Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2015:10376

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
04-12-2015
Datum publicatie
08-12-2015
Zaaknummer
AWB - 14 _ 4610
Rechtsgebieden
Bestuursprocesrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

misbruik van procesrecht.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Alkmaar

Bestuursrecht

zaaknummer: HAA 14/4610

uitspraak van de meervoudige kamer van 4 december 2015 in de zaak tussen

[eiseres] , te [woonplaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. [naam 2] ),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Haarlemmerliede en Spaarnwoude, verweerder.

Procesverloop

Op 28 mei 2014 heeft eiseres verweerder op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob) verzocht om toezending van stukken, te weten:

“1. de akten/besluiten van aanstelling/benoeming van de burgemeester en de gemeentesecretaris/algemeen directeur alsmede eventuele wijzigingsbesluiten.

2. de akten/besluiten van aanstelling/benoeming alsmede eventuele wijzigingsbesluiten van alle, doch maximaal 3, opsporingsambtenaren die verbonden zijn aan uw organisatie althans ten behoeve van uw organisatie werkzaam zijn.

3. de actuele akte van opsporingsbevoegdheid van de(zelfde) personen als bedoeld onder 2 (dus met hetzelfde maximum).

4. de akten/besluiten van beëdiging, zijnde de akten van eed of belofte (als bedoeld in artikel 9 BARP of vergelijkbare toepasselijke bepaling) van de(zelfde) personen bedoeld onder 2. (dus met hetzelfde maximum).”

Op 24 juni 2014 heeft verweerder de gevraagde akten met betrekking tot de burgemeester en de secretaris toegezonden. Verweerder gaf daarbij tevens aan niet te beschikken over benoemings- of aanstellingsbesluiten met betrekking tot opsporingsambtenaren.

Tegen dit besluit is namens eiseres bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 2 oktober 2014 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard.

Namens eiseres is beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.

Verweerder heeft bij brief van 12 november 2014 aan de rechtbank medegedeeld dat hij het verzoek van eiseres met betrekking tot de aan zijn organisatie verbonden externe opsporingsambtenaren heeft opgevat als bij hem in dienst zijnde ambtenaren en derhalve door hem benoemde of aangewezen ambtenaren. Verweerder heeft het verzoek van eiseres alsnog doorgezonden aan de bevoegde instanties. Bij brief van 27 februari 2015 heeft verweerder de rechtbank bericht dat deze bevoegde instanties aan het verzoek hebben voldaan. Verweerder meent dat hiermee volledig aan het beroep is tegemoetgekomen, zodat eiseres geen procesbelang meer heeft.

Eiseres heeft bij brief van 9 maart 2015 het beroep ingetrokken. Tegelijk met de intrekking van het beroep heeft eiseres verzocht om verweerder ingevolge artikel 8:75a, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bij afzonderlijke uitspraak te veroordelen in de kosten van de procedure bij de rechtbank.

Partijen hebben desgevraagd toestemming gegeven voor afdoening van de zaak zonder zitting. Toch heeft een onderzoek ter zitting plaatsgevonden op 16 juni 2015, alwaar het beroep tegelijk is behandeld met de beroepen geregistreerd onder de nummers HAA 14/5204, HAA 14/4833, HAA 14/3779, HAA 14/3514 en HAA 14/1514. De gemachtigde van eiseres heeft de rechtbank bij brief van 28 april 2015 laten weten dat de zitting niet zal worden bijgewoond. Verweerder is niet verschenen.

De termijn voor het doen van een uitspraak is verlengd.

Overwegingen

1. De rechtbank ziet zich allereerst ambtshalve gesteld voor de vraag of sprake is van misbruik van recht. Deze vraag is ter zitting, waar het onderhavige beroep gelijktijdig is behandeld met de hiervoor genoemde beroepen tegen besluiten van de colleges van burgemeester en wethouders van de gemeenten Zandvoort, Bergen, Hollands Kroon, Den Helder en Enkhuizen aan de orde gesteld, waarbij namens alle aanwezige verweerders is aangevoerd dat de procedures die eiseres voert naar aanleiding van bovenvermeld Wob-verzoek, moeten worden beschouwd als misbruik van recht.

2. Zoals uit de uitspraken van de Afdeling van onder meer 19 november 2014 (bijvoorbeeld ECLI:NL:RVS:2014:4129 en ECLI:NL:RVS:2014:4135) en 6 mei 2015 (bijvoorbeeld ECLI:NL:RVS:2015:1426 en ECLI:NL:RVS:2015:1440) volgt, zijn zwaarwichtige gronden vereist om tot het oordeel te komen dat iemand misbruik heeft gemaakt van een wettelijke bevoegdheid. Dergelijke zwaarwichtige gronden zijn onder meer aanwezig indien rechten of bevoegdheden zodanig evident zijn aangewend zonder redelijk doel of voor een ander doel dan waartoe zij zijn gegeven dat het aanwenden van die rechten of bevoegdheden blijk geeft van kwade trouw.

3. Eiseres heeft bij een groot aantal gemeenten in Nederland een Wob-verzoek ingediend als thans aan de orde. Eiseres heeft niet aangegeven wat het doel is van haar verzoeken, ook niet na de diverse beschuldigingen van misbruik van recht. Eiseres is niet ter zitting verschenen en heeft zich daar ook niet laten vertegenwoordigen om een en ander nader toe te lichten. Uit de hiervoor genoemde uitspraken van de Afdeling (met name de uitspraken met de nrs. 4129 en 4135) blijkt dat hoewel de indiener van een Wob-verzoek geen belang bij zijn verzoek hoeft te stellen, dit onverlet laat dat de bevoegdheid tot het indienen van een Wob-verzoek is toegekend met een bepaald doel en dat misbruik van recht zich kan voordoen indien de bevoegdheid wordt aangewend voor een ander doel dan waarvoor zij is gegeven. Derhalve kan het doel van het Wob-verzoek relevant zijn om te beoordelen of misbruik van recht heeft plaatsgevonden.

4. Eiseres is de partner van de heer [naam 1] . [naam 1] heeft een bedrijf, [naam 1] Rechtspraktijk. De gemachtigde van eiseres is werknemer van het bedrijf van [naam 1] . Verweerders hebben ter zitting verwezen naar een artikel in Binnenlands Bestuur van 25 juli 2014 dat gaat over verzoeken als de onderhavige en waarin staat dat [naam 1] vindt dat ook “partners van” Wob-verzoeken mogen indienen. Hij verklaart dat hij er zelf niet financieel wijzer van wordt; hij zegt dat hij proceskosten maakt en dat hij die kosten op die manier vergoed krijgt. Volgens het artikel verklaart [naam 1] dat zijn partner geen belang heeft bij de informatie die zij opvraagt maar dat het een soort uitvoeren van een test is, om te kijken hoe gemeenten reageren en of ze hun stukken paraat hebben. In het artikel staat ook dat [naam 1] verklaart dat hij nu “door het geheel” niet meer zo genegen is om door te gaan met zijn “tests”. Eiseres heeft verklaard dat dit artikel onjuist en onvolledig is en dat zij daaraan niet is gebonden. Eiseres heeft echter niet benoemd wat de onjuistheden en onvolledigheden zijn in het artikel en niet uitgelegd wat ze bedoelt met de stelling dat ze er niet aan gebonden is.

5. De rechtbank kan het artikel en de reactie van eiseres niet anders begrijpen dan dat eiseres haar Wob-verzoeken voor het bedrijf van [naam 1] heeft ingediend, dat het haar niet gaat om de informatie die zij opvraagt en dat haar Wob-verzoeken werk en omzet voor het bedrijf van [naam 1] opleveren. De rechtbank begrijpt dat daarvoor een constructie is gekozen waarbij een werknemer van [naam 1] Rechtspraktijk voor de partner van [naam 1] optreedt, zodat hij de kosten “op die manier vergoed krijgt”.

6. Daarnaast heeft de rechtbank acht geslagen op de formulering van het Wob-verzoek. Zo is uit de gevoerde procedures gebleken dat de vraag naar aanstellings-, benoemings- en wijzigingsbesluiten van de burgemeester en de gemeentesecretaris ruimer is bedoeld dan dat in eerste instantie uit de formulering lijkt te volgen en is de vraag naar informatie over ‘alle, doch maximaal 3 opsporingsambtenaren die verbonden zijn aan uw organisatie althans ten behoeve van uw organisatie werkzaam zijn’ geenszins eenduidig begrepen door de diverse gemeenten. De vraag om informatie over maximaal drie - willekeurige - opsporingsambtenaren duidt er voorts op dat het eiseres niet gaat om de informatie zelf.

De rechtbank kan zich niet aan de indruk onttrekken dat het verzoek bewust zodanig is geformuleerd dat hierdoor fouten worden uitgelokt bij de betrokken gemeenten bij de behandeling van het Wob-verzoek, hetgeen vervolgens het instellen van rechtsmiddelen mogelijk maakt.

7. Zo heeft verweerder in de onderhavige zaak bij brief van 12 november 2014 aan de rechtbank medegedeeld dat zij het verzoek van eiseres met betrekking tot de aan hun organisatie verbonden externe opsporingsambtenaren hebben opgevat als bij hen in dienst zijnde ambtenaren en derhalve door hen benoemde of aangewezen ambtenaren.

Eiseres voert in bezwaar slechts aan dat het onwaarschijnlijk is dat de gemeente zowel niet intern als extern zou beschikken over opsporingsambtenaren. Eiseres verduidelijkt eerst in beroep dat haar verzoek om informatie zich niet beperkt tot eigen ambtenaren. Eiseres zegt verweerder te hebben verzocht om akten/besluiten van aanstelling/benoeming alsmede wijzigingsbesluiten van alle, doch maximaal drie opsporingsambtenaren die verbonden zijn aan de organisatie althans ten behoeve van de organisatie werkzaam zijn. Eiseres verduidelijkt dan dat deze ambtenaren, die volgens verweerder extern zijn aangesteld, (al dan niet mede) bij verweerder werkzaam zijn en voegt eraan toe dat verweerder moeite had moeten doen om de gevraagde stukken intern of extern te vergaren, dan wel het verzoek door had moeten zenden naar het bestuursorgaan waar de stukken zich bevinden.

8. Bij de beoordeling heeft de rechtbank voorts de proceshouding van eiseres en haar gemachtigde betrokken. In een aantal zaken hebben verweerders aan eiseres gevraagd om haar verzoek te verduidelijken maar daar is eiseres niet op ingegaan. Eiseres is niet bereid gebleken om de betrokken gemeenten te helpen fouten te vermijden, hetgeen ook blijkt uit hetgeen hiervoor onder 7 is overwogen. De gemachtigde van eiseres lijkt ander dan schriftelijk contact uit de weg te gaan en zich niet te richten op het alsnog verkrijgen van de gevraagde informatie. In het bezwaarschrift geeft zij aan dat er geen behoefte is aan een hoorzitting, tenzij verweerder telefonisch wenst te horen. Op een in voorkomend geval concreet aanbod voor een telefonische hoorzitting wordt niet meer gereageerd. Eiseres en haar gemachtigde verschijnen vervolgens consequent niet op de zitting bij de rechtbank, terwijl niet zonder meer en in alle gevallen gezegd kan worden dat het om eenvoudige zaken gaat die geen nadere toelichting behoeven.

9. Het Wob-verzoek zou wellicht nog kunnen passen bij een ‘test’ om te kijken hoe gemeenten reageren en of ze hun stukken paraat hebben, maar het inschakelen van een rechtsbijstandverlener in alle gevallen waarin volgens eiseres niet alle en/of niet de juiste informatie is verstrekt, past daarin volgens de rechtbank niet meer. Met het besluit op het Wob-verzoek is immers reeds een bijdrage aan de ‘test’ geleverd en niet valt in te zien hoe het vervolgens beroepsmatig doorprocederen nog een relevante bijdrage zou kunnen leveren aan de ‘test’.

Indien wordt aangenomen dat het de bedoeling van het Wob-verzoek is om het vermogen van bestuursorganen om uitvoering te geven aan de Wob als zodanig te testen, valt dit niet onder de reikwijdte van deze wet. Daarvoor is de Wob immers niet bedoeld. Als dit derhalve het oogmerk van eiseres was, dan heeft eiseres oneigenlijk gebruik gemaakt van de Wob.

10. Naar het oordeel van de rechtbank rechtvaardigt vorenstaande de conclusie dat het eiseres met haar Wob-verzoek niet te doen is geweest om het verkrijgen van informatie over een bestuurlijke aangelegenheid.
Zoals hiervoor is aangegeven neemt de rechtbank aan dat eiseres de Wob-verzoeken heeft gedaan voor het bedrijf van [naam 1] . Eiseres heeft de Wob-verzoeken echter op haar naam gedaan en een werkneemster van [naam 1] Rechtspraktijk is vervolgens als haar rechtsbijstandverlener opgetreden. De rechtbank kan dit niet anders zien dan als een constructie waarmee werk en vervolgens inkomsten uit proceskostenvergoedingen zijn of kunnen worden gegenereerd voor het bedrijf van [naam 1] .

11. Gezien deze combinatie - het doen van oneigenlijke Wob-verzoeken en het daarmee genereren van werk en inkomsten voor het bedrijf van [naam 1] , partner van eiseres - heeft eiseres haar recht om bezwaar te maken en beroep in te stellen zodanig evident aangewend voor een ander doel dan waarvoor het is gegeven, dat hier sprake is van misbruik van recht.

12. Het beroep is daarom niet-ontvankelijk. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M. Janse van Mantgem, voorzitter van de meervoudige kamer, mr. M. Kraefft en mr. S. Slijkhuis, leden, in aanwezigheid van mr. P.C. van der Vlugt, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 4 december 2015.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.