Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2015:10403

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
30-11-2015
Datum publicatie
01-12-2015
Zaaknummer
15-192209-14
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Veroordeling wegens het onder zich hebben en uitgeven van vals geld. Oplegging gevangenisstraf en geldboete. Bewijsoverwegingen ten aanzien van het bekend zijn met de valsheid van het geld op het moment van verkrijging en gebruik van wisseltruc (goed biljet van € 50,- bij AH teruggewisseld voor een vals biljet).

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 209
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Afdeling Publiekrecht, Sectie Straf

Locatie Alkmaar

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 15-192209-14 (P)

Uitspraakdatum: 30 november 2015

Tegenspraak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 16 november 2015 in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ,

ingeschreven in de basisadministratie persoonsgegevens op het adres [adres] .

Ter zitting van 6 juli 2015 heeft de politierechter de zaak onder bovengenoemd parketnummer naar deze kamer verwezen.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie

mr. J.G. Hendriks en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. F.D.W. Siccama, advocaat te Amsterdam, naar voren hebben gebracht.

1 Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1

hij op of omstreeks 8 januari 2014, in de gemeente Haarlem, in elk geval in Nederland, opzettelijk (een) bankbiljet(ten) van vijftig euro (in totaal 67 stuks), dat/die verdachte zelf heeft nagemaakt of vervalst of waarvan de valsheid of vervalsing verdachte, toen hij dat/die ontving, bekend was, met het oogmerk om dat/die als echt en onvervalst uit te geven of te doen uitgeven, in voorraad heeft gehad;

2 primair

hij op of omstreeks 8 januari 2014, in de gemeente Haarlem in elk geval in Nederland, opzettelijk (een) als echt(e) en onvervalst(e) bankbiljet(ten) heeft uitgegeven (bij de kassa van een Albert Heijn vestiging) (een) bankbiljet(ten) van vijftig euro, dat/die verdachte zelf heeft nagemaakt en/of vervalst of waarvan de valsheid of vervalsing verdachte, toen hij dat/die bankbiljet(ten) ontving, bekend was;

2 subsidiair

hij op of omstreeks 8 januari 2014, in de gemeente Haarlem, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk (een) vals(e) of vervalst(e) bankbiljet(ten) van vijftig euro uit te geven (waarvan de echtheidskenmerken ontbraken), die/dat valse/vervalste bankbiljet(ten) ter betaling (bij de kassa van een Albert Heijn vestiging) heeft aangeboden terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2. Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het Openbaar Ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3 Bewijs

3.1.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de onder 1 en 2 primair ten laste gelegde feiten.

3.2.

Standpunt van de verdediging
Verdachte heeft verklaard dat hij er niet van op de hoogte was dat het bankbiljet dat hij aan de medewerker van Albert Heijn (hierna: AH) heeft gegeven vals was. Hij had de 67 bankbiljetten in bewaring gekregen van een kennis.

De raadsman van verdachte heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte pas op het moment dat de AH-medewerker hem meedeelde dat het een vals biljet betrof, bekend raakte met de valsheid van het bankbiljet. Artikel 209 van het Wetboek van Strafrecht (Sr) vereist dat de dader op het moment van ontvangst van het valse geld bekend moet zijn met de valsheid daarvan. Daarom is verdachte niet strafbaar voor het hem onder 1 tenlastegelegde.

Ten aanzien van het onder 2 primair tenlastegelegde heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat geen sprake is van een voltooid delict, omdat er nog geen betaling had plaatsgevonden. Hoogstens kan verdachte verweten worden dat hij zich ten aanzien van één biljet heeft schuldig gemaakt aan het onder 2 subsidiair tenlastegelegde.

3.3.

Redengevende feiten en omstandigheden1

Op 8 januari 2014 heeft de manager van het AH filiaal [adres] te Haarlem aangifte gedaan van oplichting.2 De kassamedewerker van AH, [getuige] heeft als volgt verklaard:3

“Vandaag, 8 januari 2014, stond ik omstreeks 15.30 uur achter kassa 4. Op dat moment kwam er een persoon bij de kassa. Hij wilde babydoekjes afrekenen ter waarde van € 1,60. Ik zag dat de man mij een biljet van 50 euro overhandigde. Ik haalde dit biljet door de scanner. Deze scanner controleert of het een echt of een nep biljet betreft. Ik hoorde een kort piepje en ik zag een groen lampje branden bij de scanner. Dit is het teken dat het biljet in orde is. Vervolgens hoorde ik de man zeggen dat hij ook wel kleingeld bij zich had. Hierop heb ik hem het biljet van 50 euro teruggegeven. De man pakte het biljet snel aan en stopte het ook snel in zijn broekzak. Ik zag dat de man in zijn broekzak ging zoeken, kennelijk om kleingeld te zoeken. Ik hoorde de man zeggen dat hij toch geen kleingeld bij zich had en de man overhandigde mij weer een biljet van 50 euro. Ik vond dit verdacht omdat de man vrij snel zijn biljet van 50 euro weer van mij terugnam. Om die reden haalde ik het biljet opnieuw door de scanner. Ik zag dat er een rood lampje ging branden en ik hoorde een lange piep. Dit is het teken dat het biljet vals is. Ik deed het biljet opnieuw in de scanner met hetzelfde resultaat. Ik pakte het biljet vast en zag dat het vals was. Het biljet voelde anders dan normale bankbiljetten. Ik kon ook door het biljet heen kijken. Dat wil zeggen dat ik de opdruk aan de andere kant van het biljet kon lezen.
Hierop heb ik de man verteld dat hij met vals geld probeerde te betalen en heb ik mijn teamleider gebeld. De man zei tegen mij dat hij zojuist op de markt was geweest en daar zou hij dat biljet gekregen hebben. De man zei dat hij twee euro aan muntgeld bij zich had. Hij wilde het valse biljet terug hebben en wilde de twee euro geven. De man vroeg meerdere malen het biljet terug. Ik vertelde de man dat we op de manager zouden wachten. Al die tijd had ik het valse biljet in mijn hand. Op een gegeven moment deed de man een greep naar het valse biljet. Hierop scheurde het biljet in twee stukken. Een stuk hield ik in mijn hand en het andere stuk had die man vast. Vervolgens vroeg de man om het andere stuk van het biljet. Hierop deed ik een stap naar achteren. Daarom probeerde hij bij mij te komen, maar de weg werd hem versperd door een winkelwagen. De man bleef maar vragen om het stukje van het valse biljet.”

Beelden van de bewakingscamera binnen in de AH zijn veiliggesteld en op de terechtzitting van 16 november 2015 getoond en door de officier van justitie aan het dossier toegevoegd.4 De rechtbank heeft geconstateerd dat de door de kassamedewerker afgelegde verklaring overeenkomt met de getoonde camerabeelden.5

Op de terechtzitting heeft verdachte verklaard dat hij de man is die is te zien op de camerabeelden die zijn gemaakt in het AH filiaal [adres] te Haarlem op 8 januari 2014 zoals getoond op de terechtzitting.

Verdachte heeft vervolgens de winkel verlaten. De inmiddels gealarmeerde manager is achter verdachte naar buiten gelopen en zag dat verdachte in een zwarte BMW stapte waarvan de motor nog draaide. Niet veel later is deze BMW door de politie staande gehouden. In de auto werden drie mannen aangetroffen, waaronder verdachte die zich op de achterbank bevond. Verdachte is vervolgens aangehouden.

Op het politiebureau werd verdachte te verstaan gegeven dat hij aan het lichaam onderzocht zou worden en dat hij, indien hij nog goederen bij zich had, deze voorafgaand aan het onderzoek kon overhandigen.6 Vervolgens haalde verdachte een opgevouwen pak papier uit zijn boxershort. Het pak bevatte 67 bankbiljetten van 50 euro.7 Uit onderzoek bleek dat deze bankbiljetten vals waren.8

3.4

Bewijsoverwegingen

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van de onder 1 en 2 primair ten laste gelegde feiten op grond van het volgende.

Verdachte heeft gedaan alsof hij een goedkoop product (babydoekjes) heeft willen betalen met een briefje van 50 euro. Het aanbieden van het geldige biljet van 50 euro had geen ander doel dan om er vervolgens een wisseltruc mee uit te halen. Verdachte zei tegen de kassamedewerker dat hij toch kleingeld had en wilde het biljet terug. Hij betaalde vervolgens echter niet met kleingeld, terwijl later bleek, dat hij wel een muntstuk van 2 euro in zijn zak had. Uit de hiervoor weergegeven bewijsmiddelen en de ter zitting getoonde beelden blijkt dat verdachte zeer aanhoudend is in het terug willen krijgen van het daarna aan de kassier afgegeven valse biljet. De rechtbank is van oordeel dat op grond van deze geschetste handelswijze verdachte bewust geld waarvan hij wist dat het vals was heeft uitgegeven door middel van een wisseltruc. Op het moment dat verdachte door de medewerker wordt meegedeeld dat het biljet vals is reageert verdachte, blijkens de beelden, ook niet verbaasd of geschrokken, maar probeert hij alleen het biljet terug te krijgen.

Voorts is de rechtbank van oordeel dat sprake is van een voltooid delict. Immers, verdachte heeft het geld feitelijk uitgegeven, als ware het echt. Dat hij er niet mee heeft “betaald” (omdat AH het biljet niet accepteerde) doet niet ter zake.

Onder verdachte worden nadien nog 67 valse bankbiljetten aangetroffen. Verdachte had dit pakket met biljetten, gevouwen in een folder, verstopt in zijn boxershort. Verdachte heeft een bankbiljet, dat zich eerst in dit pakket bevond, gebruikt bij een wisseltruc en uitgegeven als ware het echt.

Onder deze omstandigheden mag van verdachte worden verlangd dat hij een verklaring geeft over de herkomst van het geld. Zo’n verklaring moet concreet, tenminste in enige mate verifieerbaar en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk zijn. Bij de beoordeling van deze verklaring spelen de omstandigheden waaronder en het moment en de wijze waarop deze tot stand is gekomen een rol. Zo kan het van belang zijn of de verdachte al direct een verklaring heeft gegeven of dat hij pas in een laat stadium van het onderzoek is gaan verklaren op een wijze die aan de hiervoor genoemde vereisten voldoet.

Verdachte heeft tegen de kassamedewerker gezegd het biljet diezelfde dag op de markt te hebben gekregen. In het verhoor bij de politie heeft verdachte zich echter op zijn zwijgrecht beroepen. Pas op de terechtzitting heeft verdachte verklaard dat hij het pakket met geld voor een ander in bewaring had. Dit zou een kennis zijn die tot ongewenst vreemdeling was verklaard en daarom geen bankrekening kon openen. Verdachte heeft niet willen verklaren over de identiteit van deze kennis, zodat zijn verklaring niet verifieerbaar is. Ook heeft verdachte geen verklaring gegeven voor het uitgeven van het geld dat hij voor de kennis in bewaring zou hebben bij de AH. Bovendien bevond het pakket met valse biljetten zich ten tijde van zijn aanhouding in de onderbroek van verdachte. Indien verdachte, zoals hij heeft verklaard, pas in de AH op de hoogte raakte van de valsheid van het geld, had het niet in de rede gelegen dat hij de biljetten daarna nog onder zich zou houden. Op grond van deze feiten en omstandigheden kan het niet anders dan dat verdachte van meet af aan bekend was met de valsheid van het geld en voornemens was dit als echt en onvervalst uit te geven.

De rechtbank wordt in deze overtuiging gesterkt door de omstandigheid dat in de auto waarin verdachte op 8 januari 2014 is aangehouden en welke voor twee dagen bleek te zijn gehuurd een lijst is aangetroffen met openingstijden van AH-filialen in Haarlem.9 Daarnaast bleek in het navigatiesysteem dat zich in de auto bevond een groot aantal adressen van AH-filialen te zijn ingevoerd, waaronder het adres van het filiaal van feit 2.10

3.5.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de onder 1 en 2 primair ten laste gelegde feiten heeft begaan, met dien verstande dat

1

hij op 8 januari 2014, in de gemeente Haarlem, opzettelijk bankbiljetten van vijftig euro, in totaal 67 stuks, waarvan de valsheid verdachte, toen hij die ontving, bekend was, met het oogmerk om die als echt en onvervalst uit te geven, in voorraad heeft gehad;

2 primair

hij op 8 januari 2014, in de gemeente Haarlem, opzettelijk als echt en onvervalst heeft uitgegeven bij de kassa van een Albert Heijn vestiging een bankbiljet van vijftig euro, waarvan de valsheid verdachte, toen hij dat bankbiljet ontving, bekend was.

Hetgeen aan verdachte onder 1 en 2 primair meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

4 Kwalificatie en strafbaarheid van de feiten

Het bewezenverklaarde levert op:

1

Opzettelijk bankbiljetten, waarvan de valsheid hem bekend was toen hij ze ontving, in voorraad hebben met het oogmerk om ze als echt en onvervalst uit te geven.

2 primair

Opzettelijk een bankbiljet, waarvan de valsheid hem bekend was toen hij het ontving, als echt en onvervalst uitgeven.

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is derhalve strafbaar.

5 Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is derhalve strafbaar.

6 Motivering van de sancties

6.1.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden met aftrek.

6.2.

Standpunt van de verdachte/de verdediging

De raadsman van verdachte heeft aangevoerd dat de oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf geen strafvorderlijk belang dient. Tevens dient in het voordeel van verdachte rekening te worden gehouden met het aanzienlijke tijdsverloop en het feit dat verdachte zich niet eerder aan dergelijke feiten heeft schuldig gemaakt. Verdachte heeft werk en is voornemens zijn opleiding volgend jaar voort te zetten.

6.3.

Oordeel van de rechtbank

Bij de beslissing over de sancties die aan verdachte moeten worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon en de draagkracht van verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

In het bijzonder heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van valse bankbiljetten en het uitgeven van een vals bankbiljet van € 50,- waarvan de valsheid verdachte bekend was. Het in omloop brengen van vals geld brengt in het algemeen het vertrouwen in papiergeld en het monetaire verkeer grote schade toe en dupeert in het bijzonder de bonafide ontvanger in ernstige mate. Tevens ondervindt het handelsverkeer als geheel door het in omloop brengen van valse bankbiljetten hinder en schade.

Met betrekking tot de persoon van verdachte heeft de rechtbank in het bijzonder gelet op:

- het op naam van verdachte staand Uittreksel Justitiële Documentatie, gedateerd 6 november 2015, waaruit blijkt dat verdachte niet eerder terzake van soortgelijke feiten onherroepelijk is veroordeeld.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een vrijheidsbenemende straf van na te noemen duur moet worden opgelegd. De rechtbank zal echter bepalen dat een gedeelte daarvan vooralsnog niet ten uitvoer zal worden gelegd en zal daaraan een proeftijd verbinden van twee jaren, opdat verdachte ervan wordt weerhouden zich voor het einde van die proeftijd opnieuw schuldig te maken aan een strafbaar feit.

Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat gelet op de aard van het bewezen verklaarde feit een geldboete moet worden opgelegd. Bij de bepaling van de hoogte ervan en de wijze van voldoening heeft de rechtbank rekening gehouden met de draagkracht van de verdachte.

7 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

artikel 14a, 14b, 14c, 23, 24, 24a, 24c, 57 209 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

8 Beslissing

De rechtbank:

Verklaart bewezen dat verdachte de onder 1 en 2 primair ten laste gelegde feiten heeft begaan zoals hiervoor onder 3.5 weergegeven.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte onder 1 en 2 primair meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij.

Bepaalt dat de onder 1 en 2 primair bewezen verklaarde feiten de hierboven onder 4. vermelde strafbare feiten opleveren.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 (vier) maanden, met bevel dat van deze straf een gedeelte, groot 2 (twee) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat verdachte voor het einde van de op 2 (twee) jaren bepaalde proeftijd zich aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Bepaalt dat de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk deel van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Veroordeelt verdachte tot het betalen van een geldboete van € 2.000,- (tweeduizend euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 30 (dertig) dagen hechtenis, te voldoen in 10 (tien) maandelijkse termijnen van elk € 200,- (tweehonderd euro).

Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door

mr. A.S. van Leeuwen, voorzitter,

mr. L.J. Saarloos en mr. M.S. Lamboo, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. M. van Randeraat, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 30 november 2015.

1 De door de rechtbank in de voetnoten als proces-verbaal aangeduide bewijsmiddelen zijn in de wettelijke vorm opgemaakt door personen die daartoe bevoegd zijn en voldoen ook overigens aan de daaraan bij wet gestelde eisen.

2 Proces-verbaal van aangifte met nummer PL1228-2014002587-1 van 8 januari 2014 inhoudende de verklaring van [aangever] , doorgenummerde pagina 34.

3 Proces-verbaal van verhoor met nummer PL1228-2014002587-9 van 8 januari 2014 inhoudende de verklaring van getuige [getuige] , doorgenummerde pagina 37-38.

4 Een DVD bevattende beelden van de beveiligingscamera’s van 8 januari 2014, opgenomen in het AH filiaal [adres] te Haarlem.

5 De eigen waarneming van de rechtbank ter zitting van 16 november 2015 van de beelden op de cd-rom die deel uitmaakt van het dossier.

6 Proces-verbaal met nummer PL1228-2014002587-16 van 8 januari 2014, inhoudende de bevindingen van verbalisanten [verbalisanten] , doorgenummerde pagina 41.

7 Proces-verbaal met nummer PL1263-2014002587-35 van 9 januari 2014, inhoudende de bevindingen van verbalisant [verbalisant] , doorgenummerde pagina 43.

8 Proces-verbaal forensisch technisch onderzoek vals bankbiljet met nummer PL126H-2014002587-43 van 6 maart 2014, inhoudende de bevindingen van verbalisant [verbalisant] , doorgenummerde pagina 44.

9 Proces-verbaal met nummer PL1263-2014002587-11 van 9 januari 2014, inhoudende de kennisgeving inbeslagneming van verbalisanten [verbalisanten] , doorgenummerde pagina’s 30-31.

10 Proces-verbaal met nummer PL1263-2014002587-46 van 7 mei 2014, inhoudende de bevindingen van verbalisant [verbalisant] , doorgenummerde pagina’s 78-82 (onderzoek navigatiesysteem tomtom).