Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2015:1030

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
13-02-2015
Datum publicatie
18-02-2015
Zaaknummer
AWB - 14 _ 5398
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2016:1638, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Vovo bekendmaking van rechtswege verleende vergunning afgewezen. Uitgebreide voorbereidingsprocedure van toepassing vanwege strijd met bestemmingsplan. Terecht vrijstelling ex art. 19-1 WRO in aanmerking genomen bij vaststellen maximale aantal woningen.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Alkmaar

Bestuursrecht

zaaknummers: HAA 14/5398 en HAA 14/5401

uitspraak van de voorzieningenrechter van 13 februari 2015 op het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

[eiser], te [woonplaats], eiser

(gemachtigde: mr. C.W. Kniestedt),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Hollands Kroon, verweerder

(gemachtigden: ir. M. van Munster en ing. D. Treffers).

Procesverloop

Eiser heeft beroep ingesteld vanwege het niet tijdig bekend maken van een beslissing van rechtswege als bedoeld in artikel 8:55f van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) op de aanvraag om een omgevingsvergunning van 25 juni 2014.

Eiser heeft de voorzieningenrechter tevens verzocht om een voorlopige voorziening te treffen in die zin dat verweerder uiterlijk binnen twee weken na de dag waarop de uitspraak zal worden verzonden de van rechtswege verleende vergunning alsnog bekend maakt. Tevens verzoekt eiser om verweerder een dwangsom op te leggen voor elke dag dat niet aan de uitspraak wordt voldaan.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 januari 2015. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Tevens was aanwezig [naam].

Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.

Overwegingen

  1. Na afloop van de zitting is de voorzieningenrechter tot de conclusie gekomen dat nader onderzoek niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak. De voorzieningenrechter doet daarom op grond van artikel 8:86 Awb niet alleen uitspraak op het verzoek om voorlopige voorziening, maar ook op het beroep.

  2. Eiser heeft op 25 juni 2014 een aanvraag om omgevingsvergunning ingediend voor de bouw van drie vrijstaande huizen op het perceel [adres]. Hij meent dat hiervoor inmiddels een vergunning van rechtswege tot stand is gekomen en dat verweerder heeft verzuimd deze bekend te maken.

  3. Bij de beantwoording van de vraag of sprake is van een van rechtswege verleende omgevingsvergunning en of verweerder in gebreke is deze vergunning bekend te maken, dient te worden bezien of in dit geval de reguliere voorbereidingsprocedure geldt dan wel de uitgebreide voorbereidingsprocedure. Immers, indien de laatste van toepassing is kan op grond van artikel 3:10, vierde lid, van de Awb geen vergunning van rechtswege ontstaan.

4. Ingevolge artikel 3.10, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wabo is de uitgebreide voorbereidingsprocedure van toepassing op de voorbereiding van de beschikking op de aanvraag om een omgevingsvergunning indien de aanvraag geheel of gedeeltelijk betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de Wabo voor zover er strijd is met het bestemmingsplan of een beheersverordening en slechts vergunning kan worden verleend met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 3°, of artikel 2.12, tweede lid, van de Wabo.

4. Verweerder meent dat de uitgebreide voorbereidingsprocedure van toepassing is omdat het bouwplan strijdig is met het vigerende bestemmingsplan “Buitengebied voormalige gemeente Niedorp” (hierna: het bestemmingsplan). Daarbij neemt verweerder in aanmerking dat ter plaatse reeds vijf woningen zijn gerealiseerd alsmede dat op 1 december 2008 met toepassing van artikel 19, eerste lid van de Wet op de Ruimtelijke Ordening vrijstelling is verleend voor vier woningen. Deze vrijstelling heeft ingevolge artikel 1.5b in samenhang met artikel 1.5a van de Invoeringswet Wabo te gelden als een omgevingsvergunning eerste fase als bedoeld in artikel 2.5 van de Wabo, voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c van die wet. Dit alles te samen maakt dat het maximale aantal van negen wooneenheden reeds is vergund.

5. Eiser bestrijdt onder meer dat deze vrijstelling in aanmerking kan worden genomen bij de beantwoording van de vraag of het ter plaatse toegestane maximale aantal woonheden is bereikt. Hij wijst er op dat er nimmer een aanvraag voor een vergunning voor de tweede fase is gevolgd. Er zal ook nooit een zodanige aanvraag komen omdat betrokkene thans voor die locatie een geheel ander bouwplan - te weten voor zes woningen - heeft ingediend. Verweerder zou naar de mening van eiser de omgevingsvergunning eerste fase moeten intrekken. Verder wijst eiser er nog op dat de destijds verleende vrijstelling nooit is verwerkt in het daarna tot stand gekomen vigerende bestemmingsplan.

6. De voorzieningenrechter stelt vast dat het bestemmingsplan op het onderhavige (grote) bestemmingsvlak blijkens de verbeelding voorziet in de bouw van maximaal negen woningen. Dit bestemmingsvlak omvat mede (maar beperkt zich overigens zich niet tot) de gronden waarvoor in 2008 vrijstelling is verleend ten behoeve van vier wooneenheden. Derhalve kan worden vastgesteld dat de meergenoemde vrijstelling, anders dan eiser meent, is verwerkt in het nadien tot stand gekomen bestemmingsplan.

8. De voorzieningenrechter is van oordeel dat verweerder op grond van het reeds aanwezige vijftal woningen en het viertal waarvoor destijds vrijstelling is verleend er terecht van is uitgegaan dat het maximale aantal woningen reeds is vergund. De stelling dat de op grond van de Invoeringswet Wabo als omgevingsvergunning eerste fase aangemerkte vrijstelling buiten beschouwing zou moeten worden gelaten, vindt geen steun in wet of andere regelgeving. Dat mogelijk nooit een aanvraag voor de tweede fase zal worden ingediend, maakt dit niet anders. De situatie is immers niet wezenlijk anders dan in het geval er een complete omgevingsvergunning zou liggen, waar betrokkene om hem moverende redenen toch geen gebruik van wenst te maken. Ook deze kan niet buiten beschouwing worden gelaten bij de toets ter zake het maximaal aantal toegelaten woningen. Voor zover eiser van mening is dat verweerder de omgevingsvergunning eerste fase moet intrekken, dient hij een daartoe strekkend verzoek te doen. Een en ander kan op dit moment echter geen rol spelen.

9. Nu de aanvraag van eiser strijdig is met het bestemmingsplan en zich de situatie voordoet dat slechts vergunning kan worden verleend met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 3°, of artikel 2.12, tweede lid, van de Wabo, is de uitgebreide voorbereidingsprocedure van toepassing. De omstandigheid dat verweerder er op enig moment vanuit is gegaan dat de reguliere voorbereidingsprocedure van toepassing was, zoals eiser terecht heeft aangevoerd, kan niet afdoen aan het dwingendrechtelijke voorschrift van artikel 3.10, eerste lid, van de Wabo. Welke procedure van toepassing is, wordt door de wet voorgeschreven. Deze beroepsgrond slaagt dan ook niet.

10. Nu de reguliere voorbereidingsprocedure niet van toepassing is op de behandeling van deze aanvraag, is niet van rechtswege een omgevingsvergunning op de aanvraag van eiser ontstaan. Het beroep is dan ook ongegrond. Hetgeen is aangevoerd met betrekking tot de volgorde van behandeling van alle thans bij verweerder liggende aanvragen voor bouwen in het betrokken gebied, behoeft in het kader van de onderhavige procedures geen bespreking.

10. Omdat het beroep ongegrond is, is er geen aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen. Tevens wordt het verzoek om vaststelling van een dwangsom afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter:

- verklaart het beroep ongegrond;

- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. I.M. Ludwig, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van drs. M.A.J. Arts, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 13 februari 2015.

griffier voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan voor zover daarbij is beslist op het beroep binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.