Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2015:10861

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
09-12-2015
Datum publicatie
23-12-2015
Zaaknummer
C/15/234033/FA RK 15-6495
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Op tegenspraak
Beschikking
Inhoudsindicatie

Gezagsbeëindigende maatregel, waarbij de pleegmoeder is benoemd tot voogd, zulks in afwijking van het verzoek van de Raad om de William Schrikker Jeugdbescherming te benoemen tot voogd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Sectie Familie & Jeugd

locatie Alkmaar

zaak-/rekestnr.: C/15/234033 / FA RK 15-6495

beschikking van 9 december 2015 betreffende beëindiging ouderlijk gezag

in de zaak van:

RAAD VOOR DE KINDERBESCHERMING,

gevestigd te Haarlem,

hierna te noemen: de Raad,

tegen:

[naam moeder],

wonende op een geheim adres,

hierna te noemen: de moeder.

1 Procedure

1.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het verzoekschrift, met bijlagen, van de Raad, ingekomen op 23 oktober 2015.

1.2

De behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op de zitting van 30 november 2015 in aanwezigheid van mevrouw [naaam 1] namens de Raad, mevrouw [naam pleegmoeder] (verder: pleegmoeder), alsmede mevrouw [naam 2] namens de William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering (verder: WSJ). De minderjarige [naam minderjarige] heeft een deel van de zitting bijgewoond. De moeder en de heer [naam pleegvader](verder: pleegvader) zijn, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet verschenen.

1.3

De minderjarige [naam minderjarige] heeft, gelet op haar leeftijd, voorafgaand aan de zitting haar mening kenbaar gemaakt in een gesprek met de kinderrechter op 20 november 2015.

2 Feiten en omstandigheden

2.1

De minderjarige [naam minderjarige] is op [geboortedatum] in de gemeente Alkmaar geboren uit het huwelijk van de moeder en [naam vader] (verder: de vader). Dit huwelijk is in 2008 ontbonden door echtscheiding. Na de ontbinding van het huwelijk zijn de moeder en de vader gezamenlijk belast gebleven met het gezag over de minderjarige. De vader is overleden in 2011. De moeder is thans alleen belast met het gezag over de minderjarige.

2.2

Bij beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Alkmaar van 13 maart 2009 is de minderjarige voorlopig onder toezicht gesteld voor drie maanden, welke ondertoezichtstelling vervolgens definitief is uitgesproken op 17 maart 2009. In de beschikking van de kinderrechter in deze rechtbank van 8 september 2015 zijn de verzoeken tot verlenging van de ondertoezichtstelling en de uithuisplaatsing van de minderjarige afgewezen. Daardoor is de ondertoezichtstelling op 13 september 2015 beëindigd. Sindsdien verblijft de minderjarige op vrijwillige basis in het pleeggezin, waar zij al sinds 5 juni 2014 woont.

3 Verzoek

3.1

De Raad heeft verzocht, uitvoerbaar bij voorraad, het ouderlijk gezag van de moeder over de minderjarige te beëindigen, aangezien de minderjarige zodanig opgroeit dat zij in haar ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en de moeder niet in staat is de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding te dragen binnen een voor de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn. De Raad stelt voor om WSJ te benoemen tot voogd.

3.2

Ter onderbouwing van het verzoek heeft de Raad het volgende aangevoerd. De minderjarige heeft een belast verleden. Ze is opgegroeid bij haar ouders en was getuige van huiselijk geweld, waardoor zij traumatische ervaringen heeft opgedaan. De vader had gezondheidsproblemen en is in 2011 overleden. Dit had een grote impact op de minderjarige. De minderjarige heeft op meerdere plekken gewoond, waaronder de crisisopvang en meerdere pleeggezinnen. Ook is de minderjarige een aantal malen (opnieuw) bij moeder en haar partner gaan wonen, maar dit is steeds niet succesvol geweest. Het leven van de minderjarige wordt gekenmerkt door veel onrust. Sinds ze bij de huidige pleegouders woont, is aan de onrust een einde gekomen. Ze ontwikkelt zich goed en de zorgen rond haar ontwikkeling zijn afgenomen. De grootste zorg ligt in het gegeven dat de moeder als enige ouder met gezag moeilijk bereikbaar is en wisselend kan zijn in haar uitspraken. Daarbij is er al ruim een jaar geen contact tussen de minderjarige en de moeder, zodat moeder niet op de hoogte is van hoe het met de minderjarige gaat. Dit contact kan worden beschreven als zeer verstoord. De minderjarige is heel duidelijk in haar wens om op dit moment geen contact met moeder te willen. Er is geen gezinsvoogd meer die de belangen van de minderjarige kan behartigen.

De moeder heeft de afgelopen periode een hectische tijd gehad. Ze is hertrouwd en binnen een jaar gescheiden. Er zijn grote financiële problemen en moeder lijkt niet beschikbaar voor haar rol als moeder, ondanks dat ze aangeeft dat de minderjarige altijd welkom is. De moeder is voor de hulpverlening lange tijd onbereikbaar geweest. Daarnaast heeft moeder een verstandelijke beperking en beschikt de minderjarige over meer verstandelijke vermogens dan haar moeder. De minderjarige lijkt de moeder hierdoor in de relationele sfeer te overvleugelen. De minderjarige is in het verleden dermate beschadigd, dat contactherstel op dit moment niet mogelijk is. Ze wijst moeder af en is niet in staat om moeder haar rol als opvoeder weer te laten innemen. Hoewel moeder graag meer zou willen betekenen voor de minderjarige, beschikt zij volgens de Raad niet over de opvoedingsvaardigheden, draagkracht, volharding en stabiliteit die nodig zijn om de minderjarige blijvend stevig ouderschap te kunnen bieden. Het is positief dat moeder inziet dat de minderjarige niet bij haar kan opgroeien en daarom – hoe moeilijk zij dat ook vindt – accepteert dat de minderjarige verder in een pleeggezin zal opgroeien.

De Raad meent dat de huidige opvoedingsomgeving voldoende tegemoetkomt aan wat de minderjarige nodig heeft en ziet dat bevestigd in haar positieve ontwikkeling. Pleegouders kunnen en willen investeren in de opvoeding van de minderjarige. De financiële situatie bij pleegouders is echter kwetsbaar en er zijn in het verleden zorgen geweest om de hygiëne bij pleegouders. Desondanks heeft pleegzorg de plaatsing als veilig bestempeld. Het gaat nu beter met de minderjarige en daarom dient haar plaatsing bij de pleegouders een permanent karakter te krijgen.

Omdat de relaties in de familiekring behoorlijk verstoord zijn, er sprake is van een verstoorde verstandhouding tussen moeder en pleegouders, en omdat pleegmoeder onder bewind staat en derhalve niet in staat is om te voorzien in het levensonderhoud van de minderjarige, meent de Raad dat WSJ als neutrale en onafhankelijke instantie met de voogdij zal moeten worden belast. De moeder staat daar achter. WSJ kan rekening houden met de belangen van de verschillende betrokkenen en kan beslissingen nemen waarin het belang van de minderjarige voorop staat. Ook kan WSJ mogelijk nog hulp inzetten die nodig mocht zijn met betrekking tot het opgroeien van de minderjarige richting volwassenheid. Ook zouden zij een rol kunnen spelen in een mogelijk contactherstel tussen moeder en de minderjarige, mocht daar nog sprake van zijn vóór haar 18e levensjaar. Mocht dit de wens zijn van de minderjarige, dan is het voor de pleegouders ondoenlijk de minderjarige hierin te begeleiden, gezien de verstoorde relatie tussen moeder en de pleegouders.

3.3

De Raad heeft ter zitting het verzoek gehandhaafd.

4 Standpunten

Moeder

4.1

De moeder heeft een verklaring ondertekend, waarbij zij toestemming geeft om het gezag over te dragen aan WSJ.

Pleegmoeder

4.2.

Ter zitting heeft de pleegmoeder meegedeeld dat de moeder tegen haar heeft gezegd dat moeder haar niet als voogd wilde, omdat zij moeder niet wilde als vriend op facebook. Het feit dat pleegmoeder onder bewind staat, is volgens haar geen beletsel om haar met de voogdij te belasten, omdat dit gegeven er ook niet aan in de weg heeft gestaan dat de minderjarige in het pleeggezin is geplaatst. De minderjarige vindt het moeilijk dat een vreemde over haar beslist en niet iemand die haar goed kent. Sinds de minderjarige in haar gezin is geplaatst, heeft zij te maken gehad met vier verschillende gezinsvoogden van de WSJ.

WSJ

4.3

WSJ heeft ter zitting aangegeven dat de pleegmoeder ook recht heeft op een pleegzorgvergoeding, indien de pleegmoeder zou worden belast met de voogdij. Voor allerlei bijkomende kosten heeft WSJ echter diverse potjes, terwijl niet bekend is of pleegmoeder in aanmerking komt voor vergoeding van dergelijke kosten indien zij voogd zou worden. Eventueel contactherstel tussen de moeder en de minderjarige kan door WSJ worden begeleid. Gelet op wat er in het verleden is gebeurd, zou dat niet lukken als pleegmoeder de voogdij zou krijgen. Indien WSJ met de voogdij zou worden belast, zal WSJ de feitelijke uitoefening van het gezag zoveel mogelijk aan betrokkenen overlaten. Er ligt vooral een rol voor WSJ om vóór de 18e verjaardag van de minderjarige zaken te regelen, waar de minderjarige vanaf haar 18e jaar profijt van kan hebben.

5 Beoordeling

5.1

Ingevolge artikel 266, eerste lid, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek kan de rechtbank het gezag van een ouder beëindigen indien een minderjarige zodanig opgroeit dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en de ouder niet de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247, tweede lid, BW, in staat is te dragen binnen een voor de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn. Blijkens de Memorie van Toelichting bij de Wet herziening kinderbeschermingsmaatregelen, die met ingang van 1 januari 2015 van kracht is, is het ijkpunt voor het bepalen van de aanvaardbare termijn voor een kind de periode van onzekerheid (over in welk gezin het kind verder zal opgroeien) die het kind kan overbruggen zonder verdergaande ernstige schade op te lopen in zijn ontwikkeling. Wat voor een minderjarige een redelijke termijn is, is volgens de wetgever afhankelijk van diens leeftijd en ontwikkeling.

5.2

Op grond van de overgelegde stukken en het verhandelde ter zitting is de rechtbank met de Raad van oordeel dat het gezag van de moeder over de minderjarige dient te worden beëindigd. Vast is komen te staan dat de moeder vanwege haar persoonlijke problematiek al langere tijd niet in staat is om de minderjarige een veilige en stabiele opvoedingsomgeving te bieden. De ernst en de aard van de persoonlijke problematiek van de moeder zijn er de oorzaak van dat de moeder niet over de juiste opvoedingsvaardigheden beschikt om aan te kunnen sluiten bij de specifieke behoeftes van de minderjarige. Het is niet reëel om te verwachten dat daarin verandering zal optreden. Dit betekent dat ook niet te verwachten is dat de moeder de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding van de minderjarige, na eerdere mislukte thuisplaatsingen, weer op zich zal nemen.

Hoewel de moeder het niet eens is met het verblijf van de minderjarige bij de huidige pleegouders, is de rechtbank van oordeel dat dit verblijf in grote mate bijdraagt aan de recente positieve ontwikkeling van de minderjarige en ervoor zorgt dat zij kan toekomen aan haar ontwikkelingstaken en het toewerken naar zelfstandigheid.

5.3

Op grond van het voorgaande zal de rechtbank het verzoek van de Raad om het ouderlijk gezag van de moeder over de minderjarige te beëindigen toewijzen.

5.4

Met betrekking tot de te benoemen voogd overweegt de rechtbank als volgt.

Het is nog een relatief korte periode tot het moment dat de minderjarige 18 jaar wordt. Getuige het feit dat de ondertoezichtstelling van de minderjarige onlangs is beëindigd, neemt de rechtbank aan dat de pleegmoeder voldoende pedagogische kwaliteiten heeft om de minderjarige te begeleiden naar zelfstandigheid en dat de minderjarige in materiële zin niet tekortkomt in het pleeggezin. De minderjarige heeft de wens geuit dat de pleegmoeder wordt belast met de voogdij en de pleegmoeder heeft verklaard bereid te zijn eventuele voogdij over de minderjarige te aanvaarden.

Duidelijk is dat er zowel bij de minderjarige als bij de pleegmoeder grote weerstand bestaat tegen de – door de Raad verzochte – benoeming van WSJ als voogd. Deze weerstand is ingegeven door de omstandigheid dat de minderjarige zelf – anders dan haar moeder – niet behoort tot de doelgroep van de WSJ en het feit dat er frequente wisselingen van gezinsvoogden zijn geweest.

Voordelen die te verwachten zijn bij de benoeming van de WSJ als voogd liggen op het financiële vlak en bij de bevordering van contactherstel tussen de minderjarige en haar moeder.

De rechtbank is van oordeel dat de weerstand tegen de WSJ bij de minderjarige en de pleegmoeder thans dermate groot is, dat deze de mogelijke voordelen van de benoeming van de WSJ tot voogd teniet doet. De pleegmoeder verwacht met de pleegzorgvergoeding over voldoende financiële middelen te beschikken om adequaat in de behoeften van de minderjarige te voorzien. Met betrekking tot de contacten tussen de moeder en de minderjarige heeft de rechtbank niet de verwachting dat daarin vóór de 18e verjaardag van de minderjarige veel zal veranderen. Mocht dit anders zijn, dan kan de minderjarige in het vrijwillige kader hulp inroepen voor de begeleiding van het contactherstel.

5.5

Deze afweging brengt de rechtbank tot het oordeel dat, anders dan de Raad heeft verzocht, de pleegmoeder met de voogdij dient te worden belast. Aldus zal worden beslist.

6 Beslissing

De rechtbank:

6.1

beëindigt het gezag van de moeder over de minderjarige [naam minderjarige]:

- [voornaam minderjarige], geboren op [geboortedatum] in de gemeente Alkmaar;

6.2

belast de pleegmoeder [naam pleegmoeder], geboren op [geboortedatum] in de gemeente Alkmaar, wonende aan de [adresgegevens] te Alkmaar, met de voogdij over de minderjarige;

6.3

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

6.4

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. W.P van der Haak, tevens kinderrechter, in tegenwoordigheid van A.M. Bergen, griffier en in het openbaar uitgesproken op 9 december 2015.

Tegen deze beschikking kan – voor zover er definitief is beslist – door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te Amsterdam. De verzoekende partij en de verschenen belanghebbenden dienen het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen. Andere belanghebbenden dienen het beroep in te stellen binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden.