Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2015:10443

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
19-10-2015
Datum publicatie
30-11-2015
Zaaknummer
4409131 KG EXPL 15-149
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Terugwerkende kracht Wet beloningsbeleid financiële ondernemingen in strijd met rechtszekerheidsbeginsel, Bank moet vaststellingsovereenkomst nakomen.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 3
Burgerlijk Wetboek Boek 3 40
Wet op het financieel toezicht
Wet op het financieel toezicht 1:116
Wet op het financieel toezicht 1:125
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2015/2363
JONDR 2016/323
JAR 2015/288 met annotatie van mr. drs. A.M. Helstone
JOR 2016/36 met annotatie van mr. C.F.J. van Tuyll van Serooskerken
AR-Updates.nl 2015-1072
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Afdeling Privaatrecht

Sectie Kanton - locatie Alkmaar

Zaaknr/rolnr.: 4409131 \ KG EXPL 15-149 WD

Uitspraakdatum: 19 oktober 2015 (bij vervroeging)

Vonnis in kort geding

De kantonrechter als voorzieningenrechter, rechtdoende in kort geding, heeft het volgende vonnis gewezen in de zaak van:

[naam] , wonende te [plaats] ,

eisende partij in kort geding,

verder ook te noemen: [de werknemer] ,

gemachtigde: mr. A. Klaassen,

tegen

de coöperatie COOPERATIEVE RABOBANK ALKMAAR E.O. U.A., gevestigd te Alkmaar,

gedaagde partij in kort geding,

verder ook te noemen: Rabobank,

gemachtigde: mr. F.W.G. Ambagtsheer.

1 Het procesverloop

[de werknemer] heeft bij dagvaarding d.d. 17 september 2015 een voorziening gevorderd.

De zaak is behandeld op de terechtzitting van 28 september 2015, alwaar zijn verschenen: partijen, bijgestaan door hun gemachtigden. Van de zitting heeft de griffier aantekeningen gemaakt.

Voorafgaande aan de zitting heeft [de werknemer] nog een aanvullende productie ingediend.

Rabobank heeft voorafgaande aan de zitting een drietal producties ingediend.

Rabobank heeft het woord doen voeren aan de hand van een pleitnota, die is overgelegd.

De inhoud van deze processtukken geldt als hier ingelast.

Na afloop van de behandeling is heden uitspraak bepaald.

2 De uitgangspunten

2.1.

[de werknemer] is met ingang van [datum] bij Rabobank in dienst, laatstelijk in de functie van statutair directeur bedrijfsmanagement, zulks tegen een salaris van € 11.716,40 bruto per maand, exclusief vakantietoeslag en dertiende maand.

2.2.

Eind 2014 heeft de Raad van Commissarissen van Rabobank aan [de werknemer] meegedeeld de samenwerking te willen beëindigen.

2.3.

Partijen hebben onderhandeld over de voorwaarden waaronder tot beëindiging van het dienstverband kon worden overgegaan. De onderhandelingen hebben geleid tot het sluiten van een vaststellingsovereenkomst, gedateerd op 14 januari 2015. Bij deze vaststellingsovereenkomst is, voor zover van belang, bepaald dat de arbeidsovereenkomst met ingang van 1 augustus 2015 wordt beëindigd en dat aan [de werknemer] een beëindigingsvergoeding wordt toegekend ter hoogte van het bedrag van € 450.000,00, te betalen op 1 augustus 2015.

2.4.

Op 7 februari 2015 is met terugwerkende kracht tot 1 januari 2015 in werking getreden de Wet tot wijziging van de Wet op het financieel toezicht houdende regels met betrekking tot het beloningsbeleid van financiële ondernemingen (Wet beloningsbeleid financiële ondernemingen). Deze wet behelst een wijziging van de Wet op het financieel toezicht (Wft).

2.5.

Volgens de Wet beloningsbeleid financiële ondernemingen dienen vertrekregelingen voor medewerkers als [de werknemer] van financiële instellingen als Rabobank te worden gemaximeerd op een bruto vast jaarsalaris.

2.6.

De tussen partijen afgesproken beëindigingsvergoeding van € 450.000,00 overschrijdt de volgens voornoemde wet gelet op het salaris van [de werknemer] toegestane maximale vertrekregeling.

2.7.

Van het tussen partijen afgesproken bedrag van € 450.000,00 heeft Rabobank met een beroep op voormelde wetswijzing een bedrag van € 163.555,32 voldaan.

3 Het geschil

3.1.

[de werknemer] vordert, na vermeerdering van eis ter zitting dat de kantonrechter bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

PRIMAIR:

( i) Rabobank veroordeelt tot betaling aan [de werknemer] van het bruto bedrag ad € 450.000,- voor zover ten tijde van het vonnis nog niet volledig voldaan, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 augustus 2015 tot de dag van algehele voldoening (dan wel een voorschot daarop van tenminste € 400.000,- dan wel een in goede justitie te bepalen bedrag);

SUBSIDIAIR:

(ii) Rabobank veroordeelt om binnen twee weken na betekening van dit vonnis in te stemmen met een wijziging van de vaststellingsovereenkomst, zodanig dat:

a. a) het dienstverband van [de werknemer] met (tenminste) 21 maanden voortduurt tot mei 2017 onder vrijstelling van werkzaamheden;

b) het laatstgenoten bruto maandsalaris inclusief vakantietoeslag en emolumenten van [de werknemer] in de periode 1 augustus 2015 tot 1 mei 2017 wordt uitbetaald (zonder recht op een dertiende maand);

c) [de werknemer] aanspraak behoudt op een beëindigingsvergoeding per 1 augustus 2015 ter hoogte van € 163.555,32 bruto, zijnde een vergoeding zoals toegelaten door art. 1:125 van de Wet op het financieel toezicht;

d) Rabobank de overeengekomen vrijstelling van werkzaamheden voortzet zolang het dienstverband voortduurt,

(iii) althans Rabobank veroordeelt in te stemmen met een wijziging van de vaststellingsovereenkomst, zodanig dat de uitkeringen door Rabobank aan [de werknemer] na 31 juli 2015 en exclusief de overeengekomen eindafrekening in totaal een bedrag van € 450.000,- bruto bedragen;

(iii) althans Rabobank veroordeelt in te stemmen met een door de kantonrechter in goede justitie te bepalen wijziging,

(iv) één en ander op straffe van verbeurte van een dwangsom;

MEER SUBSIDIAIR:

(iii) Rabobank veroordeelt om bij De Nederlandse Bank (DNB) ontheffing aan te vragen op grond van de Wet op het financieel toezicht, waardoor de tussen partijen afgesproken beëindigingsvergoeding zal zijn toegestaan.

3.2.

[de werknemer] voert daartoe, kort gezegd, als volgt aan.

Niettegenstaande de met terugwerkende kracht ingegane Wet beloningsbeleid financiële ondernemingen is Rabobank gehouden tot nakoming van de vaststellingsovereenkomst. Dat, achteraf gezien, de bedongen beëindigingsvergoeding het wettelijk toegestane maximum overschrijdt, doet hieraan om de volgende redenen niet af.

Vanwege het karakter van een vaststellingsovereenkomst dient Rabobank deze na te komen ongeacht of daaraan een eventuele dwingendrechtelijke bepaling in de weg staat, te meer nu deze overeenkomst te goeder trouw is aangegaan. [de werknemer] beroept zich hiertoe op artikel 7:902 van het Burgerlijk Wetboek (BW).

Voorts kan artikel 1:125 lid 2 Wft in het onderhavige geval geen toepassing vinden wegens strijdigheid met eenieder verbindende bepalingen uit volkenrechtelijke verdragen, zoals artikel 1 Eerste Protocol bij het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EP) en met het rechtszekerheidsbeginsel.

Bovendien had Rabobank [de werknemer] voorafgaand aan het sluiten van de vaststellingsovereenkomst dienen te informeren over de beperkingen aan de uitkering van vertrekvergoedingen en rekening houdend met deze beperkingen andere afspraken dienen voor te stellen om tot “maatwerk” te komen. Het nalaten hiervan is strijdig met de eisen van goed werkgeverschap. Rabobank is daarom aansprakelijk voor de schade die [de werknemer] hierdoor lijdt.

Tot slot is naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar dat Rabobank zich beroept op nietigheid van de overeengekomen vertrekvergoeding wegens strijdigheid met artikel 1:125 Wft. Laatstgenoemd artikel legt verplichtingen op aan Rabobank en strijdigheid van een toezegging van Rabobank aan [de werknemer] met deze verplichtingen moet voor rekening van Rabobank blijven.

Voor zover nakoming vanwege de wetswijzing niet mogelijk is, dient Rabobank de schade voor [de werknemer] maximaal te beperken. Dit vanwege de eisen die voortvloeien uit de goede trouw die de relatie tussen contractspartijen beheerst, dan wel vanwege de verplichting van Rabobank om zich als goed werkgever te gedragen. Derhalve is Rabobank gehouden akkoord te gaan met een wijzing van de vaststellingsovereenkomst, zoals subsidiair gevorderd.

Meer subsidiair dient Rabobank bij De Nederlandse Bank (DNB) ontheffing aan te vragen, en aldus toestemming te verzoeken voor de tussen partijen afgesproken beëindigingsvergoeding.

Dit alles aldus [de werknemer] .

3.3.

Rabobank voert verweer op, voor zover van belang, de navolgende gronden.

De door partijen in de vaststellingsovereenkomst afgesproken beëindigingsvergoeding is nietig in de zin van artikel 3:40 BW.

Rabobank kan noch mag om deze reden overgaan tot betaling van de overeengekomen beëindigingsvergoeding. Indien Rabobank wel tot betaling zal overgaan, zal zij te maken krijgen met door de DNB op te leggen sancties en maatregelen.

Evenmin is het Rabobank toegestaan om over te gaan tot wijziging van de vaststellingsovereenkomst op de door [de werknemer] voorgestelde wijze. Dit nog afgezien van het feit dat de kantonrechter als voorzieningenrechter niet bevoegd is om de inhoud van een vaststellingsovereenkomst te wijzigen.

Rabobank heeft bij de totstandkoming van de vaststellingsovereenkomst redelijkerwijs geen aanleiding gehad om rekening te houden met het feit dat de Wet beloningsbeleid financiële ondernemingen met terugwerkende kracht zou worden ingevoerd. Zodra Rabobank bekend werd met de nietigheid van de bedongen beëindigingsvergoeding heeft zij direct [de werknemer] hierover geïnformeerd.

De wettelijke regulering van beëindigingsvergoedingen als de onderhavige op de wijze zoals bepaald bij of krachtens de Wet beloningsbeleid financiële ondernemingen moet, althans naar het oordeel van de wetgever, worden beschouwd als een geoorloofde wijze van regulering van eigendom. Uitgaande daarvan is geen sprake van strijdigheid met eenieder verbindende bepalingen uit volkenrechtelijke verdragen, zoals artikel 1 Eerste Protocol bij het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EP), en / of het rechtszekerheidsbeginsel.

De eisen van goed werkgeverschap strekken niet zover dat Rabobank kan worden verplicht om bij de DNB in onderhavig geval ontheffing aan te vragen en daarmee toestemming te verkrijgen om een nietige bepaling in een vaststellingsovereenkomst na te komen.

Daarbij komt dat Rabobank niet verwacht dat de DNB positief zal beslissen op een verzoek om ontheffing. Onderhavig geval is namelijk niet overeenkomstig de gevallen waarin eerder door de DNB aan Rabobank Amsterdam ontheffing is verleend.

Het voorgaande nog afgezien van het feit dat alleen Rabobank Nederland en niet Rabobank zich tot de DNB kan wenden met het verzoek tot ontheffing en Rabobank Nederland geen partij is in deze procedure.

Dit alles aldus Rabobank.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

[de werknemer] heeft ter zitting zijn eis vermeerderd. Rabobank heeft geen bezwaar gemaakt tegen de eisvermeerdering. De kantonrechter zal de eisvermeerdering toestaan, nu deze niet in strijd is met de goede procesorde.

4.2.

De spoedeisendheid van de zaak vloeit uit het gestelde voort en is in voldoende mate gebleken.

4.3.

Uit het over en weer betoogde, de overgelegde stukken en de omstandigheid dat de onderhavige procedure zich niet leent voor (nadere) bewijsvoering is de kantonrechter voorshands, rekeninghoudende met de vermoedelijke beslissing in de eventueel te entameren bodemzaak, het volgende van oordeel.

4.4.

Tussen partijen is in geschil of de in de vaststellingsovereenkomst opgenomen bepaling over de overeengekomen beëindigingsvergoeding nietig is. Hierover wordt als volgt overwogen.

4.5.

Of in casu sprake is van een nietige afspraak dient te worden beoordeeld aan de hand van het bepaalde in artikel 3:40 BW.

Het door partijen aangehaalde artikel 7:902 BW is naar het oordeel van de kantonrechter niet beslissend voor het antwoord op de vraag of al dan niet sprake is van nietigheid. Aan laatstgenoemd artikel ligt de gedachte ten grondslag dat het mogelijk is dat partijen mede tot het sluiten van een vaststellingsovereenkomst worden gebracht, omdat de tussen hun bestaande onzekerheid of geschil (mede) ziet op de uitleg van een regel van dwingend recht of omtrent het resultaat waartoe een door een zodanige regel beheerste verhouding van partijen in het gegeven geval leidt (HR 21 april 1995, NJ 1997/570 (Schmitz/Caspers)).

Een dergelijke tussen partijen bestaande onzekerheid of geschil was tussen partijen eind 2014/ begin 2015 niet aan de orde, zo is gebleken. Integendeel, partijen gingen er gezamenlijk van uit dat de overeengekomen beëindigingsvergoeding niet strijdig was met dwingend recht.

4.6.

Ingevolge het bepaalde in lid 1 van artikel 3:40 BW is een rechtshandeling nietig, indien deze door inhoud of strekking in strijd is met de goede zeden of de openbare orde. Lid 2 van genoemd wetsartikel bepaalt, voor zover van belang, dat strijd met een dwingende wetsbepaling eveneens leidt tot nietigheid van de rechtshandeling. Genoemd lid 2 is ingevolge het bepaalde in lid 3 van hetzelfde artikel niet van toepassing op wetsbepalingen die niet de strekking hebben de geldigheid van daarmee strijdige rechtshandelingen aan te tasten.

4.7.

Ingevolge het bepaalde in artikel 1:23 Wft is de rechtsgeldigheid van een privaatrechtelijke rechtshandeling welke is verricht in strijd met de bij of krachtens die wet gestelde regels niet uit dien hoofde aantastbaar, behalve voor zover in die wet anders is bepaald.

In afwijking van laatstgenoemd artikel bepaalt lid 3 van artikel 1:116 Wft dat rechtshandelingen in strijd met de bij of krachtens artikel 1:125 Wft gestelde regels nietig zijn.

4.8.

Vastgesteld kan worden dat als gevolg van de inwerkintreding van de Wet beloningsbeleid financiële ondernemingen de door partijen overeengekomen beëindigingsvergoeding alsnog in strijd is gekomen met artikel 1:125 Wft, daarmee in strijd met een dwingende wetsbepaling als bedoeld in artikel 3:40 lid 2 BW, en als gevolg daarvan nietig is.

Het voorgaande heeft tot gevolg dat Rabobank niet tot nakoming van de gemaakte afspraak kan worden gehouden, behoudens indien artikel 1:125 Wft in onderhavig geval buiten toepassing dient te blijven, omdat:

- dit artikel in strijd is met artikel 1 Eerste Protocol bij het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en/of

- de terugwerkende kracht van dit artikel in dit geval in strijd is met het rechtszekerheidsbeginsel, zoals door [de werknemer] is betoogd.

Hierover wordt als volgt overwogen.

4.9.

Uitgangspunt van art. 1 Eerste Protocol EVRM (hierna: art. 1 EP) is het recht van eenieder op het ongestoord genot van zijn eigendom.

Onder eigendom moet mede worden begrepen een vastgelegd recht op uitkering van een geldsom, zoals onderhavige beëindigingsvergoeding.

Op grond van de tweede volzin van genoemde bepaling laat dit onverlet dat eigendom door de overheid mag worden gereguleerd in overeenstemming met het algemeen belang. Die bevoegdheid kent echter grenzen, blijkens de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM).

Op grond van vaste rechtspraak van het EHRM dient een inmenging door de overheid:

  • -

    bij wet te zijn voorzien;

  • -

    niet in strijd te komen met het rechtszekerheidsbeginsel en het verbod van willekeur;

  • -

    een gerechtvaardigd algemeen belang te dienen;

  • -

    proportioneel te zijn, in de zin dat een ‘fair balance’ moet bestaan tussen de eisen van het algemeen belang en de bescherming van de rechten van de betrokkene; en

  • -

    geen onevenredige last (‘excessive burden’) op te leggen aan de betrokkene.

4.10.

[de werknemer] stelt zich op het standpunt dat vanwege de terugwerkende kracht van de Wet beloningsbeleid financiële ondernemingen en het ontbreken van een deugdelijke overgangsregeling de door [de werknemer] en Rabobank op 14 januari 2015 bevoegdelijk gemaakte afspraak over de beëindigingsvergoeding achteraf gezien nietig is. Hiermee is genoemde wettelijke regeling in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel en daarmee strijd met het in artikel 1 EP neergelegde recht op ongestoord recht op eigendom.

Rabobank heeft deze zienswijze bestreden.

De kantonrechter overweegt als volgt.

4.11.

Het standpunt van [de werknemer] moet als juist worden aanvaard. Op 14 januari 2015 hebben partijen op grond van de toen geldende wetgeving bevoegdelijk een ontbindingsvergoeding van € 450.000,00 mogen afspreken, als gevolg waarvan [de werknemer] een vorderingsrecht tot betaling van dat bedrag ten laste van Rabobank verkreeg. Vervolgens is dit vorderingsrecht op 7 februari 2015 teniet gegaan vanwege de terugwerkende kracht waarmee de Wet beloningsbeleid financiële ondernemingen in is gegaan en het ontbreken van een overgangsregeling die ziet op de afspraken die zijn gemaakt met [de werknemer] .

De overgangsregeling (neergelegd in artikel 1:125 lid 3 Wet financieel toezicht) bepaalt namelijk dat het betreffende verbod tot en met 1 juli 2015 niet van toepassing is op uit te keren vertrekvergoedingen als de onderhavige die voortvloeien uit een door de onderneming voorafgaande aan 1 januari 2015 aangegane verplichting en de tussen partijen aangegane regeling dateert van 14 januari 2015.

4.12.

In dit kader verdient opmerking dat bij de totstandkoming van de Wet beloningsbeleid financiële ondernemingen aandacht is besteed aan de noodzaak van een passende overgangsregeling in verband met de verenigbaarheid van het (toenmalig) wetsvoorstel met artikel 1 EP.

Zo heeft de Afdeling Advisering van de Raad van State (hierna: RVS) erop gewezen dat het wetsvoorstel ten aanzien van beëindigingsvergoedingen in het geheel niet voorzag in een overgangsregeling als gevolg waarvan “bepalingen in bestaande overeenkomsten bij vrijwillig vertrek na inwerkingtreding van het voorstel nietig zijn.”

Gebleken is dat de wetgever naar aanleiding van genoemd advies aanleiding heeft gezien alsnog te voorzien in de hiervoor onder 4.11. omschreven overgangsregeling, waarbij de wetgever er van is uitgegaan dat de Wet beloningsbeleid financiële ondernemingen op 1 januari 2015 zou ingaan. Uitgaande van die ingangsdatum zou de tussen partijen afgesproken beëindigingsvergoeding van meet af aan nietig zijn geweest, hetgeen voor partijen ook kenbaar zou zijn geweest, maar nu vanwege vertraging in het wetgevingsproces de Wet beloningsbeleid financiële ondernemingen op 7 februari 2015 met terugwerkende kracht in werking is getreden en de in het wetsvoorstel opgenomen overgangsregeling hierop niet is aangepast, wordt [de werknemer] alsnog geconfronteerd met de in 4.11. omschreven situatie, die feitelijk overeenkomt met het door de RVS in het advies geschetste en als ongewenst aangemerkte scenario.

4.13.

Het voorgaande overziende, bestaat naar het oordeel van de kantonrechter redelijkerwijs de verwachting dat een bodemrechter, indien aangezocht, zal komen tot het oordeel dat het huidige artikel 1:125 Wet financieel toezicht in onderhavig geval buiten toepassing dient te blijven.

Dit heeft tot gevolg dat het door Rabobank gevoerde beroep op nietigheid alsnog dient te worden verworpen.

4.14.

Aan het voorgaande doet niet af dat Rabobank mogelijkerwijs te maken krijgt met door de DNB op te leggen sancties en maatregelen. Mede gelet op de aard en het karakter van de tussen partijen gesloten vaststellingsovereenkomst komt dit voor risico van Rabobank.

4.15.

Het primair gevorderde ligt voor toewijzing gereed als na te melden. De gevorderde rente over de hoofdsom kan, als zijnde onweersproken, worden toegewezen.

Hetgeen partijen voor het overige hebben aangevoerd, behoeft geen nadere bespreking.

Gelet op de tussen partijen gemaakte afspraken over de proceskosten kan een beslissing hierover achterwege blijven.

5 De beslissing in kort geding

De kantonrechter:

Veroordeelt Rabobank om aan [de werknemer] tegen kwijting te betalen de som van € 450.000,00, voor zover ten tijde van het vonnis nog niet volledig voldaan, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 1 augustus 2015 tot aan de dag der voldoening.

Verstaat dat over de proceskosten niet behoeft te worden beslist.

Verklaart deze veroordeling(en) uitvoerbaar bij voorraad.

Wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.E. Merkus, kantonrechter, bijgestaan door de griffier, en bij vervroeging in het openbaar uitgesproken op 19 oktober 2015.

De griffier

De kantonrechter