Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2015:10330

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
14-10-2015
Datum publicatie
26-11-2015
Zaaknummer
C/15/229320 / KG ZA 15-555
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Schending vaststellingsovereenkomst met betrekking tot gestelde inbreuk op handelsnaamrecht

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Afdeling privaatrecht

Sectie Handel & Insolventie

zaaknummer / rolnummer: C/15/229320 / KG ZA 15-555

Vonnis in kort geding van 14 oktober 2015

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

LICHTFABRIEK HAARLEM B.V.,

gevestigd te Haarlem,

eiseres,

advocaat mr. C.R. Rutte,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

DE GOUDSE LICHTFABRIEK B.V.,

gevestigd te Gouda,

gedaagde,

advocaat mr. M.W. Rijsdijk.

Partijen zullen hierna Lichtfabriek Haarlem en LF Gouda genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Ter terechtzitting zijn verschenen:

- namens Lichtfabriek Haarlem: [A.], indirect bestuurder, bijgestaan door mr. C.R. Rutte;

- namens LF Gouda: [B.] en [C.], bestuurders van LF Gouda, bijgestaan door mr. M.W Rijsdijk.

1.2.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding,

  • -

    de brief van Lichtfabriek Haarlem van 23 september 2015 met producties 1 tot en met 11,

  • -

    de brief van Lichtfabriek Haarlem van 29 september 2015 met producties 12 tot en met 28,

  • -

    de “akte” inleidende opmerkingen van LF Gouda met producties 1 tot en met 22,

  • -

    de brief van 25 september 2015 van LF Gouda met producties 23 tot en met 25,

  • -

    de “akte” houdende overlegging kosten specificatie van LF Gouda,

  • -

    de mondelinge behandeling,

  • -

    de pleitnota van Lichtfabriek Haarlem,

  • -

    de pleitnota van LF Gouda.

1.3.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1.

Op 23 januari 2003 is De Lichtfabriek B.V. ingeschreven in het register van de Kamer van Kooophandel. De Lichtfabriek B.V. exploiteerde een onderneming gericht op het faciliteren van een evenementenlocatie in de oude gas- en elektriciteitsfabriek van Haarlem.

2.2.

De Haarlemse Lichtfabriek B.V. i.o., naar de stelling van Lichtfabriek Haarlem rechtsvoorganger van Lichtfabriek Haarlem, heeft bij overeenkomst van 22 augustus 2014 de activa en passiva gekocht van – onder meer – De Lichtfabriek B.V., waaronder:

“(…) De (niet geregistreerde) handelsnaam De Lichtfabriek;

De website van de Lichtfabriek met bijbehorende domeinnamen; (…)”

2.3.

Op 16 augustus 2014 is Lichtfabriek Haarlem opgericht. Het register van de Kamer van Koophandel vermeldt als handelsnaam “Lichtfabriek Haarlem B.V.” In de praktijk hanteert Lichtfabriek Haarlem ook de handelsnaam ‘De Lichtfabriek’, bijvoorbeeld op briefpapier en in reclame-uitingen. Bestuurder van Lichtfabriek Haarlem is [A.] B.V., een onderneming van [A.]. Lichtfabriek Haarlem exploiteert onder de gelijkluidende handelsnaam een onderneming in de oude gas- en elektriciteitsfabriek van Haarlem. Op deze locatie worden verschillende evenementen georganiseerd. Daarnaast exploiteert Lichtfabriek Haarlem aldaar een kookstudio.

2.4.

Lichtfabriek Haarlem maakt gebruik van de domeinnaam www.lichtfabriek.nl.

2.5.

Op 18 september 2014 is LF Gouda opgericht. Het register van de Kamer van Koophandel vermeldt als handelsnamen “de Goudse Lichtfabriek B.V.” en “LF-Gouda”. Bestuurders van LF Gouda zijn [B.] en [C.]. Sinds 16 april 2015 exploiteert LF Gouda een restaurant in de oude gemeentelijke lichtfabrieken te Gouda. Deze locatie verhuurt zij ook voor het houden van bruiloften en feesten. Ten tijde van haar oprichting gebruikte LF Gouda de handelsnaam ‘(De) Lichtfabriek (Gouda)’.

2.6.

LF Gouda gebruikte in de periode rond de start van haar onderneming de domeinnaam ‘www.lichtfbrkgouda.nl’.

2.7.

LF Gouda heeft op Facebook een pagina met de naam ‘De Lichtfabriek Gouda’. De Facebookpagina vermeldt onder deze naam: “Restaurant  Bar  Evenementenlocatie”. Als LF Gouda berichten plaatst op Facebook is daarbij de naam ‘De Lichtfabriek Gouda’ te zien.

2.8.

LF Gouda heeft een Twitter account met de naam ‘LF Gouda@goudselichtfbrk’.

2.9.

LF Gouda heeft op het pand waarin het door haar geëxploiteerde restaurant is gevestigd boven de deur een groot bord aangebracht, waarop met lampen de naam ‘DE LICHTFABRIEK’ is weergegeven (verder: het lichtbord).

2.10.

Bij brief van 3 april 2015 heeft de advocaat van Lichtfabriek Haarlem, mr. Rutte, met een beroep op artikel 5 Handelsnaamwet (Hnw) en artikel 6:162 Burgerlijk Wetboek (BW) LF Gouda gesommeerd het gebruik van de handel- en domeinnaam “Lichtfabriek (Gouda)” c.q. “lichtfabriekgouda(.nl)” te staken, stellend dat Lichtfabriek Haarlem een oudere handelsnaam voert, dat er bij het relevante publiek op voorhand verwarring te duchten is en dat LF Gouda de grenzen van eerlijke mededinging overschrijdt.

2.11.

In een e-mail van 10 april 2015 heeft de advocaat van LF Gouda, mr. Wiegerinck, onder meer het volgende aan mr. Rutte geschreven:

“(…) Zoals genoemd, de naam de Lichtfabriek beschrijft de locatie waar mijn cliënte is gevestigd. Het publiek is daarmee bekend. Men zal het erfgoed zo blijven en moeten kunnen blijven noemen. (…) Ten einde deze kwestie tot een einde te brengen bericht ik u namens mijn cliënte in reactie op uw genoemde punten als volgt:

i. i) Zij dient zowel de handels- en domeinnaam alsook haar logo en overige tekens die gebruikt worden om de onderneming van uw cliënte te duiden in elk geval zodanig te wijzigen dat deze niet langer bestaan uit de huidige combinatie van de woorddelen “licht” en “fabriek”;

Akkoord.

ii) Ook op Facebook en overige social media zal zij over dienen te gaan tot het onder i) gestelde. Voor zover aanpassing niet mogelijk zou zijn, dient de pagina c.q. het account te worden verwijderd en een nieuwe te worden aangemaakt;

Akkoord.

iii) het gebruik van oud drukwerk dient per direct te worden gestaakt en gestaakt te worden gehouden;

Er is niet veel drukwerk, maar wat er is vertegenwoordigt een behoorlijke investering.

Zodra het op is zal nieuw drukwerk de volgens i) aan te nemen naam dragen;

iv) Aanduidingen die al van oudsher op het pand stonden, kunnen daarop blijven staan. Voor later aangebrachte, losse c.q. niet onderdeel van het pand uitmakende aanduidingen die verwijzen naar de onderneming van uw cliënte geldt dat deze dienen te worden verwijderd;

Akkoord; dergelijke verwijzingen naar de onderneming zullen worden verwijderd/aangepast naar de volgens i) aan te nemen naam.

(…)”

2.12.

In een e-mail van 14 april 2015 heeft mr. Rutte onder meer het volgende aan mr. Wiegerinck geschreven:

“(…) Cliënte is akkoord met de daarin vervatte reactie op de door cliënte geponeerde eisen. Na de correcte uitvoering door uw cliënte van de genoemde actiepunten, zal daarmee de kwestie als afgedaan kunnen worden beschouwd.(…)”

2.13.

Mr. Wiegerinck heeft hierop bij e-mail van 15 april 2015 als volgt aan mr. Rutte geantwoord:

“De drukte die gepaard gaat met het gereed maken van de locatie en het uitblijven van een spoedige reactie op het voorstel van mijn cliënte brengt met zich dat wijzigingen niet meer voor de opening kunnen worden gerealiseerd. Bovendien blijkt uit uw reactie dat er door uw cliënte meer gevraagd wordt dan zij eerder eiste. Mijn cliënte is evenwel bereid gehoor te geven aan het verzoek, maar begrijpelijkerwijs zullen wijzigingen pas doorgevoerd worden nadat er een akkoord is bereikt en duidelijk is dat de zaak daarmee afgedaan is. (…)”

2.14.

Bij e-mail van 16 april 2015 heeft mr. Rutte aan mr. Wiegerinck onder meer het volgende geschreven:

“(…) Ik zie eerlijk gezegd niet in welke nieuwe eisen er gesteld zouden zijn. Het lijkt me niet meer dan vanzelfsprekend dat pas kwijting wordt verleend als eea correct is uitgevoerd. Dan is het dus ook logisch dat ik daarvan een bevestiging verzoek. (…) Dat gezegd hebbende, verwacht cliënte dat uiterlijk morgen om 13:00 uur bevestigd wordt wat de nieuwe naam is geworden en dat uitvoering wordt gegeven aan de overige punten. Cliënte kan immers niet met lede ogen blijven toezien dat uw cliënte ondanks gemaakte afspraken tot op heden geen enkele blijk ervan heeft gegeven daar reeds enige uitvoering aan te hebben gegeven.”

2.15.

Vervolgens heeft mr. Wiegerinck bij e-mail van 21 april 2015 onder meer het volgende aan mr. Rutte geschreven:

“(…) Hoewel zij meent dat er geen verwarring te duchten is bij het publiek met de handelsnaam van uw cliënte is zij bereid aanpassingen in haar handelsnaam door te voeren. Het voorstel van mijn cliënte luidt in dat verband als volgt:

1. mijn cliënte stelt voor ter aanduiding van de onderneming “LF Gouda” te hanteren;

2. Ten aanzien van het doorvoeren van wijziging van de handelsnaam zal gelden dat:

a. Het nieuwe drukwerk wordt voorzien van de nieuwe handelsnaam zodra het oude drukwerk op is (er is niet veel ‘oud’ drukwerk);

b. Mijn cliënte zich inspant om wijzigingen op het internet (d.w.z. de domeinnaam, op de website en op bestaande social media pagina’s) zo spoedig en volledig mogelijk door te voeren. In dat verband geldt immers dat zij afhankelijk is van derden. Zo dient bijvoorbeeld voor wijzigingen op social media een speciaal verzoek daartoe te worden ingediend, onder toezending van bewijs van de gewijzigde naam (o.a. factuur), waarna het verzoek moet worden verwerkt. De verwerking van het verzoek vergt tijd. Toewijzing van het verzoek is vrijwel zeker. Onverhoopte afwijzing staat niet in de weg aan de betrachtte inspanning en een bereikte regeling;

3. Het voorgaande geldt onverminderd het recht van mijn cliënte om de locatie waar zij is gevestigd aan te duiden met de naam van de locatie; de Lichtfabriek. Het publiek en andere instanties duiden de locatie zelf ook zo aan en dergelijk gebruik in beschrijvende zin heeft niet te gelden als handelsnaamgebruik. Dit betekent dat zij bijvoorbeeld mag (blijven) zeggen en benoemen dat haar onderneming is gevestigd in de Lichtfabriek (te Gouda) als ook dat indien de naam van de locatie (later) is aangebracht op of in het pand deze aanduiding verwijst naar de locatie en geen verwijdering behoeft. (…)”

2.16.

Bij e-mail van 23 april 2015 heeft mr. Rutte onder meer het volgende aan mr. Wiegerinck geschreven:

“(…) Cliënte kan akkoord gaan met de nieuwe naam ‘LF Gouda’. De overige punten zijn eveneens akkoord, behoudens het gesteld onder uw punt 3, voor zover het gaat om aanduidingen op het pand die er niet oorspronkelijk c.q. van oudsher al op zaten om het gebouw an sich aan te duiden. Dit in lijn met de eerdere toezegging namens uw cliënte in uw e-mail van 10 april jl.:

“iv) Aanduidingen die al van oudsher op het pand stonden, kunnen daarop blijven staan. Voor later aangebrachte, losse c.q. niet onderdeel van het pand uitmakende aanduidingen die verwijzen naar de onderneming van uw cliënte geldt dat deze dienen te worden verwijderd;

Akkoord; dergelijke verwijzingen naar de onderneming zullen worden verwijderd/aangepast naar de volgens i) aan te nemen naam.”

Cliënte verwacht nog steeds dat de hiervoor geciteerde toezegging zal worden nageleefd. Alle later aangebrachte aanduidingen zullen derhalve moeten worden veranderd in ‘LF Gouda’. Alsdan hebben partijen een algeheel akkoord bereikt.(…)”

2.17.

Bij e-mail van 28 april 2015 heeft mr. Wiegerinck onder meer het volgende aan mr. Rutte geschreven:

“(…) Voor de goede orde informeer ik u evenwel dat punt 3 van mijn e-mail van 21 april jl. is opgenomen zodat tussen partijen duidelijk is dat het mijn cliënte is toegestaan de locatie aan te duiden met de naam van de locatie. Dergelijk gebruik is immers geen handelsnaam gebruik; het verwijst niet naar de onderneming maar beschrijft of refereerd aan/naar de locatie. Dat de locatie die naam draagt en zo wordt en mag worden genoemd is een feit. In lijn daarmee geldt ook dat wanneer de naam van de locatie is aangebracht op de locatie dit geen verwijzing is naar de onderneming, maar naar de locatie. Daarmee staat in punt 3 niet iets anders dan in het punt in de e-mail van 10 april jl. ; de aanduiding verwijst namelijk niet naar de onderneming. (…)”

2.18.

Ten slotte heeft mr Rutte bij e-mail van 1 mei 2015 onder meer het volgende aan mr. Wiegerinck geschreven:

“(…) in aansluiting daarop kan ik u hierbij bevestigen dat cliënt akkoord is met het aanduiden van de locatie zelf, niet zijnde de onderneming van uw cliënte, middels de naam die daarvoor van oudsher werd gebruikt en in het verlengde daarvan met aanduidingen op het pand die niet refereren c.q. verwijzen naar de onderneming van uw cliënte, doch uitsluitend naar het pand zelf. (…)”

2.19.

Voor de totstandkoming van de regeling tussen partijen zag de website van LF Gouda er als volgt uit (met dien verstande dat de achtergrondfoto op de website gekleurd was zoals in de volgende foto weergeven):

Na de regeling is de website van LF Gouda veranderd in:

2.20.

In een e-mail van 22 mei 2015 heeft [A.] onder meer het volgende aan [B.] geschreven:

“(…) 6 minuten geleden zie ik een tweet met daarin ‘Goudse Lichtfabriek’. Met andere woorden, het is nog niet doorgevoerd. Kan ik er vanuit gaan dat per ingang van volgende week alle aanpassingen, de voering van de bedrijfsnaam zijn toegepast? (…)”

2.21.

LF Gouda heeft Facebook (met behulp van een derde) verzocht de naam van haar Facebookpagina te wijzigen in ‘LF Gouda’. Als reden voor de wijziging heeft zij vermeld “misspelled”. Facebook heeft vervolgens geweigerd de naamswijziging door te voeren, aangezien LF Gouda al eerder een verzoek tot naamswijziging heeft ingediend. Facebook vermeldt daarbij: “We kunnen de naam niet nog een keer wijzigen.”

2.22.

Na de tussen partijen bereikte overeenstemming heeft Lichtfabriek Haarlem diverse e-mail berichten ontvangen die bestemd waren voor LF Gouda. Het gaat daarbij bijvoorbeeld om:

  • -

    klachten, offerteaanvragen en reserveringen van klanten van LF Gouda;

  • -

    inloggegevens van het Museumcafé Gouda, bedoeld voor een medewerker van LF Gouda;

  • -

    een verzoek De Persgroep Nederland B.V. tot goedkeuring van een krantenartikel over LF Gouda (waarin het restaurant van LF Gouda “restaurant Lichtfabriek” wordt genoemd);

  • -

    notulen van een personeelsvergadering van het Museumcafé Gouda, bedoeld voor een medewerker van LF Gouda;

  • -

    informatie van leveranciers van LF Gouda.

3 Het geschil

3.1.

Lichtfabriek Haarlem vordert samengevat – dat de voorzieningenrechter voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

Primair

I LF Gouda gebiedt om binnen 48 uur na betekening van dit vonnis ieder gebruik, direct dan wel indirect, offline dan wel online, van de handelsnamen “De Lichtfabriek Gouda”, “De Lichtfabriek” en “Lichtfabriek” alsmede van daarvan slechts in geringe mate afwijkende handelsnamen te staken en gestaakt te houden, een en ander op straffe van verbeurte van een dwangsom ter hoogte van € 2.500,00 per dag of deel van de dag dat LF Gouda in gebreke blijft aan deze veroordeling uitvoering te geven;

Subsidiair

II LF Gouda gebiedt om binnen 48 uur na betekening van dit vonnis correcte en volledige nakoming te geven aan de tussen partijen gesloten schikkingsovereenkomst d.d. 1 mei 2015, voor het geval dat geoordeeld mocht worden dat deze schikkingsovereenkomst in stand is gebleven en/of dient te blijven, een en ander op straffe van verbeurte van een dwangsom ter hoogte van € 2.500,00, dan wel een in goede justitie te bepalen bedrag, per dag of deel van de dag dat LF Gouda in gebreke blijft aan deze veroordeling uitvoering te geven;

In alle gevallen

III LF Gouda te gebieden haar Facebookaccount onder de naam “De Lichtfabriek Gouda” te beëindigen, althans alle posts en comments op dat account te verwijderen (en verwijderd te houden) dan wel deze zodanig aan te passen (en aangepast te houden) dat geen sprake meer is van het gebruik van de naam “De Lichtfabriek Gouda”, dan wel “de Lichtfabriek” of “Lichtfabriek” ter aanduiding van de onderneming van LF Gouda en zich voorts te onthouden van het doen van nieuwe uitlatingen via dit medium, waarbij de naam “De Lichtfabriek Gouda”, dan wel “de Lichtfabriek” of “Lichtfabriek” ter aanduiding van de onderneming van LF Gouda wordt gebruikt, een en ander op straffe van verbeurte van een dwangsom ter hoogte van € 2.500,00, dan wel een in goede justitie te bepalen bedrag, per dag of deel van de dag dat LF Gouda in gebreke blijft aan deze veroordeling uitvoering te geven;

IV LF Gouda te gebieden de content van het Twitter account van LF Gouda zodanig aan te passen en aangepast te houden, dat daarop geen sprake meer is van het gebruik van de naam “De Lichtfabriek Gouda”, dan wel “de Lichtfabriek” of “Lichtfabriek” ter aanduiding van de onderneming van LF Gouda en zich voorts te onthouden van het doen van nieuwe uitlatingen via dit medium waarbij de naam ‘De Lichtfabriek Gouda”, dan wel “de Lichtfabriek” of “Lichtfabriek” ter aanduiding van de onderneming van LF Gouda wordt gebruikt, een en ander op straffe van verbeurte van een dwangsom ter hoogte van € 2.500,00, dan wel een in goede justitie te bepalen bedrag, per dag of deel van de dag dat LF Gouda in gebreke blijft aan deze veroordeling uitvoering te geven;

V LF Gouda veroordeelt tot betaling aan Lichtfabriek Haarlem van een voorschot op de materiële schadevergoeding ten bedrage van € 5.000,00, althans een in goede justitie te bepalen bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag der dagvaarding tot de dag der algehele voldoening;

VI bepaalt dat Lichtfabriek Haarlem een bodemprocedure aanhangig dient te hebben gemaakt binnen zes maanden na het in deze zaak te wijzen vonnis;

VII LF Gouda veroordeeld in de nakosten;

VIII LF Gouda veroordeeld in de door Lichtfabriek Haarlem werkelijk gemaakte proceskosten.

Met de term ‘Facebookaccount’ doelt Lichtfabriek Haarlem op de voor derden op internet zichtbare Facebookpagina van LF Gouda. De voorzieningenrechter zal daarvoor in het navolgende de term ‘Facebookpagina’ gebruiken.

3.2.

Lichtfabriek Haarlem legt het navolgende aan haar vordering ten grondslag.

Lichtfabriek Haarlem maakt rechtmatig gebruik van de oudere handelsnaam ‘(De) Lichtfabriek.’ LF Gouda heeft een onderneming opgericht onder de vrijwel identieke handelsnaam ‘(De) Lichtfabriek (Gouda)’. Het gebruik van die jongere handelsnaam door LF Gouda leidt tot verwarringsgevaar tussen beide ondernemingen. Dit geldt temeer nu ook de activiteiten van de ondernemingen grotendeels overeenstemmen en partijen zich richten op hetzelfde publiek. Dat ook daadwerkelijk sprake is van verwarring, blijkt uit de vele berichten voor LF Gouda die Lichtfabriek Haarlem ontvangt. Ingevolge artikel 5 Hnw, is dit gebruik verboden. Ook is het gebruik van de handelsnaam door LF Gouda onrechtmatig in de zin van artikel 6:162 BW jegens Lichtfabriek Haarlem, nu daarmee de grenzen van een eerlijke mededinging worden overschreden.

Partijen hebben weliswaar een overeenkomst gesloten over het gebruik van de naam Lichtfabriek Gouda, maar deze overeenkomst kan worden vernietigd (waarbij de dagvaarding (tevens) als vernietigingsverklaring heeft te gelden), nu sprake is van bedrog en dwaling. Immers, de naam van de Facebookpagina van LF Gouda kon niet meer gewijzigd worden, omdat LF Gouda al eerder een naamswijziging had doorgevoerd en LF Gouda was hiervan op de hoogte.

LF Gouda is ook overigens de overeenkomst niet, althans onvoldoende nagekomen, nu zij op meerdere plaatsen op de website en op Facebook en Twitter nog altijd gebruik maakt van de inbreukmakende handelsnaam. Daarnaast is ook het lichtbord niet aangepast. Ook hierbij is sprake van inbreuk, nu het lichtbord niet verwijst naar de locatie maar naar de onderneming van LF Gouda. Gelet op dat bord en het gebruik van de logo’s met daarin de letters ‘LF’, zullen derden de naam ‘LF Gouda’ lezen als ‘Lichtfabriek Gouda’.

Door het handelen van LF Gouda lijdt Lichtfabriek Haarlem schade. Het gaat daarbij om gederfde winst en reputatieschade. Lichtfabriek Haarlem ontvangt diverse klachten van klanten van LF Gouda die denken dat zij met Lichtfabriek Haarlem, of een aan haar gelieerde onderneming, te maken hebben, zodat een voorschot op de schadevergoeding gerechtvaardigd is.

Gelet op de inhoud van het geschil is LF Gouda uit hoofde van artikel 1019h Rv de werkelijke proceskosten verschuldigd.

3.3.

LF Gouda voert hier het volgende tegen aan. De vordering van Lichtfabriek Haarlem is onvoldoende spoedeisend. Immers, al in april 2015 laat Lichtfabriek Haarlem aan LF Gouda weten een kort geding te willen entameren, dit terwijl pas op 16 juli 2015 een concept dagvaarding werd ontvangen. Daarnaast heeft Lichtfabriek Haarlem onvoldoende belang bij haar vordering. Er worden immers geen recente documenten in het geding gebracht.

Lichtfabriek Haarlem heeft haar standpunten onvoldoende onderbouwd. Niet alleen werden bij de dagvaarding geen producties ontvangen, er werd ook niet naar verwezen. Pas in een laat stadium heeft LF Gouda alsnog de producties ontvangen. LF Gouda is hierdoor beperkt in haar mogelijkheid om verweer te voeren.

Ten aanzien van de vermeende handelsnaaminbreuk heeft te gelden dat uit niets blijkt dat Lichtfabriek Haarlem al vanaf 1999, de handelsnaam ‘(De) Lichtfabriek’ voert. Dat kan ook niet, aangezien ook Lichtfabriek B.V. pas sinds 2003 bestaat. Lichtfabriek Haarlem bestaat pas sinds 26 augustus 2014. LF Gouda is drie weken later opgericht. Dat Lichtfabriek Haarlem de handelsnaam eerder voerde is niet gebleken en wordt betwist. Ook zijn de ondernemingsactiviteiten verschillend, zodat van verwarringsgevaar geen sprake kan zijn.

Bovendien hebben partijen een vaststellingsovereenkomst gesloten. Een dergelijke overeenkomst kan niet buiten rechte worden ontbonden en een kort geding leent zich naar zijn aard niet voor ontbinding van de overeenkomst. Van bedrog of dwaling is voorts geen sprake. LF Gouda heeft duidelijk aangegeven dat er een risico bestond dat de wijziging van de naam van de Facebookpagina niet zou slagen. LF Gouda wist niet op voorhand dat haar pogingen niet zouden slagen en heeft aldus ook geen verkeerde voorstelling van zaken gegeven. LF Gouda heeft aan alle op haar rustende verplichtingen voldaan. Dat de naam ‘(De) Lichtfabriek (Gouda)’ nog veel wordt genoemd in verband met de onderneming van LF Gouda valt niet te veranderen. LF Gouda is nu eenmaal gevestigd in een gebouw dat plaatselijk bekend staat als ‘(De) (Goudse) Lichtfabriek’ en ‘(De) Lichtfabriek Gouda’. Ten aanzien van Facebook zijn partijen een inspanningsverplichting overeengekomen, waaraan LF Gouda heeft voldaan. Ten aanzien van Twitter heeft te gelden dat achter het teken @ de naam van de locatie genoemd kan worden waar iemand op dat moment verblijft. Voor LF Gouda is dat de lichtfabriek. Bovendien is er geen overeenstemmend gebruik, aangezien de klinkers uit het woord fabriek zijn weggelaten.

4 De beoordeling

4.1.

Ter zitting heeft de voorzieningenrechter reeds beslist dat het betoog van LF Gouda dat de vordering moet worden afgewezen omdat de dagvaarding niet verwijst naar producties en de producties pas in een laat stadium zijn toegestuurd, wordt verworpen. Lichtfabriek Haarlem heeft de producties laat, maar nog tijdig aangeleverd en LF Gouda heeft – anders dan zij betoogt – naar het oordeel van de voorzieningenrechter voldoende gelegenheid gehad een verweer voor te bereiden.

4.2.

Nu Lichtfabriek Haarlem onderbouwd stelt dat zij ten gevolge van het gebruik dat LF Gouda maakt van de naam ‘(De) Lichtfabriek (Gouda)’ wordt geconfronteerd met derden die haar onderneming met die van LF Gouda verwarren, heeft Lichtfabriek Haarlem voldoende spoedeisend belang bij de gevorderde geboden. De gevorderde dwangsom is zodanig nauw verwant met de gevorderde geboden, dat Lichtfabriek Haarlem ook voldoende spoedeisend belang heeft bij deze nevenvordering.

4.3.

Uit de enkele omstandigheid dat een spoedeisend belang bij het gevraagde inbreukverbod bestaat volgt niet zonder meer dat een zodanig belang óók bestaat bij toewijzing van een geldsom als voorschot op een ter zake van reeds gepleegde inbreuken verschuldigde schadevergoeding. Dienaangaande moeten naar behoren feiten en omstandigheden worden gesteld die meebrengen dat een zodanige voorziening uit hoofde van onverwijlde spoed geboden is. Lichtfabriek Haarlem heeft echter nagelaten feiten en omstandigheden te stellen op grond waarvan geoordeeld kan worden dat zij spoedeisend belang heeft bij de gevorderde voorschot op de schadevergoeding, nog daargelaten dat zij die vordering niet heeft onderbouwd. De nevenvordering met betrekking tot het voorschot op de schadevergoeding zal dan ook worden afgewezen bij gebrek aan spoedeisend belang.

Handelsnaaminbreuk

4.4.

Lichtfabriek Haarlem erkent dat partijen ter beëindiging van hun handelsnaamgeschil een vaststellingsovereenkomst hebben gesloten, waarvan de inhoud is vervat in de e-mail van mr. Wiegerinck aan mr. Rutte van 21 april 2015 en die is bevestigd in de e-mails van mr. Rutte van 23 april 2015, respectievelijk 1 mei 2015 (verder: de vaststellingsovereenkomst). Zij stelt evenwel dat zij de vaststellingsovereenkomst bij dagvaarding heeft vernietigd, aangezien deze tot stand is gekomen onder invloed van bedrog dan wel ten gevolge van dwaling. Lichtfabriek Haarlem betoogt in dit kader dat zij bij de totstandkoming van de vaststellingsovereenkomst een - bewust door LF Gouda bewerkstelligde - verkeerde voorstelling van zaken had, aangezien zij niet wist dat wijziging van de naam van de Facebookpagina van LF Gouda niet meer mogelijk was.

4.5.

De voorzieningenrechter acht het, gelet op de betwisting daarvan door LF Gouda, niet aannemelijk dat de bodemrechter tot het oordeel zal komen dat sprake is van bedrog door LF Gouda, of dwaling aan de zijde van Lichtfabriek Haarlem. LF Gouda wijst er immers terecht op dat partijen bij de totstandkoming van de vaststellingsovereenkomst rekening hebben gehouden met de mogelijkheid dat de naam van de Facebookpagina niet aangepast kon worden. Dit blijkt uit de e-mails van 10 april 2015, 21 april 2015 en 23 april 2015, waarin is vermeld:

“Voor zover aanpassing niet mogelijk zou zijn, dient de pagina c.q. het account te worden verwijderd en een nieuwe te worden aangemaakt”

respectievelijk

“Toewijzing van het verzoek is vrijwel zeker. Onverhoopte afwijzing staat niet in de weg aan de betrachtte inspanning en een bereikte regeling”.

Van dwaling is dan ook geen sprake geweest. Daarnaast blijkt nergens uit dat LF Gouda op voorhand wist dat Facebook een verzoek tot naamswijziging zou weigeren. Gelet hierop kan Lichtfabriek Haarlem niet worden gevolgd in haar standpunt dat zij bewust door LF Gouda in de valse veronderstelling is gebracht dat de naam van de Facebookpagina gewijzigd kon worden.

4.6.

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat Lichtfabriek Haarlem gebonden is aan de vaststellingsovereenkomst. In deze vaststellingsovereenkomst hebben partijen afspraken gemaakt over het handelsnaamgebruik van LF Gouda. Lichtfabriek Haarlem kan zich dan ook niet, in afwijking van de vaststellingsovereenkomst, zonder meer op de Handelsnaamwet beroepen. De vordering onder I zal daarom worden afgewezen.

Nakoming overeenkomst

4.7.

Vervolgens dient te worden beoordeeld of LF Gouda is tekortgeschoten in de nakoming van de vaststellingsovereenkomst. Partijen verschillen van mening over de vraag of LF Gouda haar website voldoende heeft aangepast, of zij haar Facebookpagina en Twitteraccount conform de vaststellingsovereenkomst gebruikt en of het lichtbord dient te worden verwijderd. In het navolgende zal de voorzieningenrechter op ieder van die geschilpunten nader ingaan.

Website

4.8.

LF Gouda duidde haar onderneming op haar website aanvankelijk aan als ‘De lichtfabriek Gouda’ of ‘De Lichtfabriek’. Partijen zijn overeengekomen dat LF Gouda die namen niet langer zal gebruiken en in plaats daarvan haar onderneming zal aanduiden met ‘LF Gouda’. Hierbij zijn zij overeengekomen dat LF Gouda het recht heeft om de locatie waar zij is gevestigd aan te duiden met de naam van de locatie. Als niet (voldoende) betwist staat vast dat deze locatie in de volksmond wordt aangeduid met ‘De Lichtfabriek’, ‘De Goudse Lichtfabriek’ of ‘De Lichtfabriek Gouda’.

4.9.

Naar aanleiding van de vaststellingsovereenkomst heeft LF Gouda haar website aangepast. Desalniettemin gebruikt zij op haar website veelvuldig de woorden ‘De Lichtfabriek’. Volgens LF Gouda doet zij dit conform de vaststellingsovereenkomst slechts ter aanduiding van de locatie waarin zij is gevestigd. De voorzieningenrechter volgt LF Gouda hierin niet. Daartoe is het volgende redengevend.

4.10.

Het woord ‘Lichtfabriek’ wordt op de website van LF Gouda prominent gebruikt. Enerzijds wordt onderaan elke pagina in het midden na de woorden “GEVESTIGD IN” in groot lettertype vermeld “LICHTFABRIEK GOUDA” en is op elke pagina links bovenaan in de menubalk het woord “Lichtfabriek” te zien, anderzijds wordt op de website veelvuldig naar de locatie verwezen. Zo vermeldt de website:

- op de pagina getiteld “ETEN”:

- “Eten in de Lichtfabriek is bijzonder

- “Iedere vrijdag, zaterdag en zondag zetten we extra spotlights aan in de Lichtfabriek”.

- Op de pagina getiteld “BAR”:

- “Iedere vrijdag, zaterdag en zondag zetten we extra spotlights aan in de Lichtfabriek”.

- Op de pagina getiteld “FEESTEN”:

- “FEESTEN IN DE LICHTFABRIEK!

- “Het industriële verleden in dit monumentale gebouw, in combinatie met de stoere no nonsens inrichting van nu, zorgen ervoor dat de Lichtfabriek een warme bijzonder plek is om iets te vieren

- “TROUWEN IN DE LICHTFABRIEK

- “(…) loopt u met uw gezelschap naar de Lichtfabriek waar u uw receptie, diner of dansfeest organiseert”,

-“VERGADEREN IN DE LICHTFABRIEK

Daar staat tegenover dat de naam LF Gouda op de website niet wordt gebruikt, behalve onder het tabblad ‘CONTACT’ en op de overige pagina’s bij vermelding van het e-mailadres van LF Gouda. LF Gouda gebruikt op de website voor het overige slechts het in 2.19 weergegeven logo met de letters ‘LF’.

4.11.

Het gebruik van de term ‘De Lichtfabriek’ in de informatieve teksten op de website kan strikt genomen zo gelezen worden dat wordt verwezen naar de locatie waarin het door LF Gouda geëxploiteerde restaurant gevestigd is. Doordat de naam LF Gouda echter nagenoeg niet voorkomt op de website, de locatie steevast met een hoofdletter wordt aangeduid, en het woord ‘Lichtfabriek’ nodeloos opvallend wordt gebruikt (het tabblad ‘LICHTFABRIEK’ links bovenaan elke pagina zou ook de naam ‘Locatie’ kunnen hebben en het woord “DE LICHTFABRIEK” zou niet op elke pagina in grote witte letters hoeven te worden vermeld), is het naar het oordeel van de voorzieningenrechter aannemelijk dat een bezoeker van de website denkt dat de onderneming van LF Gouda als handelsnaam ‘de Lichtfabriek’ voert en dat deze onderneming het logo ‘LF’ heeft. De voorzieningenrechter is dan ook van oordeel dat LF Gouda in strijd met de overeenkomst op haar website de term ‘de Lichtfabriek’ gebruikt als verwijzing naar haar onderneming. Aldus schiet LF Gouda toerekenbaar tekort in de nakoming van de overeenkomst.

4.12.

De vordering onder II zal gelet op het voorgaande worden toegewezen, voor zover deze betrekking heeft op de website van LF Gouda.

Facebook en Twitter

4.13.

Partijen zijn in de vaststellingsovereenkomst het volgende overeengekomen met betrekking tot het gebruik van social media:

“2. Ten aanzien van het doorvoeren van wijziging van de handelsnaam zal gelden dat:

(…)

b. [LF Gouda] zich inspant om wijzigingen op het internet (d.w.z. (…) op bestaande social media pagina’s) zo spoedig en volledig mogelijk door te voeren. In dat verband geldt immers dat zij afhankelijk is van derden. Zo dient bijvoorbeeld voor wijzigingen op social media een speciaal verzoek daartoe te worden ingediend, onder toezending van bewijs van de gewijzigde naam (o.a. factuur), waarna het verzoek moet worden verwerkt. De verwerking van het verzoek vergt tijd. Toewijzing van het verzoek is vrijwel zeker. Onverhoopte afwijzing staat niet in de weg aan de betrachtte inspanning en een bereikte regeling”.

4.14.

Lichtfabriek Haarlem stelt dat LF Gouda zich onvoldoende heeft ingespannen om de naam van de Facebookpagina te wijzigen. Zij wijst er op dat LF Gouda niet de werkelijke grond tot wijziging aan Facebook heeft doorgegeven, maar “misspelled” en dat LF Gouda de verplichting om het gebruik van de naam ‘(De) Lichtfabriek (Gouda)’ eenvoudig kan nakomen door een nieuwe Facebookpagina aan te maken. Het is volgens Lichtfabriek Haarlem nooit de bedoeling geweest dat LF Gouda het gebruik van de naam ‘(De) Lichtfabriek (Gouda)’ op de Facebookpagina zou kunnen voortzetten als Facebook niet zou meewerken aan naamswijziging. LF Gouda voert daartegen aan dat uit hoofde van de vaststellingsovereenkomst op haar een inspanningsverplichting rust en dat zij daaraan heeft voldaan door een derde een verzoek tot naamswijziging te laten doen. Dat dit verzoek door Facebook is afgewezen, doet daar blijkens de slotzin van de geciteerde passage niet aan af, aldus LF Gouda. De voorzieningenrechter overweegt hieromtrent als volgt.

4.15.

De betekenis van de in de vaststellingsovereenkomst opgenomen zin “Toewijzing van het verzoek is vrijwel zeker. Onverhoopte afwijzing staat niet in de weg aan de betrachtte inspanning en een bereikte regeling” is naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet zonder meer duidelijk. Deze zin duidt er op dat partijen er rekening mee hebben gehouden dat een verzoek tot wijziging op social media kon worden afgewezen. Vervolgens is niet zonneklaar of is bedoeld dat de bereikte regeling bij afwijzing van een wijzigingsverzoek in stand zou blijven ten aanzien van alle andere punten dan social media of dat de bereikte regeling in dat geval in zijn geheel in stand zou blijven, inclusief de verplichting om het gebruik van de naam ‘(De) Lichtfabriek (Gouda)’ op social media te staken. De letterlijke tekst van de bepaling lijkt op de eerste uitleg te duiden. Voor de vaststelling van de inhoud en betekenis van een contractuele bepaling is een taalkundige uitleg van die bepaling echter niet doorslaggevend. Het komt tevens aan op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan de bepaling mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten.

4.16.

Tussen partijen is niet in geschil dat de kern van de vaststellingsovereenkomst is dat LF Gouda de verplichting op zich nam het gebruik van de naam ‘(De) Lichtfabriek (Gouda)’ ter aanduiding van haar onderneming te staken en dat zij haar onderneming voortaan zou aanduiden met ‘LF Gouda’. Deze verplichting strekte zich blijkens de correspondentie tussen partijen en de bewoordingen van de vaststellingsovereenkomst uit tot het gebruik op Facebook. Lichtfabriek Haarlem mocht er dan ook van uitgaan dat LF Gouda het gebruik van de naam ‘De Lichtfabriek Gouda’ op Facebook zou staken. Dat klemt te meer daar LF Gouda ter zitting heeft erkend dat Facebook voor partijen het belangrijkste marketinginstrument is. Dat onderstreept het belang van Lichtfabriek Haarlem bij wijziging van de naam van de Facebookpagina van LF Gouda.

4.17.

Dat de e-mail van 21 april 2015 in tegenstelling tot de e-mail van 10 april 2015 niet uitdrukkelijk vermeldt dat de Facebookpagina met de naam ‘De Lichtfabriek Gouda’ zou worden verwijderd indien aanpassing van de naam niet mogelijk was, leidt niet tot het oordeel dat Lichtfabriek Haarlem voortzetting van het gebruik van deze Facebookpagina moet dulden. Partijen hebben op 10 april 2015 uitdrukkelijk afgesproken dat in dat geval een nieuwe Facebookpagina zou worden gemaakt. In de gegeven omstandigheden had het op de weg van LF Gouda gelegen om, indien zij de bedoeling had om met de e-mail van 21 april 2015 af te wijken van de eerdere afspraak, dat uitdrukkelijk met Lichtfabriek Haarlem te bespreken. Ter zitting is van de zijde van LF Gouda echter erkend dat dat niet is gebeurd. Uit de overgelegde e-mail correspondentie blijkt ook dat partijen na de e-mail van 10 april 2015 slechts hebben gesproken over het moment waarop finale kwijting zou worden verleend en het gebruik van de naam van de locatie op het pand van LF Gouda. In de gegeven omstandigheden, waarbij de voorzieningenrechter met name gewicht toe kent aan het feit dat staking van het gebruik van de naam ‘(De) Lichtfabriek Gouda)’ de kern was van de afspraak tussen partijen en dat Facebook het belangrijkste marketinginstrument van partijen is, hoefde Lichtfabriek Haarlem de in de e-mail van 21 april 2015 gebruikte formulering niet te lezen als een afwijking van de op 10 april 2015 gemaakte afspraak. Dat de passage met betrekking tot social media eindigt met de woorden: “Onverhoopte afwijzing staat niet in de weg aan de betrachtte inspanning en een bereikte regeling”, maakt dit niet anders. Lichtfabriek Haarlem heeft er in de gegeven omstandigheden van uit kunnen gaan dat afwijzing van het verzoek tot naamswijziging niet in de weg stond aan de regeling dat LF Gouda het gebruik van de naam “(De) Lichtfabriek (Gouda)” zou staken. Dit kan LF Gouda als Facebook niet meewerkt aan een naamswijziging ook eenvoudig doen door een nieuwe pagina aan te maken.

4.18.

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter moet de vaststellingsovereenkomst ten aanzien social media dan ook zo worden uitgelegd dat:

  • -

    LF Gouda het gebruik van de naam ‘(De) Lichtfabriek (Gouda)’ ter aanduiding van haar onderneming op social media zal staken,

  • -

    LF Gouda haar onderneming op social media zal aanduiden met ‘LF Gouda’,

  • -

    LF Gouda zich zal inspannen om de hiervoor bedoelde wijzigingen op social media door te voeren,

  • -

    afwijzing van een verzoek tot wijzigingen op social media geen afbreuk doet aan de verplichting het gebruik van de naam ‘(De) Lichtfabriek (Gouda)’ te staken.

4.19.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat LF Gouda is tekortgeschoten in de nakoming van de hiervoor bedoelde verplichtingen. In de eerste plaats kan, anders dan LF Gouda betoogt, niet worden geconcludeerd dat LF Gouda zich heeft ingespannen om de naam van haar Facebookpagina te wijzigen. Uit het door LF Gouda overgelegde verzoek tot naamswijziging blijkt slechts dat Facebook niet heeft ingestemd met een naamswijziging op grond van een verkeerde spelling. Niet valt uit te sluiten dat Facebook, indien zij op de hoogte zou worden gesteld van het handelsnaamgeschil c.q. de vaststellingsovereenkomst, wél zou meewerken aan een (tweede) naamswijziging. Ten tweede heeft LF Gouda onvoldoende onderbouwd dat er geen andere mogelijkheden zijn om alsnog tot naamswijziging te komen. Tot slot heeft zij nagelaten het gebruik van de naam ‘De Lichtfabriek Gouda’ op Facebook te staken door een nieuwe Facebookpagina te starten onder de naam LF Gouda.

4.20.

Ten aanzien van Twitter geldt het volgende. LF Gouda erkent dat zij ook na het sluiten van de overeenkomst op twitter het account LF Gouda@goudselichtfbrk gebruikt. Zij stelt zich evenwel op het standpunt dat dit gebruik in overeenstemming is met de vaststellingsovereenkomst. Zij voert daartoe enerzijds aan dat het woord ‘goudselichtfbrk’ niet het woord ‘lichtfabriek’ bevat, en anderzijds dat zij met het woord ‘goudselichtfbrk’ alleen verwijst naar de locatie van haar onderneming. Dit verweer faalt. Voor een ieder is duidelijk dat met de letters ‘fbrk’ het woord ‘fabriek’ wordt bedoeld. LF Gouda gaat daar zelf ook van uit; zij voert immers aan dat dit woord verwijst naar de locatie van haar onderneming. Daarnaast verwijst de term ‘LF Gouda@goudselichtfbrk’ niet naar de locatie, maar naar de twitteraar die de tweet heeft geplaatst, LF Gouda. Dit gebruik is onder de vaststellingsovereenkomst dan ook niet toegestaan.

4.21.

Op grond van het voorgaande zullen de vorderingen onder III en IV worden toegewezen. Duidelijkheidshalve zal de formulering van de veroordeling worden aangepast als na te melden.

Het lichtbord

4.22.

Lichtfabriek Haarlem stelt dat uit de correspondentie tussen partijen met betrekking tot de vaststellingsovereenkomst volgt dat het lichtbord verwijderd dient te worden. LF Gouda voert hiertegen aan dat partijen zijn overeengekomen dat zij de locatie waar zij gevestigd is mag blijven aanduiden met de naam van die locatie, ook door vermelding van deze naam op het pand. Nu het lichtbord naar het gebouw verwijst en niet naar de onderneming van LF Gouda mag dit bord blijven, aldus LF Gouda.

4.23.

De vaststellingsovereenkomst bepaalt over dit onderwerp:

“(…)

3. Het voorgaande geldt onverminderd het recht van mijn cliënte om de locatie waar zij is gevestigd aan te duiden met de naam van de locatie; de Lichtfabriek.(…) Dit betekent dat (…) indien de naam van de locatie (later) is aangebracht op of in het pand deze aanduiding verwijst naar de locatie en geen verwijdering behoeft. (…)”

4.24.

Deze bewoordingen duiden er op dat LF Gouda, in afwijking van hetgeen partijen in de e-mail van 10 april 2015 hadden afgesproken, voor ogen had dat het lichtbord op de gevel gehandhaafd mocht worden. In dit kader is van belang dat het lichtbord reeds ten tijde van de totstandkoming van de vaststellingsovereenkomst op het pand was aangebracht en dat Lichtfabriek Haarlem, zoals ter zitting door [A.] is bevestigd, daarvan op de hoogte was. Waar partijen verwezen naar (later) aangebrachte aanduidingen op het pand, doelden zij dus mede op het lichtbord. Uit de e-mail van mr. Rutte aan mr. Wiegerinck van 23 april 2015 blijkt dat Lichtfabriek Haarlem de betreffende bepaling daadwerkelijk opvatte als een afwijking van hetgeen in de e-mail van 10 april 2015 was afgesproken:

“(…) De overige punten zijn eveneens akkoord, behoudens het gesteld onder uw punt 3, voor zover het gaat om aanduidingen op het pand die er niet oorspronkelijk c.q. van oudsher al op zaten om het gebouw an sich aan te duiden. Dit in lijn met de eerdere toezegging namens uw cliënte in uw e-mail van 10 april jl. (…) Cliënte verwacht nog steeds dat de (…) toezegging zal worden nageleefd. Alle later aangebrachte aanduidingen zullen derhalve moeten worden veranderd in ‘LF Gouda’.(…)”

Uit de e-mail van 1 mei 2015 blijkt voorts dat Lichtfabriek Haarlem uiteindelijk heeft ingestemd met handhaving van het lichtbord: “(…) in aansluiting daarop kan ik u hierbij bevestigen dat cliënt akkoord is met het aanduiden van de locatie zelf, niet zijnde de onderneming van uw cliënte, middels de naam die daarvoor van oudsher werd gebruikt en in het verlengde daarvan met aanduidingen op het pand die niet refereren c.q. verwijzen naar de onderneming van uw cliënte, doch uitsluitend naar het pand zelf. (…)”

4.25.

Uit de correspondentie tussen partijen blijkt dat Lichtfabriek Haarlem haar instemming met het lichtbord heeft verleend in de veronderstelling dat LF Gouda haar onderneming voortaan zou aanduiden met ‘LF Gouda’ en niet langer met ‘De Lichtfabriek’, zodat bij derden een duidelijk onderscheid zou bestaan tussen de naam van de onderneming en de naam van de locatie. In werkelijkheid is LF Gouda echter, zoals in het voorgaande reeds is overwogen, doorgegaan met gebruik van de naam ‘De Lichtfabriek’ ter aanduiding van haar onderneming op haar website en op social media. Daarnaast heeft LF Gouda ter zitting bevestigd dat zij in het restaurant niet de naam ‘LF Gouda’ gebruikt, maar alleen haar logo ‘LF’. In de gegeven omstandigheden is, gelet op het feit dat het lichtbord bij de toegangsdeur van het restaurant hangt, aannemelijk dat bezoekers van het restaurant de indruk zullen hebben dat het lichtbord de naam van het restaurant weergeeft en dat ‘LF’ het logo is van het restaurant met de naam ‘De Lichtfabriek’. Aldus kan LF Gouda in de gegeven omstandigheden niet volhouden dat het lichtbord slechts de naam van de locatie aanduidt. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter stelt Lichtfabriek Haarlem zich dan ook terecht op het standpunt dat LF Gouda in de gegeven omstandigheden toerekenbaar tekort schiet in de nakoming van de vaststellingsovereenkomst.

4.26.

Ook met betrekking tot het lichtbord kan de vordering tot correcte en volledige nakoming van de overeenkomst derhalve worden toegewezen. Overigens betekent dit niet zonder meer dat LF Gouda het lichtbord dient te verwijderen. Op grond van de overeenkomst is handhaving van het lichtbord immers toegestaan indien voor derden duidelijk is dat niet de onderneming, maar de locatie wordt aangeduid. Dit kan LF Gouda ook bewerkstelligen door in haar restaurant duidelijk te maken dat de naam van het restaurant LF Gouda is, bijvoorbeeld door gebruik van deze naam bij de voordeur en op menukaarten.

Andere tekortkomingen

4.27.

LF Gouda voert naar het oordeel van de voorzieningenrechter terecht aan dat de vordering sub II te onbepaald is om onverkort te worden toegewezen. Lichtfabriek Haarlem heeft deze vordering slechts geconcretiseerd ten aanzien van de website van LF Gouda en het lichtbord. Andere tekortkomingen heeft zij niet gesteld. De toewijzing van de vordering sub II zal derhalve worden gespecificeerd als na te melden.

Dwangsom

4.28.

De vordering tot betaling van een dwangsom zal bij gebreke van inhoudelijk verweer daartegen worden toegewezen, met dien verstande dat deze zal worden beperkt en gemaximeerd als na te melden.

Proceskosten

4.29.

LF Gouda zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. Hierbij worden de volledige kosten als bedoeld in artikel 1019h Rv toegewezen. De vordering wordt weliswaar toegewezen op grond van het algemeen verbintenissenrecht, maar de kern van de tussen partijen gesloten vaststellingsovereenkomst bestaat uit bescherming van de intellectuele eigendomsrechten van Lichtfabriek Haarlem, zodat artikel 1019h Rv ook in dit geval van toepassing is. Lichtfabriek Haarlem heeft haar kosten begroot op ongeveer € 11.486,80. LF Gouda heeft de redelijkheid en evenredigheid van de gevorderde kosten niet bestreden. Deze kosten zullen dan ook worden toegewezen.

De kosten aan de zijde van Lichtfabriek Haarlem worden met inachtneming van het voorgaande begroot op:

- dagvaarding € 77,84

- griffierecht € 613,00

- salaris advocaat € 11.486,80

Totaal € 12.177,64

LF Gouda heeft geen verweer gevoerd tegen de gevorderde nakosten, zodat deze eveneens zullen worden toegewezen.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1.

gebiedt LF Gouda om binnen 48 uur na betekening van dit vonnis de vaststellingsovereenkomst correct en volledig na te komen door op haar website en op en in haar pand een duidelijk onderscheid te maken tussen de naam van haar onderneming en de naam van de locatie,

5.2.

gebiedt LF Gouda om binnen 48 uur na betekening van dit vonnis:

- het gebruik van de naam ‘De Lichtfabriek Gouda’ voor haar Facebookpagina te staken door de naam van deze Facebookpagina te wijzigen, dan wel de Facebookpagina met de naam ‘De Lichtfabriek Gouda’ te beëindigen,

- alle posts en comments op haar Facebookpagina te verwijderen (en verwijderd te houden) dan wel deze zodanig aan te passen (en aangepast te houden) dat geen sprake meer is van het gebruik van de naam ‘De Lichtfabriek Gouda’, dan wel ‘de Lichtfabriek’ of ‘Lichtfabriek’ ter aanduiding van de onderneming van LF Gouda en

- zich voorts te onthouden van het doen van nieuwe uitlatingen via Facebook, waarbij de naam ‘De Lichtfabriek Gouda’, dan wel ‘de Lichtfabriek’ of ‘Lichtfabriek’ ter aanduiding van de onderneming van LF Gouda wordt gebruikt,

5.3.

gebiedt LF Gouda om binnen 48 uur na betekening van dit vonnis:

- de content van het Twitteraccount van LF Gouda zodanig aan te passen en aangepast te houden, dat daarop geen sprake meer is van het gebruik van de naam ‘De Lichtfabriek Gouda’, dan wel ‘de Lichtfabriek’ of ‘Lichtfabriek’ ter aanduiding van de onderneming van LF Gouda en

- zich voorts te onthouden van het doen van nieuwe uitlatingen via Twitter waarbij de naam ‘De Lichtfabriek Gouda’, dan wel ‘de Lichtfabriek’ of ‘Lichtfabriek’ ter aanduiding van de onderneming van LF Gouda wordt gebruikt,

5.4.

veroordeelt LF Gouda om aan Lichtfabriek Haarlem een dwangsom te betalen van € 500,00 voor iedere afzonderlijke overtreding voor iedere dag of gedeelte daarvan dat zij niet aan het in 5.1, 5.2 of 5.3 uitgesproken gebod voldoet, tot een maximum van in totaal € 50.000,00 is bereikt,

5.5.

bepaalt de termijn zoals bedoeld in artikel 1019i Rv, waarbinnen de eis in de hoofdzaak dient te worden ingesteld, op zes maanden,

5.6.

veroordeelt LF Gouda in de proceskosten, aan de zijde van Lichtfabriek Haarlem tot op heden begroot op € 12.177,64,

5.7.

veroordeelt LF Gouda in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 131,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat betekening van dit vonnis heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 68,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak,

5.8.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.9.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.I. de Vreese-Rood en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier mr. S. van der Salm-van Gelderen op 14 oktober 2015.1

1 Conc.: 1053