Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2015:10893

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
16-11-2015
Datum publicatie
10-12-2015
Zaaknummer
4469914
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

De gevorderde buitengerechtelijke incassokosten overtreffen in ruimte mate forfaitaire tarief Rapport Voorwerk II. Deze kosten zijn in redelijkheid gemaakt. Werkgever heeft herhaaldelijk gehandeld in strijd met goed werkgeverschap.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2015/2494
JAR 2015/307
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Afdeling Privaatrecht

Sectie Kanton - locatie Alkmaar

Zaaknr./rolnr.: 4469914 \ KG EXPL 15-161 (NE)

Uitspraakdatum: 16 november 2015

Vonnis in kort geding

De kantonrechter als voorzieningenrechter, rechtdoende in kort geding, heeft het volgende vonnis gewezen in de zaak van:

[naam eiser] ,

wonende te [woonplaats]

eisende partij in kort geding

verder te noemen: [de werknemer]

gemachtigde: mr. L. Bijl, advocaat

tegen

[naam gedaagde partij] handelend onder de naam [Naam],

wonende te Slootdorp

gedaagde partij in kort geding

verder te noemen: [de werkgever]

gemachtigde: mr. P. Bellod (DAS)

1 Het procesverloop

1.1.

[de werknemer] heeft bij dagvaarding van 29 september 2015 een voorziening gevorderd tegen [de werkgever] .

1.2.

Op 2 november 2015 heeft een zitting plaatsgevonden. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat partijen ter toelichting van hun standpunten naar voren hebben gebracht. [de werknemer] heeft de vordering bij monde van zijn gemachtigde toegelicht aan de hand van pleitnotities. Voorafgaand aan de zitting hebben partijen bij brieven van 28 en 30 oktober nog stukken toegezonden.

2 De uitgangspunten

2.1.

In de periode van 12 oktober 2004 tot en met 14 september 2012 exploiteerde [de werknemer] een eenmanszaak onder de naam [de werknemer] Veegservice. De activiteiten van deze eenmanszaak bestonden uit het vegen van wegen, parken, parkeerterreinen en bedrijfsterreinen.

2.2.

In april 2011 is bij [de werknemer] de ziekte van Wegener geconstateerd. Als gevolg van deze ziekte was [de werknemer] genoodzaakt de onderneming te verkopen.

2.3.

[de werknemer] heeft de onderneming op 12 september 2012 verkocht aan [de werkgever] . De koopovereenkomst luidt, voor zover van belang, als volgt:
“(…)
Artikel 4 Arbeidsovereenkomst met verkoper
Verkoper heeft zich bereid verklaard op de peildatum in dienst te treden bij koper in de functie van chauffeur-machinist voor een periode die tenminste loopt tot vijf jaar na de peildatum.
Koper zal met verkoper een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd aangaan met een looptijd van 5 jaar met als aanvangsdatum de peildatum, zonder de mogelijkheid voor koper/werkgever deze arbeidsovereenkomst tussentijds op te zeggen en wel voor tenminste 20 uur per week waarbij een maandloon is overeengekomen gebaseerd op functieschaal F7 uit de Collectieve Arbeidsovereenkomst voor het Beroepsgoederenvervoer (thans € 2.674,54 per maand op fulltime basis) en waarop de normale CAO verhogingen voor het Beroepsgoederenvervoer van toepassing is. De arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd zal gelijktijdig met de koopovereenkomst worden getekend. De arbeidsovereenkomst eindigt van rechtswege per 13 september 2017. Hierna wordt de arbeidsovereenkomst omgezet in een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd.
(…)”

2.4.

In de arbeidsovereenkomst is bepaald dat [de werknemer] de functie van chauffeur-machinist uitoefent, dat de arbeidsovereenkomst is aangegaan voor de duur van vijf jaar en dat deze niet tussentijds opzegbaar is door [de werkgever] . De omvang van de arbeidsovereenkomst bedraagt tenminste 20 uur per week en de dagen en tijden waarop de arbeid wordt verricht, worden bepaald door [de werkgever] en zijn op maandag tot en met vrijdag tussen 06.00 uur en 18.00 uur, waarbij [de werkgever] rekening houdt met de wensen van [de werknemer] .

2.5.

[de werkgever] heeft omstreeks maart 2014 aan [de werknemer] laten weten dat hij de arbeidsovereenkomst tussentijds wil beëindigen. [de werkgever] heeft [de werknemer] vervolgens op
31 maart 2014 geschorst.

2.6.

Bij brief van 27 mei 2014 heeft de advocaat van [de werknemer] aan [de werkgever] bericht dat tussentijdse beëindiging niet mogelijk is. In deze brief is verder het volgende, voor zover van belang, opgenomen:
“(…)
De afspraken dienen te worden bezien in het licht van de volgende feiten en omstandigheden:
1. Cliënt zag zich als gevolg van een chronische ziekte genoodzaakt om zijn onderneming aan u te verkopen;
2. De koopprijs is bepaald op basis van de afspraak dat cliënt tenminste vijf jaar bij u werkzaam zou zijn en tenminste vijf jaar een inkomen zou kunnen genereren;
3. U heeft niet de mogelijkheid om de arbeidsovereenkomst gedurende de vijf jaar tussentijds op te zeggen met als doel het inkomen veilig te stellen;
4. De kansen van cliënt om een andere baan te vinden zijn gelet op zijn chronische ziekte zeer gering.
(…)”

2.7.

[de werknemer] heeft zijn werkzaamheden voor [de werkgever] op 16 juni 2014 om 07.00 uur hervat. Nadat [de werknemer] vijf uur en drie kwartier had gewerkt, heeft hij aan [de werkgever] meegedeeld dat hij zou gaan rusten. [de werkgever] heeft [de werknemer] daarop gesommeerd zijn werkzaamheden nog twee uur voort te zetten, waarna [de werknemer] heeft meegedeeld dat hij eerst zou gaan rusten en daarna het werk zou voortzetten.

2.8.

De e-mail van 16 juni 2014 om 13.46 uur van [de werkgever] aan [de werknemer] luidt als volgt:
“Wij willen je melden dat er spraken is van werkweigering. U heeft een contract van 20 uur en er staat nergens in dit contract dat U maar 4 uur per dag werkt. Wij komen direct de veegwagen halen en hebben nu chauffeur in moeten huren die jou werk afmaakt.”

2.9.

De e-mail van 16 juni 2014 om 15:15 uur van [de werkgever] aan [de werknemer] luidt, voor zover relevant, als volgt:
“Zojuist is er een escalatie geweest over het niet meegeven van onze veegwagen. Jij kan niet zelf beslissen dat je bijna 2 uur naar bed gaat en dan je werk hervat. Alles gaat in overleg met Mij. Ik ga mijn best doen op zondagavond te melden wanneer je je 20 uur die week moet werken, maar zoals je zelf weet kan planning wel eens schuiven. (...)”

2.10.

Bij brief van 16 juni 2014 heeft de advocaat van [de werknemer] aan [de werkgever] bericht dat de handelswijze van [de werkgever] in strijd is met goed werkgeverschap.

2.11.

[de werknemer] heeft zich op 16 juni 2014 ziek gemeld.

2.12.

De verzuimconsulent heeft op 23 juni 2015 geoordeeld dat [de werknemer] niet inzetbaar is en dat [de werknemer] na zijn herstel maximaal 4 uur per dag in staat is werkzaamheden te verrichten. Tevens heeft de verzuimconsulent geadviseerd een afspraak in te plannen voor een “driegesprek”.

2.13.

Op 14 juli 2014 heeft het “driegesprek” plaatsgevonden. [de werkgever] was niet aanwezig bij dit gesprek. [de werknemer] heeft tijdens het gesprek laten weten dat hij bereid is zijn werkzaamheden te hervatten, maar dit was volgens de echtgenote van [de werkgever] niet mogelijk.

2.14.

De beoordeling van de bedrijfsarts van 18 juli 2014 luidt, voor zover van belang, als volgt:
“(…)
Op dit moment is werknemer niet toegenomen arbeidsongeschikt (meer) door ziekte of gebrek, hij zou 4 uur per dag, 20 uur per week kunnen en willen werken.
WEL is sprake van een reeds eerder bestaande verminderde belastbaarheid om medische redenen, niet samenhangend met het conflict, waardoor hij maar 4 uur per dag en 20 uur per week kan werken (stukken daarover ingezien).
Ik adviseer dringend een (exit) mediation.
(…)”

2.15.

[de werknemer] heeft zich bij e-mail van 18 juli 2014 beter gemeld en laten weten dat hij beschikbaar is voor werk, vijf dagen per week, vier uur per dag.

2.16.

Op 31 juli 2014 heeft de advocaat van [de werknemer] aan [de werkgever] verzocht te bevestigen dat [de werknemer] zal worden toegelaten tot zijn werk en dat het loon zal worden betaald.

2.17.

Partijen hebben vervolgens een minnelijke regeling beproefd, maar dit heeft niet geleid tot overeenstemming.

2.18.

[de werkgever] heeft bij e-mail van 31 maart 2015 aan [de werknemer] verzocht om op 8 april 2015 te verschijnen voor een gesprek over werkhervatting. [de werknemer] heeft aan dit verzoek voldaan.

2.19.

Op 13 april 2015 is [de werknemer] op het werk verschenen. [de werkgever] heeft [de werknemer] opgedragen grote bloembakken op te knappen. [de werknemer] heeft deze opdracht op maandag tot en met donderdag uitgevoerd. Op donderdagavond 16 april 2015 heeft [de werkgever] telefonisch aan [de werknemer] verzocht om de volgende dag om 10.30 uur op het werk te verschijnen en de werkzaamheden tot 15.00 uur voort te zetten. In reactie op dit verzoek heeft [de werknemer] per e-mail van 16 april 2015 bericht dat hij medisch niet in staat is aan dit verzoek te voldoen, omdat de aard van de werkzaamheden te belastend voor hem is, de eerste werkweek na een zeer lange inactieve periode zeer belastend is en tot slot dat het verrichten van werk in de middag zeer belastend is.

2.20.

[de werknemer] is op 17 april 2015 om 10.30 uur toch op het werk verschenen. Hij heeft de opgedragen werkzaamheden, het opknappen van bloembakken, hervat en is om 13.00 uur naar huis gegaan om te rusten.

2.21.

Bij brief van 20 april 2015 heeft [de werknemer] van [de werkgever] een officiële waarschuwing gekregen, omdat volgens [de werkgever] sprake is van werkweigering.

2.22.

[de werknemer] heeft zich op 22 april 2015 wegens griep ziek gemeld.

2.23.

[de werknemer] is op 24 april 2015 door de bedrijfsarts beoordeeld. De bedrijfsarts heeft geconcludeerd dat [de werknemer] tijdelijk arbeidsongeschikt is, maar dat hij ervan uitgaat dat [de werknemer] op 4 mei voldoende is hersteld en weer inzetbaar is voor zijn functie van chauffeur/machinist. De bedrijfsarts wijst erop dat het uit te voeren werk lichamelijk gezien weinig inspanning mag vergen en dat de conditie van [de werknemer] in de ochtend het beste is, zodat hij dan het beste kan werken. Ook wijst de bedrijfsarts op het inschakelen van een mediator.

2.24.

Op 28 april 2015 rapporteert de bedrijfsarts dat [de werknemer] ander werk kan uitoefenen, mits de fysieke belasting beperkt blijft en [de werknemer] niet wordt blootgesteld aan hitte/koude of grote temperatuurschommelingen; zwaar tillen is incidenteel mogelijk en bootstelling aan prikkelende stoffen/gassen/dampen moet worden vermeden.

2.25.

De brief van 1 mei 2015 van de gemachtigde van [de werknemer] aan [de werkgever] luidt, voor zover relevant, als volgt:
“(…)
In reactie op dit oordeel heeft u aan de arbo arts medegedeeld dat in de arbeidsovereenkomst wordt bepaald dat u van cliënt kan verlangen ook andere werkzaamheden te verrichten dan die welke tot een normale uitoefening van de functie behoren.
Uw mededeling is op zich juist. Evenwel wordt eveneens in de arbeidsovereenkomst bepaald dat de andere werkzaamheden alleen kunnen worden verlangd, indien deze redelijkerwijs van cliënt gevergd kunnen worden.
Bovendien gaat u eraan voorbij dat het niet mogelijk is om de functie van cliënt volledig uit te hollen en/of te wijzigen. Zoals weergegeven, bekleedt cliënt de functie van chauffeur c.q. machinist. Cliënt dient in de gelegenheid te worden gesteld om deze functie uit te oefenen. Uiteraard is cliënt bereid om (tijdelijk) bijkomende andere werkzaamheden te verrichten (voor zover dit van hem kan worden gevergd en/of voor zover hij daartoe medisch in staat is).
(…) Cliënt verzoekt u om uiterlijk hedenmiddag te 16.00 uur aan te geven welke (andere) werkzaamheden hij volgende week zal dienen te verrichten. Overigens dringt cliënt er in het kader van de werkrelatie nogmaals op aan om een mediator in te schakelen.
Tot slot begreep ik van cliënt dat u het loon nog niet heeft betaald. (…)
(…)”

2.26.

In de periode van 4 mei tot en met 2 juni 2015 heeft [de werknemer] in opdracht van [de werkgever] gereedschappen in kaart gebracht.

2.27.

Op 8 mei 2015 heeft telefonisch contact plaatsgevonden tussen de gemachtigden van partijen en is afgesproken een mediationtraject in te gaan, welke op 23 juni 2015 zou worden gestart.

2.28.

Bij brief van 2 juni 2015 heeft de gemachtigde van [de werkgever] meegedeeld dat [de werknemer] in afwachting van het mediationtraject wordt ontheven van zijn verplichting om werkzaamheden te verrichten.

2.29.

Bij brief van 5 augustus 2015 wordt namens [de werkgever] aan [de werknemer] een voorstel gedaan tot beëindiging van de arbeidsovereenkomst per 1 september 2016 met vrijstelling van [de werknemer] voor werkzaamheden. Namens [de werknemer] wordt dit voorstel afgewezen.

2.30.

[de werknemer] is bij e-mail van 15 september 2015 verzocht om op 16 september 2015 om 10.30 uur op het werk te verschijnen. [de werknemer] heeft aan dit verzoek voldaan. Aan [de werknemer] is opgedragen onkruid te wieden, terwijl op dat moment was sprake van harde en voortdurende regenbuien. [de werknemer] heeft de opgedragen werkzaamheden niet verricht.

2.31.

Per e-mail van 16 september 2015 heeft [de werkgever] aangekondigd de loonbetalingen te staken wegens werkweigering. Namens [de werknemer] is hiertegen geprotesteerd.

2.32.

De brief van 20 oktober 2015 van de gemachtigde van [de werkgever] aan de gemachtigde van [de werknemer] , luidt, voor zover van belang, als volgt:
“Namens cliënte kan ik u meedelen dat zij na ampele overwegingen heeft besloten uw cliënt nog een laatste kans te geven. (…)
(…) Uw cliënt dient zich dan ook weer op het werk te melden op donderdag 22 oktober 2015 om 9.00 uur.
(…)”

2.33.

De e-mail van de gemachtigde van [de werknemer] aan de gemachtigde van [de werkgever] van
22 oktober 2015 luidt, voor zover van belang, als volgt:
“Vanmorgen heeft cliënt zich om 9.00 uur op het werk gemeld. Vervolgens heeft cliënt tot 12.30 uur een veegmachine moeten schoonmaken, terwijl zijn collega’s op veegmachines veegwerkzaamheden konden verrichten. Gelet op de beperkingen van cliënt begrijp ik deze werkverdeling niet. Graag uw toelichting.
(…)”

2.34.

Op 23 oktober 2015 heeft [de werknemer] in opdracht van [de werkgever] een veegmachine naar de werkplaats van een fabriek gebracht. [de werknemer] is om 7.00 uur op het werk verschenen en is opgedragen op de werkplaats te wachten tot de reparatie was voltooid. Dat was om 16.30 uur.

2.35.

Vanaf 26 oktober 2015 is [de werknemer] door [de werkgever] vrijgesteld van werk.

3 De vordering

3.1.

[de werknemer] vordert bij wege van voorziening ex artikel 254 lid 5 Rv dat de kantonrechter:
A. [de werkgever] gebiedt om [de werknemer] binnen 24 uur na betekening van het vonnis toe te laten
tot zijn werkzaamheden behorende bij de functie van chauffeur/machinist (zijnde het
vegen met een veegmachine), gedurende 5 dagen per week, 4 uur per dag, op de
tijdstippen van 7.30 uur tot 12.00 uur, op straffe van een dwangsom van € 10.000,00 ten
faveure van [de werknemer] voor iedere dag of dagdeel dag [de werkgever] in gebreke blijft aan dit
gebod te voldoen;
B. [de werkgever] veroordeelt tot betaling van loon van € 1.364,11 bruto per maand, te
vermeerderen met de vakantietoeslag vanaf 16 september 2015 tot de dag dat de
arbeidsovereenkomst rechtsgeldig zal zijn geëindigd;
C. [de werkgever] veroordeelt tot betaling van de wettelijke verhoging over het loon zoals
omschreven onder B, voor zover dit loon niet wordt voldaan uiterlijk de derde werkdag
na afloop van iedere kalendermaand;
D. [de werkgever] veroordeelt tot betaling van de wettelijke rente over het gevorderde onder B
en C, voor zover het loon en de wettelijke verhoging niet wordt voldaan op uiterlijk de
laatste dag van iedere kalendermaand respectievelijk uiterlijk de laatste werkdag na
afloop van iedere kalendermaand;
E. [de werkgever] veroordeelt tot betaling van de buitengerechtelijke incassokosten van € 5.611,38;
F. [de werkgever] veroordeelt in de proceskosten, alsmede de nakosten.

3.2.

[de werknemer] legt aan zijn vordering ten grondslag dat [de werkgever] niet voldoet aan de op hem rustende verplichtingen uit de arbeidsovereenkomst. [de werknemer] stelt zich op het standpunt dat hij door [de werkgever] niet in de gelegenheid wordt gesteld de overeengekomen functie uit te oefenen. Verder heeft [de werkgever] aangekondigd de loonbetalingen te staken en is het loon twee keer niet en een keer niet tijdig voldaan. [de werknemer] heeft dan ook een spoedeisend belang bij de vordering tot nakoming van de verplichtingen uit de arbeidsovereenkomst. Verder stelt [de werknemer] zich op het standpunt dat [de werkgever] zich schuldig maakt aan pesterijen en intimidaties.

4 Het verweer

4.1.

[de werkgever] betwist de vordering.

5 De beoordeling

5.1.

De vraag of sprake is van een spoedeisend belang dient te worden beantwoord aan de hand van een afweging van de belangen van partijen. In deze kort geding-procedure vordert [de werknemer] dat hij wordt toegelaten zijn werkzaamheden als chauffeur/machinist uit te oefenen en (tijdige) loonbetaling. [de werkgever] voert als verweer dat een spoedeisend belang ontbreekt. Aan [de werknemer] is toegezegd dat hij zal worden toegelaten tot het werk en dat het loon tijdig zal worden betaald; de vrijstelling van werk is geen disciplinaire maatregel, maar is in afwachting op het verkrijgen van duidelijkheid van de bedrijfsarts over passend werk. Dat het loon over oktober 2015 niet is betaald, is een vergissing en zal alsnog worden overgemaakt naar [de werknemer] , aldus steeds [de werkgever] .

5.2.

De kantonrechter is van oordeel dat [de werknemer] voldoende heeft gesteld en in voldoende mate is gebleken dat sprake is van een spoedeisend belang. Dit brengt de aard van de vordering, betaling van (achterstallig) loon en verkrijging van gelegenheid tot het verrichten van de eigen werkzaamheden, mee. [de werknemer] heeft inmiddels over drie maanden zijn salaris niet (tijdig) ontvangen. [de werkgever] heeft weliswaar alsnog het salaris over april 2014 en september 2015 overgemaakt, maar slechts na tussenkomst van de gemachtigde van [de werknemer] . Verder geldt dat [de werknemer] ten tijde van de zitting zijn werkzaamheden als chauffeur/machinist niet kan uitvoeren, omdat hij opnieuw is vrijgesteld van werk. De kantonrechter volgt [de werkgever] niet in zijn standpunt dat [de werknemer] is vrijgesteld, omdat sprake is van onduidelijkheid over passend werk. De bedrijfsarts is hierover naar het oordeel van de kantonrechter voldoende duidelijk geweest.

5.3.

Uit het over en weer betoogde, de overgelegde stukken en de omstandigheid dat de onderhavige procedure zich niet leent voor (nadere) bewijsvoering is de kantonrechter voorshands, rekeninghoudende met de vermoedelijke beslissing in de eventueel te entameren bodemzaak, het volgende van oordeel.

5.4.

Ter zitting heeft [de werknemer] verklaard dat hij gedurende de periode 12 september 2012 tot 31 maart 2014 80 % van zijn arbeidstijd werkzaamheden verrichte op de veegmachine en
20 % van de tijd besteedde aan het bezoeken van klanten. Aanvankelijk fluctueerden volgens [de werknemer] zijn werktijden, omdat sprake was van een overgangsperiode na de overdracht van de onderneming en de drukke herfstperiode. Daarna was zijn begintijd 7.00/7.30 uur en werkte [de werknemer] vier uur per dag. Verder heeft [de werknemer] verklaard dat tussen [de werkgever] en hem wel sprake was van spanning, maar dat hij daarvan weinig last had, omdat hij op de veegmachine zat.

5.5.

Op zijn beurt heeft [de werkgever] ter zitting gesteld dat hij rekening hield met de beperkingen van [de werknemer] . In dat kader heeft [de werkgever] aangevoerd dat [de werknemer] voor de gemeente veegwerkzaamheden kon verrichten in de ochtend gedurende vier uur per dag. De gemeente had echter klachten geuit over [de werknemer] , waarna deze opdracht is beëindigd. [de werkgever] stelt verder dat hij naar een oplossing heeft gezocht, maar dat [de werknemer] zich niet aan de afspraken hield. Verder voert [de werkgever] aan dat hij geen opdrachtgevers heeft voor wie [de werknemer] vier uur per dag veegwerkzaamheden kan verrichten. Hij kan hooguit een schatting maken van de tijd die met een opdracht is gemoeid, maar weet vooraf nooit zeker hoe laat een werknemer naar huis kan.

5.6.

De kantonrechter constateert dat uit de overgelegde stukken niet is gebleken dat [de werknemer] zijn werkzaamheden niet naar behoren uitvoerde. [de werkgever] voert deze stelling voor het eerst ter zitting en heeft zijn stelling op geen enkele wijze onderbouwd met stukken. De kantonrechter gaat daarom voorbij aan dit standpunt.

5.7.

Het verweer van [de werkgever] komt er verder op neer dat hij zich voldoende heeft ingespannen voor [de werknemer] , maar dat hij organisatorisch beperkt is in zijn mogelijkheden om [de werknemer] in te zetten op de veegmachine. Zo bestaan de meeste werkzaamheden uit een dag werk en krijgt hij soms opdrachten tussendoor, zodat het lastig is om aan [de werknemer] werkzaamheden op de veegmachine aan te bieden. Het voorgaande wordt door [de werknemer] betwist. Hij stelt dat er voldoende opdrachten binnenkomen en dat tevens duurovereenkomsten zijn overeengekomen. De kantonrechter is van oordeel dat dit eerst ter zitting ingenomen verweer van [de werkgever] niet te rijmen is met het hiervoor onder 2 weergegeven uitgebreide feitenrelaas. Het lag op de weg van [de werkgever] zijn verweer met feiten en omstandigheden te onderbouwen. Dit heeft hij niet gedaan. Zo blijkt nergens uit waarom [de werknemer] niet inzetbaar is voor een opdrachtgever vanaf 7.30 uur gedurende vier uur per dag.

5.8.

Partijen verschillen verder van inzicht over de vraag wat onder bedongen arbeid moet worden verstaan. De kantonrechter constateert dat de functie van [de werknemer] volgens de arbeidsovereenkomst chauffeur/machinist is. Deze functie zijn partijen overeengekomen en wordt door de bedrijfsarts als passend aangemerkt. Incidenteel kunnen andere werkzaamheden aan [de werknemer] worden opgedragen, maar daarvoor gelden voorwaarden. De bedrijfsarts heeft een advies uitgebracht over de werktijden van [de werknemer] en heeft criteria benoemd waaraan het werk moet voldoen. De kantonrechter merkt verder op dat voor [de werkgever] bij aanvang van de arbeidsovereenkomst bekend was dat [de werknemer] beperkt inzetbaar was. De chronische ziekte van [de werknemer] was immers de reden dat hij zijn onderneming aan [de werkgever] , op dat moment een werknemer van [de werknemer] , heeft overgedragen. De kantonrechter is van oordeel dat een aantal van de aan [de werknemer] opgedragen werkzaamheden, zoals het wieden van onkruid in de regen en het onderhouden van de bloembakken, niet voldoen aan voornoemde criteria. Ook valt niet in te zien, waarom [de werknemer] de werkzaamheden gedurende andere, voor hem meer belastende tijden zou moeten uitvoeren.

5.9.

Als uitgangspunt heeft te gelden dat van een werkgever, als goed werkgever, mag worden gevergd dat hij de werknemer tegen diens wil slechts de mogelijkheid mag onthouden om de overeengekomen arbeid te verrichten wanneer de werkgever daarvoor een redelijke grond heeft en dat die grond voldoende zwaar dient te wegen, gelet op het in beginsel zwaarwegend te achten belang van de werknemer om de bedongen arbeid te kunnen blijven verrichten. De kantonrechter is voorshands van oordeel dat [de werknemer] voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat een zwaarwegend belang ontbreekt om hem vrij te stellen van werk. Dit betekent dat de vordering om [de werknemer] toe te laten tot zijn werkzaamheden toewijsbaar is. De gevorderde dwangsom is eveneens toewijsbaar, met dien verstande dat de kantonrechter aanleiding ziet deze te matigen naar € 250,00 per dag of dagdeel met een maximum van € 5.000,00.

5.10.

De vordering tot betaling van loon is toewijsbaar. [de werknemer] heeft zijn belang bij deze vordering voldoende aannemelijk gemaakt. De kantonrechter ziet geen aanleiding het maandsalaris te vermeerderen met de vakantietoeslag, nu deze in mei 2016 wordt uitgekeerd.

5.11.

De wettelijke rente over het loon en de wettelijke verhoging over het loon en de wettelijke rente zijn ook toewijsbaar.

5.12.

Tot slot vordert [de werknemer] in kort geding betaling van buitengerechtelijke incassokosten. [de werknemer] voert als grondslag van deze vordering artikel 7:611 BW, artikel 6:162 en artikel 6:96, tweede lid onder c, BW aan. De gevorderde kosten zijn niet gemotiveerd betwist door [de werkgever] .
De vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten is slechts toewijsbaar, indien deze kosten in redelijkheid zijn gemaakt en de omvang daarvan eveneens redelijk is. De vordering van [de werknemer] gaat het in het Rapport Voorwerk II gehanteerde forfaitaire tarief, dat in zijn algemeenheid redelijk wordt geacht, in ruime mate te boven.
Uit de stellingen van [de werknemer] kan worden afgeleid dat hij duidelijk meer buitengerechtelijke kosten heeft gemaakt dan in dit tarief is besloten. [de werknemer] heeft zijn kosten onderbouwd met facturen van zijn gemachtigde. De kantonrechter is voorshands van oordeel dat de door [de werknemer] gemaakte kosten als redelijk moeten worden aangemerkt. Zoals eerder vermeld heeft de gemachtigde van [de werknemer] vanaf april/mei 2014 naar aanleiding van de handelwijze van [de werkgever] werkzaamheden verricht. De handelwijze van [de werkgever] acht de kantonrechter in strijd met goed werkgeverschap. [de werknemer] is diverse keren zonder goede reden op non-actief gesteld, zonder goede reden zijn aan hem andere belastende werkzaamheden op belastende tijdstippen opgedragen, waarbij geen rekening is gehouden met de beperkingen van [de werknemer] . Tot slot is ten onrechte drie maal het salaris van [de werknemer] niet (tijdig) betaald. De vordering van [de werknemer] zal dan ook worden toegewezen.

5.13.

De proceskosten komen voor rekening van [de werkgever] , omdat hij ongelijk krijgt.

5.14.

Daarbij wordt [de werkgever] ook veroordeeld tot betaling van nasalaris voor zover daadwerkelijk nakosten door [de werknemer] worden gemaakt. De nakosten worden overeenkomstig de richtlijnen van het Landelijk Overleg Voorzitters Civiele sectoren en Kantonsectoren begroot op een half salarispunt conform het gebruikelijke liquidatietarief voor proceskosten tot een maximum van € 100,00.

6 De beslissing in kort geding

De kantonrechter:

6.1.

gebiedt [de werkgever] om [de werknemer] binnen 24 uur na betekening van het vonnis toe te laten tot zijn werkzaamheden behoren bij de functie van chauffeur/machinist, gedurende vijf dagen per week, vier uur per dag op de tijdstippen van 7.30 uur tot 12.00 uur, op straffe van een dwangsom van € 250,00 per dag of gedeelte van een dag dat [de werkgever] hiermee in gebreke is, met een maximum van € 5.000,00;

6.2.

veroordeelt [de werkgever] tot betaling van het loon van € 1.364,11 bruto per maand vanaf 16 september 2015 tot de dag dat de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig zal zijn geëindigd, te vermeerderen met de wettelijke rente, voor zover het salaris niet tijdig wordt voldaan;

6.3.

veroordeelt [de werkgever] tot betaling van de wettelijke verhoging over het loon en de wettelijke verhoging in overeenstemming met het bepaalde in artikel 7:625 BW, voor zover dit loon niet tijdig wordt voldaan;

6.4.

veroordeelt [de werkgever] tot betaling van de buitengerechtelijke incassokosten van
€ 5.611,38;

6.5.

veroordeelt [de werkgever] tot betaling van de proceskosten, die de kantonrechter aan de kant van [de werknemer] tot en met vandaag vaststelt op € 774,15, te weten:

dagvaarding € 96,15

griffierecht € 78,00

salaris gemachtigde € 600,00 ;

6.6.

veroordeelt [de werkgever] tot betaling van € 100,00 aan nakosten, voor zover daadwerkelijk nakosten door [de werknemer] worden gemaakt;

6.7.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

6.8.

wijst de vordering voor het overige af.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.E. Merkus, kantonrechter en op 16 november 2015 in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.

De griffier De kantonrechter