Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2015:10570

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
09-12-2015
Datum publicatie
10-12-2015
Zaaknummer
4178614 \ CV EXPL 15-4322
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Wwz. Loonvordering: wel / niet zieke werknemer; 7:629a lid 1 BW; aanzegverplichting ex artikel 7:668 BW. Begroting naar rato cf 7:668 lid 3 BW. Met bevestiging van de opzegging van werknemer wordt werkgever alsnog geacht te hebben voldaan aan aanzegverplichting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2015-1244
AR 2015/2488
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Afdeling Privaatrecht

Sectie Kanton - locatie Alkmaar

zaak/rolnr.: 4178614 \ CV EXPL 15-4322 WD

Uitspraakdatum: 9 december 2015

Vonnis in de zaak van:

[naam eiser]

wonende te [Woonplaats]

gemachtigde mr. N. Lubach, advocaat

eisende partij

(hierna: [de werknemer] )

tegen

1.de vennootschap onder firmaV.O.F. [naam]

zaakdoende [adres ged sub 1]

2. [naam ged sub 2] , vennoot van gedaagde sub 1

wonende [adres ged sub 2]

3. [naam ged sub 3] , vennoot van gedaagde sub1

wonende [adres ged sub 3]

gedaagde partijen

(hierna gezamenlijk aan te duiden als [de werkgever] )

1 Het procesverloop

[de werknemer] heeft een vordering ingesteld, zoals omschreven in de dagvaarding d.d. 29 mei 2015.

[de werkgever] heeft bij antwoord verweer gevoerd.

Na beraad heeft de kantonrechter een comparitie gelast, die is gehouden op 11 november 2015, in aanwezigheid van partijen en hun gemachtigden.

Van deze comparitie heeft de griffier aantekeningen gehouden.

De inhoud van de processtukken geldt als hier ingelast.

Ten slotte is heden uitspraak bepaald.

2 De vaststaande feiten

2.1.

[de werknemer] is op 1 oktober 2014 voor bepaalde tijd, te weten tot en met 31 maart 2015 bij [de werkgever] in dienst getreden als winkelmedewerker. De schriftelijke arbeidsovereenkomst vermeldt een arbeidsomvang van 24 uur per week en een salaris van € 9,50 bruto per uur.

2.2.

Op 7 maart 2015 heeft [de werknemer] de arbeidsovereenkomst mondeling opgezegd tegen 31 maart 2015.

2.3.

Op 11 maart 2015 is [de werknemer] na onenigheid met [de werkgever] over de uitvoering van schoonmaakwerkzaamheden vroegtijdig van haar werk vertrokken en heeft zij zich mondeling ziekgemeld.

2.4.

Bij e-mail van 12 maart 2015 heeft [de werknemer] haar ziekmelding schriftelijk aan [de werkgever] bevestigd.

2.5.

Bij e-mail van 13 maart 2015 reageert [de werkgever] als volgt:

“Beste [x],

“Hierbij laten wij jou weten niet akkoord te gaan met jou ziekmelding. Bovendien is er absoluut geen sprake van een arbeidsconflict.”

2.6.

Voorts heeft [de werkgever] bij afzonderlijke e-mail van 13 maart 2015 aan [de werknemer] bevestigd dat [de werknemer] de arbeidsovereenkomst heeft opgezegd en daarbij meegedeeld dat maandag 30 maart 2015 de laatste werkdag zou zijn.

2.7.

[de werkgever] heeft de ziekmelding van [de werknemer] gemeld aan haar arbodienst.

2.8.

Bij e-mail van 17 maart 2015 heeft de arbodienst [de werknemer] uitgenodigd om op 18 maart 2015 te verschijnen op gesprek met een verzuimconsulent.

2.9.

Bij e-mail van 17 maart 2015 bericht [de werknemer] aan [de werkgever] het volgende:

“Na overleg met huisarts kan ik niet accoord gaan met deze afspraak, ik kan geen medische gegevens overleggen met een verzuimconsulent. Want als ik over mijn medische gegevens wil spreken kan dit via een arboarts en mijn eigen huisarts.”

2.10.

[de werkgever] beantwoordt deze e-mail dezelfde dag als volgt:

“[x],

Je bent verplicht te komen. Dit is een onderdeel van de procedure van verzuim. Wij zijn verplicht als werkgever jou verzuim te melden bij de Arbodienst. De eerste afspraak is een inventarisatiegesprek, daarna volgt een gesprek met de arboarts.”

2.11.

[de werkgever] heeft het salaris over de maand maart 2015 niet aan [de werknemer] uitbetaald.

3 Het geschil

3.1.

[de werknemer] vordert dat de kantonrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, [de werkgever] , hoofdelijk des de één betalende de ander zal zijn bevrijd, veroordeelt om:

  • -

    i) tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [de werknemer] te voldoen het netto-equivalent van het bruto bedrag ad € 1.231,20 aan achterstallig salaris en bijkomende emolumenten over de maand maart 2015, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 april 2015 tot de dag der algehele voldoening, althans subsidiair de wettelijke rente vanaf de dag der dagvaarding tot de dag der algehele voldoening;

  • -

    ii) tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [de werknemer] te voldoen het netto equivalent van het bruto bedrag ad €167,20 aan niet uitbetaalde vakantiedagen te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 april 2015 tot de dag der algehele voldoening, althans subsidiair de wettelijke rente vanaf de dag der dagvaarding tot de dag der algehele voldoening;

  • -

    iii) tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [de werknemer] te voldoen het netto equivalent van het bruto bedrag ad € 615,60 aan wettelijke verhoging vanwege het tot op heden niet uitbetalen van het salaris over de maand maart 2015, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 april 2015 tot de dag der algehele voldoening, althans subsidiair de wettelijke rente vanaf de dag der dagvaarding tot de dag der algehele voldoening;

  • -

    iv) tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [de werknemer] te voldoen een bedrag ad
    € 1.140,00 aan aanzegvergoeding, althans een door de kantonrechter in goede justitie te bepalen bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 april 2015 tot de dag der algehele voldoening, althans subsidiair de wettelijke rente vanaf de dag der dagvaarding tot de dag der algehele voldoening;

  • -

    v) binnen 2 weken na betekening van dit vonnis over te gaan tot overlegging aan [de werknemer] van een schriftelijke specificatie (salarisstrook) over de maanden november en december van 2014, alsmede die van de maanden januari, februari en maart van 2015 ter zake de verschuldigde bedragen alsmede een eindafrekening en een jaaropgave van het jaar 2014, zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom ad € 1.500,00 voor iedere dag of een gedeelte daarvan dat [de werkgever] c.s. daarmede in gebreke blijft;

  • -

    vi) tegen behoorlijk bewijs van kwijting ter zake van buitengerechtelijke kosten aan eiseres te voldoen een bedrag ad € 532,88, althans een door de kantonrechter in goede justitie te bepalen bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag der dagvaarding tot de dag der algehele voldoening;

  • -

    vii) aan [de werknemer] te voldoen de kosten van deze procedure, alsmede de nakosten, te

vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de bedoelde termijn voor voldoening tot aan de dag der algehele finale kwijting, althans een zodanig bedrag als de kantonrechter in goede justitie vermeent te behoren.

3.2.

[de werknemer] voert daartoe, kort gezegd, als volgt aan.

[de werknemer] is voor 27 uur per week bij [de werkgever] in dienst getreden.

[de werkgever] is tekort geschoten in de nakoming van de uit de arbeidsovereenkomst voortvloeiende verplichtingen. [de werkgever] heeft ongegrond het salaris over de maand maart 2015 ( € 1.140,00 bruto exclusief vakantiegeld) en de niet opgenomen vakantiedagen
(€ 167,20) niet uitbetaald.

Daarbij komt dat [de werkgever] niet heeft voldaan aan de verplichting om tijdig aan [de werknemer] aan te zeggen of en zo ja onder welke voorwaarden zij voornemens was om de arbeidsovereenkomst na 31 maart 2015 voort te zetten. Om die reden dient [de werkgever] over te gaan tot betaling van een vergoeding ter hoogte van € 1.140,00, althans een door de kantonrechter pro rata in goede justitie te bepalen bedrag.

Voorts weigert [de werkgever] aan [de werknemer] te verstrekken de salarisstroken over de maanden november 2014 tot en met maart 2015, de jaaropgave en de eindafrekening.

[de werkgever] is gehouden de verplichtingen alsnog na te komen. [de werknemer] maakt daarbij aanspraak op vergoeding van buitengerechtelijke kosten, begroot op € 532,88 inclusief btw, wettelijke rente en, wat betreft de loonvordering en de vordering tot betaling van vakantiedagen, op wettelijke verhoging als bedoeld in artikel 7:625 van het Burgerlijk Wetboek (BW), aldus [de werknemer] .

3.3.

[de werkgever] voert verweer op, kort gezegd, de navolgende gronden.

De overeengekomen arbeidsduur was 24 uur per week, zoals blijkt uit de schriftelijke arbeidsovereenkomst en niet het door [de werknemer] gestelde aantal van 27.

Gedurende de proeftijd van het dienstverband is [de werkgever] door collega-ondernemers gewaarschuwd voor de reputatie van [de werknemer] . [de werknemer] zou, aldus de collega-ondernemers, het tijdelijke dienstverband gebruiken om aansluitend een ziektewetuitkering te verkrijgen en daar zo lang mogelijk van te genieten. Ondanks deze berichten heeft [de werkgever] [de werknemer] niet tijdens de proeftijd ontslagen.

Reeds in februari 2015 heeft [de werkgever] mondeling aan [de werknemer] toegezegd dat de arbeidsovereenkomst met een periode van zes maanden zou worden verlengd. Op zaterdag 7 maart 2015 heeft [de werknemer] [de werkgever] aangezegd haar contract niet meer te willen verlengen, omdat zij in de sportbranche werkzaam wilde zijn.

[de werknemer] is niet ziek. [de werknemer] heeft de kans genomen om zich tegen het einde van een dienstverband ziek te melden om lange tijd van een uitkering te kunnen leven. De aan [de werkgever] gegeven waarschuwing is uitgekomen.

Daarbij komt dat [de werknemer] heeft geweigerd om in te gaan op de uitnodiging te verschijnen bij de verzuimconsulent met wie een inventarisatiegesprek zou worden gevoerd. Een dergelijk gesprek hoort bij de bij de arbodienst te voeren procedure. [de werkgever] heeft de kosten van het gesprek wel in rekening gekregen. [de werknemer] heeft zich niet ingezet om snel weer aan het werk te kunnen gaan.

Het door [de werknemer] begrote bedrag dat aan opgebouwde maar nog niet opgenomen vakantiedagen moet worden uitbetaald is onjuist. [de werknemer] heeft nog recht op uitbetaling van 1,5 uur tegen een uurloon van € 9,50 bruto per uur dat partijen zijn overeengekomen.

In de laatste weken dat [de werknemer] werkzaam was heeft [de werknemer] een paar schoenen met een winkelwaarde van € 237,00 mee naar huis genomen. Van een ander paar moet [de werknemer] nog steeds een restantbedrag van € 62,50 betalen.

[de werkgever] is erg teleurgesteld vanwege de handelwijze van [de werknemer] . [de werkgever] heeft de salarisbetaling opgeschort, omdat [de werkgever] graag in gesprek met [de werknemer] wenste te geraken.

[de werkgever] heeft kosten moeten maken door het onacceptabele gedrag van [de werknemer] .

[de werknemer] heeft alle loonstrookjes en de jaaropgave 2014 in haar bezit en deze zal op verzoek aan [de werknemer] worden verzonden, aldus [de werkgever] .

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

het beroep op verrekening

4.1.

Voor zover [de werkgever] betaling aan [de werknemer] verschuldigd is, stelt zij zich op het standpunt dat een te betalen bedrag dient te worden verminderd door middel van verrekening met de prijs van de door [de werknemer] volgens [de werkgever] meegenomen schoenen.

Op de voet van artikel 6:136 BW wordt aan dit verrekening verweer voorbijgegaan. Nu [de werkgever] heeft betwist de schoenen te hebben meegenomen is de gegrondheid van het verrekeningsverweer niet op eenvoudige wijze vast te stellen, terwijl, zoals uit het navolgende blijkt, de door [de werknemer] ingestelde betalingsvorderingen overigens deels toewijsbaar zijn.

de vordering tot betaling van het salaris

4.2.

[de werknemer] vordert betaling van salaris. [de werkgever] weigert tot betaling over te gaan omdat zij betwist dat [de werknemer] ziek is. De kantonrechter overweegt als volgt.

Voor een geval als het onderhavige, waarbij een werkgever als [de werkgever] overgaat tot opschorting van de loonbetaling vanwege een betwisting van de arbeidsongeschiktheid wegens ziekte van een werknemer als [de werknemer] , schrijft artikel 7: 629a lid 1 (BW) dwingend voor dat de door een werknemer als [de werknemer] in te stellen salarisvordering dient te worden afgewezen, indien deze vordering niet wordt gestaafd met een deskundigenverklaring als bedoeld in voormeld artikellid.

De verplichting tot het overleggen van een deskundigenverklaring strekt ertoe de kantonrechter alsmede de werkgever in staat te stellen zich een oordeel te vormen over de eventuele arbeidsongeschiktheid van de werknemer.

Vastgesteld kan worden dat [de werknemer] een dergelijke deskundigenverklaring niet in het geding heeft gebracht. Geen aanleiding bestaat om [de werknemer] hiertoe een nadere gelegenheid te bieden.

De vordering ligt voor afwijzing gereed.

de vordering tot betaling van opgebouwde maar niet opgenomen vakantiedagen/ vakantieuren

4.3.

Partijen verschillen van mening over het aantal nog uit te betalen vakantiedagen/ uren. [de werknemer] begroot dit op 17 uur en 36 minuten, wat volgens haar neerkomt op een bedrag van
€ 167,20 bruto. [de werkgever] heeft dit gemotiveerd betwist bij conclusie van antwoord door middel van een door haar opgesteld overzicht van de opgebouwde en opgenomen uren. Gelet op deze gemotiveerde betwisting bij conclusie van antwoord, nader toegelicht ter zitting, heeft [de werknemer] het door haar gestelde aantal nog uit te betalen uren onvoldoende onderbouwd. Behoudens de enkele stelling dat [de werknemer] niet goed inziet waar het negatieve urensaldo over 2014 (- 17) vandaan komt, heeft [de werknemer] het overzicht niet inhoudelijk weersproken. In het licht van de gemotiveerde onderbouwing daarvan door [de werkgever] is deze stelling onvoldoende concreet.

Daarbij komt dat ter zitting is komen vast te staan dat [de werkgever] dit overzicht op 27 november 2014, althans een versie bijgewerkt tot laatstgenoemde datum, naar [de werknemer] heeft verzonden en dat [de werknemer] dit zonder commentaar onder zich heeft gehouden. Dit is van belang omdat op genoemde datum al sprake was van een aanzienlijk negatief verlofuren saldo, dat bepalend is voor het door [de werkgever] gestelde eindsaldo.

Mitsdien kan de vordering worden begroot op de door [de werkgever] voorgestelde wijze. Toewijsbaar is een bedrag van € 14,25 bruto (1,5 * € 9,50 bruto). Het overige ligt voor afwijzing gereed.

De over dit bedrag gevorderde wettelijke rente is toewijsbaar vanaf 1 april 2015, nu [de werkgever] tegen deze ingangsdatum geen verweer heeft gevoerd.

de vordering tot betaling van de wettelijke verhoging

4.4.

In beginsel is [de werkgever] over het hiervoor toegewezen bedrag op de voet van artikel 7:625 BW wettelijke verhoging verschuldigd. Echter, onder de gegeven omstandigheden bestaat aanleiding om de wettelijke verhoging te matigen tot nihil.

Vast staat dat [de werkgever] de uitbetaling van de vakantiedagen achterwege heeft gelaten vanwege de ongegronde weigering van [de werknemer] om in te gaan op de uitnodiging voor een gesprek bij de verzuimconsulent van de arbodienst van [de werkgever] . Naar het oordeel van de kantonrechter kon in redelijkheid van [de werknemer] worden verwacht dat zij gehoor aan de oproep zou geven.

Dat [de werkgever] niet aan [de werknemer] heeft meegedeeld dat zij hierom de betaling achterwege heeft gelaten doet in het kader van de beoordeling van de aanspraak op de wettelijke verhoging aan het voorgaande niet af. Evenmin doet afbreuk aan het voorgaande dat [de werknemer] vooraf aan [de werkgever] heeft meegedeeld niet op de afspraak te zullen verschijnen.

de vordering tot betaling van een vergoeding vanwege het niet nakomen van de aanzegverplichting

4.5.

Vaststaat dat [de werkgever] niet tijdig aan de aanzegverplichting ex artikel 7:668 BW heeft voldaan doordat zij niet meer dan maand voor het verstrijken van de contractstermijn schriftelijk aan [de werknemer] kenbaar heeft gemaakt of, en zo ja, onder welke voorwaarden, [de werkgever] voornemens was tot verlenging van de arbeidsovereenkomst over te gaan. De eventuele mondeling door [de werkgever] aan [de werknemer] hierover gedane mededelingen doen hieraan niet af, nu het voldoen aan de aanzegverplichting schriftelijk dient te gebeuren.
Dit brengt mee dat de [de werkgever] op de voet van artikel 7:668, lid 1 een aanzegvergoeding verschuldigd is. Bij de begroting van de hoogte van de te betalen vergoeding is het volgende van belang.

4.6.

Nu [de werkgever] bij e-mail van 13 maart 2015 aan [de werknemer] per e-mail heeft bericht dat zij de opzegging van [de werknemer] bevestigt en dat 30 maart 2015 de laatste werkdag zal zijn, wordt [de werkgever] geacht op 13 maart 2015 alsnog aan de aanzegverplichting te hebben voldaan. Immers, geeft [de werkgever] op laatstgenoemde datum aan [de werknemer] uitsluitsel over de datum van de definitieve beëindiging van de arbeidsovereenkomst. Op de voet van lid 3 van laatstgenoemd wetsartikel is [de werkgever] de aanzegvergoeding naar rato verschuldigd. Bij de begroting zal de kantonrechter uitgaan van een dienstverband van 24 uur per week, dat, zoals blijkt uit de schriftelijke arbeidsovereenkomst, is overeengekomen. Uitgaande van deze omvang van het dienstverband en het bruto-uurloon van € 9,50 bruto, dient het maandsalaris van [de werknemer] op € 988,00 bruto te worden gesteld. (24 x € 9,50 x 52 :12)

[de werkgever] heeft de beëindiging van de arbeidsovereenkomst 13 dagen te laat aangezegd en is derhalve een bedrag van € 414,32 verschuldigd. (€ 988,00/ 31 x 13)

Nu een begroting van de aanzegvergoeding pas in deze procedure heeft plaatsgevonden is de wettelijke rente over dit bedrag toewijsbaar als na te melden.

de vordering tot overlegging van specificaties

4.7.

Ter zitting is gebleken dat hierover geen verschil van mening bestaat en dat [de werkgever] op verzoek van [de werknemer] de specificaties aan [de werknemer] zal doen toekomen. Een veroordeling hiertoe al dan niet op straffe van een dwangsom kan achterwege blijven.

de overige vorderingen

4.8.

Gelet op de toewijsbare hoofdsom kunnen de gevorderde buitengerechtelijke kosten, waartegen voor het overige geen verweer is gevoerd, worden toegewezen tot het bedrag van € 77,79 (inclusief btw). Het meerdere ligt voor afwijzing gereed.

De vordering tot betaling van wettelijke rente over dit bedrag ligt voor afwijzing gereed, nu niet is gesteld of is gebleken dat [de werknemer] dit bedrag daadwerkelijk heeft betaald.

4.9.

Nu beide partijen over en weer in het ongelijk zijn gesteld, zal de kantonrechter de proceskosten tussen partijen compenseren, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Onder deze omstandigheden ligt de vordering tot betaling van nakosten voor afwijzing gereed.

Het geen partijen voor het overige hebben aangevoerd, doet aan al het voorgaande niet af behoeft voor het overige geen nadere bespreking.

5 De beslissing

De kantonrechter:

Veroordeelt [de werkgever] hoofdelijk, des dat de een betalende de ander zal zijn bevrijd, om aan [de werknemer] tegen kwijting te betalen het netto-equivalent van € 14,25 bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 april 2015 tot de dag van betaling.

Veroordeelt [de werkgever] hoofdelijk, des dat de een betalende de ander zal zijn bevrijd, om aan [de werknemer] tegen kwijting te betalen € 414,32, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 14 dagen na heden tot de dag van betaling.

Veroordeelt [de werkgever] hoofdelijk, des dat de een betalende de ander zal zijn bevrijd, om aan [de werknemer] tegen kwijting te betalen € 77,79.

Verklaart deze veroordeling(en) uitvoerbaar bij voorraad.

Compenseert de kosten van het geding in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.S. Reid, kantonrechter, bijgestaan door de griffier en op 9 december 2015 in het openbaar uitgesproken.

De griffier

De kantonrechter