden die, al dan niet tezamen, als een eenheid plegen te worden beschouwd, worden als eenheid in aanmerking genomen.”

4.8.

In zijn arrest van 11 februari 2011 (HR 11 februari 2011, nr. 10/00367, ECLI:NL:HR:2011:BO0403) heeft de Hoge Raad geoordeeld dat verplichtingen met een waarde in het economische verkeer als schuld in aftrek kunnen worden gebracht bij de bepaling van de rendementsgrondslag, tenzij er bijzondere bepalingen zijn die deze verplichtingen uitzonderen. De rechtbank is – met partijen – van oordeel dat de waarde in het economische verkeer van het renteswap contract op zich in aanmerking dient te worden genomen bij het bepalen van de rendementsgrondslag.

4.9.

Voor wat betreft de in aanmerking te nemen waardes in het economische verkeer van het renteswap contract overweegt de rechtbank als volgt. Tussen partijen is niet in geschil dat de negatieve waarde van het renteswap contract – voor zover toerekenbaar aan het werkzaamheidsvermogen – op basis van de gegevens van de [B 1] Bank N.V. per 1 januari 2009 en per 31 december 2009 € 260.431 respectievelijk € 344.174 bedroeg. De rechtbank is van oordeel dat deze waardes ook de waardes in het economisch verkeer vertegenwoordigen. Immers, de door [B 1] Bank N.V. opgegeven waardes betreffen de bedragen waarvoor het renteswap contract per de betreffende data kan worden beëindigd en deze waarde weerspiegelt de contante waarde van de door eiser gedurende de resterende looptijd van het renteswap contract te betalen bedragen.

4.10.

De stelling van verweerder dat de waarde in het economische verkeer op 1 januari 2009 respectievelijk 31 december 2009 nihil is, omdat renteswap contracten als de onderhavige tot het einde van de looptijd plegen te worden aangehouden en ook in dit geval niet aannemelijk is geworden dat het renteswap contract voortijdig zou worden beëindigd, faalt. De waarde in het economisch verkeer van het renteswap contract is namelijk niet afhankelijk van de vraag of al dan niet voortijdig beëindigd wordt. De door [B 1] Bank N.V. opgegeven waardes weerspiegelen de contante waarde per de betreffende datum van de door eiser te verrichten betalingen gedurende de resterende looptijd van het renteswap contract. Indien eiser het renteswap contract per 31 december 2009 zou beëindigen, zou hij het bedrag ad € 344.174 direct aan zijn contractspartij moeten betalen; indien hij het contract daarentegen tot het einde van de looptijd zou voortzetten, zal hij de nominale tegenwaarde van dit bedrag bij ongewijzigde rentestand eveneens betalen, maar dan gespreid in de tijd gedurende de looptijd van het contract. In zoverre is dan ook, anders dan verweerder stelt, geen sprake van een voorwaardelijke verplichting.

4.11.

Op grond van het bovenstaande heeft verweerder bij uitspraak op bezwaar terecht bij de vaststelling van de rendementsgrondslag rekening gehouden met de negatieve waarde van het renteswap contract.

4.12.

Gelet op het vorenoverwogene dient het beroep gegrond te worden verklaard.

5 Proceskosten

De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.468 (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, 1 punten voor het verschijnen ter hoorzitting, met een waarde per punt van € 244, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 490 en een wegingsfactor 1). In de overige door eiser genoemde kosten, te weten reiskosten, wordt verweerder eveneens met toepassing van dat besluit veroordeeld deze te vergoeden tot een bedrag van € 12,00. De eerder door verweerder toegekende kostenvergoeding dient met het thans vastgestelde bedrag te worden verrekend.

6 Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraak op bezwaar;

- vermindert de belastingaanslag tot een berekend naar een belastbaar

inkomen uit werk en woning van € 302.612, een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van -/- € 25.000 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 272.014, en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.480;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 45 aan eiser te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. G.H. de Soeten, voorzitter, en mr. S.K.A. Efstratiades en mr. H. de Jong, leden, in aanwezigheid van mr. M.R. Marinus, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 18 december 2015.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na verzending hoger beroep instellen bij het gerechtshof Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312,

1000 BH Amsterdam.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.