Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2015:10543

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
10-09-2015
Datum publicatie
02-12-2015
Zaaknummer
4056888 \ CV EXPL 15-3511
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Niet-ontvankelijk verklaring ivm verlopen verzetstermijn. Betekening vonnis en daarmee verbandhoudende akten enkel door achterlating van een gesloten envelop is niet voldoende. Wel wordt opposant geacht bekend te zijn met de inhoud van het verstekvonnis doordat hij als gefailleerde kennis heeft kunnen nemen van de openbare verslagen van de curator en de bijgevoegde schuldenlijsten.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen)
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 143
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JBPR 2016/30 met annotatie van mr. B.M. Katan
NJF 2016/61
prof. mr. A.W. Jongbloed annotatie in UDH:TvCu/12793

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Afdeling Privaatrecht

Sectie Kanton - locatie Haarlem

Zaaknr./rolnr.: 4056888 \ CV EXPL 15-3511

Uitspraakdatum: 10 september 2015

Vonnis in de zaak van:

[opposant]

wonende te [woonplaats]

opposant

verder te noemen: [opposant]

gemachtigde: mr. J. Veninga

toevoegingsnummer: 4LD9531

tegen

[geopposeerde]

wonende te [woonplaats]

geopposeerde

verder te noemen: [geopposeerde]

gemachtigde: Van der Vleuten & Van Hooff

1 Het procesverloop

1.1.

[geopposeerde] heeft bij dagvaarding van 18 oktober 2007 een vordering tegen [opposant] ingesteld. [opposant] is niet verschenen en is bij verstekvonnis van de kantonrechter te Haarlem van 31 oktober 2007 veroordeeld. Bij dagvaarding van 9 april 2015 is [opposant] in verzet gekomen tegen dat vonnis.

1.2.

[geopposeerde] heeft schriftelijk geantwoord in oppositie en geantwoord in reconventie. [opposant] heeft hierop gerepliceerd, waarna [geopposeerde] heeft gedupliceerd in reconventie.

2 De feiten

2.1.

In de periode maart tot en met mei 2007 heeft [geopposeerde] timmerwerkzaamheden verricht voor [opposant] ten behoeve van een project in Zandvoort.

2.2.

De kantonrechter heeft [opposant] bij genoemd verstekvonnis van 31 oktober 2007 veroordeelt tot betaling van € 5.000,00 wegens onbetaald gelaten facturen, buitengerechtelijke kosten en rente, te vermeerderen met contractuele rente over € 4.680,00 en de proceskosten.

2.3.

Op 7 februari 2008 is het verstekvonnis betekend aan [opposant] en heeft de deurwaarder het exploot in een gesloten envelop achtergelaten op [adres]

2.4.

Op 9 april 2008 heeft [geopposeerde] executoriaal beslag gelegd op de roerende zaken van [opposant] , een auto met [kentekennummer] en aanhangwagen met [kentekennummer]

2.5.

Op 28 april 2008 is door [geopposeerde] derdenbeslag gelegd onder de ING Bank N.V. ten laste van [opposant] . Dit beslag is overbetekend op 29 april 2008 aan [opposant] en in een gesloten envelop achtergelaten op [adres] .

2.6.

[opposant] is op 21 oktober 2008 failliet verklaard. Mr. W.S.J. Steenhuisen is daarbij tot curator benoemd. [geopposeerde] heeft op 27 oktober 2008 een vordering ad € 7.140,70 ingediend bij de curator, waarvan de curator op 3 november 2008 de ontvangst heeft bevestigd. Op 23 juni 2009 is het faillissement van [opposant] opgeheven wegens de toestand van de boedel. De curator heeft [geopposeerde] bericht dat aan de preferente en concurrente schuldeisers geen uitkering kon worden gedaan.

2.7.

Op 28 mei 2010 is door [geopposeerde] derdenbeslag gelegd onder de ING Bank N.V. ten laste van [opposant] .

2.8.

[geopposeerde] heeft op 13 december 2011 beslag gelegd op de auto van [opposant] met [kentekennummer] . Een proces-verbaal hiervan is op 16 december 2011 betekend aan [opposant] en achtergelaten in een gesloten envelop op [adres]

2.9.

Op 12 september 2014 heeft [geopposeerde] loonbeslag gelegd onder de werkgever van [opposant] , [Naam Werkgever] Dezelfde dag heeft [geopposeerde] het proces-verbaal van die beslaglegging betekend aan [opposant] en achtergelaten in een gesloten envelop op [adres]

2.10.

[geopposeerde] heeft [de werkgever] op 16 oktober 2014 en 10 november 2014 gesommeerd de 476a Rv-verklaring af te geven. [geopposeerde] heeft [de werkgever] tegen 24 december 2014 gedagvaard tot betaling van € 10.346,33. Op 11 maart 2015 heeft [geopposeerde] het vonnis in die procedure betekend aan [de werkgever]

2.11.

De gemachtigde van [opposant] heeft op 12 maart 2015 bij de gemachtigde van [geopposeerde] stukken opgevraagd. Aan dit verzoek is voldaan doordat op vrijdag 13 maart 2015 per post de dagvaarding met bijlagen zijn toegezonden.

3 De vordering in verzet

3.1.

[opposant] vordert hem tot goed opposant te verklaren en hem te ontheffen van de veroordeling welke bij gemeld verstekvonnis tegen hem is uitgesproken. Ook vordert [opposant] om de vordering van [geopposeerde] in verzet af te wijzen en [geopposeerde] te veroordelen in de proceskosten.

3.2.

[opposant] stelt dat [geopposeerde] geen acties jegens hem heeft ondernomen die ertoe hebben geleid dat hij bekend is geworden met de inhoud van het verstekvonnis. De door [geopposeerde] in het geding gebrachte exploten zijn geen van allen aan [opposant] in persoon betekend. Verder blijkt niet dat [opposant] een daad van bekendheid heeft verricht en betwist [opposant] met de deurwaarder te hebben gebeld. Ook de indiening van de vordering bij de curator doet de verzettermijn niet starten, omdat niet blijkt dat de vordering naar de curator is gezonden noch dat de curator [opposant] van de inhoud van het vonnis op de hoogte heeft gesteld. Verder heeft er geen verificatievergadering plaatsgevonden. De verzettermijn is niet eerder gaan lopen dan

16 maart 2015, de dag dat de deurwaarder de stukken betreffende het verstekvonnis aan de gemachtigde van [opposant] heeft toegestuurd.

3.3.

Verder stelt [opposant] dat [geopposeerde] zijn vordering onvoldoende heeft onderbouwd, onder meer doordat de in de dagvaarding opgesomde facturen niet in het geding zijn gebracht. Daarbij komt dat [geopposeerde] ook geen reële werkzaamheden heeft verricht die enige factuur rechtvaardigen. Voorzover [geopposeerde] al iets heeft geproduceerd dan was de kwaliteit daarvan abominabel. Doordat [geopposeerde] geen goed werk heeft geleverd is [opposant] van het project weggestuurd. Dit heeft tot gevolg gehad dat de betreffende opdrachtgever de factuur van [opposant] niet heeft voldaan en het project door een derde heeft laten afmaken, welke kosten op [opposant] zijn verhaald. Door toedoen van [geopposeerde] heeft [opposant] schade geleden van

€ 25.000,00, welk bedrag ex 6:127 BW dient te worden verrekend met de gepretendeerde vordering van [geopposeerde] .

4 Het verweer in oppositie

4.1.

[geopposeerde] betwist de vordering van [opposant] . Primair voert [geopposeerde] aan dat [opposant] het verzet niet tijdig heeft ingesteld aangezien de verzettermijn van vier weken al ruimschoots is verstreken. Die termijn gaat immers lopen vanaf de dag dat [opposant] een daad van bekendheid met de inhoud van het vonnis heeft verricht danwel vanaf de dag dat is aangevangen met de tenuitvoerlegging van het vonnis. De gemachtigde van [geopposeerde] heeft vanaf 7 februari 2008 tot en met 12 september 2014 executiemaatregelen en ambtshandelingen krachtens het gewezen verstekvonnis verricht jegens [opposant] . Naar aanleiding van die handelingen heeft [opposant] op 18 mei 2010, 16 november 2011, 14 december 2011, 17 september 2014 en 12 maart 2015 telefonisch contact opgenomen met de gemachtigde van [geopposeerde] . Uit deze contacten bleek dat [opposant] op de hoogte was van de inhoud van het vonnis. Tot slot was de curator volledig op de hoogte van de inhoud van het vonnis en de reeds uitgevoerde executiemaatregelen en ook daaruit moet volgen dat [opposant] volledig op de hoogte is geweest.

4.2.

Voorzover [opposant] als goed opposant wordt beschouwd betwist [geopposeerde] de vordering inhoudelijk. Ten tijde van het uitbrengen van de oorspronkelijke dagvaarding was [geopposeerde] geen verweer van [opposant] bekend. Bij gebrek aan wetenschap betwist [geopposeerde] dat hij zijn werkzaamheden niet goed zou hebben uitgevoerd en is hij nimmer door [opposant] in gebreke gesteld. Verder betwist [geopposeerde] de beweerdelijke schade en de door [opposant] opgevoerde schadeposten bij gebrek aan wetenschap, nu [opposant] heeft nagelaten een en ander te onderbouwen. Tot slot betwist [geopposeerde] dat de te verrekenen schade als een tegenvordering dient te worden uitgelegd.

5 De beoordeling

5.1.

Allereerst zal beoordeeld dienen te worden of [opposant] tijdig in verzet is gekomen. Door [geopposeerde] zijn het verstekvonnis en de daaruit volgende akten niet aan [opposant] in persoon betekend. Met een achterlating in een gesloten envelop ex artikel 47 Rv kan, anders dan [geopposeerde] aanvoert, niet worden volstaan. Het standpunt van [geopposeerde] dat de termijn na betekening van het verstekvonnis op 7 februari 2008, dan wel na betekening van de andere akten daarna, is gaan lopen, dient te worden afgewezen.

5.2.

Vervolgens heeft [geopposeerde] aangevoerd dat [opposant] door telefonisch contact op te nemen met de deurwaarder telkens kort nadat de deurwaarder zijn ambtshandelingen had verricht, blijk heeft gegeven van bekendheid met het vonnis of het aangevangen zijn van de tenuitvoerlegging daarvan. Dat dergelijke telefonische contacten hebben plaatsgevonden wordt door [opposant] betwist en heeft [geopposeerde] niet nader onderbouwd. Echter, gelet op het faillissement van [opposant] en de zonder nadere voorwaarden te stellen acceptatie van die vordering door de curator, dient – gelet op het bepaalde in de artikelen 110 en 111 Fw - te worden geoordeeld dat in ieder geval de curator voldoende bekend is geworden met het vonnis. Deze kennis kan ook aan [opposant] worden toegerekend nu de curator ex de toepasselijke Recofa-richtlijnen van ieder openbaar verslag een afschrift aan de gefailleerde verzend en bij het eerste of tweede verslag een lijst van schuldeisers voegt. Dit betekent, dat gelet op de periode van het faillissement, de verzetstermijn van vier weken ruimschoots is verstreken.

5.3.

De conclusie is dat de kantonrechter [opposant] niet ontvankelijk zal verklaren in zijn vordering, nu hij niet als goed opposant kan worden aangemerkt.

5.4.

Gelet op deze uitkomst behoeft de door [opposant] gestelde te verrekenen vordering wegens schade ad € 25.000,00 geen verdere beoordeling aangezien hij deze vordering niet als zelfstandige tegenvordering heeft ingediend.

5.5.

De proceskosten komen voor rekening van [opposant] , omdat hij ongelijk krijgt.

6 De beslissing

De kantonrechter:

6.1.

verklaart [opposant] niet-ontvankelijk;

6.2.

veroordeelt [opposant] tot betaling van de proceskosten, die tot en met vandaag voor [geopposeerde] worden vastgesteld op een bedrag van € 500,00 aan salaris van de gemachtigde van [geopposeerde] .

Dit vonnis is gewezen door mr. S.N. Schipper, kantonrechter en op 10 september 2015 in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.

De griffier De kantonrechter